Tegen drie uur weerklonk er een alarm door het lager; »de Engelschen
komen uit de stad.” In een oogwenk was alles in rep en roer. Er werd
geschreeuwd en geloopen, om de paarden in handen te krijgen. Haastig
werd er opgezadeld en zoo als gewoonlijk, reden eenige burgers lang voor
de overigen reeds in de richting der stad weg.
»Bokkie! zaal op die merrie”—het kwam ons voor, dat »_Ladysmith_”
een goed rijpaard zou uitmaken, al was het dan ook braaf vreemd in
die dagen, om vrouwelijke paarden op commando te bezigen. Het bleek
ook later, dat »Kimberley” meer pijn dan pleizier aan zijn ruiter
verschafte, terwijl »Ladysmith” een gemakkelijken gang had.
Zoo ging ik alleen voort, achter de paar kerels aan, die reeds waren
vooruit gesneld, op avonturen en nieuwe ondervindingen belust. Na een
goed half uur rijdens kwam ik op een heuvelrand, vanwaar de stad goed
zichtbaar was, en ik ook eenig kanongebulder kon hooren. Daar ginds in
de verte, links van onze posities, tegenover de Winburgers (als ik 't
wel heb) werd er dan ook heel blauw _à la Kimberley_ gebombardeerd.
Generaal Wessels trok ook met zijne burgers en een Krupp-veldstuk nader
naar de stad, maar kreeg geene kans om een schot dien namiddag te
lossen. Na het vreeselijk gedreun der scheepskanonnen te Ladysmith, was
het mij alsof ik een kinderspel bijwoonde, waarbij er met kanonnetjes
gevuurd werd—zoo klein en zwak waren de veldstukken van het garnizoen
met »Long Cecil” maakte ik eerst later kennis.
Het veel belovend alarm was op niets uitgeloopen. Mogelijk was de
geheele demonstratie slechts bedoeld om het garnizoen van verveling
en _ennui_ te verlossen. Zij waren moede van het wachten en steeds
wachten op Lord Methuen. Zij waren ziek van al de mooie heliogrammen en
berichten, die allen op niets waren uitgeloopen. De belegering ontaardde
al meer van onzen kant in een stilzitten, om te zien of de honger niet
het werk van de kogels kon doen. Colonel Kekewich gaf ze stellig wat
oefening dien namiddag, om ze wat tijdkorting te verschaffen en—wij
willen het hopen—een _extra_ lb. vleesch voor hun avondeten te doen
verdienen. Arme drommels! Zij kregen destijds slechts ¼ lb. vleesch en
14 ons brood per dag!
Daar het kinderachtige »vuurwerk” afgeloopen was, reed ik recht naar
een hoogen heuvel, waar ik een hoop paardenruiters bemerkte. Het was
de Generaal met zijn Hoopstadters en Krupp, de plannen van den vijand
beloerende, klaar om, waar noodig, toeteschieten. Van middag, echter,
was zijne hulp niet noodig, zoo reden wij—het geheele commando—naar
een klompje Boeren, die wij op de opene vlakte voor ons zagen. Zij waren
omtrent twee mijl nader naar de stad, wat rechts van onze positie,
en dus min of meer ten noordoosten van Kimberley. Ik wist niet welke
burgers het waren en bekommerde mij er ook niet om. Het begon mij
inderdaad te berouwen, dat ik mijn reeds vermoeid paard zoo lang onder
het zadel had. Het schijngevecht herinnerde mij ook zoo veel aan
dergelijke kluchtspelen te Ladysmith, dat ik eenigszins lusteloos met
de Vrijstaters verder ging.
Verbeeld u, echter, mijne verbazing en mijn blijdschap, toen eene schaar
van mannen en jongelingen mij daar in 't veld toestormden en omringden,
uitroepende:
»Dag! Meneer Hofmeyr! Is Meneer ook hier? Wie het dit ooit verwacht?
Wel; wie het dit ooit kon denk? Dag! Dag! Ons is al te blij om ons ou
Leeraar weer te ontmoet. Ha! Ha! Ha! Hoe gaat het nog met Meneer? Kan
Meneer dan ook schiet? Ha! Ha! Maar hoor! 't Is een pleizier om ons
ou Leeraar weer te zien. Goei'n dag! Goe'n dag! Hoe gaat het nog met
die vrouw en kinders? Almal wel? Mooi zoo. Ha! Ha! Maar dit 's 'n
onverwachte ontmoeting. Wie het dit ooit kon droom? Goei'n dag! Goei'n
dag! Welkom! welkom!”
