't Was op een Maandag namiddag, den laatsten Maandag in November, dat ik
een grooten gecombineerden Krijgsraad der Federale Officieren onder de
breede schaduwen van een mimosaboom bij ons veldhospitaal (Pepworth's
woonhuis) zag bijeenkomen. De Vrijstaters waren daar van het westen en
het zuiden; de Transvalers van het noorden, het oosten en het zuidoosten
van Ladysmith. Generaal Schalk Burger, de plaatsvervanger van den
Commandant-Generaal, nam den eerestoel in. Er was een groote schare van
ernstige mannen. Zij gevoelden het allen: _iets moet er gedaan worden,
en dat terstond_. Generaal Prinsloo en Generaal Erasmus waren daar met
een twintigtal Commandanten en Veldkornetten. De rustelooze, onversaagde
»pushfull” Staatsprocureur was natuurlijk ook tegenwoordig, vol geest en
leven en energie, en Majoors Erasmus en Wolmarans van de
Staatsartillerie bleven niet achterwege.
Ik zat op een lekkeren leuningstoel bij de vriendelijke gastvrije tent
van »Burke's Ambulance”, waar ik pas een goed ontbijt had genoten, en
bemerkte spoedig, dat er groote dingen op 't spel stonden. Uren lang
werd er geredeneerd. Er broeide iets in 't gras onder dien historischen
boom. Wat zou het wezen?—Mijn vriend, Kapitein Bosman, lag krank in het
Hospitaal, maar ik gevoelde mij gedrongen om hem te verlaten, en het
»groot geheim” te gaan opsporen. Eenige dagen later kwam ik er achter:
er zou een groote, algemeene aanval op Ladysmith schijnbaar plaats
vinden, maar _de Platrand_ was het eigenlijk doelwit, waarop alles zou
uitloopen. De sleutel tot Ladysmith zou eindelijk in onze handen vallen!
Dit vernam ik slechts op den avond voor de bestorming zou gebeuren en ik
maakte mij voor wat groots en heerlijks gereed.
Lang voor de heete zon het hoofd boven de oosterkim verhief, waren
wij—de heer Oerder en ik—in den zadel onzer patente bicycles. Als een
pijl uit een boog vlogen wij op onze bouwvallige ijzeren rossen over
het open veld naar Lombard's Kop. Wij waren enkel opgewondenheid. Nu of
nooit!—dachten wij. Vandaag zullen wij een gevecht zien. Welk eene kans
voor schilder en schrijver! Hoe prachtig zullen wij alles van de voorste
punt van Lombard's hoogen Kop gadeslaan—daar op »Gun Hill”, waar onze
Long Tom zijn langen nek vooruit steekt! Voort! Er wordt gevochten
vandaag! Laat de bicycles maar janken en kraken—wat geven wij om zulke
kleinigheden van morgen?
Hé! Daar staan onze Lijdenburgers al, achter een klipkopje verscholen,
aan den weg tusschen Pepworth's en Lombard's. Sht.... Ze hebben een
Pom-pom met vier flinke muilen bespannen bij zich, voor eenige
ontwikkeling en verwikkeling, of wat men die dingen ook noemt, gereed.
Doodstil, kant en klaar staan zij daar het psychologisch moment
ongeduldig af te wachten.
Wij snellen ze voorbij, ongestoord: men acht ons waarschijnlijk tot de
depêche-rijders van Daniël Theron te behooren.
Onder aan den voet van den nek (pas) tusschen Lombard's Kop en Gun Hill
laten wij onze wielen bij het Artilleriekamp van Majoor Erasmus, en
stappen haastig naar de kanonnen. Er is een vrij goede weg daarheen
gemaakt en 't was geen kwart uur loopens. Boven gekomen, gingen wij
naar onzen ouden vriend van Pepworth's Hoogte, Long Tom, die in den
slag van Modderspruit in den open muil door een Armstrong bom getroffen
werd,—gelukkig van ter zijde, anders was de wond heel wat ernstiger dan
thans nog zichtbaar is. Onze »zuigeling” is in den nacht heel stilletjes
hier gebracht en opgesteld, terwijl Luitenant de Jager er een groote,
lange boomstam in zijne plaats te Pepworth's Heuvel laat prijken. Achter
de sterke en hooge borstwering van grond en steenen voor Long Tom
vervaardigd is er ook ruimte voor een groot gat, dat de Artilleristen er
in de aarde gegraven hebben. Er worden granaten en granaat-kartetsen in
volmaakte veiligheid geborgen en—ook whisky wordt daar soms gedronken,
zooals thans het geval is.
