In een vorig hoofdstuk hebben wij gezien, hoe donker het voor de
Republikeinen tegen het einde van November uitzag. Zij hadden hunne
eenige kans, om den toevoer van versche troepen naar hunne grenzen
aftesnijden, laten voorbij gaan. Zij waren te langzaam in hunne
bewegingen, anders konden zij de Britsche hulptroepen bij de zee reeds
den weg versperd hebben. De spoorwegen door de twee Koloniën konden zij
in bezit genomen, en alzoo het oorlogstooneel, voor jaren althans, van
hunne landpalen verplaatst hebben. Dit werd echter niet gedaan, alhoewel
het onverwachte ultimatum ongetwijfeld daartoe de gelegenheid gaf. Het
ontbrak hun in die dagen aan den noodigen moed, om het initiatief op
zulk een groote schaal te nemen. Zij vreesden het onbekende te zeer. Zij
bleven om Kimberley en Ladysmith hangen, alsof er geen groote operaties
mogelijk waren, eer die steden veroverd waren. Wat mannen als Rechter
Hertzog en Commandant Kritzinger later met eenige honderden waagden, zou
niemand met even zoo vele duizenden in de eerste weken des oorlogs
ondernomen hebben. Alzoo wonnen de Engelschen het ééne noodige: Tijd.
Generaal Buller kwam en ging met zijne hoofdmacht naar de Tugela; Lord
Methuen rukte op Kimberley aan; Belmont en Graspan liepen slecht voor
ons af; Generaal Joubert keerde teleurgesteld van de Mooirivier naar
Colenso terug, en eene vlaag van moedeloosheid en somberheid greep de
stoutste harten aan.
Mannen als Generaal de la Rey en Generaal Cronjé gingen Lord Methuen,
echter, onverschrokken in den weg staan, en Generaal Botha nam vroolijk
de wacht op de Tugela onder zijne zorg. Het bloedig en lang gevecht
te Modderrivier toonde duidelijk aan, dat de Boer geenszins den moed
verloren had. Het beleid van een de la Rey wekte vertrouwen op; de
bloote naam van een Cronjé bracht wonderen te weeg. Nieuwe burgers
stroomden naar Cronjé's vaandelen te Magersfontein, en de moed, het
_moraal_, de vastberadenheid der Federalen werd bij den dag beter en
sterker.
Op de hoogten bij de Stormberg Junctie stond commandant Olivier met een
commando Vrijstaters en Koloniale rebellen (onder Commandant Swanepoel)
de komst van Generaal Gatacre van het zuiden aftewachten.
Op alle punten, dus, waren de Boeren tot hun aloude tactiek
teruggekeerd: zij stonden namelijk den vijand in posities, door
henzelven uitgezocht, aftewachten; zij namen een zuiver defensieve
houding aan. Van ouds af aan waren zij in de kunst van zelfverdediging
geoefend en bedreven. Tegen Moselekatze en Dingaan hadden zij in 1836 en
1838 reeds hunne kracht in deze getoond. 't Was hun eigenlijk element.
Vandaar dat het hun zoo zwaar viel, om van die vastgewortelde methode
aftewijken, totdat jongere en geheel nieuwe Leiders ze later daarin
voorgingen.
Niemand wist, echter, dat de Boer zulk een meester op defensief
gebied was, als de onvergetelijke week, die met 10 December aanving,
openbaarde. Op Laing's Nek had de Engelschman er een klein proefje van
gehad; thans zou hij de volle maat ervan drinken. De »verachte, domme,
ongeleerde” Boer gaf Generaal Gatacre op Zondagmorgen, den 10den
December 1899, een _Stormberg_-nederlaag ter gedachtenis—den dag daarop
kreeg Lord Methuen een _Magersfontein_-beker te drinken—en op Vrijdag,
15 December, verloor Generaal Buller met zijn 21,000 man, 30 veldstukken
en 16 zware scheepskanonnen niet slechts den slag, maar ook tien
kanonnen te _Colenso_!
De gansche wereld stond verbaasd!
Engeland verstomde!
De Boer was vereeuwigd!
