Koedoesberg

Op den avond van 10 Februari, 1900, bevond ik mij weer bij mijn wagentje

in het lager van Generaal Cronjé. Groote dingen waren reeds in de

geboorte, maar wij wisten er niets vanaf. De groote storm was nabij,

maar wij hadden er slechts nog het voorspel van te Koedoesberg

ondervonden.

Of Lord Roberts werkelijk zien wilde, of er kans was, om ons

rechtervleugel om te trekken, en alzoo Kimberley te bereiken, dan of hij

slechts Generaal Cronjé's aandacht zoo ver mogelijk van zijn werkelijke

plannen wilde aftrekken, is mij niet bekend. Indien het laatste zijn

doel was, was het een onnoodig verspillen van tijd en krachten. Onze

Generaal bepaalde al zijne aandacht op het kamp bij de Twee Rivieren

en had geen oog voor den opkomenden orkaan. Indien het eerste zijne

bedoeling was, liep het er maar slecht mee af. Zijn dappere Generaal,

Hector Macdonald, deed wel goed werk, maar de ruiterij gedroeg zich zeer

zwak.

De hitte was ondragelijk in die week (5 tot 9 Februari), en de

schermutseling vond ver van ons uitersten rechtervleugel—zegge 25

of 30 mijl van Langberg—plaats. Er was eene drift dicht bij den berg,

maar wij hadden niet genoeg manschappen, om die te beschermen. De

Ficksburgers, Ladybranders en Stellalanders, die den rechtervleugel

vormden, waren nauwelijks voldoende, om de Magersfontein Randjes te

verdedigen. Er waren er echter wakkere verkenners, die een oog in 't

zeil hielden, en spoedig de tijding naar onze Generaals brachten, dat

er een Engelsche macht daar ginds in aantocht was. Laat ons bij wijze

van verandering en ook ter wille van den merkwaardige man, die het

dicteerde, #het Verslag van Generaal De Wet# in zijn geheel overnemen. Ik

ontving het uit zijne hand in zijne tent op Zondag namiddag, 11 Februari,

als eene copij van het telegram, dat hij aan President Steijn verzonden

had.

»Vecht-Generaal Staatspresident

DE WET Bloemfontein.

Magersfontein.

10.2.'00. Door afwezigheid van de helio en telegraaf was het mij

onmogelijk behoorlijk van tijd tot tijd, gedurende het gevecht te

Koedoesberg, UH.Ed. op de hoogte van alles te houden. Ik ben heden

te Magersfontein terug en wensch UH.Ed. zoo na mogelijk een volledig

Verslag te doen van het gevecht.

Zondagmiddag 4 dezer ontving ik van onze westelijke posities bericht,

dat een sterke patrouille van den vijand te Twee Rivieren naar

Koedoesberg aftrok, toen reeds naar alle vermoeden een sterke macht des

vijands daar was. Ik gaf dadelijk order aan Wden Kommandant du Plooy

van Midden-Modderrivier, om met eene patrouille van 100 man onderzoek

intestellen. Laat dien nacht kwam hij te Koedoesberg aan en bemerkte,

dat de vijand in den berg was. Hij deed toen dadelijk rapport.

Ik ging onmiddellijk met 300 man en kwam Maandag namiddag 4 uur te

Koedoesberg aan, alwaar ik vond, dat eene overmacht des vijands op de

zuidelijke punt des bergs was. De berg is ongeveer 2000 treden lang.

De vijand had den berg zeer goed verschanst op de punt, waar hij was.

Ook had hij een sterke reserve vlak onder den berg bij de drift aan

de overzijde der rivier. Ik bestormde onmiddellijk den berg van de

noordelijke zijde op drie punten en vocht onafgebroken door tot half

acht namiddag, toen wij tot op de helft van den berg gevorderd waren.

De berg is zeer schraal aan posities voor onze burgers, om bij hunne

schansen te komen, en daar wij den geheelen dag door gereisd hadden en

er gebrek aan water was, was ik verplicht ongeveer een half uur ver van

den berg terug te trekken, om water te bekomen.

Dinsdag 6 dezer bleven wij daarover, om versterking en ammunitie en

een kanon aftewachten. Dien avond kwam Commandant Cronjé, broeder van

Generaal Cronjé, aan, met eene versterking van 200 burgers en een kanon.

Woensdagochtend halfvijf trok ik den berg in met Commandanten Cronjé,

Froneman, Visser en den Commandant du Plooy, die deeltjes van andere

Commandanten onder zich heeft, namelijk Vrijstaatsche. Commandant

Froneman ging met 80 man aan de westzijde langs de rivier op, alwaar

hij naar schatting den geheelen dag door tot den avond donker uitnemend

dapper vocht met zijn 80 man, bestaande uit Ladybranders en Veldkornet

Geijer, van Griqualand-West, met een deeltje zijner burgers.

Wij bevochten den berg en kwamen even ver als Maandagavond van hunne

schansen.

Ten halfvijf dien middag trokken ongeveer 800 tot 1000 paardenruiters

(bereden infanterie) met 2 kanonnen ten oosten om den berg,

waarschijnlijk, om ons op den berg in te sluiten. Ik ging met 36

burgers, daar ik niet meer ter mijner beschikking had, den berg af en

was geen tien minuten te vroeg, en schoot met Gods hulp—waarvoor wij

nooit genoeg dankbaar kunnen zijn—den vijand onder een hevig kanonvuur

terug. Door gebrek aan water trokken wij weder dien avond ongeveer een

half uur terug.

Overtuigd zijnde, dat al konden wij den berg nemen, het wegens gebrek

aan water onmogelijk zoude zijn hem in bezit te houden, of wij zouden

ook den vijand uit de rivier moeten verdrijven—waar hij zich vast

gegraven had,—besloten wij toen verschillende posities een half uur

ten noorden van den berg in te nemen.

Donderdag 8 dezer vuurden zij slechts eenige kanonschoten van een

aanzienlijken afstand op ons af, en Vrijdag, ochtend werden wij gewaar,

dat de vijand dien nacht terug gevlucht was naar Twee Rivieren.

Wij gingen over het slagveld rond en vonden nog drie lijken des vijands.

Door de ontferming onzes Gods was ons verlies zeer genadiglijk 3

gesneuveld en 6 gewond, meestal licht; de namen zal ik u later zenden.

Het verlies des vijands is onbekend, doch moet aanzienlijk zijn, te

oordeelen naar hunne begraafplaats”.

_Later._ »Re verslag hedenmiddag gezonden gevecht Koedoesberg, kan ik

U H.Ed. mededeelen, dat Majoor Albrecht met het kanon kwam en het op de

noorderpunt van den berg plaatste, en den tweeden bom midden in hunne

schansen wierp. Hij vuurde gedurende den dag onverschrokken door op de

schansen, niettegenstaande er bijna onafgebroken met zes kanonnen op hem

en zijne mannen gebombardeerd werd. Slechts een zijner mannen werd licht

gewond. In het geheel hadden zij 10 kanonnen op onze verschillende

posities.”

* * * * *

Dit was het eerste gevecht, waarvan Generaal Christiaan de Wet de

leiding had. De Schotten vonden hem een harde noot om te kraken:

»Fighting Mac” had zijn Mozes gevonden!

Zes maanden bij de commando's · 第 69 / 79 题