Ach! dat was mij een genot, eene weelde! Onvergetelijk oogenblik mijner
rondzwervingen! Zoo wat tachtig mijner oude gemeenteleden—ik was zes
jaar predikant te Warrenton, 1884-90—kijken mij in de oogen en groeten
mij met de hand en lachen van blijdschap, om hun vriend uit de »goede
oude tijden” weer te zien. De band tusschen ons was en is en blijft
innig nauw. Wat haalt er in de wijde, wijde wereld bij vriendschap en
liefde? Niets! niets.
»Dag Oom Piet! Dag Neef Hansie! Dag Jan! Kerels! ik ben blij om jullie
te zien. Ken jullie mij nog? Hoe gaat het? Hoe gaat het? Jullie ziet
daar flink uit. Is alles wel thuis? Wat 'n ontmoeting hier in 't open
veld bij Kimberley!”
Het was een handdrukken en groeten zonder einde.
»En wat maak jullie almal hier?” riep ik uit, op hun geweers en
bandeliers lettend. »Is jullie allen Rebellen?”
Vroolijk antwoordde er een uit den kring:—»Ja! Maar wie hebt ons
rebellen gemaakt?”
Ik vroeg hem: »Wie?”
Hij zei met een lach: »Jullie.”
Lezer! denk over dat klein woordje goed na. Er zit veel in. Voor
negen uit de tien Rebellen zit alles erin. Zij werden door de
_tegenwoordigheid_ der Vrijstaters of Transvalers als 't ware gedwongen,
om zich bij onze commando's aantesluiten. Zij konden zich in de meeste
gevallen niet helpen. Innig gehecht aan de burgers, die hun eigen bloed
in de aderen hadden; hart en ziel één met de Boeren _als personen_,
waren zij toch niet ontevreden met de liberale Regeering, die zij onder
de Imperiale Vlag genoten. Maar—zij hadden geene protectie van de zijde
der Engelschen. Zij werden onbeschermd door de vluchtende Politie en
troepen in hunne huizen achtergelaten. De Boeren kwamen—en _zij moesten
kiezen_ tusschen twee besturen. Bleven zij loyaal aan hunne Regeering en
Vlag, dan raakten zij natuurlijk in ongenade bij de Boeren Regeering,
die over hen feitelijk alles te zeggen had, en op slot van rekening
moesten zij huis en akker verlaten en naar de Engelsche liniën trekken.
Dat is met vele kolonisten gebeurd: zij waren de »undesireables”
bij de Boeren. In deze kan de Brit hun geen verwijt doen: _zijn_
»undesireables” tellen Legio (God helpe de arme drommels!) Wel nu,
_zulk een offer_ zal men alleen brengen, als men door en door Engelsch
of Engelschgezind is. Dan is er (of behoort er te wezen) een enkele
hartstocht in het binnenste, een zelfverterende liefde voor het Britsche
Rijk en de Britsche vlag en den Britschen naam, waarvoor geen armoede of
ellende of verlies te zwaar weegt. Wij hebben ook allen eerbied voor
zulke karakters, al staan zij lijnrecht tegenover ons. Zij volgen hunne
natuur, hunnen aard, hunne gezindheid. Zij zijn eerlijk. Zij blijven
zichzelven gelijk en getrouw. Hun patriotisme en loyaliteit zijn innig
en echt. Vandaar hun enthousiasme, en offervaardigheid. Zulke lieden
worden natuurlijk in de hitte des strijds door de tegenpartij gehaat
en getergd en mishandeld, dat ziet men aan beide kanten gedurig
gebeuren—thans in Zuid-Afrika, en later—waar er ook oorlog mocht
gevoerd worden, maar _na den oorlog_ zullen zoodanige oprechte,
eerlijke, standvastige en edele karakters elkander wel weten te
respecteeren. Alle eere dus dengenen, die ten koste van schade en
schande, huis en akker, lijden en armoede, loyaal aan hunne Regeering
gebleven zijn.