Het kan zijn, dat een Europeaan over eenige eeuwen te Pretoria of
Bloemfontein zal staan—God verhoede het!—en zijn reisgezel aldus mag
toespreken:
»Hier hebben wij een der regeeringszetels van een uitgestorven volk:
het volk der Boeren. Ze waren een eenvoudig en ongeletterd volk, zeer
godsdienstig, zeer gehecht aan hun land, hartstochtelijk verkleefd aan
hunne onafhankelijkheid en vrijheid. De grootste en rijkste goudmijnen
der wereld werden, ongelukkig voor dat volk van boeren binnen hunne
landpalen ontdekt. Een stroom van vreemdelingen vloeide hun land binnen.
De meesten dezer waren Engelschen, en er bestond reeds lang tevoren eene
wrijving tusschen Boer en Brit in Zuid-Afrika. Geen wonder, dus, dat het
nieuwe en het oude element der bevolking het op den duur met elkander
niet vinden konden. Zij wantrouwden elkaar! Het kwam later tot een
samenzwering tegen de Boeren, waaruit de verradelijke inval van zekeren
Jameson geboren werd. De spanning werd daardoor grooter dan immer te
voren. Eindelijk ging de Imperiale Engelsche Regeering zich met de
Uitlander-kwestie bemoeien, en.... de groote Oorlog ontstond, die den
Boer zijn land, zijne onafhankelijkheid en later ook zijn volksbestaan
kostte”..... Maar na een korte pauze, zal de denkbeeldige spreker er
gewis ook dit bijvoegen:—
»Zij waren een dapper volk, die Boeren! Lang en hardnekkig hielden
zij het tegen de overmacht van het Britsche Rijk vol. In ééne week
versloegen zij drie Britsche legers: te _Stormberg_, _Magersfontein_ en
_Colenso_! Nooit werden de Britsche wapenen zóó vernederd, als door die
eenvoudige veeboeren. Zelden, indien ooit, heeft de wereld zulk eene
volharding tot het bittere einde toe, zulk een edelen strijd voor de
vrijheid aanschouwd. Al zijn de Boeren ook als een apart en zelfstandig
volk van het wereldtooneel verdwenen, hunne naam is en blijft
onsterfelijk.”
Wat ook de uitslag van den langen strijd zij, de burgers der twee
Republieken van Zuid-Afrika kunnen den Engelschman fier in 't aangezicht
zien. 't Is eene eer een Transvaler of Vrijstater te zijn, of te zijn
geweest. Geen Hollandsche Afrikaner, die zelfrespect heeft, zal zich
ooit kunnen schamen, dat het bloed der Boeren hem in de aderen vloeit.
En toch.... en toch.... is het uiterst jammer, dat deze overwinningen
niet op een ander vreemd volk, dat onze kusten kwam aanvallen, door Boer
en Brit te zamen behaald zijn. De Engelsche en Hollandsche elementen in
Zuid-Afrika moeten te zamen één groot en sterk volk vormen, zal er iets
van ons land terecht komen. Te zamen moeten wij leven en werken, eten
en drinken, muziek en geschiedenis maken. Wederkeerige haat spelt en
voorspelt slechts onheil, achteruitgang en ellende op elk gebied. Och!
dat wij liever schouder aan schouder, zij aan zij, hand aan hand tegen
een vreemde mogendheid hadden gestreden! Dan waren wij in den warmen
gloed des oorlogs tot één patriotisch geheel samengesmolten. Geen
Slachtersnek of Majuba, geen Jameson-inval of Kieswet zou ons van
elkander hebben kunnen scheiden, indien wij gezamenlijk een vreemden
indringer van onzen dierbaren, nationalen bodem geweerd hadden.
Die hoop is, echter, nu verijdeld. Van verzoening, samenwerking,
wederkeerige achting tusschen de twee groote blanke rassen van onzen
zuidhoek is er thans nauwelijks sprake. De hel dreigt dagelijks den
hemel uit ons schoon maar ongelukkig land te verdringen.
Ziet! toen Sir George White in den trein te Durban stapte, op weg naar
Ladysmith, riep een opgewondene schare hem toe: »Remember Majuba!” Dit
wordt ons door Creswicke in zijn uitgebreid werk over den oorlog met
blijkbaar welgevallen medegedeeld. _Nu_ hebben de lieve dames en
heeren—wij noemen de dames vooraan, niet slechts beleefdheidshalve,
maar omdat zij altoos in zulke zaken boven de heeren uitmunten—van
Natal een »tweede Majuba” te betreuren. 't Is wel jammer voor hen, maar
er is niets aan te doen. Het feit blijft. Der geschiedenis kan men niet
_sh-t-t-t_ toeroepen. Eene daadzaak kan niet gearresteerd en levenslang
verbannen worden!
