De Slag van Magersfontein

Op een dag zaten wij met Generaal Cronjé en eenigen zijner adjudanten op

het hoogste kopje van Magersfontein, waarop hij elken morgen vroeg ging,

om Lord Methuen's kamp te bestudeeren. Ons wagentje stond in eene kloof,

achter dien bewusten kop. »_Daar, onder die doornboomen, daar_—hij wees

met den vinger op eene plaats, onder aan onzen voet, links of oost van

de voorpunt der Magersfonteinrandjes—_kwam ik met mijn zeven Adjudanten

op de Bergschotten vroeg in den morgen af_. Het was heel onverwachts.

Een van de kerels dacht, dat het struisvogels waren—je weet immers hoe

snaaks die menschen gekleed zijn,—maar ik wist, dat zij Schotten waren

en riep uit: ‘Schiet, kerels! Schiet hulle!’ Zóó sprong mijn lijfwacht

van de paarden en begon terstond op hen te vuren. Spoedig knetterden de

geweren van alle kanten: zóó begon de slag van Magersfontein.”

De plaats, waar deze interessante episode voorviel, was werkelijk

_voorbij het voorste kopje_ van onze Magersfontein-posities! Vóór

dat kopje was er eene sloot, die door een klompje Kroonstadters,

Hoopstadters en Potchefstroomers bezet was, maar de voorpunt der

Schotten was voorbij die gevaarlijke positie in de duisternis gekomen,

zonder het zelf te weten. Hadden hunne Officieren geweten, waar zij

zich dien morgen vroeg bevonden, konden zij door links te zwenken

de »Magerfontein Randjes” van de oostzijde hebben genomen, en alzoo

achter ons centrum gekomen zijn. Daartoe echter, kon het onder de

omstandigheden onmogelijk komen, daar zij blijkbaar »als dwalende

schapen” op Cronjé's lijfwacht aanlandden, niet wetende, dat zij te

midden van en ten deele zelfs voorbij de Boeren-posities waren. Zulk

een vreemd voorspel tot een gevecht vindt niet dikwijls plaats. De

Engelschen kenden het terrein hoegenaamd niet, of mogelijk meenden zij,

dat de Boeren de voorste randjes en de groote opene vlakte tusschen de

randjes en de Modder-Rivier verlaten hadden. Toen Lord Methuen daags

tevoren eene batterij veldstukken en een zwaar scheepskanon op de

randjes en kopjes liet donderen, kwam er geen antwoord terug. Tevergeefs

gonsden en sisten de granaten in elk hoekje en scheurtje; tevergeefs

verbrijzelden de lyddiet-bommen de groote klippen; het bleef alles

doodstil op die rotsige randjes. En rechts van die randjes—van

Engelsche zijde beschouwd,—waar er zulk een prachtige, ruime opening

was voor zijne groote macht, om den marsch naar Kimberley voort te

zetten, daar zou geen Boer het wagen, om hen den weg te versperren.

Natuurlijk niet, meende de fiere Engelschman, daartoe zijn zij te bang;

in het open veld vechten zij nooit! Zoo zond hij Generaal Wauchope

met een geheele Brigade Hooglanders, om vlak bij de oostelijke punt

der randjes voorbij te marcheeren en alzoo tegen het breken van

den dag de Boeren uit de achterste heuvelen, of, wie weet, uit de

Scholtznekhoogten, goed zes mijl verder naar Kimberley, te verdrijven.

