In Italie treedt de reiziger dikwijls op het edelste marmer van Carrara,
zonder het te weten. Er zijn marmeren trottoirs langs de straten en
marmeren vloeren in de kerken, die zóó vuil zijn, dat wij op hun waarde
geen achtgeven, totdat een mede-reiziger ons erop wijst. Zoo staat
het heden in Zuid-Afrika, in verband met veel, dat edel en groot en
voortreffelijk is. Men ziet de waarde ervan niet in. Men vertreedt het
met onheilige voeten. Men bekladt het met onbesneden lippen. Men veracht
het met ongastvrije harten. Het hoogste patriotisme wordt door vele,
zeer vele mannen en vrouwen als eene misdaad veroordeeld. De edelste
heldenmoed wordt bespot. De liefde voor vrijheid en onafhankelijkheid
wordt gehaat en gestraft. Veel, o! zoo veel, dat er op de school als
idealen door onze meesters werd afgeschilderd, wordt thans als
schandalen gebrandmerkt. Is de deugd dan even veranderlijk als het
klimaat? Zijn het hooge en het lage dan met elkander te verwarren?
Bedriegt het hart ons, wanneer het met inwendigen donder verkondigt:
»_dat_ is waarlijk schoon, edel, recht?”
Helaas! het reine marmer wordt door vuile, onsympathieke voeten betreden
en besmet. De meerderheid der inwoners van Zuid-Afrika zijn op 't
oogenblik met blindheid geslagen. Later zullen zij weer het oneindig
verschil tusschen edel en onedel, recht en verkeerd inzien. De Oorlog
en de Krijgswet hebben _onnatuurlijke_ gevoelens en maatstaffen in het
leven geroepen, en de aloude scheidslijnen tusschen goed en kwaad zijn
thans niet geldig.
Een Transvaalsch burger en ambtenaar verraadt de oorlogsgeheimen zijner
Regeering aan de vijanden van zijn Staat. Zijn bedrog wordt eerst
uitgevonden _na_ de komst der Engelsche legers te Pretoria, en de
man ontvangt brieven van dank en lof van hooge authoriteiten. Zijne
sympathiën waren Engelsch: dat bedekt al het kwaad. Een Koloniale
Afrikaander van Hollandsch Hugenooten bloede geeft voedsel aan een
bloedverwant, die uit de Republieken gewapend tot hem gekomen is. Hij
doet zulks _niet_ uit vijandschap tegen zijn wettige overheid, maar uit
liefde voor zijn eigen vleesch en bloed. Hij blijft loyaal en getrouw
aan zijne Regeering en Vlag,—maar vindt zich weldra in den tronk en
wordt mogelijk zwaar beboet. 't Is best mogelijk, ja vrij wel zeker, dat
er gelijkluidende gevallen tegen de Boeren authoriteiten kunnen worden
aangehaald. Het ligt in den aard van elken oorlog, en vooral van elken
burgeroorlog, om zulke verwarringen en omkeeringen op zedelijk gebied te
voorschijn te roepen. List en bedrog, leugentaal en laagheid bevorderen
immers »de goede zaak des strijds”. Derhalve worden zij geëerd,
geprezen en beloond. De bekende valsche stelregel komt in vollen zwang,
openlijk en onbeschaamd voor het aangezicht van de hooge zon: »Het doel
(namelijk: de zege) heiligt de middelen.” Liefde, trouw, eerlijkheid,
mannelijkheid—eenige deugd, die de krijgsoperaties in den weg staat,
of gezegd wordt te staan—is anathema. »'t Is _o-o-r-l-o-g_,” wordt
er schouderophalend gezegd; »de oude, eeuwige zedewet is voorloopig
uitgewischt.”
En het arm, onnoozel, oppervlakkig gepeupel, door partijbladen
opgezweept en partijgevoel weggesleept, zegt »Amen” op den
onnatuurlijken en belachelijken toestand van zaken en volgt de
heerschende mode na. Gelijk een klomp ezels op dezelfde wijze balken,
zoo raken zij allen dezelfde geijkte termen en scheldwoorden kwijt.
Gelijk een hoop lafaards voegen zij zich steeds bij de winnende partij.