Toen Generaal Buller voor de Residentie van den Gouverneur te Kaapstad
afstapte, weerklonk het »Avenge Majuba! Avenge Majuba!” uit duizenden
kelen. Dat vertelt dezelfde Engelsche schrijver ons, zonder eenige
blijken van afkeuring. Mogelijk, gilde hij mee—als een echte »loyale”
_van de twintigste eeuw_. Welnu, die goede lieden van de Kaapstad kregen
een _Colenso_ en _Magersfontein_ in ééne week, om te herkauwen en te
wreken.
De Boeren zijn ook geen Engelen—evenmin als zij Engelschen zijn. Wij
hebben meer dan een—van de Britsche troepen als »die vuil natie” of
»die vuil goed”, of »die verd...e rooinekke” hooren spreken, en ook
andere ronde, Homerische uitdrukkingen hooren bezigen. Nooit echter
hebben wij een geroep om wraak, als door Creswicke te boek gesteld, in
de Republieken gehoord, of van zoo iets vernomen. Hunne nederlagen,
zoowel als hunne overwinningen, werden bijna stilzwijgend ontvangen!
Zij zijn phlegmatische, kalme, ingetogene menschen, in den regel;
hunne zenuwen worden niet door het lezen van sensatiewekkende romans
en nieuwsbladen en »penny weeklies” geprikkeld en verzwakt; zij houden
niet van luidruchtige vertooningen, van fakkeloptochten, straatrumoeren,
klokkengelui en vlagwaaierij. Zelfs na Colenso was Pretoria dood stil!
Er was geen uitbundig gejuich en feestvreugde en dronkenschap: men ging
ter kerke, om Gode de eer en den dank voor de overwinning te brengen.
De »loyale” Queenstowners hebben ook een groot ophef over Generaal
Gatacre gemaakt, en meer dan één heeft gewis den mond volgehad van de
»dirty Boers” en de »b—y Dutch”. Wij gelooven, echter, niet, dat zij
ooit »Avenge Stormberg!” tot wapenkreet later gebruikt hebben, want hun
held is daar het mikpunt der wereldbespotting geworden. Elkeen, zoo wel
Brit als Boer, moet medelijden hebben met den armen Generaal, die met
zijn leger zeven uur lang in den nacht ronddwaalde, om onverwachts
tusschen zijne vijanden te land te komen. In plaats van aantevallen,
werd hij aangevallen; en toen zijn voetvolk een heuvel wilden bestormen,
werden zij door hun eigene batterijen in den rug beschoten! Arme
drommels! Geen wonder, dat er ruim zes honderd stuks op het slagveld
werden opgetild—waarvan velen aan 't slapen waren. Zij waren uitgeput,
verward, moedeloos en vooral »disgusted” over den gekken afloop der
onderneming. Of de Vrijstaters en de Koloniale Rebellen zich niet over
het kluchtspel verbaasden!
Ongelukkige Gatacre. Aan persoonlijke dapperheid en lichamelijke energie
ontbrak het hem niet, maar wel aan gezond verstand en een gelukster.
Twee kanonnen verloor hij te Stormberg—de acht kanonnen, te Sanna's
Post, door Generaal Christiaan de Wet later genomen, werden ook op zijne
rekening gesteld. Hij kreeg zijn _congé_, hij moest van het
oorlogstooneel verdwijnen.
»Waarom ging hij ons dan op een _Zondag_ morgen aanvallen?”—zal een
Boer van den echten stempel eraan toevoegen. »Hij kon nog wel een dag
langer gewacht zijn. Geen wonder, dat het met hem zoo slecht afliep.”
Dienzelfden Zondagnamiddag, zegt Conan Doyle, zond Lord Methuen zijn
beroemde Schotsche Regimenten uit, om halfweg naar Cronjé's posities te
Magersfontein te marcheeren. Om één uur den volgenden morgen zetten zij
hun noodlottigen tocht—hun _via dolorosa_—voort. Gansch onverwachts
kwamen ook zij onder het Mauser-vuur der Boeren en »700 man beten het
stof in omtrent vijf minuten” (volgens Doyle). Generaal Wauchope, hun
aanvoerder, werd doodelijk getroffen—eene paniek ontstond er onder de
geoefende troepen—de eerste aanval was totaal mislukt. De Transvalers
en Vrijstaters vochten dien dag als leeuwen, en Methuen met zijn 14,000
man kon zijn weg niet door dien levenden muur naar Kimberley
doorbreken.