Hoe het ook zij: vóór Generaal Wauchope wist, dat hij binnen onze liniën

was, begon Generaal Cronjé's zeven onverschrokken Transvalers op de

voorste gelederen te schieten, en—ergste van al!—uit de opene vlakte

aan zijne rechterhand sprongen er duizende vlammen uit de geduchte

Mausers. Daar in het open veld, zonder _sloot_ of _wal_ of _doorndraad_

of eenige andere schuiling, dan de dunne, lage doorn-boomen en

vaalboschjes, die er in overvloed aanwezig waren, lagen de »bange

boeren” den vijand af te wachten. Al dat geschrijf in Engelsche boeken

over de grachten en draadomheining, en wat niet al, die ons het voordeel

te Magersfontein bezorgden, is klinkklare onzin. Slechts voor een paar

vooruitstekende kopjes waren er op dien dag slooten gegraven! Eén

enkele, gladde draad hing er slapjes aan een aantal palen—zoowat

50 of 60 treden vóór die slooten geplant, maar elders was er geen.

De Engelschen kwamen er nooit mede in aanraking, volgens mijne

informatie—ook beteekende die draad totaal niets, volgens de getuigenis

mijner eigene oogen. Paarden mogen erover struikelen bij nacht, maar

menschen stellig niet.

Toen er schuin achter en rechts (oost) van de voorste kopjes gevuurd

werd, begon men ook uit de slooten de dichte drommen van het vijandelijk

voetvolk gewaar te worden, en groot was de slachting der arme Schotten

in de eerste vijf minuten. »Als schapen waren zij ter slachting geleid.”

Geen Boer, die kennis van zaken heeft, zal het den dapperen Schot ooit

kwalijk nemen, dat hij dien vroegen morgen retireerde, zoo snel als

mogelijk. Zijn geheele aanval was een »blunder”, slechts een weinig

beter dan die van Generaal Gatacre bij Stormberg.

Laat ons nu bij Cronjé op dien hoogsten top aan de oostzijde der

randjes, wat naar achteren, blijven zitten, en verdere ontwikkeling van

den slag gadeslaan. De Schotten liggen meestal plat op den grond, achter

de vele »boschjes”, die er vooral links van de kopjes in 't opene plein

te zien zijn. Met hun kleine graafjes—die tegelijk als pikken dienst

doen—maken zij zich gaten in den grond, waarin zij kunnen liggen

schieten. Er is zoo veel laag hout in de vlakte, dat zij de Boeren nooit

te zien krijgen; maar het scherpere oog van den Boer weet gedurig zijn

man te vinden en te treffen. Zoo wordt er heen en weer onophoudelijk

in het schemerlicht met de geweren geschoten. Onze kanonnen blijven

doodstil. Er zijn twee Vrijstaatsche en een Transvaalsche Krupp, alsmede

twee Pom-poms en een handmaxim op het vecht-terrein. Op order van den

Generaal blijft het grof geschut zwijgend den loop van zaken afwachten.

Zij zijn er op de kopjes en één Pom-pom is dicht bij den spoorweg

gesteld, alwaar de Generaal den hoofdaanval der Engelschen verwachtte.

Daar schuilen de Potchefstroomers van Wijk Gatsrand en Wijk Vaal Rivier,

en de Ventersdorpers en de Bloemfonteiners onder Fourie (later Generaal

geworden), klaar om den spoorweg met hun bloed te behouden. Nog verder

rechts zijn er Ladybranders uit het verre oosten van den Vrijstaat

en Zoutpansbergers uit het uiterste noorden der Transvaal. Die allen

zijn toegesneld in de ure des gevaars; waar is onze Homerus om ze te

bezingen?—zij vormen den rechtervleugel van Cronjé's macht. Zij hooren

het gevecht, maar kunnen er ongelukkig niet aan deelnemen. De spoorlijn

werd ongebruikt gelaten. Geen gepantserde trein zelfs kwam er opdagen.

Tegen zonsopgang beginnen de Engelsche kanonnen ons linkercentrum

aantetasten. Er zijn er ongeveer 24 veldstukken, waaronder ook eene

batterij Howitzers, die lyddiet spuwen. De randjes en kopjes, waarvoor

de Kroonstadters, Hoopstadters, Potchefstroomers en Klerkdorpers zich in

de bresse stellen, worden verschrikkelijk met ijzer en lood, en geelen

lyddiet begoten. Toen vonden de burgers bij ondervinding uit, hoe goed

het plan beantwoordde, om op een afstand van de rotsige heuveltjes in

slooten te blijven. De weerkaatsende bomscherven en kogels konden ze

daar geen kwaad doen. Die op of achter de lage randjes scholen, hadden

het veel zwaarder, dan die er vóór en dus nader aan den vijand waren.