De »rechte” kant is voor hen de kant, waar het meeste geld bij te
verdienen valt. Eigen huid en zak zijn immers de groote afgoden van
het algemeene publiek. En als de oorlog voorbij is?—Dan gaat de
tijdelijke krankzinnigheid op moreel gebied ook voorbij. Dan eindigt
de zonsverduistering op heroïek gebied. Dan hoort men van alle kanten
van »de dappere Boeren”, de »standvastige Boerenvrouwen en dochters”,
de »knappe Boeren-Generaals”, de »wonderbare liefde voor de
onafhankelijkheid”, de »edele hartstocht voor de vrijheid” en het
»onuitblusschelijke vuur van patriotisme”, dat alle zelfzucht en
eigenbelang kan verteeren. Ja, _dan_ ziet elkeen het schitterende marmer
onder het vuil, het goud te midden van het slijk, de helden verre
boven de zwakken uitblinken. En de menschen, die zoo luide tijdens de
Krijgswet precies het tegenovergestelde uitbazuinden, zullen _vooraan_
staan in het nieuwe concert, en geheel en al vergeten, hoe zij kort te
voren met de ezels gebalkt hebben.
Ach! wat een geluk, dat de genadige Voorzienigheid steeds wat humor
bij den bittersten levensbeker mengt. Wie zou het anders op den duur
op aarde kunnen uithouden? Lacht dan, vriend, als gij lachen kunt,
over het kluchtige, het komische, het gekke, dat er in en onder en
achter de treurige verschijnselen des tijds schuilt. Er is veel stof tot
lachen—als de tranen u niet te gauw zijn. Helaas! de kinderen sterven
bij duizenden in de »Concentratie kampen”, de vaders en zoons sneuvelen
bij honderden in het veld en op de heuvelen van Zuid-Afrika—hoe zullen
wij dan lachen? Het gaat den echten Hollandschen Afrikaander thans als
den Israëlieten aan de rivieren van Babel: »hoe zou hij kunnen zingen”,
of lachen? Gelijk Andromache staat de Zuid-Afrikaansche vrouw op de
muren van een met ondergang bedreigd Troje, »door de tranen glimlachend”
(δακρυων γελασασα), als er soms een glimlach zich plooit.
Geduld! De Tijd zal alles recht maken. De geschiedenis heeft menige
bladzijde, waarop er »Kruis Hem” en »Hosanna” dicht bijelkander
geschreven staan. Wat recht en nobel en waar is, moet toch eindelijk
boven drijven. Het marmer blijft marmer, trots al het slijk er op
geworpen. Lacht ze dus vrij uit, die tegen de wetten der natuur kampen.
Lacht—eer de tranen uw lachen dempen.
Vraagt gij mij: wat het voorgaande met mijn opschrift boven dit
hoofdstuk te doen heeft? Het antwoord is heel eenvoudig. Ik ging met
mijn licht rijtuigje en »Lady” om Kimberley _via_ Warrenton, en—durf
niet eens de namen noemen van velen, die ik zoo gaarne in dit boek had
willen prijzen. De Rebellen en de Warrentonners hebben mij veel liefde
en vriendschap bewezen—maar »de rechtvaardige zwijgt, daar de tijden
boos zijn”. De hartelijkheid, aan een ouden vriend en raadgever en
leeraar bewezen, noemt men »verraad”. De goede vrienden, die mij
gehuisvest en gevoed hebben, mag men »disloyaal” en »gevaarlijk” en
»onbegeerlijk” (undesireable) vinden, en uit de heilige, vlekkelooze,
»loyale” samenleving verbannen. De man, dien ik prijs, kan daardoor
in de gevangenis komen; de vrouw, die mij wel deed, kan daardoor in
moeilijkheden zonder tal gedompeld worden. Als ik iemand als goed en
edel en flink aanteeken, zal men mogelijk mijne woorden geheel en al
misverstaan en verdraaien—want waarlijk, de toren van Babel wordt thans
weer van nieuws af aan in ons land gebouwd!