Later bezoeken wij het slagveld en spreken met Generaal Cronjé en
anderen erover.
Bepalen wij onze aandacht wat langer bij de schitterendste, hoewel
geenszins de zwaarste der Boerenoverwinningen: die van Colenso, op
Vrijdag 15 December behaald.
Om dezen roemrijken slag te verstaan en te waardeeren, moet men weten,
hoe moeilijk het ging, om den Boschkop of »Hlangwane” door onze mannen
behoorlijk bezet te krijgen. Het fijne van de gansche geschiedenis is
voor den Boer in dit ééne feit gelegen. Wij gingen in die dagen juist
Generaal Meijer bezoeken, die nog te zwak en ongesteld was, om naar het
front terug te keeren. Hij zat op zijn stoep te Pretoria en ons gesprek
was bijna uitsluitend tot dien »Boschkop overkant der rivier” beperkt.
De Generaal leefde als 't ware in den geest aan de Tugela bij zijn
vriend en krijgskameraad, Louis Botha. Hij vertelde mij van de vele
telegrammen, die er heen en weer over dien Boschkop gewisseld waren en
nog werden. Hij zelf had aan Commandant Jozua Joubert van Wakkerstroom
geseind, om persoonlijk zich voor het behoud dier gewichtige positie
in de bresse te stellen—en later vond ik uit, dat gemelde Commandant
dien eerepost met Commandant Muller van Standerton verdedigde. Ik
vond ook later uit, hoe moeielijk het ging, om tot eene aannemelijke
regeling omtrent de bemanning van dien gevaarlijken post te geraken. De
opgewondenheid onder de officieren bij de Tugela moet zeer groot geweest
zijn. Ja, het kwam zóó ver, dat op den Woensdagnacht vóór den slag er
slechts één veldkornet met zijne manschappen op den Kop bleef. Zijn naam
dient aan de vergetelheid ontrukt te worden. Het was Veldkornet Strijdom
van Zoutpansberg. Had Buller dat geweten! In plaats van 1000 man,
slechts een 50 of 60 op den sleutel tot de Tugela!
Wat zeg ik? Is Hlangwane niet ook de sleutel tot Ladysmith? Is dat
niet later duidelijk gebleken? Toen Buller Hlangwane had, kon zelfs de
Pieter's Hoogten niet tegen een flankaanval van den linkerkant (der
Boeren) verdedigd worden. Zoo komt het mij althans voor. Maar ik kan
in deze wel dwalen. Hoe het ook zij: Hlangwane was de sleutel tot de
Tugela. Al onze overige posities beteekenden niets zonder het behoud van
dien heuvel. De rivier schoot zoo diep naar het noorden in, dat de kop
feitelijk achter de lijn der voornaamste heuveltjes en kopjes van ons
centrum lag. Een paar kanonnen op Hlangwane—en wij moesten naar de
groote bergranden tusschen Colenso en Pieter's terug!
»Die kop kan onmogelijk worden opgegeven”, seinden Generaal Botha en
Generaal Burger. Kolonel Trichard was hetzelfde oordeel toegedaan.
Generaal Erasmus evenzoo. Uit zijn ziekbed te Volksrust smeekte Generaal
Joubert de burgers, om die positie toch niet in de handen des vijands
te laten vallen. Van Pretoria telegrafeerde President Kruger, dat
indien wij dien kop opgaven, wij alles konden opgeven. De ijverige,
patriotische Staatssecretaris deed ook wat hij kon, om de officieren in
deze moed in te praten. Aller aandacht was, vooral gedurende de laatste
dagen, kort voor den aanval, op dit ééne groote punt gevestigd.