Vandaar dat er _na_ den slag en ook te Colenso en Paardenberg en Poplar

Grove zoo veel aan grachten-graven door de Boeren gedaan werd. Op onze

burgers in de opene vlakten kunnen de kanonnen niet schieten, daar de

gebrokene Schotsche Regimenten er vóór hen op den grond liggen, tusschen

onze scherpschutters en de Engelsche kanonnen. Daar verre, voor ons

linkervleugel, trachten eenige Engelsche kanonnen de slooten bij de

randjes te enfileeren. Mogelijk vonden de Boeren het zeer onaangenaam,

want na dien tijd zijn al de slooten voor de randjes gegraven.

Zoodra het aan Generaal Cronjé volkomen duidelijk is, dat de Engelsche

machten uitsluitend op zijn linkervleugel aandringen, begint hij zijn

Reserve-Corpsen met effect te gebruiken. Hij had er namelijk een 600

paardenruiters, (rijdend voetvolk) uit bijna al de commando's gekozen,

en ver van de vechtlinie, achter de randjes wachtten zij ongeduldig op

het psychologisch moment om toe te schieten. Daar vliegt Vecht-Generaal

Andries Cronjé, met een paar honderd ruiters, van achter de bedekking

der heuvelen uit, dwars over het open veld, om zich bij onzen

linkervleugel te voegen. De ballon staat hoog in de lucht; de Engelschen

zien hem uit de verte; de kanonnen mikken op zijne dapperen. Voort

snelt hij—de onverschrokkene, die tegelijk de zachtaardigste van alle

Generaals mag heeten—onder den kogelregen door. De paarden worden in de

eene of andere holte, of achter een damwal of kleine verheffing van den

schijnbaar gelijken bodem gelaten, en de mannen kruipen naar voren met

de Mausers in de vuist.

Ook Lord Methuen stuurt natuurlijk versterkingen in die richting: hij

heeft er volk te over. De Grenadier-Garde en vijf compagnieën Yorkshire

Lichte Infanterie (volgens Conan Doyle) worden in de richting der

Modderrivier gezonden, waarop onze linkervleugel rustte. Zij versterken

daar de wankelende rijdende infanterie en lanciers, die te voet, gelijk

de Boeren, daar onder en achter de doornboomen liggen te schieten.

Wederom laat Cronjé een compagnie van zijn reserveruiterij van achter

de randjes over de opene vlakte jagen. 't Is Veldkornet Coleman, van

Bloemfontein, die vooraan gaat en zij laten zich door de bommen en

granaatkartetsen en het scheepskanon geenszins afschrikken.

Ons linkervleugel bestaat uit mannen van Wolmaransstad, onder

Commandant Potgieter, van Lichtenburg (Comt. Vermaas), kleinere klompjes

Fauresmithers en Boshoffers (onder waarnemende Commandanten) en de

Bloemhoffers onder Commandant Tollie de Beer. Zij kregen het bitter

zwaar daar in 't open veld. Haastig worden er steenen, waar die te

vinden zijn, opgeraapt en in hoopjes gestapeld ter schuiling; maar de

burgers zijn niet in Natal, waar de overaltegenwoordige Kaffer-kraaltjes

en muurtjes zoo goed te pas komen. Groote steenen zijn hier zeer

schaarsch tusschen de kopjes en de rivier. De groote vlakte, _waarop

de vijandelijke legers tegenover elkander plat op den grond liggen_

(!) heeft echter den vorm van een lange, breede, nauwelijks van ons

standplaats merkbare deining, waarvan de Engelschen de eene zijde en

de Boeren de andere zijde in veilig bezit hebben. Zoodra een der beide

partijen echter te ver naar voren gaat, wordt de aarde met bloed

bevlekt. De menigte mimosa's en vaalboschjes zijn echter het voornaamste

kenmerk van het vechtterrein daar links. Die daar op den grond ligt,

ziet niets en wordt ook niet licht gezien. De Boeren kruipen echter

gedurig nader, hoe langer de strijd duurt. Ze worden al moediger,

naarmate zij den toestand van zaken begrijpen.