Onvergetelijke, trouwe Vrienden en Vriendinnen uit de gemeente
Warrenton! Uw namen zijn verzwegen; uw goedheid blijve leven. Waar zijt
gij allen nu? Ik reik u de hand van vriendschap tot aan de onbekende
plaatsen, waar gij u mocht bevinden. Zijt gij in de gevangenis? Ik
druk uw hand des te inniger, en dank u des te hartelijker voor de
gastvrijheid en vriendschap aan mij en vele andere Republikeinen
bewezen. Uw heerlijke druiven en vijgen en perziken hebben onze
»zomerdroogte in sap veranderd”. De dagen, ja weken, die ik onder u
doorbracht in den oorlog, hebben mij de jeugd vernieuwd en de krachten
hersteld. Vergeef het mij, dat ik uwe namen niet neerschrijf. Om
uwentwille zwijg ik. Gij hebt reeds genoeg, meer dan genoeg voor uwe
natuurlijke sympathieën met uw Republikeinsche broeders geleden. Och!
dat ik u troosten kon, zooals in de goede oude tijden, toen ik onder
u woonde en in en uit ging. Wie weet? Mogelijk kon ik u nogmaals
toeroepen—zooals ik verleden jaar deed—»En gij, _Warrenton_, zijt gij
klein onder de duizenden van Zuid-Afrika?” Als die blijde dag echter
daagt, dan hoop ik—met uw verlof!—dat het mij niet noodig zal zijn, om
wederom een zwarten jas van uw Dominé, een wit hemd van uw Schoolmeester
en een paar nieuwe laarzen van uw Vrederechter voor dat doel te
commandeeren!
Wat de Boeren-kampen rondom Kimberley betreft, daaromtrent heb
ik niet veel te zeggen. Te Olifantsfontein vond ik Generaal—of
Hoofd-Commandant, zoo als de Vrijstaters het hebben—I. Ferreira.
Eenvoudig, hartelijk, eerlijk, beminnelijk en dapper mag hij wel genoemd
worden, die lange, gespierde, mooie man. Ook hij kon, echter, weinig te
Kimberley uitrichten. De groote grondhoopen (_débris_) rondom de stad
vormden volmaakte forten. Met duizend man kon men de stad wel een jaar
lang tegen tien duizend verdedigen, indien het noodige voedsel slechts
voorhanden was. Onze kanonnen waren weinig in tal (vijf of zes), en
wat konden zij tegen die groote grondforten uitrichten? Zelfs Long Tom
bulderde zich heesch tegen de stad, en—doodde een paar onschuldige
personen. De kring om de stad was ook zóó reusachtig groot, dat er wel
tienduizend of meer burgers noodig waren, om allen toevoer van vee te
voorkomen. Hoe langer het beleg echter duurde, hoe kleiner werd het
getal burgers, die het kordon erom moesten trekken. Van alle kanten
riepen de Generaals: »zend manschappen, meer manschappen”—en, helaas!
de »verlofziekte” nam ook geweldig toe. Het leegliggen en nietsdoen om
de belegerde steden deden »onze menschen” veel kwaad, al was het dan ook
alleen, omdat zij daardoor des te meer naar huis verlangden. Zij waren
immers geen gehuurde soldaten en zagen geen gevaar, tenzij het duidelijk
en zichtbaar voor hunne oogen stond.
Van Olifantsfontein ging ik naar het lager der Warrentonners en Barkly
West-manschappen, dicht bij Dronfield Siding, ten noorden van Kimberley.
Van hen hooren wij later meer. Op den namiddag van 7 Februari stond ik
voor de tweede maal daar. Long Tom zou dien namiddag zijn gevreesde
basnoten doen hooren van het noordwesten der stad. Sommige burgers
verwachtten groote dingen van den ouden veteraan, die bij Lombard's Kop
op 8 December 1899 zoo zwaar gewond werd. Ik had den invaliede in de
Z. A. S. M. werkplaats bij het Pretoria-station gezien, toen men hem er
een halve voet van voren had afgesneden, en werkelijk ook een nieuw stuk
achteraan wist te voegen: 't Was een meesterstuk! Vandaar ging de oude
op reis per spoor naar Bloemfontein, en toen weer langzaam en hijgend
per os naar Boshof. Intusschen was Léon—en met hem ditmaal ook Kolonel
de Villebois—te Magersfontein geweest, om een geschikte plek voor het
vestingkanon te zoeken. Generaal Cronjé was zeer begeerig het groote
kanon op Methuen's Kamp een weinig te doen brullen, maar de heer Léon
achtte Kamfersdam de beste positie ervoor, mits de verschillende
commando's om Kimberley nader naar de stad trokken. Wel, daar zag ik
de bekende, groote rookkolommen van Pepworth's Heuvel en Lombard's Kop
en Bulwana, spoedig door de geweldige donderslagen gevolgd. Ditmaal,
echter, zag ik iets, dat ik te Ladysmith nooit had gezien: een groot
huis in de vlammen. Dien eersten dag reeds raakte er een pakhuis in
brand. Veel meer, echter, heeft Long Tom _redivivus_ niet uitgericht,
als men de vreeselijke angsten der arme vrouwen buiten rekening laat.
