Verdwaald

Dien avond verdwaalde ik. Geen wonder! Er was zoo veel te vragen, zoo

veel te vertellen. De Vrijstaters gingen naar hunne tenten. Ik bleef

achter. De Warrentonners gingen huns weegs, behalve één vriend, die nog

wat met mij te kouten had. Het weder betrok, het werd laat; maar wij

bleven daar in de breede vlakte staan, over het oude en het nieuwe

gedachten wisselend. Was ik toen maar met mijn vriend en wapenbroeder

naar het Warrentonsche lager gegaan, maar ik dacht aan mijn vermoeid

paard en aan den warmen stal en het voeder te Olifantsfontein en meende

mijn weg daarheen wel te zullen vinden. Mijn vriend ging een eind weegs

met mij en toonde mij de richting aan, welke ik verder te volgen had.

Wij scheidden en ik vervolgde mijn weg met blijdschap.

Ongelukkig, echter, ben ik niet met een al te grooten »knop voor

localiteit” (bump of locality)—zoo als de Phrenologen zekere projectie

boven de oogen noemen—gezegend. Ik raakte van koers. Ik verloor de

juiste richting, zonder het echter te weten. Voort ging het op een

stijven galop, maar de plaatse mijner bestemming kwam niet in 't

gezicht.

Plotseling overviel de duisternis mij. In Zuid-Afrika heeft men weinig

schemerlicht. De overgang van dag tot nacht is verrassend snel, vooral

voor een Europeaan uit 't verre Noorden. Gij ziet alles voor u helder

en klaar—geen half uur later valt het gordijn, de lichten worden

gebluscht, de schouwburg wordt gesloten, de pret is afgeloopen. Of,

zoo als de dichter en wijsgeer, Coleridge, het zoo prachtig uitdrukt:

_The sun's rim dips; the stars rush out:

At one stride comes the dark._

Ik ben werkelijk aan 't dwalen! dit wordt mij al duidelijker, al wil

ik het voor langen tijd niet gelooven. Voorwaarts »Lady”! Arm dier,

gij krijgt het zwaar op uw eersten dag bij Kimberley; maar wie weet?

misschien is Olifantsfontein daar achter dien heuvel voor mij. Ik jaag

zoo snel ik kan. 't Is een wedren met de duisternis Als ik in de rechte

richting ben, mag ik het nog winnen vanavond; maar als ik verdwaald ben,

kom ik er niet.

Er is niets aan te doen. Mijn paard is nat bezweet en ik ben hopeloos

verward. »Na vroolijkheid komt oolijkheid” werd mij, als kind, dikwijls

gezegd. Ja, zoo is het ook. Pas was ik tusschen mijn goede vrienden

in; thans!—waar ben ik thans? Dat's juist de groote kwestie. Niets is

gemakkelijker dan om in de omgeving van de diamantenstad te verdwalen.

Er zijn geen prominente natuurlijke bakens, om in 't oog te houden: geen

hooge bergen of boomen.

Het begint te regenen. Ja, dat moest er slecht nog bij komen. Nu

is de maat bijna vol. Een mooi spulletje, hoor! Dat komt van den

avontuurzucht. Zoo gaat het, als men sensaties zoekt. Hm, je wilt immers

indrukken ontvangen. Hier hebt je ze nu bij dozijnen—allen onaangenaam,

maar daarom des te meer onvergetelijk.

Hè! Wat steekt me hier in den rug? Ik zie verschrikt om: 't is een

geweldige straal van een electrisch zoeklicht uit Kimberley! Voor de

eerste maal in den oorlog maak ik persoonlijk kennis met een sterk

zoeklicht, en ik moet erkennen, dat het mij veel meer dan de luchtballon

van Ladysmith deed rillen en grillen. Het wierp een verbazend helderen

straal en dat wel op mijn ruggegraat. Het ding doorboorde mij van

achteren als met een scherp mes. Sidderend keek ik telkenmale om,

zoo _nabij_ scheen mij het onbeschaamde monster te zijn. Ik twijfelde

er in het begin geen oogenblik aan, dat de mannen, bij dat licht

staande, mij van kop tot teenen met de oogen opnamen en ik verwachtte

elk oogenblik een schot, op mij gericht. Zóó ontzettend was de kracht

van het electrische toestel, zoo nabij scheen het mij te wezen, en zoo

onzeker was ik omtrent de richting, die ik insloeg.

Meer dan eens schoot de akelige gedachte mij te binnen, dat ik mogelijk

in een cirkel gereden was en nu veel nader aan Kimberley was, dan toen

ik mijn vriend verliet. Toen er, echter, niets gebeurde en ik aan het

onheilspellend ding begon te gewennen, werd het mij spoedig duidelijk,

dat ik in elk geval al _verder_ van de stad reed. Het zoeklicht bewees

mij een bepaalde gunst, ten slotte, omdat ik daardoor te weten kwam,

waar de vijand was. Zoo zijn er meer »vermomde zegeningen” in de wereld,

niet waar? Hoe afgrijselijker het masker, hoe grooter het nut, dat er

achter schuilt.