»Goeden morgen”—roepen de jolige kornuiten ons uit het gat toe. »Wil
jullie 'n zoopje hebben?”
»Heel graag, kerels; goeden morgen ook. Hoe gaat het?”
't Is nog vóór zonop, maar 't is oorlogstijd, en er wordt zelden van
dat gevaarlijke vocht onder onze burgers gezien en nog zeldzamer ons
aangeboden. Dus—_prosit_ burgers!
Na nog een paar haastige woorden gewisseld te hebben, daalden wij de
punt van den heuvel een vijftig treden lager af en zaten wij daar
Ladysmith te bekijken. De ondervinding op Pepworth's heuvel had mij
geleerd, dat het _onder en vóór_ de lijn van het kanonvuur verre weg
het veiligste is. Open en onverschillig zaten wij daar onder een
overhangende rots, overtuigd dat de Engelsche kanonniers bij dien tijd
de afstanden goed kenden, en geen veldglas een paar menschen daar
tegen het ruwe bergfront aan zou kunnen ontwaren. De hitte zou spoedig
ondragelijk worden en wij hadden schuiling noodig, terwijl wij het een
en ander bekeken en schetsten.
't Was een heerlijk panorama aan onze voeten ten toon gespreid.
Ladysmith en de Platrand waren duidelijk te zien, alsook het Intombi
Kamp voor de gewonden, zieken en niet-vechtenden. Maar—
_Boem_—dondert het boven onze hoofden. Weg vloog de 85 lb. ijzeren
vogel. Wij konden hem de stille morgenlucht hooren doorklieven. Wij
keken opwaarts! ja, een dikke, witte wolk stond er boven het fort,
waarachter Long Tom schuilde. Ongelukkig kon hij zijne tegenwoordigheid
niet verbergen: zijn kruit verraadde hem. Verbeeld u, lezer, 18 zware
ponden kruit, groote zwarte kruitsteentjes, werden hem in de ingewanden
gestopt en dan—»_Boem!_ Hier ben ik!” riep hij luidkeels al de Britsche
kanonnen toe..... »Raak mij als jullie kunt!” 't Was puur bravado,
echter, want Long Tom was slim genoeg om na elk schot onmiddellijk
achter zijn schans te duiken. 't Was bijna onmogelijk om hem te
beschadigen door kanonvuur; daarom deed Generaal Hunter het geen
twee weken later (9 December) op een andere wijze (worse luck!).
Eene vlam schiet er uit het fort, dicht bij het klooster, op eene hoogte
bij de stad gebouwd—en in een oogwenk gonst het schreeuwend ijzer over
onze hoofden schram over Long Tom henen. 't Is het antwoord van het lang
scheepskanon, dat geweldig, snel en goed schiet. Een tweede bom wordt in
de wallen vóór Long Tom begraven. Uitslag: stof, kleine steentjes gruis,
en nog eens stof. Verder niemendal. Het monster brult afgrijzelijk en
schiet raak ook, maar _cui bono?_ _Was giebt's?_ Stof, niets dan stof.
Van »Surprise Hill”, rechts van het Pretoria-commando, dat dien dag eene
demonstratie of schijnaanval moest doen, doet onze Howitzer ook zijne
plicht, en zelfs het kleine bergkanonnetje ten noorden der stad blaft
samen met de grootere oorlogshonden. Links van de Platrand, van ons
oogpunt beschouwd, betimmert Luitenant Groothaus het Engelsche Colt
kanon, dat het davert en kraakt, en hoog boven allen uit doet Long Tom
No. II zijn diepe basstem van Bulwana's Kruin trillen. Majoor Wolmarans
is daar aan 't roer, en hij doet altoos goed werk. Luitenant de Jager
lacht een grooten langen lach, terwijl de matrozen zijn boomstam met
dure granaten begroeten. Zoodra niet, echter, is zijn _ruse de guerre_
ontdekt, of hij laat zijn Fransch Kanon en Howitzer aan 't koor
deelnemen.
Het rumoer is verschrikkelijk en wij zitten met onze veldkijkers op den
Platrand te turen, groote dingen verwachtende.
