Rondom Kimberley via Warrenton

In Italie treedt de reiziger dikwijls op het edelste marmer van Carrara,

zonder het te weten. Er zijn marmeren trottoirs langs de straten en

marmeren vloeren in de kerken, die zóó vuil zijn, dat wij op hun waarde

geen achtgeven, totdat een mede-reiziger ons erop wijst. Zoo staat

het heden in Zuid-Afrika, in verband met veel, dat edel en groot en

voortreffelijk is. Men ziet de waarde ervan niet in. Men vertreedt het

met onheilige voeten. Men bekladt het met onbesneden lippen. Men veracht

het met ongastvrije harten. Het hoogste patriotisme wordt door vele,

zeer vele mannen en vrouwen als eene misdaad veroordeeld. De edelste

heldenmoed wordt bespot. De liefde voor vrijheid en onafhankelijkheid

wordt gehaat en gestraft. Veel, o! zoo veel, dat er op de school als

idealen door onze meesters werd afgeschilderd, wordt thans als

schandalen gebrandmerkt. Is de deugd dan even veranderlijk als het

klimaat? Zijn het hooge en het lage dan met elkander te verwarren?

Bedriegt het hart ons, wanneer het met inwendigen donder verkondigt:

»_dat_ is waarlijk schoon, edel, recht?”

Helaas! het reine marmer wordt door vuile, onsympathieke voeten betreden

en besmet. De meerderheid der inwoners van Zuid-Afrika zijn op 't

oogenblik met blindheid geslagen. Later zullen zij weer het oneindig

verschil tusschen edel en onedel, recht en verkeerd inzien. De Oorlog

en de Krijgswet hebben _onnatuurlijke_ gevoelens en maatstaffen in het

leven geroepen, en de aloude scheidslijnen tusschen goed en kwaad zijn

thans niet geldig.

Een Transvaalsch burger en ambtenaar verraadt de oorlogsgeheimen zijner

Regeering aan de vijanden van zijn Staat. Zijn bedrog wordt eerst

uitgevonden _na_ de komst der Engelsche legers te Pretoria, en de

man ontvangt brieven van dank en lof van hooge authoriteiten. Zijne

sympathiën waren Engelsch: dat bedekt al het kwaad. Een Koloniale

Afrikaander van Hollandsch Hugenooten bloede geeft voedsel aan een

bloedverwant, die uit de Republieken gewapend tot hem gekomen is. Hij

doet zulks _niet_ uit vijandschap tegen zijn wettige overheid, maar uit

liefde voor zijn eigen vleesch en bloed. Hij blijft loyaal en getrouw

aan zijne Regeering en Vlag,—maar vindt zich weldra in den tronk en

wordt mogelijk zwaar beboet. 't Is best mogelijk, ja vrij wel zeker, dat

er gelijkluidende gevallen tegen de Boeren authoriteiten kunnen worden

aangehaald. Het ligt in den aard van elken oorlog, en vooral van elken

burgeroorlog, om zulke verwarringen en omkeeringen op zedelijk gebied te

voorschijn te roepen. List en bedrog, leugentaal en laagheid bevorderen

immers »de goede zaak des strijds”. Derhalve worden zij geëerd,

geprezen en beloond. De bekende valsche stelregel komt in vollen zwang,

openlijk en onbeschaamd voor het aangezicht van de hooge zon: »Het doel

(namelijk: de zege) heiligt de middelen.” Liefde, trouw, eerlijkheid,

mannelijkheid—eenige deugd, die de krijgsoperaties in den weg staat,

of gezegd wordt te staan—is anathema. »'t Is _o-o-r-l-o-g_,” wordt

er schouderophalend gezegd; »de oude, eeuwige zedewet is voorloopig

uitgewischt.”

En het arm, onnoozel, oppervlakkig gepeupel, door partijbladen

opgezweept en partijgevoel weggesleept, zegt »Amen” op den

onnatuurlijken en belachelijken toestand van zaken en volgt de

heerschende mode na. Gelijk een klomp ezels op dezelfde wijze balken,

zoo raken zij allen dezelfde geijkte termen en scheldwoorden kwijt.

Gelijk een hoop lafaards voegen zij zich steeds bij de winnende partij.

