Van een laag »kliprandje”, waartegen Cronjé's lager als 't ware
aanleunde, kon men de beroemde »Magersfontein Randjes” ten noordwesten
duidelijk zien. Elken avond, kort voor zonsondergang, gingen van de
menschen uit het lager op het randje zitten, om de geregelde avondsaluut
van Lord Methuen's scheepskanonnen bij te wonen. Een donderend geknal,
uit de richting van 't Britsche kamp komend, een tweede van de
Magersfontein-posities en een lichte ronde wolk van de eene of andere
punt in de randjes opstijgend—dat was de orde van den dag. »Daar val
hij!”—riep een of ander toeschouwer dan uit. Nog een—en nog een—en
soms nog een bom of vijf, zes er bij—en de opvoering was afgeloopen.
Het waren lyddiet-bommen als je blieft, maar zij deden niemand eenig
kwaad. Er zaten wachten den ganschen dag lang op al de hoogste punten
dier randjes, die, zoodra zij de vurige tong van het monster zagen,
luide uitriepen: »Daar's hij, burgers!”—waarop elkeen zich op de eene
of andere wijze verschool, eer de gonzende projectiel in hun midden
neerplofte. Niemand bekommerde zich later over die vroeger zoo gevreesde
bommen. Ook _hunne_ manieren leerde men kennen. Waarom Lord Methuen het
deed?—Waarschijnlijk om aan Generaal Cronjé duidelijk te zeggen: »Hier
ben ik nog! Ik ga niet van hier weg!”—en intusschen was Lord Roberts
druk bezig achter zijn rug, om een overweldigende macht te organiseeren.
Methuen bleef doodbedaard wachten. Hij deed niets. Neen—toch niet.
Twee dingen moeten op zijne rekening gesteld worden, gedurende de
lange periode tusschen Magersfontein en de verlossing van Kimberley
door Generaal French: _a._ Colonel Pilcher kwam plotseling in 't begin
van Januari op een lager van de Griqualand West rebellen dicht bij
_Douglas_ af, en nam er zoo wat 40 hunner gevangen, met lager en
Commandant incluis; en _b._ eene afdeeling zijner Cavalerie viel het
_district Fauresmith_ binnen—en verbrandde en vernielde er een aantal
boerenhoeven! Het eerste wapenfeit strekt hem allerwege tot eer, want
Commandant Scholtz en zijne manschappen werden er heel netjes verrast.
Het tweede is een van de schandelijkste gebeurtenissen uit den oorlog.
Volgens een telegram van een Vrijstaatschen officier kwamen er »zoo
wat 2000 Engelsche ruiters met 11 kanonnen twee uur te paard in
den Vrijstaat, _om te vernielen_!—Huizen en meubelen, ja zelfs
schoolmeubelen werden verwoest!” Conan Doyle erkent ronduit, dat er
zulk een vernieltocht plaats vond en hij beklaagde het gebeurde. De
dag komt, wanneer alle fatsoenlijke Engelschen zich zullen afvragen:
»Maar hoe kwamen die officieren van Lord Methuen er toe, om huizen
en meubelen te gaan verwoesten, zonder een enkel schot te vuren”! En
werd niet op hen geschoten. Van verraad of strategische redenen was
er geen sprake. »De beschaafde, galante, wel opgevoede officieren van
Methuen” gingen dus veel verder dan de »onbeschaafde, ongeletterde,
ruwe Boeren” in Natal. Wij hebben geen huizen verbrand of door dynamiet
opgeblazen. Vele meubelen werden vernield, vooral te Dundee! zelfs door
onbeschaamde, lange vingeren weggevoerd, maar—op 9 Januari 1900, werd
er voor 't eerst in den oorlog op koelbloedige wijze door Britsche
troepen een aantal Vrijstaatsche boerenwoningen verbrand! Die smet is
onuitwischbaar. Voor beschaafde menschen is zoo iets onvergefelijk,
omdat het onbegrijpelijk is. Welk een schouwspel voor het aangezicht
van de hooge zon en van de lage naturellen, op de plaatsen hunner bazen
achtergebleven! Treurt en weent allen gij, die trotsch zijt op de hooge
tradities en edele ridderlijkheid van den Britschen Officier—zooals gij
hem in uwe geschiedenissen hebt leeren kennen.