Het regent maar altoos zacht door, maar daarvoor heb ik immers mijn

regenjas meêgebracht. Dus stoor ik mij daaraan niet veel. In Natal werd

ik op dat punt gezouten. Ook kwam ik daar veilig en goed door mijne

avonturen te Dundee, Elandslaagte en Colenso. Het zal wel van avond ook

»alles recht komen”, gelijk Jan Brand placht te zeggen.

De wind begint te loeien en ik ben zoo eenzaam. 't Is tastbare

duisternis rondom en op mij, behalve wanneer de electriciteit als

een bliksemstraal op mij daalt en eenige oogenblikken blijft rusten.

Wat wordt er van mij en »Lady” vannacht? Wij gaan op een stap voort.

Plotseling staat het dier stil. Het wil geen voet verzetten. Ik stijg

af en ontdek, dat er een draad-omheining voor ons is. Wel, het beste

is om al langs de omheining maar voort te gaan. Ik leid het paard aan

den teugel en stap met een bekommerd gemoed en hongerige maag in het

duistere en onbekende voort.

Er is eene sloot aan mijn rechterhand, zooals de regen er vele rondom

Kimberley in oude paden spoelt. Ik kijk van tijd tot tijd in de

sloot.—Wat is dat ding daar? Het lijkt precies op het lijk eener

vrouw! Daar, diep in de sloot. Met huivering buk ik mij voorover—Neen!

er is niets. 't Is een spel mijner fantasie. Een telegrafist te

Olifantsfontein had ons dien dag verteld van zekere vrouw, die uit

Kimberley trachtte te vluchten en wier lijk ergens in eene sloot

gevonden was! Hij had het _gehoord_, zeide hij, maar niet gezien. Ik

schudde de storie toen gemakkelijk van mij af, daar er zoo vele van dien

aard in oorlogstijd de ronde doen; toch bleef er eene nasmaak van het

verhaal aan mijne verbeelding kleven. Vandaar het gezicht, dat ik meende

te zien. Mogelijk is de geheele geschiedenis van de vrouw op die wijze

geboren.

Eindelijk zag ik een klein, dof licht voor mij, welkom als een vuurtoren

voor den beangsten zeeman, wanneer de stormwind loeit en de gapende

golven zijn vaartuig bedreigen. Ik vind spoedig eene plaats, waar de

doorndraad slap hangt en met eenige moeite gelukt het mij »Lady” er over

te krijgen. 't Is bij acht uur in den avond. Vijf uur was zij onder den

zadel.

't Is een eenvoudige boerenhoeve, van »rauwe steenen” gebouwd, die

ik langzaam nader. Ik klop aan de deur. »Wie is daar?”—roept een

vrouwenstem. »Een vriend—een Transvaler!”—is het antwoord. De deur

gaat open en ik vind mij in de tegenwoordigheid van een gezellig

vrouwtje. Op den achtergrond zie ik een jonge dame en een jongeling in

de kamer zitten. De rest is gemakkelijk te gissen: met behulp van den

jongen Vrijstater kreeg ik wat mielies voor mijn paard—pure mielies,

zonder kaf zelfs, moest »Lady” dien nacht vreten,—die onder een boom

in de opene lucht en den kouden regen den nacht moest doorbrengen. Eene

plaats werd mij aan den avonddisch gegeven, waarop er wat brood en

vleesch gezet en koffie geschonken werd. De huisheer was op commando, en

de vrouw deed wat zij kon in hare eenvoudige en beperkte omstandigheden,

om mijne behoeften te gemoet te komen. Tafel en stoelen, voedsel en

alles binnen in de woning toonden armoede, maar zij gaf, wat zij mij te

geven had, op echte boerenwijze. Een matras werd op den grond in het

voorvertrek—de »zitkamer”, waar men gasten ontvangt, als zij door de

voordeur instappen (ik kwam er bij de achterdeur in)—door de jonge dame

gelegd en een bed werd er door hare rappe handen in een oogwenk voor de

twee manspersonen gespreid. Alles was schoon en ik kan de goede lieden

niet genoeg voor de gastvrijheid van dien avond dankzeggen.

Maar—er waren geen binnendeuren in het huis, dat uit vier kleine

vertrekken bestond. De »voorkamer” had twee openingen, voor deuren

bestemd. De ééne gaf toegang tot de slaapkamer van de moeder en de

dochter des huizes, de andere leidde naar de eetkamer, waardoor men tot

de kleine keuken kwam. Er waren gordijnen van gekleurd linnen voor de

openingen gehangen, maar elk woord dat men sprak, was door het gansche

huis hoorbaar.

Na een half uur gezellig pratens in het voorste vertrek, verdween

de moeder achter het gordijn. Zij ging slapen. De jonge man was

zeer levendig en vroolijk. De jonge dame zag er blozend en rijzig en

welgevuld uit, zooals een jonge Boerendochter van achttien of negentien

zomers er behoort uit te zien. Het werkzaam leven in de opene lucht,

gepaard met eenvoudige spijzen en volop versche melk geeft overvloed

van groeikracht en rondheid van leest. Aan hare houding en manieren

kon ik spoedig bemerken, dat zij den jongeling niet ongenegen was.