De »rechte” kant is voor hen de kant, waar het meeste geld bij te

verdienen valt. Eigen huid en zak zijn immers de groote afgoden van

het algemeene publiek. En als de oorlog voorbij is?—Dan gaat de

tijdelijke krankzinnigheid op moreel gebied ook voorbij. Dan eindigt

de zonsverduistering op heroïek gebied. Dan hoort men van alle kanten

van »de dappere Boeren”, de »standvastige Boerenvrouwen en dochters”,

de »knappe Boeren-Generaals”, de »wonderbare liefde voor de

onafhankelijkheid”, de »edele hartstocht voor de vrijheid” en het

»onuitblusschelijke vuur van patriotisme”, dat alle zelfzucht en

eigenbelang kan verteeren. Ja, _dan_ ziet elkeen het schitterende marmer

onder het vuil, het goud te midden van het slijk, de helden verre

boven de zwakken uitblinken. En de menschen, die zoo luide tijdens de

Krijgswet precies het tegenovergestelde uitbazuinden, zullen _vooraan_

staan in het nieuwe concert, en geheel en al vergeten, hoe zij kort te

voren met de ezels gebalkt hebben.

Ach! wat een geluk, dat de genadige Voorzienigheid steeds wat humor

bij den bittersten levensbeker mengt. Wie zou het anders op den duur

op aarde kunnen uithouden? Lacht dan, vriend, als gij lachen kunt,

over het kluchtige, het komische, het gekke, dat er in en onder en

achter de treurige verschijnselen des tijds schuilt. Er is veel stof tot

lachen—als de tranen u niet te gauw zijn. Helaas! de kinderen sterven

bij duizenden in de »Concentratie kampen”, de vaders en zoons sneuvelen

bij honderden in het veld en op de heuvelen van Zuid-Afrika—hoe zullen

wij dan lachen? Het gaat den echten Hollandschen Afrikaander thans als

den Israëlieten aan de rivieren van Babel: »hoe zou hij kunnen zingen”,

of lachen? Gelijk Andromache staat de Zuid-Afrikaansche vrouw op de

muren van een met ondergang bedreigd Troje, »door de tranen glimlachend”

(δακρυων γελασασα), als er soms een glimlach zich plooit.

Geduld! De Tijd zal alles recht maken. De geschiedenis heeft menige

bladzijde, waarop er »Kruis Hem” en »Hosanna” dicht bijelkander

geschreven staan. Wat recht en nobel en waar is, moet toch eindelijk

boven drijven. Het marmer blijft marmer, trots al het slijk er op

geworpen. Lacht ze dus vrij uit, die tegen de wetten der natuur kampen.

Lacht—eer de tranen uw lachen dempen.

Vraagt gij mij: wat het voorgaande met mijn opschrift boven dit

hoofdstuk te doen heeft? Het antwoord is heel eenvoudig. Ik ging met

mijn licht rijtuigje en »Lady” om Kimberley _via_ Warrenton, en—durf

niet eens de namen noemen van velen, die ik zoo gaarne in dit boek had

willen prijzen. De Rebellen en de Warrentonners hebben mij veel liefde

en vriendschap bewezen—maar »de rechtvaardige zwijgt, daar de tijden

boos zijn”. De hartelijkheid, aan een ouden vriend en raadgever en

leeraar bewezen, noemt men »verraad”. De goede vrienden, die mij

gehuisvest en gevoed hebben, mag men »disloyaal” en »gevaarlijk” en

»onbegeerlijk” (undesireable) vinden, en uit de heilige, vlekkelooze,

»loyale” samenleving verbannen. De man, dien ik prijs, kan daardoor

in de gevangenis komen; de vrouw, die mij wel deed, kan daardoor in

moeilijkheden zonder tal gedompeld worden. Als ik iemand als goed en

edel en flink aanteeken, zal men mogelijk mijne woorden geheel en al

misverstaan en verdraaien—want waarlijk, de toren van Babel wordt thans

weer van nieuws af aan in ons land gebouwd!