Arme, zwakke, gevoelige vrouwen! Wat hebt ge niet veel in zoo'n oorlog
te lijden! Hoe wordt uw teeder gestel niet dagelijks geschokt! Uwe
gezondheid ondermijnd! En hier staan wij, buiten de stad in volmaakte
veiligheid te lachen over de stofwolken en de vlammen door ons
staatmaker kanon veroorzaakt. Geduld maar! Over weinig dagen komt onze
beurt weer om te sidderen en te beven. »Die het laatst lacht, lacht het
lekkerst.”
Den dag daarop bevond ik mij bij Vecht-Generaal du Toit, van
Wolmaransstad. Zijn hoofdkwartieren waren bij een fraaie hoeve,
halverwege tusschen Riverton (op de Vaal) en Kimberley gelegen. Het
water der rivier werd te Riverton door stoommachines uitgepompt en naar
gemelde halfweg-station door ijzeren pijpen gevoerd. Vandaar werd het
water verder naar de groote stad gepompt. Fraaie vruchtboomen stonden er
in de prachtige tuinen om het huis thans te verdrogen. Water was er in
overvloed, maar de oorlog denkt niet aan boomen planten en benatten. De
oorlog verwoest slechts. De lieflijke »oase in de woestijn” was er niet
meer.
Van de »oase” naar Kampersdam is het nauwelijks eene mijl. Laatsgenoemde
plaats zag er veel bedrijviger uit, toen ik er op 9 Februari aankwam.
De Warrentonners waren er in vollen getale in de mijngebouwen en de
fortjes vóór de mijn, om het kanon tegen alle aanvallen uit de stad
te verdedigen. Wat waren zij vroolijk en opgewekt! Er werd hevig
gebombardeerd dien dag, en zij waren er bij. »Wat een aardig geval!”
Bij hun vorige lager zag ik de jongeren onder hen een »cricket-match”
tegen de Boshoffers spelen. Wat een pret levert zoo'n belegering toch
op! Twee Engelsche kanonnen vuurden gedurig op Long Tom: één van Otto's
Kopje, wat rechts van Kamfersdam (ten westen van de stad), het andere
uit een fort bij Kimberley. Het tweede was de beroemde »Long Cecil”, een
29-ponder, die snel en geducht kon vuren. Onze pret dien dag bestond in
het staan boven op de zandbakken van Long Tom's fort, met veldkijkers
voor de oogen, om te zien, waar de projectielen neerploften. Er werd
vooral op zekere bekende gebouwen gemikt, maar telkenmale rezen er
slechts roode stof kolommen omhoog, zonder meer. Long Cecil schoot meer
dan eens in de zakken, waarop wij geen tien seconden te voren gestaan
hadden, maar de vlam waarschuwde ons natuurlijk intijds, om ter aarde
te vallen. Dikwijls regende het blauw gruis en zand op onze hoeden en
jassen.
Zoo gingen wij voort, totdat onze wacht mij en een vriend—wien ik
ongelukkig niet mag noemen—vergat te waarschuwen, dat het kanonnetje
van Otto's Kop gevlamd had. _Boem_—hoorden wij, aan ons rechterkant
dreunen, terwijl wij hoog en prominent op de zandzakken stonden. In een
oogenblik vielen wij als stukken lood ervan af, om de bom schram boven
onze hoofden te hooren voorbij snorren. Hé, dat was onpleizierig. Wij
rilden—en wenschten elkander geluk—en hielden op met de pret.
Den 10den verliet ik Generaal du Toit, die mij bijzonder vriendelijk
had ontvangen, hoewel wij elkander onbekend waren. In 't voorbijgaan zag
ik Léon en de Villebois voor hunne tent staan. Zij waren in een druk
gesprek gewikkeld. De zaken liepen hun niet naar den zin. De Krijgsraad
nam besluiten, om van alle kanten »nader te stormen” (zoo noemde men
het), maar de daad bleef achterwege. Even als te Ladysmith, zoo ging het
ook te Kimberley. Er was geen eendrachtige samenwerking. De Villebois
was verstomd, maar hij wanhoopte niet, want hij wist, wat er in den
Boer zat. Léon was bekommerd, want het groote kanon was in gevaar,
tenzij de burgers het kordon om de stad nauwer toehaalden, en de vijand
alzoo beletten om alle aandacht aan Long Tom te wijden.