Wat den depêcherijder betreft—hij behoorde aan het Vrijstaatsche

Wielrijderscorps, dat toen reeds hunne wielen meestal met paarden

verwisseld hadden—wel, hij kon de oogen van zijn schoone vriendin

nauwelijks afwenden.

Ik was blijkbaar in den weg. Beleefdheidshalve moesten de twee

jongelieden mij gezelschap houden. Mogelijk waren zij verloofden—in

elk geval waren zij stellig op elkander verliefd. Dus: naar bed zoo

spoedig mogelijk, opdat de jonge harten en oogen en wangen wat nader

aan elkander konden getrokken worden. De moeder had er blijkbaar geene

objectie tegen. Ik natuurlijk nog minder.

»Goei'n nacht, jonge vrienden. Ik zal maar gaan slapen. Ik ben moede.”

Heel zedig en doodbedaard stonden de twee verliefden op en ik vond mij

alleen. Zij waren in de eetkamer, achter het gordijn verdwenen. Waar

konden zij anders gaan? Er was geen keuze—'t is oorlogstijd.

Spoedig lag ik tusschen de warme dekens, druk bezig in slaap te vallen.

Het gefluister en gelach en ook andere geluiden namen, echter, gestadig

toe in de kleine eetkamer, geen acht treden van mijn peluw. Vroolijke

guiten! Laat anderen vrij oorlog maken; zij zullen »een deuntje vrijen”.

Zij leven in het zoete heden. Wat raakt ze de toekomst van land en volk?

Morgen wordt er mogelijk gevochten, van avond wordt er stellig—gekust.

Met lieflijke herinneringen aan de dagen mijner jongelingschap, viel ik

in slaap.

Toen ik, eenige uren later, ontwaakte, lag ik nog alleen. De twee

tortelduiven kirden er steeds voort achter het dunne gordijn. Het

fluisteren en gichelen waren _crescendo_; de bouwvallige stoelen, waarop

het levenslustig paartje zat, kraakten en piepten op onrustbarende

wijze. 't Was als of de stoelen met geweld aan 't flirten waren. Wat

hebben die rustelooze stoelen mij dien nacht gehinderd!—even als het

knagen en knabbelen van eene muis of het rukken en plukken van een

spoorwegrijtuig soms der vermoeiden reiziger kunnen storen. Welk eene

weelde van woorden hebben vroolijke, jeugdige harten aan elkander

uittestorten! Wat is er alles te vertellen? Worden zij nooit moede?

Krijgen zij nimmer vaak? Kriek... kraak.... tchu-tchu-tchu-tchu-tchu....

(geheimzinnige pauze); dan weer krieken en kraken, piepen en gichelen

(geheimzinnige pauze—tamelijk lang); nog eens gichelen en vooral

fluisteren, veel fluisteren, oneindig fluisteren. Goeie deugd!

wanneer is de conversatie uitgeput? Shu-shu-shu-shu-shu.—

tchê-tchê-tchê-tchê-tchê—Kr.r.r.r.r.r.r.r.r.r.rits—kr.r.r.r.r.r.raak.

Och! wat heb ik 'n vaak. Jongens! houdt op! Lo-o-o-o-op sla-a-a-a-ap

t-t-t-t-toch.

Ik dommelde eindelijk weer in voor een laatsten, verkwikkenden slaap.

Toen ik wakker werd, lag het jongmensch op zijn rug aan mijne zij te

snorken. Het meisje zag ik nooit weer. De oorlogsgolven, door French

naar Kimberley gestuwd, hebben haar en de haren gewis tot diep in den

Vrijstaat ergens geslingerd, totdat zij later in een »Concentratiekamp”

te land kwamen. De dartele ondeugende jongeling is mogelijk nog bij

Generaal De Wet. Het babbelend liefkozend paartje levert ons slechts

een typisch »kijkje achter het _linnen_ gordijn”, om dan voor goed

van het oorlogstooneel te verdwijnen. Te midden der commando's, onder

het geknetter der geweren en het gedreun der kanonnen, met het alles

doordringend zoeklicht als 't ware op 't huisje, vermaken zij zich met

een ontijdige conversatie en eene luidruchtige flirtatie. Zoo gaat het

in de wereld ten allen tijde. In de dagen van Noach ging het veel doller

toe.... totdat de Zondvloed er onverwachts een einde aan maakte. Toen

Rome aan brand vloog, speelde Nero op de viool. Onder de lavastroomen

van Pompeji werd de wellust op heeterdaad versteend.

_Daar ginds bij de linden klonk vedel en trom,

Daar draaide en zwaaide de vroolijke drom,

Daar woelde en krioelde het alles dooreen,

Maar aan lijden en sterven—daaraan dacht er geen!_

(JAN VAN BEERS).

Zes maanden bij de commando's · 第 56 / 79 题