Er werd destijds een krachtig protest tegen die gruwelen door de
beide Presidenten aan Lord Roberts gericht: wij twijfelen er ook geen
oogenblik aan, dat, als de hitte en de opgewondenheid des strijds
voorbij zijn, de gemoederen van alle partijen eenigszins weêr tot
bedaring komen, het gansche Britsche Rijk op dat protest »Amen” zal
zeggen.... Wie zal echter de onschuldige slachtoffers der Majuba- of
Magersfonteinwrekers weer opbouwen?
Naar die randjes gingen onze harten vooral uit. Wij wilden het beroemde
slagveld bestudeeren en schetsen. Den dag na onze aankomst bij Generaal
Cronjé, had ik reeds de gelegenheid met het rijtuig van Ds. Strasheim
van Klerksdorp erheen te rijden. Veel werd mij toen reeds verteld en
getoond. Later gingen wij beiden er een gansche week met ons wagentje
tusschen de randjes en kopjes schuilen. Op weg daarheen zagen wij aan
onze linkerhand _de groote sloot_, ruim vijf mijl lang, over de gansche
vlakte, van de rivier tot aan de Magersfontein Randjes door de Boeren
_na den slag_ gegraven. Daarin hielden de Vrijstaters en de Transvalers
naast elkander getrouw de wacht, gereed om elk oogenblik een aanval
afteslaan. De sloot was goed vijf voet diep en een paar voet breed, en
de grond eruit gehaald, werd aan den linkerkant als een wal opgehoopt,
ter verdere beschutting tegen vijandelijke kogels. Tegenover de plek,
waar er een man stond, maakte deze een opening in den wal voor zijn
geweer, om op den vijand aanteleggen. Sommigen hadden er ook steenen
opgestapeld met schietgaten ertusschen, anderen bedekten de openingen
met takken. Elkeen ging zijn eigen gang en maakte zijn eigen deel van
de sloot. Ook liep de sloot niet juist overal door. De aarde was op
verscheidene plekken zeer steenachtig, en ook was het niet noodig om
juist elke trede van den langen afstand uittegraven. Zoo waren er vele
plaatsen, waar de geduchte schansen voor vier, of zes, of meer treden
niet bestonden. Ook in deze zag men het bekende gezond verstand, dat
een hoofdrol in der Boeren tactiek vervult.
Aan den rechterkant van den weg naar de randjes zagen wij eenige
kleine Vrijstaatsche lagertjes, uit een half dozijn tenten en wagens
bestaande, in de opene vlakte. Daar werd er geslacht en gebakken voor de
Vrijstaters in de sloot. Daarheen werd hun koffie en suiker, hun tabak
en beschuit gezonden. Arme drommels! Ze hadden het daar in de slooten en
te Magersfontein en overal aan de westergrens erg zwaar, vooral in de
eerste weken van Januari. Er was noch koffie, noch suiker in die dagen
en bitter weinig tabak. Thee, zonder melk en zonder suiker smaakt niet
al te lekker. Gelukkig was er steeds volop vleesch en brood. In ééne
maand bijvoorbeeld werden er 4,000 schapen en 80 ossen, volgens
informatie aan mij door den heer Williams gegeven, aldaar geslacht!
Wij reden de poort, die tot de _binnen_zijde (of noordzijde) der randjes
en kopjes den toegang verschaft, zoo wat tien uur op den morgen door, om
door een treffend gezicht verrast te worden. Daar links van ons hingen
de Potchefstroomsche lagertjes als bijennesten aan de kopjes vast. Vier
of vijf verschillende groepjes tenten en hutten van allerlei aard en
maaksel en fatsoen waren er te zien. Naar 't eerste kampje rijdend,
moesten wij een opene ruimte van ongeveer honderd treden tusschen
twee randjes passeeren. Doodbedaard gingen wij voort, totdat er een
paar lyddiet bommen uit het Engelsche Kamp, dat geen zes mijl ver en
duidelijk zichtbaar was, over onze hoofden vlogen. Bokkie versnelde toen
natuurlijk onzen gang, totdat ook wij achter een randje gedoken waren.