»Ik zal verplicht zijn het groote kanon terug te trekken, als al de
posities, zoo als door den Krijgsraad besloten, niet van avond bestormd
worden”—seinde hij voor het laatst naar Pretoria. Nog één dag zou hij
de burgers eene kans geven, om een voorwaartsche beweging te doen.
Dienzelfden dag, echter, trof hem een Lee Metford kogel in het hoofd,
vlak boven het rechteroog, en hij werd voor dood naar een Veldhospitaal
gebracht. Eenige scherpschutters uit de stad waren in den nacht tot
in de »Brick Fields”, zoo wat 2,500 of meer treden van Kamfersdam,
gekropen, vanwaar zij den energieken, kleinen, tengeren Franschman bijna
een doodschot toebrachten. Indien Homerus dit verhaal nu verder kon
opnemen, zou hij gewis een of anderen god als Artillerist doen optreden,
of Long Tom als woedend en wraakzuchtig voorstellen, wegens de wond aan
zijn chef bezorgd, want ziet! wat gebeurde er kort daarop? Labram, de
knappe schepper van Long Cecil, werd door een der weinige bommen, die
een doodelijke uitwerking in de stad hadden, verpletterd. Zulke episoden
zijn waarlijk Homerisch.
Het eenige Transvaalsche lager van Kimberley, behalve dat bij de
Waterwerken, lag ten zuidwesten der stad. Het was eenige uren rijdens
van het eerstgemelde verwijderd, maar zwaarder zandpad ben ik nog nooit
in mijn leven doorgegaan, als dat ten westen van de diamantvelden.
Mijn arm paard had het geweldig zwaar, te meer omdat de zomerzon
hevig brandde. Na veel zwoegen en zweeten kwamen wij bij het kamp der
Lichtenburgers onder Commandant Vermaas aan. Het zag er treurig uit
te midden der zandwegen en ver van het water. Geen wonder, dat men
niet nader naar de stad schuiven kon. Er was geen water! Het was op de
voorpunt van de Lichtenburgsche posities—destijds door de Bloemhoffers
bezet—dat Scott-Turner tweemaal een aanval waagde en zijn leven
verloor.
Na den middageten reed ik verder naar Scholtznek. Ten zuiden der stad,
dicht bij de spoorlijn, waren de Bloemfonteiners, onder Generaal
Kolbe (Spijtfontein enz.). Als men den spoorweg oversteekt, volgt het
Boshofsche legertje, te Alexandersfontein en verder dan heeft men de
Winburgers.
Het juiste getal burgers om Kimberley in die dagen is moeilijk te
bepalen. Men kwam en ging. De Transvalers telden, echter, niet meer dan
1500 man; en de Vrijstaters mogelijk 2000. De Rebellen bedroegen precies
230, in drie klompjes gesplitst: die van Barkly West, onder Commandant
van Aswegen, die van Warrenton, onder Veldkornet Joubert, en die van
Griqualand-West, onder Veldkornet Steyn. De twee laatstgenoemden werden
later bij Dronfield onder Commandant van Aswegen, vereenigd en deden een
goed werk in een kritiek oogenblik.
Zoo ging het rondom Kimberley toe. De inwoners aten nog ¼ lb. vleesch en
14 onz. brood per dag, volgens een correspondent van _de Argus_, wiens
brief door Generaal Cronjé onderschept en aan mij ter inzage verleend
werd. Nu, de meeste menschen eten wel twee- of driemaal zoo veel, als
zij werkelijk noodig hebben. De mensch kan het met weinig voedsel heel
goed stellen. Van hongerlijden zouden de talrijke bewoners en het
garnizoen der stad nog lang niet kunnen spreken. De overgave was dus
slechts een _mirage_, die den uitgedroogden burgers van tijd tot tijd
voor de oogen schitterde.