Maar—laat ons de vraag in alle eerlijkheid voor de rechtbank van het
gezond verstand der wereld leggen—kan en mag men zoodanig gedrag van
den gewonen Hollandsch sprekenden en Hollandschgezinden Kolonialen
Afrikaander verwachten of eischen? Het antwoord van den kalmen _denker_,
van den _non_-politieken, onpartijdigen menschenkenner kan niet anders
zijn dan: »Neen, geenszins!”
Neem de Warrentonners, bijvoorbeeld. Ik ken ze persoonlijk. Zes jaar
lang leefde ik in hun midden. Zij hadden destijds niet den minsten
haat tegen de Imperiale Regeering. Zij waren hoogst tevreden met hun
Verantwoordelijk Bestuur. Hunne kinderen lieten zij in 't Engelsch even
veel, zoo niet meer, dan in 't Hollandsch onderwijzen. Zij spraken
nooit over een eigene, vrije, republikeinsche vlag. Het ging hun goed
en zij waren gelukkig. Hun eenigste klachte was: dat zij tegenover de
stedelingen van Kimberley bij de stembus geene kans hadden en dus van
te weinig invloed op parlementair gebied waren.
Met de twee Republieken hadden zij, een innige, diepe, natuurlijke
sympathie—niet om redenen der politiek zoozeer als om redenen des
bloeds. Zij beschouwden de Boeren als een deel van de »Hollandsche
Afrikaanders”, die zij gewoon waren »ons volk”, of »onze natie” te
noemen. Toen Jameson de Transvaal binnenviel, stonden zij hart en ziel
aan de zijde der Republiek. Toen de »League” het tegen den »Afrikaander
Bond” opnam, waren zij als van zelven Bondschgezind. En toen de »Game
of Bluff” _alias_ de »Gewapende Pressie” tegen de Zuid-Afrikaansche
Republiek begon, sympathiseerden zij sterk met het volk, den Volksraad
en de Regeering over de Vaal. Maar geen enkele hunner dacht er aan, om
tegen zijn wettige Regeering de wapenen op te nemen. Zij sympathiseerden
wel met de burgers, omdat deze vleesch van hun vleesch en been van hun
been en bloed van hun bloed waren, maar zij waren gelukkig en tevreden
onder hun liberale, vertegenwoordigende en verantwoordelijke Regeering,
en waren hoegenaamd niet van plan tegen hunne Overheid optestaan en te
rebelleeren.
Toen kwam de ongelukkige oorlog en de Boer plantte zijne vlag
in hun midden. Hij annexeerde Griqualand West als deel van den
Oranje-Vrijstaat—met veel recht nogal, want het land was werkelijk
Vrijstaatsch grondgebied, totdat de diamanten te Kimberley gevonden
en de grond door de Imperiale Regeering aan den zwakken Vrijstaat
ontfutseld werd. De Voormannen der Boeren riepen toen vergaderingen
bijeen en spraken de Kolonisten toe. In Natal voerde de Vice-President,
Generaal Schalk Burger, het woord; te Colesberg, Burgersdorp, Dordrecht
en elders spraken Generaal S. Grobbelaar en H. Schoeman en Commandanten
Olivier en Swanepoel enz. de Koloniale Afrikaanders toe; en te Warrenton
traden invloedrijke Vrijstaters uit Boshof en elders in deze delikate
zaak op den voorgrond. _Deze mannen wilden natuurlijk recruten hebben_:
hoe meer, hoe beter. Dat spreekt vanzelf, want hun getal was zeer klein
tegen de legioenen van Engeland. De Kolonisten echter, waren niet zoo
gretig om zich bij hen aan te sluiten, als velen denken of dachten. Zij
waren natuurlijk bevreesd, dat de zaak een »verkeerden draai” kon nemen,
om nu van geen hooger en edeler gewetensbezwaar te reppen.
»_Het zal ons gaan zooals bij Slachtersnek!_” riep een hunner te
Colesberg op eene vergadering »als wij gevangen worden!” (Profetisch
woord ten deele!)
Toen werd het aan die menschen voorgehouden, dat zij door de aanhechting
van hun land feitelijk burgers der Republiek waren geworden en dus tot
krijgsdienst gedwongen konden worden—en vooral werd nog _dit_ er
bijgevoegd: Dat de Transvaalsche Regeering plechtig belooft, de Rebellen
in een toekomstigen Vrede te zullen insluiten!
