Een nauwe ontkoming

Ook Generaal De Wet gingen wij in die dagen bezoeken. Zijn lagertje was

op de wallen der Modder gelegen, niet verre van de plaats, waar »de

groote sloot” over de breede vlakte tot aan de Magersfontein randjes

begon. Wij reden er heen van Cronjé's lager met ons wagentje, om er een

paar dagen te vertoeven. Vriendelijk ontving hij ons en lang zaten wij

over de Natalsche gevechten te praten. Ook Majoor Albrecht vonden wij

daar met zijn adjudant en eenige onderofficieren en manschappen. Veel

vertelde ook hij ons omtrent Belmont en Graspan. Hij had een hoogen dunk

van Generaal De la Rey en zeide onder anderen:

»Met hem ga ik door 't vuur”.

De verhouding tusschen hem en Generaal De Wet liet ook niets te wenschen

over. Ze hadden de meeste achting voor elkander. 't Was mij waarlijk een

genot, met zulke intelligente en tegelijk patriotische officieren eenige

uren te mogen doorbrengen.

Ons linkervleugel was in die dagen wat meer uitgebreid dan tijdens

den slag. Er waren bijvoorbeeld Winburgers en Lichtenburgers _over_

de rivier, om een aanval tusschen de twee rivieren—op Jacobsdal

bijvoorbeeld—vanuit het Engelsche kamp te weerstaan. Commandant Lubbe

met een paar honderd man hield het oog op de driften door de Rietrivier,

in geval van een inval van den kant van Belmont of Graspan. Nog verder

langs de Oranjerivier waren er kleine commando's Fauresmithers van

ongeveer 150 man, onder Commandanten Jacobs en Hertzog, broeder van den

Rechter van dien naam.

In die dagen reeds—begin van Januari—kon ik duidelijk bemerken, dat

mannen als De Wet en Albrecht allesbehalve op hun gemak waren omtrent de

uitgestrekte wereld aan onze linkerhand—de grenzen van Jacobsdal en

Fauresmith,—die zoo te zeggen onbeschermd waren. Mijn collega van 't

Staats-Gymnasium, de heer Ellenberger, die voor het Informatie-Bureau

van Professor Molengraaf werk deed, sprak dikwijls met mij, daar aan de

stille oevers der Modder bij Cronjé's Lager, over hetzelfde brandende

onderwerp. Ds. P. Boshof, van Jacobsdal, was zóó ernstig op dit punt,

dat hij mij,—tijdens een bezoek aan 't dorpje, om wat rijst en

aardappelen te bemachtigen!—ertoe bewoog, een schrijven aan een of

ander hooggeplaatsten persoon omtrent onzen gevaarlijken toestand

te richten. Zoo deed ik ook, zonder een antwoord te erlangen—hetwelk

ik trouwens ook niet verwacht had. Ik heb echter de satisfactie in

deze ook mijn klein woordje in de schaal te hebben geworpen.

Ik herinner mij nog goed, hoe ik mijn vriend Ellenberger in het Hotel te

Jacobsdal, waar wij een nacht samen in ééne kamer vertoefden, toeriep:

»Weet je wat? Te Jacobsdal kom ik niet weer slapen. De plek is gedoemd.

Als de Engelschen het willen, komen zij er van nacht binnen.”

Nooit weer ben ik daar gaan aardappelen halen! Indien Lord

Methuen slechts een groote vertooning van een aanval op onze

Magersfontein-posities gemaakt had, dan kon hij heel gemakkelijk met

een sterken macht per spoor halverwege naar Enslin 's daags te voren

gezonden, Jacobsdal ingestapt hebben. Hoe kon commandant Lubbe met een

paar honderd man, zonder kanon of maxim, dat belet hebben? Wie kon hun

den weg versperd hebben? Er was niemand, om het te doen. Generaal Cronjé

klemde zich aan de Magersfontein-posities vast en hield hardnekkig

staande, _dat de Engelschen nimmer_ den _spoorweg zouden verlaten_.

De Vrijstaatsche grens voornoemd bleef dus feitelijk open en bloot

en onbeschermd. Methuen of Roberts—wie er het eerste kwam—kon de

wandeling naar Jacobsdal, ver voorbij ons linkervleugel, met onfeilbaar

succes ondernomen hebben, terwijl Generaal Cronjé op het groote Britsche

Kamp van de Magersfontein-kopjes bleef loeren.