Onvergetelijke, trouwe Vrienden en Vriendinnen uit de gemeente

Warrenton! Uw namen zijn verzwegen; uw goedheid blijve leven. Waar zijt

gij allen nu? Ik reik u de hand van vriendschap tot aan de onbekende

plaatsen, waar gij u mocht bevinden. Zijt gij in de gevangenis? Ik

druk uw hand des te inniger, en dank u des te hartelijker voor de

gastvrijheid en vriendschap aan mij en vele andere Republikeinen

bewezen. Uw heerlijke druiven en vijgen en perziken hebben onze

»zomerdroogte in sap veranderd”. De dagen, ja weken, die ik onder u

doorbracht in den oorlog, hebben mij de jeugd vernieuwd en de krachten

hersteld. Vergeef het mij, dat ik uwe namen niet neerschrijf. Om

uwentwille zwijg ik. Gij hebt reeds genoeg, meer dan genoeg voor uwe

natuurlijke sympathieën met uw Republikeinsche broeders geleden. Och!

dat ik u troosten kon, zooals in de goede oude tijden, toen ik onder

u woonde en in en uit ging. Wie weet? Mogelijk kon ik u nogmaals

toeroepen—zooals ik verleden jaar deed—»En gij, _Warrenton_, zijt gij

klein onder de duizenden van Zuid-Afrika?” Als die blijde dag echter

daagt, dan hoop ik—met uw verlof!—dat het mij niet noodig zal zijn, om

wederom een zwarten jas van uw Dominé, een wit hemd van uw Schoolmeester

en een paar nieuwe laarzen van uw Vrederechter voor dat doel te

commandeeren!

Wat de Boeren-kampen rondom Kimberley betreft, daaromtrent heb

ik niet veel te zeggen. Te Olifantsfontein vond ik Generaal—of

Hoofd-Commandant, zoo als de Vrijstaters het hebben—I. Ferreira.

Eenvoudig, hartelijk, eerlijk, beminnelijk en dapper mag hij wel genoemd

worden, die lange, gespierde, mooie man. Ook hij kon, echter, weinig te

Kimberley uitrichten. De groote grondhoopen (_débris_) rondom de stad

vormden volmaakte forten. Met duizend man kon men de stad wel een jaar

lang tegen tien duizend verdedigen, indien het noodige voedsel slechts

voorhanden was. Onze kanonnen waren weinig in tal (vijf of zes), en

wat konden zij tegen die groote grondforten uitrichten? Zelfs Long Tom

bulderde zich heesch tegen de stad, en—doodde een paar onschuldige

personen. De kring om de stad was ook zóó reusachtig groot, dat er wel

tienduizend of meer burgers noodig waren, om allen toevoer van vee te

voorkomen. Hoe langer het beleg echter duurde, hoe kleiner werd het

getal burgers, die het kordon erom moesten trekken. Van alle kanten

riepen de Generaals: »zend manschappen, meer manschappen”—en, helaas!

de »verlofziekte” nam ook geweldig toe. Het leegliggen en nietsdoen om

de belegerde steden deden »onze menschen” veel kwaad, al was het dan ook

alleen, omdat zij daardoor des te meer naar huis verlangden. Zij waren

immers geen gehuurde soldaten en zagen geen gevaar, tenzij het duidelijk

en zichtbaar voor hunne oogen stond.

Van Olifantsfontein ging ik naar het lager der Warrentonners en Barkly

West-manschappen, dicht bij Dronfield Siding, ten noorden van Kimberley.

Van hen hooren wij later meer. Op den namiddag van 7 Februari stond ik

voor de tweede maal daar. Long Tom zou dien namiddag zijn gevreesde

basnoten doen hooren van het noordwesten der stad. Sommige burgers

verwachtten groote dingen van den ouden veteraan, die bij Lombard's Kop

op 8 December 1899 zoo zwaar gewond werd. Ik had den invaliede in de

Z. A. S. M. werkplaats bij het Pretoria-station gezien, toen men hem er

een halve voet van voren had afgesneden, en werkelijk ook een nieuw stuk

achteraan wist te voegen: 't Was een meesterstuk! Vandaar ging de oude

op reis per spoor naar Bloemfontein, en toen weer langzaam en hijgend

per os naar Boshof. Intusschen was Léon—en met hem ditmaal ook Kolonel

de Villebois—te Magersfontein geweest, om een geschikte plek voor het

vestingkanon te zoeken. Generaal Cronjé was zeer begeerig het groote

kanon op Methuen's Kamp een weinig te doen brullen, maar de heer Léon

achtte Kamfersdam de beste positie ervoor, mits de verschillende

commando's om Kimberley nader naar de stad trokken. Wel, daar zag ik

de bekende, groote rookkolommen van Pepworth's Heuvel en Lombard's Kop

en Bulwana, spoedig door de geweldige donderslagen gevolgd. Ditmaal,

echter, zag ik iets, dat ik te Ladysmith nooit had gezien: een groot

huis in de vlammen. Dien eersten dag reeds raakte er een pakhuis in

brand. Veel meer, echter, heeft Long Tom _redivivus_ niet uitgericht,

als men de vreeselijke angsten der arme vrouwen buiten rekening laat.