»Maar”—zegt iemand—»waarom was het dan zoo zwaar, om die positie
te bezetten?” Omdat de kop zoo hoog en droog _over_ de rivier lag,
zonder eene brug zelfs achter den rug, waarlangs men in tijd van nood
kon retireeren, en daarbij zoo ver van al onze andere posities was
verwijderd. Men moet weten, dat vele boeren niet zwemmen kunnen, en
de meesten hunner niet in staat zijn over zulk een breeden stroom te
zwemmen. Gelijk Kolonel Carleton's duizend man zouden zij daar op dien
boschkop heel gemakkelijk kunnen worden ingesloten, indien het met
de onzen slecht afliep. Als in een groot vinknest hing men daar hoog
in de lucht, en dat wel aan den verkeerden kant der rivier! Dat was
alles behalve prettig voor den gewonen burger. De Commandanten en
Veldkornetten keken elkander schuin aan, en elkeen dacht bij zichzelven:
»Waarom moet juist ik en niet hij, of hij op dien Eifeltoren gaan
klimmen?” Alzoo liep de toren bijna leeg, terwijl Buller met zijn 21,000
man elk oogenblik kon aanstormen.
Generaal Botha werd bijna radeloos; maar, gesteund door de vele
krachtige telegrammen uit Pretoria en van Volksrust, en onder den indruk
van het gewicht der zaak, riep hij nog een laatsten krijgsraad op den
Donderdag vóór den slag bijeen. Daar werd toen uitgemaakt, (door het
lot, werd ons verteld!) welke veldkornetschappen daarheen zouden gaan.
Alzoo stonden er duizend dapperen dien Donderdagnacht weer op Hlangwane,
met twee flinke Commandanten aan hun hoofd. Den volgenden morgen
vielen de Engelschen _eerst_ ons rechtervleugel en toen ons centrum en
linkervleugel—op dien historischen heuvel—met geweld aan, om op elke
punt met zwaar verlies te worden teruggeslagen. Ter elfder ure dus werd
de sleutel tot de Tugela en Ladysmith door onze burgers goed en ferm
aangegrepen en tegen alle aanvallen verdedigd. Later wierp de Z. A. S.
M. er een stevige brug over de rivier tegenover de Tugela, en het was
slechts uit gebrek aan manschappen, dat Generaal Botha tegen het einde
van Februari die positie niet kon behouden.
[Illustratie: Slag bij Colenso.]
Onze voornaamste posities tegenover Colenso waren: _een klein
heuveltje_,—met een fort erop, kort te voren door de Engelschen
verlaten—vlak tegen de rivier aan, waar de gebrokene spoorwegbrug
gelegen was. Daar achter en op scholen de Krugersdorpers en een kleine
afdeeling Johannesburgsche Politie. Dat was links van den spoorweg naar
het zuiden loopend. Aan den rechterkant van de lijn was er een tweede
heuveltje en verder rechts vinden wij de voornaamste punten door ons
centrum bezet: de _Rooi-Randjes_, zoo als de Boeren ze noemden. Het
waren twee lange heuvels, die evenwijdig van elkander naar de rivier
afliepen, en een derde, die ietwat hooger was en dwars tegenover en
achter de anderen. Daarop waren er steenen muren gestapeld en een groot
commando burgers uit verschillende districten namen daar hunne stelling
in, vooral in de voorste twee randjes. Op den achtersten rand waren er
2 Krupps, 1 Howitzer en 1 Pom-pom gesteld. Dat was al het grof geschut
voor ons centrum! Op Hlangwane was er niet eens een Pom-pom, volgens de
informatie mij gegeven. Dan was er ook bij de Wagenbrug een klein kopje,
door ons bemand.
Rechts van de »Rooi-Randjes” liep het groote wagenpad naar Ladysmith. Er
was een wijde, effene vlakte van eenige mijlen, eer men weer schuiling
kon vinden. Zoo groeven eene afdeeling Heidelbergers en de Swazieland
Politie zich lange slooten van oost naar west. Deze was de eerste maal,
dat er in Natal door onze burgers zoodanige grachten gemaakt werden.
Het experiment beantwoordde uitmuntend—evenals te Magersfontein—en
werd later meermalen beproefd. Dan volgde er een heuvelrand ook door
de Zoutpansbergers bezet, en een Fransche snelvuurder werd ver naar
achteren op een bergtop, ter bescherming dier posities gesteld. De
Ermelo-burgers vormden onzen rechtervleugel. Zij maakten gebruik van
eenige kopjes, die er in de breede vlakte waren en van de voorpunt van
een grooten bergrand, waarop er ook een Creusot geplaatst werd.
Het verslag van 't gevecht door den heer Tobias Smuts—later tot
Generaal gekozen—opgesteld, zal nu wel duidelijk zijn. Het luidt als
volgt:
Colenso, 22 Dec. '99.
Den Weled. Heer N. HOFMEIJR, Pretoria.