Zoo gering was echter de beschutting daar bij het lager van Commandant
Wolmarans, dat wij gewaarschuwd werden, om ons wagentje elders te
verbergen. Twee maal was er een bomskogel door de tent van Veldkornet
van Graan (onzen gastheer), bijvoorbeeld, gevlogen, waarvan één hem nog
al in het been wondde. Toen de avondschaduwen onze bewegingen ietwat
bedekten, sloegen wij het hazenpad in en vonden wij een heerlijke
schuilplaats in eene kloof tusschen twee hooge randjes. Vandaar uit
gingen wij op onze dagelijksche wandelingen, om de vroolijke burgers in
hunne pondokken en grotten, spelonken en gaten, slooten en »bokzeilen”
optezoeken. »Torren” noemden zij zichzelven lachend: betere benaming is
er moeilijk denkbaar voor de bewoners van de Magersfontein posities. De
meesten hunner hadden zich letterlijk gaten in de randjes geboord. Als
wespen en torren doken zij in hunne holen weg, wanneer de bomscherven de
rotsen rondom hem bont en blauw, ja geel (als er een lyddiet bom viel)
sloegen en vaneen scheurden. Uiterst zelden werd er iemand gekwetst,
en toch waren zij er achter zeer gevaarlijke, lage, rotsige, randjes,
binnen zes mijl van de groote Scheepskanonnen verscholen. De reiziger
zal zich verstommen, als hij de wonderlijke Boeren-plannen aldaar
gadeslaat.
Aan de zuidzijde dier randjes, zoowat twintig of dertig treden vóór
den voet derzelven, liepen de kromme, kronkelende slooten, die als
eene continuatie van de vorengenoemde »groote sloot” kunnen beschouwd
worden. Chronologisch echter, werden er slechts twee slooten (elkeen
60 of 80 voet lang) _vóór_ de langere, die de vlakte doorkruist,
aangelegd—zooals wij later zien zullen, als het gevecht besproken
wordt.
Uren lang kan men aan de buitenzijde dier randjes langs kortere of
langere grachten wandelen! Elke duim ervan werd door de burgers
eigenhandig gemaakt. Het was een reuzentaak. Toen wij er waren, in 't
midden van Januari, werd er nog altijd door gegraven; hier werd er wat
dieper, daar wat verder gedolven; deze sloot werd verlaten en gene er
in de plaats van gemaakt. Helder overdag werd er getobt en gezwoegd
in de verschroeiende hitte der zon en in het gezicht der Engelsche
veldkijkers. De wachters stonden altoos klaar op de toppen der kopjes,
om hen tijdig te waarschuwen tegen het naderend gevaar.
Heerlijke schetsen heeft mijn kunstlievende vriend daar opgedaan—mocht
hij er eens veel bij verdienen. Dergelijke oorlogsprenten zijn nog nooit
gezien! Verbeeld U, lezer! dat gij op den rand van die diepe breede
gracht staat, niet verre van de plaats, waar Generaal Wauchope en zijne
dappere Schotten sneuvelden. Gij kijkt in de schaduwen der sloot en ziet
niets. Toch hoort gij iemand lezen! Gij bukt en buigt u voorover.....