Er was ander en beter werk, dat onze burgers hadden mogen en moeten
doen. Nooit vergeet ik een gesprek, dat ik te Olifantsfontein met
Rechter Hertzog in die dagen had. Hij gaf mij een slaapplek in zijne
tent en wij spraken er samen in den nacht tot aan den vroegen morgen.
Het _hoofd idee_ van den Rechter was dit: dat de commando's al lang de
Grootrivierbrug en De Aar in bezit moesten gehad hebben en nog veel
dieper in de Kolonie moesten ingevallen zijn. Scherp veroordeelde hij
zekere Commandanten over hun gedrag in deze aan den dag gelegd. Hij had
niet het minste geloof in de zoogenaamde belegering van Kimberley, maar
pleitte niet voor eene bestorming. Hij wilde het beleg opheffen! Twee
commando's, om het garnizoen in 't oog te houden, waren zijns inziens
ruim voldoende voor de diamantvelden; de overige burgers konden dan
elders hunne sporen gaan verdienen. Hij had er bittere spijt over, dat
de heeren leden van den Krijgsraad anders over deze zaak dachten. Zij
wilden geen Britsche macht achter den rug hebben. Alsof de duizend man
van Kimberley iets konden uitrichten, wanneer zij hunne onneembare
grondforten eens verlaten hadden!
Het trof mij zeer, hoe ernstig en vaderlandslievend, en tegelijk
onafhankelijk en scherpzinnig van oordeel de geleerde Vrijstater was.
Hij was mij een treffend en afdoend bewijs: dat een degelijke opvoeding
hoegenaamd niet van iemands geschiktheid voor den krijgsdienst behoeft
af te doen. Integendeel. Indien mannen als hij ook van den beginne af
aan als Commandanten en Generaals hadden mogen optreden, dan zou het met
ons op vele punten beter zijn afgeloopen. Het oude wantrouwen tegen
boekgeleerdheid zat er echter nog te diep in het volk. Nu er van de
»groote, onfeilbare oude helden” de grootste blunders en misslagen
begingen, wendde men zich wat meer tot de jongeren en de meer
opgevoeden. Later zien wij dienzelfden Rechter aan het hoofd van een
commando dwars door de Kolonie tot aan den Atlantischen Oceaan rijden.
Tot zoo iets kon men onze krijgsofficieren in het begin der groote
worsteling niet krijgen. Zij waren te bevreesd om van de overige
commando's afgesneden te worden.
Het verste, dat men het in die richting bracht, was de tocht naar
Prieska; maar de kaart van Zuid-Afrika zal den lezer spoedig aantoonen,
dat die expeditie toch niet bij de latere, stoute ondernemingen van een
Hertzog en Brand, Kritzinger en Scheepers, Malan en Lategan enz. kan
vergeleken worden. Toch waren Generaals Liebenberg en Breytenbach en
Kapitein Jooste en Advokaat Cleaver de eigenlijke pioniers op dit
gebied.
»Goei'n dag ou maat”!—riep een zwaar gebaarde, lange man mij toe van
zijn paard, toen ik er dicht bij Olifantsfontein in mijn sjees
voortgleed.
Ik kende hem in het begin niet. Zijn baard was gewichtig als die van
Aäron, doch zonder olie en vol stof. Toen hij den mond weer opendeed,
herkende ik echter de stem van mijn ouden vriend Cleaver, uit
Johannesburg. Zijne stem verried hem, al waren zijne haren als die
van een Esau of Nimrod.
»Waarheen gaat het?”
»Naar Prieska!”—antwoordde hij doodbedaard, alsof hij van een picnic
sprak. Hij ging mee als Rechtsgeleerde Adviseur en goed werk deed hij
daar te Prieska en nog dieper in de Kolonie. Later vernam ik, hoedat de
jonge Advokaat in Adam's kostuum dagen lang in de Grootrivier sukkelde,
om er een ponton in orde te krijgen. Nog eens zag ik hem als Veldkornet
in den slag bij _Zes-Mijl-Spruit_, dicht bij Pretoria. Helaas! ook hij,
even als zoo vele onmisbare mannen aan beide kanten, vond den dood niet
op het slagveld, maar in een hospitaal. De geest, die er in Rechter
Hertzog was, blaakte ook in hem. Zij waren vol vaderlandsliefde, vol
geestdrift voor de republikeinsche zaak, ijverig en werkzaam—en daarbij
intellectueel, helder van oordeel en gastvrij van geest.