Wederom ben ik de diepe zee van critiek over militaire zaken

ingezwommen. Neem het mij toch niet kwalijk, lezer. Ik vreesde

altoos het ergste in den oorlog en werd door mijne vrienden dikwijls

pessimistisch genoemd. Te Jacobsdal trof het mij zeer in die dagen, hoe

optimistisch zekere lieden onder alle omstandigheden konden zijn.

Een schoone, lelieblanke deern—luchtig als eene hinde, veelbelovend als

de lente, geheimzinnig als een zwellende rozenknop, kwam nu en dan de

eetzaal binnen, daar in 't Hotel te Jacobsdal. Een flinke athletische,

gezonde jonge man genoot al hare aandacht. Er tintelde een nieuw licht

in haar oogen, als zij met hem sprak, en de blos, die van tijd tot tijd

hare koontjes bezocht, kan bij onzen rooskleurigen hemel, kort voor

de zon verschijnt, in schoonheid vergeleken worden. Arm paartje! Niet

lang zouden zij in het Paradijs vertoeven. Het zoete heden zou een

vreeselijken morgen baren. Terwijl zij daar zaten, hoorde ik reeds het

onderaardsch gerommel van den vulkaan, die er op onze ontbloote grenzen

zou uitbarsten. Zij hadden elkander zeer lief, maar het leven is soms

zeer wreed. De jonge man is een Vrijstaatsche burger. Te Paardenberg

werd hij zwaar gewond en in 't Duitsche Hospitaal, dicht bij het Hotel,

blies hij den adem uit.

Ja, dat Duitsche Hospitaal, zoo goed en geriefelijk ingericht, zal

weldra veel meer Engelsche, dan Boeren gewonden te verplegen krijgen.

De electrische lampen—door een jongen van Alphen, uit Pretoria, voor

het hospitaal ingericht—zullen binnen weinige weken hun bleek licht op

nog bleeker gelaatstrekken werpen. De knappe, dienstvaardige Duitsche

geneesheeren zullen vele gewonden en stervenden van Paardenberg

ontvangen. Zonder onderscheid van nationaliteit zullen zij daar

behandeld worden. Te zamen zullen Boer en Brit daar lijden en sterven,

of genezen en vroolijk worden. Er is geene plaats voor vijandschap en

rassenhaat in een hospitaal. Er is slechts lijden, en het lijden moet

verzacht en overwonnen worden—hetzij door den geneesheer, hetzij door

den dood.

Maar wij moeten naar de tenten van Generaal De Wet en Majoor Albrecht

terug.

Het was tegen drie uur in den namiddag, dat de oude geest van

nieuwsgierigheid zich weer van ons meester maakte. Wij wilden het

slagveld van Magersfontein bewandelen; wij wilden den historischen bodem

betasten; wij wilden de teekenen der vreeselijke slachting met eigen

oogen zien. Wat is het toch heerlijk om soms met vuur te spelen en wat

te wagen! Ter wille van de kunst was de heer Oeder steeds gereed om een

ontdekkingsreisje te doen. Van jongsaf aan zat de avontuurzucht mij in

't bloed. Wij stapten naar de »groote sloot”, bekeken die goed voor

een korten afstand, en—wipten erover heen, het onbekende te gemoet

snellend. De lyddietbommen vielen geregeld op de randjes daar ginder,

tegen half vijf of later in den namiddag. Waarom zouden wij dan niet op

een interessante expeditie over de beroemde vlakte kunnen gaan?

Ongemerkt dwaalden wij veel verder van de »groote sloot” af, dan wij

wisten. De grond was hoegenaamd niet zoo gelijk als wij gedacht hadden.

Zoo kwamen wij er bijvoorbeeld op een »zoutpan” te land, waar wij niets

van geweten hadden. En het bleek heel spoedig, dat de geheele vlakte

naar de Britsche zijde afdaalde, omdat wij van onze grachten niets

hoegenaamd konden zien. Wij hielden, echter, de Magersfontein randjes

in 't oog, en gingen vroolijk en opgewekt voort. Ledige Lee Metford

patronen trokken weldra onze aandacht, en vooral de papieren waarin zij

gehuld waren.—Onze burgers raapten er omtrent 46,000 hulsels 's daags

na den slag op.—Toen kwamen wij weêr op de haastig gegraven gaten te

land, waarin de Berg Schotten lagen te schieten. Zij waren zeer vlak

en er was blijkbaar geen tijd of moeite aan besteed. Verder en steeds

verder gingen wij in de richting van de randjes totdat wij op de groote,

breede, bruine bloedplassen afkwamen. Ach! dat was een vreeselijk

gezicht, vooral voor het oog der verbeelding. Het was een volle maand na

het gevecht, en daar zagen wij den met bloed gedrenkten bodem duidelijk

voor onze voeten: lange, breede, bruine strepen. Hierin werden de arme

soldaten in 't gelid door den snellen kogel afgemaaid. Bij hoopen gingen

zij naar het Rijk der Schaduwen. In de kracht en de schoonheid der jeugd

zonken zij bij honderdtallen in vijf minuten neder—om in deze dorre,

droeve deining begraven te worden.