Nog eens stort zich een groote klomp ruiters uit de richting van Scholts

Nek op den Engelschen linkervleugel af. Het gaat over een lange, opene

vlakte. De granaten en lyddietbommen kunnen ze echter vandaag niet

keeren. _De Boer vecht zoo als nooit tevoren_ in den oorlog. 't Is

Vecht-Generaal Ignatius Ferreira, van den Oranje Vrijstaat, die zich in

de hitte des strijds, tegen elf uur, bij onze gelederen aansluit. Van

't verre Ladybrand is hij daarheen gesneld. De President heeft hem pas

in de plaats van Vecht-Generaal Prinsloo (van Bloemfontein) gesteld en

met roem heeft hij zich met zijne mannen beladen. Op hem (even als op

Generaal Andries Cronjé) zijn de volgende woorden, op Louw Wepener

bedoeld, zeer toepasselijk:

_Aan het hoofd dier dappre helden

Staat een man van vrees bevrijd,

Maar ook teêr en zacht als zelden

Harten kloppen in den strijd._

(N. HOFMEYER, kijkjes in onze geschiedenis).

Nog een laatste, wanhopige poging gaat de ongelukkige Methuen wagen, om

de schaal naar zijnen kant te doen overslaan. Er is nog één regiment

Hooglanders: de Gordons. Zij staan er bij de kanonnen, die zoo na als

mogelijk naar onze linien geschoven zijn, _omdat ons geschut nog altijd

zwijgt_. Tegen één uur komen ook de Gordons nader. Zij willen de slooten

vóór ons linker-kopje bestormen en den dood hunner broeders wreken.

Volgens Conan Doyle kwamen zij tot 400 treden van onze posities, hetwelk

zeer te betwijfelen is; maar er was geene kans om verder te komen. Ons

geweervuur wordt al heviger. Ons linkervleugel komt al meer naar voren.

De geheele Schotsche Brigade is in doodsgevaar. Zij vreezen te worden

omsingeld en afgesneden van hun kamp. Daar gaat de heele boel op

den loop: Argylls en Sutherlands, Seaforths en Black Watch, met de

onverwinnelijke Gordons incluis! Zij snellen er heen, alsof de Duivel ze

jaagt. Bij de kanonnen blijven de Gordons staan, maar de overigen zijn

niet te keeren, eer zij een goede »mijl achter den rug hebben” (volgens

Doyle), zulk eene paniek heeft de Mauser verwekt.

Ach! waarom schieten onze fraaie Krupps toch niet? Wat is het met de

Artilleristen vandaag? Wat doet Majoor Albrecht? Welk eene kans, om de

Britsche kanonnen af te nemen! Indien de Krupps hunne koperen keelen nu

open doen, daar van de voorste kopjes, dan wordt het gansche Britsche

leger gedemoraliseerd niet alleen, maar de Artillerie-paarden bijten

gewis in het stof. Ze zijn geen 2000 treden van onze kanonnen. Schiet!

kerels! schiet! Laat de Krupps kraken en de kogels kletteren—dan kan

geen mensch of dier het bij de drie batterijen Armstrongs uithouden.