_Waarde Heer en Vriend!_
Op uw verzoek zend ik U een verslag van het gevecht van 15 Dec. j.l. Gij
moet in aanmerking nemen, dat ik mij daartoe niet in staat acht, toch
wil ik trachten U zoo nauwkeurig mogelijk de toedracht van de zaak te
beschrijven en U de feiten, die mogelijk eenige historische waarde mogen
hebben, naar waarheid weertegeven, voorzooverre ik er ooggetuige van
geweest ben. Daar gij zelf hier waart en onze posities gedeeltelijk
in oogenschouw hebt genomen, vlei ik mij met de gedachte, dat mijn
beschrijving voor U wel verstaanbaar zijn zal. Als U erin slaagt,
daaruit eenige informatie te kunnen putten, en ik alzoo zal hebben
bijgedragen tot het weergeven van de ware feiten, tot nut en leering van
ons nageslacht en tot de juistheid onzer geschiedenis, zal ik mij voor
mijne moeite volkomen beloond achten. Ik sluit hierbij eene schets van
het terrein, die gij beschouwen moet, als komende van iemand, die van
schetsen geen idee heeft.
De ochtend van 15 December brak aan met alle teekenen, die een
verschrikkelijke hitte voorspellen. Zelfs bij het aanbreken van
den dag was het warm en er woei niet de minste wind. Het was als de
stilte, die een zwaren storm voorafgaat. Die storm zou echter op dezen
gedenkwaardigen dag geen wind, regen of hagelslag, maar een regen van
bommen en kogels onder het gedonder van kanonnen zijn. Toen het nog
schemerde, en het bloote oog op een afstand niets kon bekennen, zag ik
door mijn kijker een lange, breede, bruine streep uit het vijandelijke
kamp komen. Spoedig maakten wij uit, dat het de vijand was, die op
ons aanrukte. Dit werd natuurlijk door allen, uit al onze posities
opgemerkt. Allen namen hunne posities in slooten en achter steenen
en schansen. Eenieder trachtte een veilige schuilplaats te vinden,
vanwaar hij ook tegelijkertijd den vijand zou kunnen beschieten. In der
haast werden er ook nog steenen op elkander gestapeld en om vijf uur
waren allen gereed zich te verdedigen. De hitte was zeer drukkend.
De vijandelijke liniën ontplooiden zich. Van uit de dichte drommen
ontsponnen zich lange, bruine streepen, die alle dunner en dunner
werden, naarmate zij ons naderden. Overal op de vlakte stonden groote
troepen paarden en ruiters en overal kwamen er batterijen grof geschut
te voorschijn, als reusachtige slangen, die dood en verderf voorspellen.
De batterijen namen hunne stellingen in en het voetvolk stormde op
de rivier aan. Hun rechtervleugel ging op den Boschkop, overkant der
rivier, af; het centrum op Colenso; de linkervleugel op onze posities
hooger op langs de rivier, alwaar de Tugela een groote bocht maakt. De
laatste bestond uit zestien regimenten, ondersteund, of liever gedekt
door twee batterijen.
Te halfzes bulderden de kanonnen en brak het geknetter der klein-geweren
los. De bommen vielen als hagel op sommige onzer posities, voornamelijk
op die tegenover Colenso. Het scheen soms of de kopjes letterlijk aan
brand stonden. Zij waren geheel in rook en stof gehuld. In al onze
posities heerschte er intusschen een doodsche stilte. Men zag niemand.
Men hoorde niets. Op het eerste kanonvuur des vijands werd niet
geantwoord. Dit bracht den vijand in den waan, dat wij onze posities
verlaten hadden. Zij waren in elk geval blijkbaar in de war, omtrent
de linie door ons ingenomen. Zelfs de posities onzer kanonnen konden
zij niet ontdekken. Deze was, mijns inziens, de beste tactiek, die
onze officieren hadden kunnen volgen. Deze was ook de reden, waarom de
Engelschen hunne kanonnen zoo dicht onder onze Mausers waagden. Generaal
Botha verdient allen lof voor de kalme en vastberadene wijze, waarop hij
erin slaagde de ongeduldige burgers lang genoeg tegen te houden.