Ai!.... tap, tap, tap—tek, tek, tek, tek, tek—daar rechts, boven de
stad. De begeerige maar ongelukkige Pretorianen zijn al weer aan den
gang met de Mausers en Martini's. Ze zijn het naast van allen aan de
Engelsche scherpschutters, en »sniping” over en weêr is daar dagelijks
aan de orde. Zij »maken maar bang” van daag. 't Is slechts om de
aandacht van het zuiden af te trekken. Eenige weken geleden nog
lagen zij daar onder bij het treinspoor een ganschen dag (sommigen
hunner wakkerste jongkerels) achter de miershoopen in de brandende
zon te bakken. Zij konden noch naar voren, noch naar achteren. De
avondschaduwen vielen op de arme drommels, eer zij meer dood dan levend
uit hun benauwde positie verlost raakten. Vandaag echter, lachen zij
over het afgeloopen gevaar, terwijl zij van achter hun steenen muren de
bandeliers leegschieten.
Tek—tek—tek—tak—tak—tak.... zonder einde aan de noordzijde. Stilte
aan den kant van Generaal Burger. Boem—kraak—whirr—shuut, en allerlei
onder- en bovenaardsche geluiden boven onze hoofden en op de hoogten.
Het woedend sissen en spatten der granaatscherven vlak boven ons bij
onze kanonnen, was vooral huiveringwekkend en het gedonder van Long Tom
oorverdoovend. De _Balon-captif_ steeg ten hemel uit de rivierwallen
en bosschen ten zuiden der stad en wij meenden toen stellig, dat er
iets ernstigs gaande was, maar geen geweerschot werd van de zuidzijde
vernomen. Wat moest dat beduiden? Waar blijven de bestormers?
Voor afwisseling mikte Long Tom een paar maal op den ballon. Roode
stofwolken stegen er uit de dichte bosschen, maar verder ging alles zijn
ouden, tragen gang. De zon was reeds een uur op en het begon reeds warm
te worden daar op de rotsen. Het bombardement werd vervelig en hield
eindelijk geheel en al op, behalve boven op Bulwana.
Op den Platrand heerschte een doodsche stilte!
Wij gingen weer op naar onze kanonnen en vonden Kolonel Trichard daar,
boos, teleurgesteld en zwijgend!
Alzoo liep de groote algemeene bestorming van den Platrand af! De berg
had voor de honderdste maal in de wereldgeschiedenis niets dan muizen
gebaard, en dat wel met veel omslag en moeite.
Ik was erg uit mijn humeur over al dat praten en praten en nog eens
praten, zonder meer, en toen eenige mannen in mijne nabijheid aan 't
pochen gingen, viel ik hen in de rede met een vinnig:
»_Doet_ iets—wat _praat_ jullie zoo veel!” Een paar kerels gingen kort
daarop henen, zonder een woord te uiten, en ik was de zaak reeds lang
vergeten, toen mijne aandacht door een vijftig of meer ruiters getroffen
werd. Zij verlieten den voet van Gun Hill en reden op een stap de vlakte
der Kliprivier in. Na een half uur rijdens verdeelden zij zich in twee
groepen en verdwenen zij geruimen tijd in de dichte doornboomen, die
daar welig tieren. Aller aandacht werd van toen af in de richting van
Helpmalkaar Heuvel getrokken. De ruiters gingen blijkbaar daarheen.
Was het Fort op den top des heuvels verlaten, of scholen er Lee
Metfords achter de vele schietgaten?—We hielden den adem op en
zwegen. Plotseling knetterden de geweren in de schijnbaar verlaten
vlakte. Er was niets in het fort te zien, maar, er werd ongetwijfeld
daar geschoten. Wat gebeurde er? Wat was er van onze waaghalzen
geworden?—Het antwoord kwam spoedig in den vorm van een boel jagende
ruiters. Zij kwamen in vollen galop naar Lombard's Kop terug. Of de Lee
Metfords en Maxims dreunden! Of onze Howitzer niet blij was, om een
paar welgerichte bommen in 't midden en tegen de wallen van 't fort te
spuwen. Hier komen de wilde jagers aan: sommigen zonder hoed. Anderen
komen er achterna te voet aangehold. Later bleek het, dat de heeren
Boshof en Maynard—die er met ons aan 't praten waren—een boel Ieren
en anderen (Jack Hinton, de roekelooze Engelsch-Transvaler was er ook
onder) bij malkaar gekregen had, en dus op een verkenningstocht naar
het »verlaten fortje” gegaan waren. Zij kwamen op een paar Engelsche
paardenruiters af, die zij uit hun zadels lichtten door kleine
Mauserpillen en werden onmiddellijk daarop door een hagelstorm van
kogels uit 't fortje begroet. Het fort was »very much alive” zei Jack
Hinton! Menig Ier liet er een hoed achter en sommigen hunner konden niet
gauw genoeg hun paarden bestijgen, vandaar de gedwongene voet-_race_.