Het werd vier uur: wij moesten terug. Wij liepen het »brakpannetje”

voorbij en draaiden langzamerhand wat links, heel op ons gemak, toen er

onverwachts een dramatisch tooneeltje uit ons leven begon, dat

allesbehalve aangenaam was.

Lyddiet-bommen, pure lyddiet-bommen en geen anderen begonnen er over ons

hoofd te regenen!

In een oogwenk vlogen wij er achter een breeden vaalbosch. Andere

schuiling was er niet. Geen welkome rots of kraalmuur. Ons eenigste

troost was deze: dat geen Engelsch oog ons kon zien, al kon een

Engelsche bom ons dwars door het laag en dun hout gemakkelijk doorboren.

Een zwakke troost; maar beter dan niets. Een vreeselijke hoofdpijn

tastte mij oogenblikkelijk aan—even als op Pepworth's Heuvel—maar

ditmaal gebruikte ik mijn verstand kalm en bedaard van den beginne af

aan. De bommen vielen geregeld: òf rechts over, òf rechts, òf links van

onze onhoudbare positie; maar steeds van twintig tot veertig of vijftig

treden van ons af, en dikwijls geheel en al over de helling.

Mogelijk komen wij er nog ongedeerd vanaf. Het geraas o! het gedruisch

dier verschrikkelijke bommen. Dat vond ik steeds het ergste vanal. Geen

mensch, die eenigszins zenuwachtig is, kan zulk een gekraak en gedreun,

gebulder en gedonder voor zijne voeten zonder hoofdpijn doorstaan.

_Daaraan_ zou ik in elk geval, nooit gewennen—dat werd mij dien middag

overduidelijk. Onze artist was gelukkig phlegmatisch van aard, gelijk

het een goed Nederlander betaamt. Hij hield zich bijzonder goed—onder

omstandigheden! Of hij echter de groote vuil-gele wolken, die er soms

tot drie tegelijk rondom ons uit de verscheurde aarde opschoten,

»_gelijk een schaap_” bestudeerde, betwijfel ik ten zeerste. Ze waren

heel mooie wolken, heel lief, bijzonder sierlijk opstijgend; en zoo hoog

ook, heel hoog; en zoo vreemd van kleur ook, heel vreemd—het gele der

lyddiet het vale der aarde met geweld kussend en omhelzend, ten hemel

voerend—»welk een prachtige schilderij voor ons historisch werk, vriend

Oerder!”

»Ja wel.... als wij er eens heelhuids vandoor zijn.... maar het ziet er

beroerd uit, hoor!” Er werden ook later granaat-kartetsen over ons hoofd

geslingerd—ellendige monsters, die boven in de lucht reeds kraken en

dan met een oorverdoovend gerommel en gerinkel neerschieten. Hé, dat

doet griezelen en grillen. Tweemaal siste er een kogel in het boschje,

waartegen wij aanleunden. Wij hielden den adem op. Wij waren hulpeloos

en machteloos. Waarheen konden wij vluchten? Waar ons bergen? Lord

Methuen had dien namiddag zijne Howitzers ver naar voren gestooten,

om tegen de groote sloot te brullen. Niemand had dat verwacht; wij

het allerminst. Daar zaten wij in de klem. Foei! ditmaal loopt het

avontuurtje veel slechter af dan te Dundee, of Elandslaagte, of Colenso,

of bij den Platrand!

Het ergste moet nog komen. De zon daalde achter de westerkimme. Spoedig

zou het gordijn voor dezen dag vallen en de duisternis ons omgeven.