Toen het juiste oogenblik echter gekomen was, lieten de burgers de
Mausers kraken en de kanonnen begonnen tegelijk te bulderen—en zij
joegen dood en verderf in des vijands gelederen. Onbeschrijfelijk zijn
de indrukken van dat oogenblik op den toeschouwer. Overal op de vlakte
over de rivier kon men het stof, door de Mauserkogels opgeworpen,
zien—even als sprinkhanen, die opvliegen. De soldaten vielen overal
neer. Zelfs op lange distanties doodden de Mauserkogels, die te hoog
gericht waren, van de achterste vijanden. Nergens konden zij zich
bergen. Gingen zij liggen, dan waren de granaat-kartetsen uit de
Fransche stukken daar, om ze weer op te jagen. Stormden zij nader, dan
velden de Mausers ze bij dozijnen neer. Toch gedroeg de vijand zich
dapper. Keer op keer stormden zij hunne gesneuvelden en gewonden
voorbij. 't Is waarlijk een wonder, dat menschen zich voor zulk een
slechte zaak kunnen laten doodschieten. Het moet gezegd worden: de
troepen stormden door dood en verderf heen op eene wijze, een betere
zaak waardig. Toch was het vuur zelfs voor de dappersten te hevig.
Herhaalde malen trachtten zij de rivier te bereiken, maar slechts
weinigen zijn zoo ver gekomen, dat zij den prachtigen stroom zien
konden. Weldra was de geheele bocht, die de rivier bij onze positie
maakt, met dooden en gewonden bezaaid.
Ondertusschen was de hitte ondragelijk geworden. De zon stond hoog en
hare stralen schoten onmeedoogend op ons neer. Het moet verschrikkelijk
geweest zijn voor de vechtenden, en vooral voor de gewonden, om zich
zoo dicht bij het heerlijke water te zien en toch niet in staat te zijn
een droppel te krijgen, om hun lijden te verzachten en hunnen dorst te
lesschen. Ik ben er van overtuigd, dat er vele gewonden omkwamen aan
dorst en bloedverlies. Een der gevangenen verklaarde later, dat hij
naar een kogel, die hem den dood mocht brengen, gesmacht had.
Op deze punt en ook op den rechtervleugel begon de vijand te half tien
ure te retireeren, onder bedekking van zijn geschut, terwijl het centrum
te Colenso nog wanhopige pogingen deed, om de kanonnen, die door de
onzen »vrijgeschoten” waren, terug te krijgen; maar tevergeefs. Zij
moesten hunne kanonnen, hoe ongaarne dan ook, prijsgeven, om hun leven
te redden. Zelfs de Artilleristen moesten zich in een sloot verbergen,
alwaar zij ook na den slag gevangengenomen zijn.
Diegenen van den vijand, die zich te ver naar voren gewaagd hadden,
moesten het bij hun terugkeer duur vergelden. Zoodra zij opstonden,
werden zij door de meedoogenlooze Mausers weer neergeveld. Ongeveer
drie- à vierhonderd bleven stil op het slagveld liggen, om, onder
bedekking van het Roode Kruis, een veilig heenkomen te zoeken. Dit
heeft velen hunner echter niet gebaat, aangezien onze burgers hunne
plannen maar al te goed doorzagen. Het was ook bij dit terugtrekken,
dat de vijand, in den waan verkeerend dat het onze menschen waren, die
door de rivier op hen aanstormden, zijn eigene soldaten met kanonnen
neermaaiden. In 't eerst begrepen wij niet, waarom zij op hun eigen
volk schoten. Het geval deed zich aldus voor: eene batterij, die hun
linkervleugel ondersteunde, was ver naar achteren teruggevallen. De
tweede batterij, dicht bij onze positie, trachtte de terugtrekkende
troepen te dekken, door een vreeselijk vuur op de Zoutpansbergers te
richten. Wij dachten voor een oogenblik, dat zij allen verpletterd
waren. Maar hier heeft onze God weer treffend zijne almacht getoond.
Hoewel er bijna geene schuilplaats was, kreeg toch niemand zelfs eene
schraap. Wij openden toen vuur op deze batterij met onze geweren,
gesteund door het Fransche stuk, dat achter ons op den berg stond. Wij
konden het zelf niet gelooven, dat de Mausers hunne artillerie zouden
bereiken, toch was het zoo en namen zij de vlucht. Toen zij nu weer tot
stilstand kwamen, zagen zij hun eigene troepen voor vijanden aan en
ontdekten hunne vergissing niet, vóór zij een heelen boel hadden
nedergeveld.