Een ambulancewagen snelde naar het vermeende slagveld, maar er was geen
gewonde of doode te vinden. Het fraaiste van het heele kluchtspel was
dit: dat geen officier die vagebonden gelast hadden het zaakje te
ondernemen, maar de heeren Boshof en Maynard mij gaarne met eene _daad_
wilden verrassen!
Eenige weken later werd het andere raadsel mij eerst opgelost. De
burger-officieren in de nabijheid van den Platrand hadden een eigen
private vergadering gehad en waren tot het besluit gekomen: om _niets te
doen_! Zij stemden in de minderheid in den bewusten grooten Krijgsraad
hierboven genoemd; op _hen_ viel het gevaar van de bestorming—zij
bleven dus eenvoudig in hunne tenten. Het waren Transvaalsche en
Vrijstaatsche officieren—het was een schandaal een fiasco tegelijk;
niet werd er echter in de zaak verder gedaan. Er werd ook gezegd, dat
Generaal Prinsloo en Generaal Joubert beide tegen de bestorming waren,
maar voor de waarheid hiervan kan ik mij niet borg stellen. Het andere,
treurige, akelige heb ik van de beste bronnen vernomen.
Commentaar is onnoodig.
Ik heb dit feit, echter, met opzet prominent voor de aandacht gebracht,
omdat het een helder licht werpt op de ontzaglijke moeilijkheden van
oorlog voeren met een _volks_-leger. Wie kan zich een denkbeeld vormen
van de taak, die onze voormannen op de schouders drukte? Wie kent de
onderlinge jaloesie en naijver en wederkeerige verachting van elkander,
die helaas! maar al te dikwijls onder onze Officieren gevonden werden?
Zij waren de kinderen der Voortrekkers, de groote doch zeer menschelijke
Helden, die hun die treurige erfenis nalieten.
Indien dit nu met »het groene hout” geschiedde, wat van »het drooge”?
Wat van de gewone burgers? De brilliante schrijver, G. W. Steevens, de
student der menschelijke natuur bij uitnemendheid teekent onze boeren
aldus af:—
»Zij zijn groote, gebaarde mannen,—los van leden, onverschillig omtrent
hunne kleeding,—die hun kleine paarden op een pas-gang (»rocking-chair
canter”) rechtop en gemakkelijk berijden. Hun ongekamde, ruwe,
door de zon gebrande gelaatstrekken en blauwe oogen drukken trage
goedaardigheid, bedaarde standvastigheid en sluimerend vuur uit. Zij
vragen om nieuws in zacht, lispend Hollandsch, als door eene vrouw
gesproken; maar de trage heerschzuchtigheid in hunne manieren
doorstralend bestempelt ze als vrije mannen.”
Ja! zij waren »vrije mannen”. Goddank voor den edelen vrijheidszin, de
liefde voor onafhankelijkheid, die ook van de vaderen geërfd is. In
oorlogstijd, echter, moet de gewone burger niet al te vrij zijn. Hoe
kan er een behoorlijk, georganiseerd geheel zijn, als de leden, die
dat geheel moeten vormen, geen tucht of discipline willen verduren?
't Is weer de oude, oude waarheid: _elke deugd heeft hare eigene
ondeugd_, als men niet ervoor oppast! Elke lichtstraal vormt eene
schaduw. Onze Boeren, gelijk alle andere menschen, hadden de
schaduwzijde hunner bijzondere kracht, de fout hunner eigenaardige
individualiteit, de beperking aan hun eigendommelijk karakter verbonden.
Zij waren zeer vrij, al te vrij, veel te vrij voor de behoeften van een
leger. De edele geest van onafhankelijkheid en gelijkheid werd ons ten
vloek en ten val.... voor een tijd!
Krachtige persoonlijkheden als Generaals Cronjé, de la Rey, de Wet en
Botha hebben veel door woord en daad bijgedragen, om den al te vrijen
geest der burgers te beteugelen. Hun voorbeeld en ook dat van vele
ernstige en invloedrijke mannen werkte als een krachtige zuurdeesem,
tegen het dreigend gevaar van bederf en verrotting. Maar het was vooral
door bittere, duurgekochte ondervinding, dat de overgeblevene burgers
wijsheid leerden. De wreede, meedoogenlooze marsch der gebeurtenissen
verwerkte het prachtige »ruwe materiaal” tot de beste commando's, die
de wereld ooit aanschouwd heeft, tot keurbenden, die de Thebaansche
phalanxen in bewegelijkheid en gevaarlijkheid overtroffen.