Wat nu begonnen? _Hier blijven?_—maar dan loopen wij gevaar in den

nacht, gelijk de ongelukkige Skandinaviërs, door het Engelsche voetvolk

vertrapt te worden—zulk een schieten met grof geschut gaat immers

bij de Engelschen steeds een aanval vooraf!—Tusschen twee haakjes,

lezer, is het niet vreemd, dat de Boeren herhaaldelijk als 't ware

door Lord Methuen en Buller door zoodanige bombardementen gewaarschuwd

zijn: »Morgen vallen wij jullie aan, of anders overmorgen op zijn

laatst?”—_Opstaan en naar onze liniën gaan?_—helaas! als het later

wordt, vinden wij stellig bij de »lange sloot” den dood. Men zal ons

voor spionnen of nachtelijke aanvallers aanzien—en de vreeselijke

Mauser zal een einde aan onze grappen maken.

Terwijl wij alzoo twijfelden, wat te doen, kwam het kanonvuur tot

bedaring en ik sprong op:

»Kom! het zal wel gaan. Laat ons nog wat wagen en naar de onzen

stappen.”

Zoo lang er nog nu en dan een afscheidsbom neerplofte, liepen wij

ver uit elkander, om niet noodeloos de aandacht van een onbekenden

veldkijker van achteren te trekken. Later liepen wij zij aan zij in de

richting onzer vrienden. De vele vaal-boschjes maakten ons nog meer

onrustig omtrent den uitslag van ons waagstuk. Een of andere verziende

Boer kon ons uit de verte reeds tusschen het kreupelhout gewaarworden

en als de voorpunt van 't Engelsche voetvolk beschouwen. We hadden

ongelukkig khaki-kleurige pakken aan. Dat moest er nog bij, tot overmaat

van ramp.

»Laat ons zakdoeken waaien”!—viel mij in de gedachte. Wij spreidden

onze neusdoeken breed uit, tot scheurens toe, en hielden ze omhoog.

O! het waren angstige oogenblikken. Wij tuurden en tuurden door het

schemerlicht, maar konden de sloot niet zien. Wij waren gewis een 800

of 1000 treden, indien niet nog verder, vóór onze liniën gegaan. Elk

oogenblik kon onze laatste zijn. Een knal of twee—en wij bijten in het

stof.

»Daar zie ik de sloot”—riep mijn vriend uit.

»Wij zijn er door”—antwoordde ik. »De Boeren hebben _ons_ natuurlijk

al lang in 't oog. Zij zien veel beter dan wij. En wij leven nog.

Dus—alles in orde, Goddank!”

Doodbedaard en innig dankbaar, stapten wij nader. Een burger kwam er op

ons toeloopen, opgewonden, toornig. Hij arresteerde ons; ik glimlachte,

want er was groote vreugde in mijn hart. Ik wilde gaarne nog wat leven

en wij hadden er werkelijk een nauwe ontkoming. Dies loeg ik met een

gansch anderen lach dan Saraï van ouds, want ik twijfelde er voor geen

oogenblik in mijn hart, dat een of andere burger mij wel zou kennen en

ons arrest van korten duur zou zijn.

»Kom aan—naar den Commandant”!—zei de oude, barsch en boos. Mijn

lachen stond hem natuurlijk weinig aan. Het was trouwens ook heel

ongepast en _mal apropos_.

»All right, vriend!”—antwoordde ik—»breng ons maar daarheen”.

»Jullie kom van die Engelschen af”—beet hij ons toe, terwijl hij mijn

vriend bij den rechterschouder pakte.

»O neen!”—zong ik vroolijk uit—»wij zijn Transvaalsche burgers. Iemand

zal ons wel kennen.”

Over de geduchte van Mausers blinkende sloot ging het, terwijl de

ernstige boeren ons met onvriendelijke nieuwsgierigheid aanblikten, op

weg naar den Commandant.

Onze kwaaie wacht was haastig en opgewonden. »Ik bleef bedaard, och!

doodbedaard.”

»Naand! Burgers!”—weerklonk mijn lied over de gracht. »Ken jullie mij

niet?”

Doodstil bleven zij allen. Geen woord werd er gehoord. Zij keken ons

verbaasd aan: de Veldkornet met de zware hand op Oerder's schouder

vóóraan, ik vol prets achteraan. Een vreemd oorlogstooneeltje

onmiddellijk na een bombardement van anderhalve uur.

»Kom, maak gauw, wat draai jij nog?”—snauwde de oude mij toe, terwijl

ik naar den rand der sloot ging en de burgers een voor een bekeek, of

er mogelijk een bekende onder hen te vinden was.

»Ken geen een van jullie mij? Ik woonde zes jaar te Warrenton, lang

geleden. Ken jullie mij niet?”