Arme, zwakke, gevoelige vrouwen! Wat hebt ge niet veel in zoo'n oorlog

te lijden! Hoe wordt uw teeder gestel niet dagelijks geschokt! Uwe

gezondheid ondermijnd! En hier staan wij, buiten de stad in volmaakte

veiligheid te lachen over de stofwolken en de vlammen door ons

staatmaker kanon veroorzaakt. Geduld maar! Over weinig dagen komt onze

beurt weer om te sidderen en te beven. »Die het laatst lacht, lacht het

lekkerst.”

Den dag daarop bevond ik mij bij Vecht-Generaal du Toit, van

Wolmaransstad. Zijn hoofdkwartieren waren bij een fraaie hoeve,

halverwege tusschen Riverton (op de Vaal) en Kimberley gelegen. Het

water der rivier werd te Riverton door stoommachines uitgepompt en naar

gemelde halfweg-station door ijzeren pijpen gevoerd. Vandaar werd het

water verder naar de groote stad gepompt. Fraaie vruchtboomen stonden er

in de prachtige tuinen om het huis thans te verdrogen. Water was er in

overvloed, maar de oorlog denkt niet aan boomen planten en benatten. De

oorlog verwoest slechts. De lieflijke »oase in de woestijn” was er niet

meer.

Van de »oase” naar Kampersdam is het nauwelijks eene mijl. Laatsgenoemde

plaats zag er veel bedrijviger uit, toen ik er op 9 Februari aankwam.

De Warrentonners waren er in vollen getale in de mijngebouwen en de

fortjes vóór de mijn, om het kanon tegen alle aanvallen uit de stad

te verdedigen. Wat waren zij vroolijk en opgewekt! Er werd hevig

gebombardeerd dien dag, en zij waren er bij. »Wat een aardig geval!”

Bij hun vorige lager zag ik de jongeren onder hen een »cricket-match”

tegen de Boshoffers spelen. Wat een pret levert zoo'n belegering toch

op! Twee Engelsche kanonnen vuurden gedurig op Long Tom: één van Otto's

Kopje, wat rechts van Kamfersdam (ten westen van de stad), het andere

uit een fort bij Kimberley. Het tweede was de beroemde »Long Cecil”, een

29-ponder, die snel en geducht kon vuren. Onze pret dien dag bestond in

het staan boven op de zandbakken van Long Tom's fort, met veldkijkers

voor de oogen, om te zien, waar de projectielen neerploften. Er werd

vooral op zekere bekende gebouwen gemikt, maar telkenmale rezen er

slechts roode stof kolommen omhoog, zonder meer. Long Cecil schoot meer

dan eens in de zakken, waarop wij geen tien seconden te voren gestaan

hadden, maar de vlam waarschuwde ons natuurlijk intijds, om ter aarde

te vallen. Dikwijls regende het blauw gruis en zand op onze hoeden en

jassen.

Zoo gingen wij voort, totdat onze wacht mij en een vriend—wien ik

ongelukkig niet mag noemen—vergat te waarschuwen, dat het kanonnetje

van Otto's Kop gevlamd had. _Boem_—hoorden wij, aan ons rechterkant

dreunen, terwijl wij hoog en prominent op de zandzakken stonden. In een

oogenblik vielen wij als stukken lood ervan af, om de bom schram boven

onze hoofden te hooren voorbij snorren. Hé, dat was onpleizierig. Wij

rilden—en wenschten elkander geluk—en hielden op met de pret.

Den 10den verliet ik Generaal du Toit, die mij bijzonder vriendelijk

had ontvangen, hoewel wij elkander onbekend waren. In 't voorbijgaan zag

ik Léon en de Villebois voor hunne tent staan. Zij waren in een druk

gesprek gewikkeld. De zaken liepen hun niet naar den zin. De Krijgsraad

nam besluiten, om van alle kanten »nader te stormen” (zoo noemde men

het), maar de daad bleef achterwege. Even als te Ladysmith, zoo ging het

ook te Kimberley. Er was geen eendrachtige samenwerking. De Villebois

was verstomd, maar hij wanhoopte niet, want hij wist, wat er in den

Boer zat. Léon was bekommerd, want het groote kanon was in gevaar,

tenzij de burgers het kordon om de stad nauwer toehaalden, en de vijand

alzoo beletten om alle aandacht aan Long Tom te wijden.