_Alzoo_ werden de eerste Rebellen—omtrent 3000 man, zou ik zeggen—uit
Bechuanaland, Griqualand West, Colesberg, Burgersdorp, Aliwal Noord,
Barkly Oost, Dordrecht, Newcastle, Ladysmith, omgehaald, om den stouten
sprong te wagen en hun lot met hun Republikeinsche bloedverwanten
en stamgenooten in te werpen. Wij spreken niet van de enkele
uitzonderingen, die best mogelijk uit antipathie tegen de Engelschen
zich geheel vrijwillig en ongevraagd bij de Federalen aansloten. Wij
hebben de Rebellen van die eerste maanden, als een geheel, in 't oog.
Zij werden omgehaald, bepraten, tot zwijgen gebracht, beschaamd gemaakt,
betooverd, gevleid, bespot, gedreigd, gerust gesteld—al naar den aard
van spreker of hoorder!—totdat zij »half gewillig, half onwillig”
zeiden:
»Nou toe dan maar,—geef ons geweers! Maar ons reken op jullie belofte,
broers!”
Na Stormberg, Magersfontein en Colenso ging het natuurlijk veel
gemakkelijker, om »rebellen te maken”. De vrees voor eene verandering
van het oorlogsgetij verdween; de hoop op de eventueele zege der
Boeren nam geweldig toe. 't Is een treurige waarheid: dat de meeste
Adamskinderen zich heel gemakkelijk laten bewegen, om aan den sterksten
kant te gaan staan! Velen, die vroeger op twee gedachten hinkende waren,
sloten zich na die groote slagen bij de meerderheid aan. Zoo steeg het
getal rebellen best mogelijk in Januari 1900 tot 5000.
Het groote feit blijft echter: dat, die zich bij ons aansloten zulks
in den regel niet vrijwillig deden. Er was pressie noodig, om ze zoo
ver te krijgen. Om het op zijn sterkst uittedrukken: Zij moesten door
Proclamaties en Annexaties en Beloften gevangen worden! En om het
op zijn zwakst uittedrukken: »Zij waren gewillig om gedwongen te
worden”—zoo als één hunner het heel leuk verklaarde.
Op de vraag van een Engelschen Kolonel, hoe het te verklaren was, dat
Kolonisten de wapens in die dagen tegen hun milde, liberale, vrije
Regeering konden opnemen, heb ik mij eens ongeveer aldus uitgelaten:—
»Zij waren niet zoo _anti_-Engelsch, als zij _pro_-Boer waren. Zij
waren niet zoo boos op hunne eigene Regeering, als verkleefd aan
hun eigen vleesch en bloed. Zij zijn niet zoo zeer tegen den Brit
_uitgetogen_, als door den Boer _ingezogen_. »Den eene hebben zij niet
zooveel gehaat, als zij den anderen liefhadden”, om een bekend Engelsch
spreekwoord omtekeeren (»They did not love the one so much, but hated
the other more”).”
En dan—voeg er ook aan toe »den strijd om te bestaan”. Honger is een
harde tuchtmeester. Armoede heeft geene keuze voor gewone lieden. Er
was vleesch en brood en kleeding in overvloed bij de Boerenlagers. Alle
armen kregen daar het noodige—mits zij gewapend waren. Ja, zelfs hunne
vrouwen en kinderen werden door de Boerenregeeringen ten deele gevoed
en gekleed, als zij op commando gingen. Niet slechts te Pretoria en
Johannesburg (waar er duizende families door den Staat onderhouden
werden), maar overal in de steden en dorpen en zelfs buitenwijken der
Republieken werden de huisgezinnen van vechtende burgers zoo veel
mogelijk van Staatswege geholpen. En ditzelfde stelsel werd ook in
al de dorpen, waar onze vlaggen wapperden, gevolgd.
Welnu, de mensch moet leven. 't Is alles behalve pleizierig om honger
en koude te lijden. _Ergo_: de commando's groeien aan. Er wordt een
stad belegerd—»wat een aardig geval!” Men kan er volop te eten krijgen
en zelfs cricket spelen. Zwaar werk is er niet: geen »drill” elken
dag (wat zeg ik? er is nooit zoo iets), geen »sentry go” of »op en af
looperij” (zoo als de Engelsche soldaat moet doen), geen presentielijst
(»rollcall”) wordt er ooit gelezen. Slechts eenige uren bij nacht uit de
warme dekens om »wacht te staan”. Verder voor mijn paard en mijzelven
zorgen. Hoera! Er wordt gevochten van daag. Ik ga mee. 't Is een aardig
geval.