Van onze zijde namen de volgende commando's deel aan 't
gevecht:—Standerton, Wakkerstroom, Krugersdorp, Heidelberg, Middelburg,
een deel van Vrijheid, de Swazieland-Politie, Zoutpansberg en Ermelo
[ook een deel van de Johannesburg-Politie—_Schrijver_]. Het getal onzer
mannen bedroeg ongeveer 2000 tot 2500.
Te ongeveer één ure in den namiddag was deze gevreesde aanval
afgeslagen en trok de vijand op alle punten terug. Neemt men het
verlies des vijands in aanmerking, [± 900 dood en gewond; ± 250
prisoniers—volgens Doyle] dan was deze bepaald de grootste slag
ooit door ons geleverd. Aan den anderen kant kan ik echter niet
zeggen, dat er aan onze zijde hard gevochten werd. In de eerste plaats
duurde het gevecht niet erg lang, en in de tweede kon eene menigte
van ons er niet eens aan deelnemen, terwijl een groot deel slechts op
lange afstanden kon schieten. Ook was ons verlies weinig [slechts 7
dooden!—_Schrijver_] en moeten wij ons met verbazing afvragen: »Hoe is
't mogelijk?” Op die vraag is er slechts een antwoord: »Bij God, op Wien
wij ons vertrouwen vestigen, is alles mogelijk.” Niet door onzen moed of
ons beleid werd deze prachtige overwinning behaald. Laten wij onzen God,
die onze voorouders reeds zoo wonderbaarlijk beschermde, de eere geven.
Zonder zijne hulp was het ons onmogelijk den overmachtigen vijand terug
te slaan. Ik vertrouw, dat gij U dit ook tot plicht zult rekenen in uw
voorgestelde geschiedenis onze jeugd hierop in 't bijzonder te wijzen.
En wat was nu de uitwerking van de vijandelijke kanonnen, met hun
helsche projectielen en gevreesde lyddiet-bommen. Ik erken, dat ik U
daaromtrent eene opinie geef, die niet door velen gedeeld zal worden.
Mijne beschouwing is, dat indien onze vijand op zijne kanonnen blijft
vertrouwen, hij maar gerust naar huis kan gaan. Om een fort te
demoraliseeren, of een stormenden vijand te verpletteren mogen de
kanonnen hun nut hebben, maar om gedetermineerde Afrikaners, die
trachten hunne lichamen zooveel mogelijk te bergen, uit hunne posities
te verdrijven, zijn zij zonder uitwerking, altoos natuurlijk onder de
beschermende hand des Heeren. Onze vijand begrijpt niet, dat wij het
beter achten om voor ons land in levende lijve te strijden, dan ons aan
de vernielende projectielen bloot te stellen.
Onze burgers gedroegen zich allen goed, en onze Artillerie bewees al
weer, dat zij voor geen andere behoefde onder te doen....
Met beste groeten,
~Uw Vriend~,
T. SMUTS.
Onmiddellijk na dezen merkwaardigen en zelfs wonderlijken slag, seinde
Generaal Botha aan President Kruger:
»_De God onzer voorvaderen heeft ons heden een schitterende overwinning
gegeven._
_Beleefd verzoek ik de Regeering per proclamatie een algemeene Biddag te
proclameeren en Hem te loven en te danken, die ons de overwinning gaf._”
Nooit zal ik den indruk dezer woorden vergeten, toen zij door Ds. H.
Bosman, van Pretoria, van den kansel werden voorgelezen. Niet slechts op
»Dingaan's Dag”, den dag na de overwinning, maar ook op den volgenden
Zondag werd er overal in de twee Republieken bij al de lagers gebeden en
gedankt. Gode werd al de eere voor de drie onvergetelijke overwinningen
gegeven. Er werd feest gevierd—met ontbloote hoofd voor den troon der
genade.
Vergelijk deze feestelijkheid met de uitbundige tooneelen, die er overal
in de steden en dorpen van 't Britsche Rijk, na het ontzet van Kimberley
en Ladysmith en Mafeking voor het aangezicht van de zon en de maan
werden bloot gelegd! Vergelijk de waardige mannelijke, kalme houding
onzer Boeren voor het aangezicht van God en mensch, bij die van het
Londensche publiek toen de »City Imperial Volunteers” van 't front
terugkeerden! Let op _deze_ schilderij—en op _gene_!!!