»Ik zal verplicht zijn het groote kanon terug te trekken, als al de

posities, zoo als door den Krijgsraad besloten, niet van avond bestormd

worden”—seinde hij voor het laatst naar Pretoria. Nog één dag zou hij

de burgers eene kans geven, om een voorwaartsche beweging te doen.

Dienzelfden dag, echter, trof hem een Lee Metford kogel in het hoofd,

vlak boven het rechteroog, en hij werd voor dood naar een Veldhospitaal

gebracht. Eenige scherpschutters uit de stad waren in den nacht tot

in de »Brick Fields”, zoo wat 2,500 of meer treden van Kamfersdam,

gekropen, vanwaar zij den energieken, kleinen, tengeren Franschman bijna

een doodschot toebrachten. Indien Homerus dit verhaal nu verder kon

opnemen, zou hij gewis een of anderen god als Artillerist doen optreden,

of Long Tom als woedend en wraakzuchtig voorstellen, wegens de wond aan

zijn chef bezorgd, want ziet! wat gebeurde er kort daarop? Labram, de

knappe schepper van Long Cecil, werd door een der weinige bommen, die

een doodelijke uitwerking in de stad hadden, verpletterd. Zulke episoden

zijn waarlijk Homerisch.

Het eenige Transvaalsche lager van Kimberley, behalve dat bij de

Waterwerken, lag ten zuidwesten der stad. Het was eenige uren rijdens

van het eerstgemelde verwijderd, maar zwaarder zandpad ben ik nog nooit

in mijn leven doorgegaan, als dat ten westen van de diamantvelden.

Mijn arm paard had het geweldig zwaar, te meer omdat de zomerzon

hevig brandde. Na veel zwoegen en zweeten kwamen wij bij het kamp der

Lichtenburgers onder Commandant Vermaas aan. Het zag er treurig uit

te midden der zandwegen en ver van het water. Geen wonder, dat men

niet nader naar de stad schuiven kon. Er was geen water! Het was op de

voorpunt van de Lichtenburgsche posities—destijds door de Bloemhoffers

bezet—dat Scott-Turner tweemaal een aanval waagde en zijn leven

verloor.

Na den middageten reed ik verder naar Scholtznek. Ten zuiden der stad,

dicht bij de spoorlijn, waren de Bloemfonteiners, onder Generaal

Kolbe (Spijtfontein enz.). Als men den spoorweg oversteekt, volgt het

Boshofsche legertje, te Alexandersfontein en verder dan heeft men de

Winburgers.

Het juiste getal burgers om Kimberley in die dagen is moeilijk te

bepalen. Men kwam en ging. De Transvalers telden, echter, niet meer dan

1500 man; en de Vrijstaters mogelijk 2000. De Rebellen bedroegen precies

230, in drie klompjes gesplitst: die van Barkly West, onder Commandant

van Aswegen, die van Warrenton, onder Veldkornet Joubert, en die van

Griqualand-West, onder Veldkornet Steyn. De twee laatstgenoemden werden

later bij Dronfield onder Commandant van Aswegen, vereenigd en deden een

goed werk in een kritiek oogenblik.

Zoo ging het rondom Kimberley toe. De inwoners aten nog ¼ lb. vleesch en

14 onz. brood per dag, volgens een correspondent van _de Argus_, wiens

brief door Generaal Cronjé onderschept en aan mij ter inzage verleend

werd. Nu, de meeste menschen eten wel twee- of driemaal zoo veel, als

zij werkelijk noodig hebben. De mensch kan het met weinig voedsel heel

goed stellen. Van hongerlijden zouden de talrijke bewoners en het

garnizoen der stad nog lang niet kunnen spreken. De overgave was dus

slechts een _mirage_, die den uitgedroogden burgers van tijd tot tijd

voor de oogen schitterde.

Er was ander en beter werk, dat onze burgers hadden mogen en moeten

doen. Nooit vergeet ik een gesprek, dat ik te Olifantsfontein met

Rechter Hertzog in die dagen had. Hij gaf mij een slaapplek in zijne

tent en wij spraken er samen in den nacht tot aan den vroegen morgen.