wat? daar steken er een paar naakte teenen uit! Gij springt over
de sloot—en ziet een burger op den rug liggen in eene holte, in
den slootmuur gegraven, met een Bijbel, of een Catechisatieboek van
overleden Professor John Murray in de vuile handen. Zijne laarzen
of veldschoenen zijn uitgedaan wegens de verschrikkelijke hitte. In
zijne hemdsmouwen ligt hij er te lezen. Vuil zijn handen en voeten
en 't gelaat zelfs, omdat er nauwelijks genoeg drinkwater naar de
gevaarlijke kopjes en slooten dagelijks vervoerd wordt. Het water komt
in »tanks” van de fontein bij de hoeve van den heer Bisset, eigenaar
van Magersfontein—een goed drie-kwart uur rijdens vandaar; de tanks
zijn maar schaarsch, en de drinkers zijn vele. _Ergo_: de arme Torren
kunnen zich niet wasschen en moeten eens in de week in de gezegende
Modderrivier een bad gaan nemen. Eens in de week kunnen zij de oogen
wasschen, de arme kerels! En toch—hoe opgeruimd, hoe pleizierig, hoe
speelziek, grappig zijn zij! De geest der burgers in die dagen was beter
dan immer tevoren. Zij wedijverden met elkander in vroolijkheid en
vooral in het vervaardigen van kunstige en veilige hutjes en holen. De
onbekende reiziger zal zich verbeelden, dat hij er nieuwe katakomben
ontdekt heeft, als hij op de slooten afkomt; en, aan de binnenzijde dier
randjes ronddolend, zal hij uitroepen: »Hier woonde eens een vreemd ras
van menschen; in holen woonden zij gelijk de Boschjesmans en Loofhutten
bouwden zij, gelijk de Israëlieten van ouds”!
Wat hebben wij er aangename dagen bij onze dierbare land- en lotgenooten
doorgebracht! 't Was eene betooverende schilderij, fantastisch en vreemd
als een droombeeld. Eene godsdienstoefening hebben wij er bijgewoond,
die in een groot schilderstuk dient vereeuwigd te worden. Daar achter
het kopje, naast het lagertje van Vecht-Generaal Andries Cronjé, waar
de geniale Veldkornet Roos van Klerksdorp ons zoo dikwijls te gast
had—rechts van den spoorweg, als men op weg naar Kimberley tusschen de
»Magersfontein Randjes” doorstoomt—stond Ds. Winter op een namiddag te
preeken. Zijne gemeente zat er op de groote steenen, die elken heuvel in
die streken bedekken. Wij kleefden altegader aan de noordelijke helling
van het »Kerk-Kopje” (zoo als burgers het spoedig gedoopt hadden), als
een groote zwerm bijen vast. De Engelsche bommen konden immers elk
oogenblik een woordje meêspreken. In 't midden der welsprekende rede,
die met diepe aandacht werd toegeluisterd, gilde onze wacht uit: »Daar
kom hij!”—en elkeen, Herder en Kudde, bukte zoo laag als mogelijk. De
twee harden knallen volgden kort op elkander, de eerste bij het vertrek,
de tweede bij de aankomst van onzen rustverstoorder. Met een gevoel van
verlichting, zagen wij het gevaarte dicht bij de spoorlijn, een vijftig
of zestig treden van onze vergaderplaats, ontploffen. 't Was nog al
een lyddiet-bom en het geraas was oorverdoovend. De Dominé hield zich
echter goed. Hij ging met zijn rede voort en, op de plaats, waar de
bom gevallen was, met de hand wijzend, gebruikte hij het gebeurde als
een voorbeeld, om zijn onderwerp toetelichten. Nog drie projectielen
volgden, allen gelukkig in dezelfde richting geslingerd. De preek was
spoedig uit en het slotgebed volgde. Onze artist meende, ter wille van
zijn werk, wat te mogen rondkijken en zag de goede lieden in allerlei
vreemde houdingen. De meesten stonden overeind met den voorganger, maar
van de anderen waren er sommigen voorover liggend en anderen met het
hoofd achter een steen gedoken. Deze laatsten waren geen lafaards, maar
slechts voorzichtig, zoo als de meesten Boeren zijn, die echtgenooten en
vaders en grondbezitters zijn. Bij het zingen van den slotzang waren
allen op de been.