Geen antwoord. Het waren Boshoffers, en ik meende, dat een of ander uit

hen mij wel in »de goede oude tijden” mijner werkzaamheden in Warrenton,

die aan Boshof grensde, konden gezien hebben. Mijn naam wilde ik,

echter, niet noemen, omdat onze onschuld des te treffender zou blijken,

als een der burgers dat deed.

Zoo gingen wij voort, totdat wij bij den Waarnemenden Commandant kwamen.

Hij stond in de sloot bij zijne dapperen. Vóór dat de Veldkornet een

woord kon zeggen, riep hij luide uit:

»'Neer Hofmeyr! Is dit jij? Maar hoe kan jij zoo iets doen? Weet jij dat

jullie in die grootste gevaar was?”

Temet sprong hij de sloot uit en greep mij bij de hand—mij bijna van

blijdschap de vingeren verbrijzelend.

Het was mijn vriend uit de »goede, oude tijden”, Hendrik Jacobs van

Boshof, een man, die mij wel honderd maal had hooren preeken en duizend

maal met mij over hemel en aarde had geredeneerd.

Dat was een aangename verrassing en een prettige oplossing van het

raadsel: »wie deze twee _khaki's_ met boerenhoeden toch zijn mochten?”

De Veldkornet zag er verlegen uit en wilde om verschooning vragen, maar

ik viel hem in de rede, drukte hem de hand en zei:

»Vriend! je hebt eenvoudig je plicht gedaan. Alles is in orde.”

* * * * *

Laat, dien avond kwamen wij te voet bij het kampje van Generaal De Wet

aan. Allen waren reeds ter ruste gegaan, behalve Bokkie, die ons met

vreugde en warme koffie ontving. Eer wij ons ter ruste begaven, mompelde

hij iets omtrent »weggaan van nacht”, maar wij waren te vermoeid en

slaperig, om er op acht te slaan.

Toen wij den volgenden morgen vroeg ontwaakten, was het lager spoorloos

verdwenen. Later vernamen wij, dat er den dag tevoren een van de bommen

tot ver over het kampje in de richting van Generaal Cronjé's lager

geslingerd was. Zulk een man is Generaal De Wet!—Nooit overmoedig,

onvoorzichtig, onverschillig. Hij vecht om te blijven vechten, zoolang

als mogelijk, niet om een naam te maken, als een komeet, en dan van het

tooneel te verdwijnen, of liever, als een vallende ster, die in het niet

verzinkt, na slechts een oogenblik de aandacht te trekken. Van zoodanige

dapperen leest men in boeken en in de couranten—ze zijn onder de Boeren

zeer zelden te vinden, want deze hebben een veel ernstiger kamp, een

veel edeler worsteling voor 't aangezicht van God en mensch ondernomen.

* * * * *

Eenige dagen later ging ik met »Ladysmith”, vóór een lichte

Amerikaansche sjees bespannen, op een tocht om Kimberley. Paarden waren

in die dagen al bitter schaarsch, ja onverkrijgbaar, zoo moest ik tot

mijn spijt, mijn reisgezel achterlaten en »Lady” inspannen. Het

rijtuigje huurde ik van een Ventersdorpschen burger, die er in de

slooten te Magersfontein onder de Torren woonde. Hij liet mij weten:

»Je kunt het rijtuig krijgen voor £ 1..... en een van jou boeken over

den oorlog.”

Zoo ging ik voort op weg naar Olifantsfontein, waar Hoofd-Commandant

Ferreira pas in de plaats van den aftredenden Hoofd-Commandant was

opgetreden; in den Vrijstaat werden de Hoofd-Commandanten door den

Krijgsraad slechts voor _drie_ maanden gekozen. Een uur rijdens van

de plaats kwam een rijtuig mij tegen. Waarnemende Commandant Hendrik

Jacobs klom er uit en vertelde mij, dat zekere burger (Venter geheeten),

die niet ver van hem in de sloot stond, hem had verteld:

»Dat hij Oerder en mij zag aankomen en voor Engelschen aanziende op

ons gemikt had, slechts wachtende, totdat wij zóó liepen, dat hij ons

allebei met één kogel kon inrijgen”—toen de Commandant uitriep: »Wacht

kerels! moet niet schieten; daar is maar twee man.”

Zoo! Dan zal mijn onbekende weldoener uit Ventersdorp—dank zij een

Venter!—nog een dag zijn boek over den oorlog krijgen, als hij nog in

het land der levenden is.

Zes maanden bij de commando's · 第 65 / 79 题