Het _hoofd idee_ van den Rechter was dit: dat de commando's al lang de

Grootrivierbrug en De Aar in bezit moesten gehad hebben en nog veel

dieper in de Kolonie moesten ingevallen zijn. Scherp veroordeelde hij

zekere Commandanten over hun gedrag in deze aan den dag gelegd. Hij had

niet het minste geloof in de zoogenaamde belegering van Kimberley, maar

pleitte niet voor eene bestorming. Hij wilde het beleg opheffen! Twee

commando's, om het garnizoen in 't oog te houden, waren zijns inziens

ruim voldoende voor de diamantvelden; de overige burgers konden dan

elders hunne sporen gaan verdienen. Hij had er bittere spijt over, dat

de heeren leden van den Krijgsraad anders over deze zaak dachten. Zij

wilden geen Britsche macht achter den rug hebben. Alsof de duizend man

van Kimberley iets konden uitrichten, wanneer zij hunne onneembare

grondforten eens verlaten hadden!

Het trof mij zeer, hoe ernstig en vaderlandslievend, en tegelijk

onafhankelijk en scherpzinnig van oordeel de geleerde Vrijstater was.

Hij was mij een treffend en afdoend bewijs: dat een degelijke opvoeding

hoegenaamd niet van iemands geschiktheid voor den krijgsdienst behoeft

af te doen. Integendeel. Indien mannen als hij ook van den beginne af

aan als Commandanten en Generaals hadden mogen optreden, dan zou het met

ons op vele punten beter zijn afgeloopen. Het oude wantrouwen tegen

boekgeleerdheid zat er echter nog te diep in het volk. Nu er van de

»groote, onfeilbare oude helden” de grootste blunders en misslagen

begingen, wendde men zich wat meer tot de jongeren en de meer

opgevoeden. Later zien wij dienzelfden Rechter aan het hoofd van een

commando dwars door de Kolonie tot aan den Atlantischen Oceaan rijden.

Tot zoo iets kon men onze krijgsofficieren in het begin der groote

worsteling niet krijgen. Zij waren te bevreesd om van de overige

commando's afgesneden te worden.

Het verste, dat men het in die richting bracht, was de tocht naar

Prieska; maar de kaart van Zuid-Afrika zal den lezer spoedig aantoonen,

dat die expeditie toch niet bij de latere, stoute ondernemingen van een

Hertzog en Brand, Kritzinger en Scheepers, Malan en Lategan enz. kan

vergeleken worden. Toch waren Generaals Liebenberg en Breytenbach en

Kapitein Jooste en Advokaat Cleaver de eigenlijke pioniers op dit

gebied.

»Goei'n dag ou maat”!—riep een zwaar gebaarde, lange man mij toe van

zijn paard, toen ik er dicht bij Olifantsfontein in mijn sjees

voortgleed.

Ik kende hem in het begin niet. Zijn baard was gewichtig als die van

Aäron, doch zonder olie en vol stof. Toen hij den mond weer opendeed,

herkende ik echter de stem van mijn ouden vriend Cleaver, uit

Johannesburg. Zijne stem verried hem, al waren zijne haren als die

van een Esau of Nimrod.

»Waarheen gaat het?”

»Naar Prieska!”—antwoordde hij doodbedaard, alsof hij van een picnic

sprak. Hij ging mee als Rechtsgeleerde Adviseur en goed werk deed hij

daar te Prieska en nog dieper in de Kolonie. Later vernam ik, hoedat de

jonge Advokaat in Adam's kostuum dagen lang in de Grootrivier sukkelde,

om er een ponton in orde te krijgen. Nog eens zag ik hem als Veldkornet

in den slag bij _Zes-Mijl-Spruit_, dicht bij Pretoria. Helaas! ook hij,

even als zoo vele onmisbare mannen aan beide kanten, vond den dood niet

op het slagveld, maar in een hospitaal. De geest, die er in Rechter

Hertzog was, blaakte ook in hem. Zij waren vol vaderlandsliefde, vol

geestdrift voor de republikeinsche zaak, ijverig en werkzaam—en daarbij

intellectueel, helder van oordeel en gastvrij van geest.

Zes maanden bij de commando's · 第 67 / 79 题