Soms kwam Generaal Cronjé met zijn staf en eenige onderofficieren onder
het gastvrije »bokzeil” van Veldkornet Roos wat schaduw en rust zoeken,
terwijl wij ook daar waren. De _Prieska-expeditie_ werd in die dagen
op touw gezet en een Vecht-Generaal (Breytenbach) werd daar onder het
bokzeil aangezegd, dat hij zich moest gereed maken, om met een paar
honderd man dien verren tocht naar het noorden der Kaapkolonie, aan de
oevers der Oranjerivier, te ondernemen. Als manna in de woestijn daalden
er soms wat vruchten uit Klerksdorp op ons af, daar bij datzelfde,
onvergetelijke bokzeil, met de kar van Vecht-Generaal Andries Cronjé
(den zachten, algemeen beminden, maar helaas! ziekelijken broeder van
den Generaal) er onder. Een halven tros druiven, _daar_ gegeten, smaakte
ons als de vruchten van Kanaän, en een slokje Kaapschen brandewijn was
een luxe, die slechts bij dat wonderlijke bokzeil te genieten was—en
dat wel slechts bij bijzondere gelegenheden.
Niet verre van de plek, waar ons wagentje bij een grooten Mimosaboom
schuilde, geheel en al achter de randjes, was het lager van Veldkornet
Douthwaite, Potchefstroom dorp. Daar werden wij eens op een lekker
diner door den Veldkornet (later tot Vecht-Generaal verheven) en zijn
vriend, ex-Raadslid W. Jooste, onthaald. We hadden er kippenvleesch,
aardappelen, rijst en—een likeurtje, in den vorm van een glas whisky:
een ongehoorde weelde in die barre gewesten.
Waarnemenden Veldkornet Liebenberg—later Vecht-Generaal onder De
la Rey geworden,—den bij Mafeking gewonden Commandant Wolmarans van
Potchefstroom, Commandant Tollie de Beer van Bloemhof, en vele andere
notabele personen zagen wij in die dagen. Wij spraken tezamen over
de gebeurtenissen van den oorlog op verschillende punten van het
uitgebreide vechtterrein. Allen waren opgeruimd en moedig en zagen een
rooskleurige toekomst tegemoet.
Helaas! Was het niet de pauze voor den storm, waarin wij ons
verlustigden? Speelden wij niet op den rand eens afgronds? Moesten wij
niet handelend opgetreden zijn, in plaats van te wachten, totdat er een
avalanche op onze hoofden neerstortte?—En toch! De tijd van krachtig en
doeltreffend handelen was toen reeds voorbij: als sprinkhanen uit de
Kalihari, zoo kwamen de Engelsche soldaten uit de zee op onze kusten
af. Wie kon ze uit de landpalen der Republieken weren? Onmiddellijk na
Colenso, werd er te Londen besloten: om Lord Roberts—met Kitchener als
eersten Staf-Officier—naar Zuid-Afrika te zenden; al de resteerende
leger-reserves opteroepen; een 7de en 8ste Divisie (elk 10,000 man
sterk) naar 't front te sturen: elf Militie-bataljons bij het leger
te voegen; een Rijdende Yeomanry-macht op de been te brengen; een
menigte kanonnen, insluitende een Howitzer-brigade uittezenden en
zooveel mogelijk vrijwilligers aantewerven. In de koloniën (Australie,
Nieuw-Zeeland, Canada, Natal en de Kaapkolonie) werden er rijdende en
andere Corps voor den krijg toegerust. Alzoo werd er ruim 100,000 man
in korten tijd bij de 100,000, reeds in Zuid-Afrika aanwezig, gevoegd.
Nationaliteitsgevoel is een krachtige hefboom in tijden van gevaar
vooral. Geen wonder dus, dat er van alle kanten mannen uit het groote
en uitgestrekte Britsche Rijk, na Colenso en Magersfontein, naar de
vaandelen van Lord Roberts toestroomden. Nog eens: hoe konden onze
kleine commando's zulk een heir op de vlakke velden van den Vrijstaat
den weg versperren? Door de bloote getallen des vijands werden wij
genoodzaakt terug te vallen!