Dan kruipen de dappersten onder de burgers voorwaarts, en—eer de avond

valt zijn de stukken onzer. Neen—de doodsche stilte op de kopjes duurt

voort. Eerst toen de gansche Britsche macht tegen vijf uur terugtrok,

begon een Vrijstaatsche Krupp aan het kogel-orkest meê te doen. Zóó goed

mikte onze Vrijstaatsche Sergeant, dat hij een gansch stel paarden vóór

een kanon wegschoot, en ook een kanonwiel buiten gevecht stelde.

_»Someone had blundered.”_

De Artilleristen vertelden mij, dat zij orders hadden, om niet te

schieten. Die bevelen zijn nooit herroepen. Vandaar hun zwijgen, totdat

de Engelschen terugtrokken.

Toen ik den Generaal daaromtrent raadpleegde, zeide hij:

»De kanonnen waren zoo gesteld, dat zij niet op het eigenlijke

vechtterrein konden werken.”

Er waren omtrent 3000 Transvalers en 2000 Vrijstaters in die dagen aan

het Magersfontein front, dat tien of twaalf mijl breed was. Maar er werd

slechts over eene breedte van vijf mijl gevochten, zoodat velen onzer

burgers niet aan den strijd konden meedoen. Van onze burgers sneuvelden

er ongeveer 70, terwijl er over de 100 gewond werden. Lord Methuen telde

bijna 1000 dooden, gewonden en vermisten (volgens Doyle). Er werden

zoowat 100 Schotten dien dag gevangen genomen. Het getal zou veel meer

geweest zijn, maar de Kroonstadters wisten niet recht, wat zij met hunne

prisoniers doen moesten—zoo lieten zij ze _minus_ hunne wapens weer

naar de hunnen terugkeeren.

»Maar waar zijn de Skandinaviërs?” vroeg men elkander na den slag af, en

niemand wist, waar hunne positie dien dag was en wat er van hen geworden

was. Ik heb velen gevraagd, om mij de juiste plaats aantetoonen, waar de

ongelukkige, dappere mannen van het kille Noorden zich voor onze zaak

opofferden, maar niemand kon het doen. »Daar ergens, vóór in de vlakte,

tusschen de Modderrivier en de randjes, maar heel ver naar voren,

moesten zij dien nacht geweest zijn.” In de duisternis van den morgen

kwam het voetvolk op ze af. Zij werden geheel binnen de vijandelijke

liniën door de aanstroomende Schotten overweldigd. Gelijk de opkomende

vloed bij de zeekust snellijk al de lagere klippen bedekt, totdat er

slechts één groote trotsche rots de kruin tusschen de schuimende wateren

omhoog houdt—de golven klotsen ertegen aan met donderend gedruisch,

maar de rots blijft nog lang zichtbaar, totdat het hooggetij erover

heen stroomt en de onstuimige zee alleen te zien is—zóó ging het met

het Skandinavische Corps. Daar ginds, midden in eene zee van vijanden,

werden zij verpletterd. Zij sloegen met de geweerkolven wanhopig om

zich heen, die tachtig mannen, toen zij zich te midden van de Seaforths

bevonden; maar weinigen zijn aan het wreede noodlot ontkomen. Later zal

er gewis een standbeeld ter hunner eere op het bloedig slagveld

opgericht worden.

Hun Veldkornet Flygare is ook daar gevallen. Te Mafeking sneuvelde zijn

broeder, en hij seinde daarop aan diens echtgenoote:

»Gustav is als een held gestorven.... Ik treur, maar zal zijn dood

wreken. Ik zal nooit rusten, tot ons onherstelbaar verlies gewroken is.”

Voortvarende, heftige strijder! Hij was niet te beteugelen. Zijne

dapperheid en toorn brachten hem tot het gevaarlijk besluit, om ver vóór

onze vechtlinie den verwachten aanval des vijands te trotseeren. Zijn

lot was als dat van een Hector, die vóór de poort van Troje alleen de

komst van Achilles bleef afwachten.

»Mijns is de wrake,” spreekt de Heer, »Ik zal het vergelden”.

Zes maanden bij de commando's · 第 63 / 79 题