Zoo is het gegaan, zoo en niet anders, in den regel. 't Is klinkklare
onzin om van een »diepgewortelden haat tegen Engeland en al wat Engelsch
is en een groot _pan_-Afrikaansch komplot, om de Engelschen de zee
in te jagen en de Transvaalsche of Vrijstaatsche Vlag met geweld te
Kaapstad en Durban te planten”, in verband met het aansluiten der
Kolonialen te spreken.
Als die theorie de rechte was, hoe kwam het dan dat er hoegenaamd geen'
zweem van een opstand in de Kaapkolonie _zelfs na Magersfontein_ te
zien was? Neen, die sleutel past niet op de deur der feiten. Waar de
Republikeinsche commando's kwamen en bleven en wortels schoten, daar
sloten er Rebellen zich bij ons aan. Daar en niet elders. Deze was
de algemeene regel. Persoonlijke aanraking, tastbare indrukken,
aanstekelijke gesprekken, gloeiende toespraken, dagelijksche omgang met
elkander—het eenigste komplot aan mij bekend. Proclamaties, beloften,
overwinningen en, in sommige gevallen ook »de brooden en de vischjes”
hebben het mirakel der samenzwering tegen de Britsche vlag
teweeggebracht.
Droomen, idealen, gedachten, aspiratien zijn er wel degelijk in menig
hart geweest. Wie kan den Australiër beletten, om naar een vrij en
geheel en al zelfstandig Australische Republiek te verlangen? Wie zal
het den Canadees erg kwalijk nemen, als hij ten gunste van een vrij
Canada, onder een eigene vlag en zelfgekozen Hoofd pleit? Het hart
is vrij, om te verlangen en te droomen en te hopen. Niemand kan de
gedachten en idealen van den Hollandschen Afrikaander aan banden
leggen—evenmin als hij »de lieflijkheden van het Zevengesternte” kan
beperken. Welke vlag er ook boven ons wappere—het brein blijft altoos
ons eigendom, het hart is immer vrij. Goddank! dat de mensch zoo
geschapen is! Maar er is een groot verschil tusschen zoodanige droomen
en aspiratien en eene samenzwering tegen Engeland. Duizenden menschen
kunnen bovenstaande idealen in 't harte koesteren, zonder in 't minst
aan eenig komplot of oorlog of geweld te denken, laat staan te willen
deelnemen.
_Pardon_, lezer! Wij zijn onze Voorrede eenigszins vergeten. Wij hebben
ons woord min of meer gebroken. Het was niet ons plan, om in dit werk
over theorieën te redeneeren. Dan komen wij nooit klaar. Wij wilden
slechts het een en ander van de commando's vertellen.
Maar die lieve Warrentonners, mijn oude gemeenteleden, mijn trouwe
vrienden, met hun Mausers en Martini-Henri's op den schouder—het waren
meestal Martini's, die ze in die dagen kregen, »stomme goed”!—hebben
mij van koers gebracht. Zij hebben mij doen peinzen over de mysteriën
van het menschelijk hart en het menschelijk bestaan in de ingewikkelde
samenleving van ons arm, verdeeld Zuid-Afrika. Wonderlijk, ja vreeselijk
is de mensch gemaakt. Wie kent zijn eigen hart, laat staan dat van zijn
broedermensch! Wie is tot de diepste roerselen en trillingen van eens
anders gemoed afgedaald? Durven wij dan ooit een medemensch haten met
een volkomen haat, of verachten met een volkomene verachting?
Arme Rebellen! Ze zijn in vele gevallen de grootste slachtoffers
der situatie geworden. Door den Brit werden zij verlaten; door den
Boer achtergelaten. Zij werden »in het net eens wreeden noodlots
verstrikt”—zouden de ouden gezegd hebben. Die _alles_ weet, zal, al is
hij ook de loyaalste onderdaan van Koning Eduard VII, moeten zeggen:
»Handelt mij zachtkens met den jongeling, met Absalom”—den Rebel! Die
echter een Transvaler of Vrijstater heet, en dien naam waardig is, zal
dat ander treffend woord van David op hem toepassen:
»Ik ben benauwd om uwentwil, mijn broeder! Gij zijt mij zeer liefelijk;
uwe liefde is mij wonderlijker dan de liefde der vrouwen.”