Tegen het midden van November ging ik voor de tweede maal naar de
Natalsche commando's. Ditmaal nam ik een bekenden jongen kunstschilder,
den heer F. H. Oerder, met mij meê, die gaarne het een en ander in
verband met den oorlog wilde zien en teekenen. Zoo gingen wij dan samen
per trein, onze wielen (bicycles) meênemende. Ons plan tezamen een
geïllustreerde Geschiedenis van den Oorlog[3] in 't licht te geven, en
wij stelden ons voor groote dingen met behulp dier fietsen uitterichten.
Nooit weêr echter, zullen wij per bicycle het heuvelachtige Natal met
zijn slechte paden bezoeken. Wij hadden er genoeg aan, toen wij Dundee
verlieten!
[3] _Later in 't licht te worden gegeven._—(SCHRIJVER.)
In plaats van de groote zware Mausers, waren wij van de geriefelijke en
toch gevaarlijke Mauserpistolen voorzien. Het zijn heerlijke wapens, die
tegelijk ook als geweers kunnen gebezigd worden en tien kogels duizend
treden ver in eenige seconden kunnen werpen. Wij gingen naar Natal, om
de slagvelden te Dundee, Elandslaagte en Ladysmith te bezoeken, en ook
omdat het bekend was dat Generaal Buller daarheen met zijne hoofdmacht
wilde gaan. Er zou dus heel wat aan de Tugela spoedig voorvallen,
meenden wij, en onze kunstenaar rekende er op een _bataille_ uit het
leven te gaan schetsen.
Na eenige dagen te Newcastle vertoefd te hebben, om een paar schetsen
te maken, stoomden wij voort naar Elandslaagte, die destijds de basis
van al de zuidelijke operaties was. Later werd er te Modderspruit een
perron (»platform”) en eenige loodsen door de Z. A. S. M. gebouwd, die
den commando's van grooten dienst waren, maar Elandslaagte bleef altoos
de _terminus_ voor de groote ossenwagens en een belangrijk depôt van het
Commissariaat-departement. Wat een leven en woeligheid op het kleine
station in de Zondagsriviervallei! Gebouwen waren er overvloedig in de
nabijheid, zoowel voor goederen als menschen. De plaats was wel gekozen
door Generaal Joubert en later volgde ook Generaal Buller maandenlang
zijn voorbeeld, toen de Natalsche commando's de Biggarsberg hielden.
Tot onze verwondering zagen wij (welk eene verlichting, om nu dat
woordje »wij”, in plaats van het vervelige »ik” te mogen bezigen!), dat
er ook boerenvrouwen daar logeerden. Sommigen woonden er pal, anderen
waren op bezoek; allen waren echter, waar zij niet behoorden te zijn.
Niemand nam het den Generaal ooit kwalijk, dat zijne oude, trouwe
levensgezellin en »krijgskamerade” maanden lang bij Ladysmith in het
hoofdlager vertoefde; zij was een historisch figuur van den oorlog
1880-81—zij was een noodzakelijk bijvoegsel, als 't ware, tot »Oom
Piet”. Er lag dus geen humor hoegenaamd in zijne strenge bevelen, dat
geen vrouwen (behalve die aan 't medisch departement verbonden waren,
natuurlijk) bij de commando's mochten worden toegelaten. Newcastle en
Dundee wemelden reeds van vrouwen, die hun mans kwamen bezoeken. Nu is
de voorhoede van het Amazonen-leger al te Elandslaagte! Zou dat den
krijgslust verder zuidwaarts bevorderen? Zou dat onze menschen niet
naar huis doen verlangen? De geschiedenis der twee Republieken toont
meer dan één treurige bladzijde onder het opschrift: »Huis toe”. Hoe zal
het gaan als de »verlofpest” (zooals het aanhoudend gekerm om verlof
later bestempeld werd) onder ons uitbreekt? Ter eere onzer burgers
dient echter gezegd, dat (voor zoover mij bekend is) slechts eenige
weinige echtgenooten van »burgers op commando” toegelaten werden, om
verder dan Elandslaagte te gaan. In het westen, rondom Kimberley en
zelfs bij Magersfontein bijvoorbeeld, ging het erger. Maar hierover
later.
De verlofziekte is eene natuurlijke onder mannen, die niet als gehuurde
soldaten te velde trekken. De meeste burgers zijn gehuwd; zij hebben
vrouw en kind tehuis; zij hebben grond en vee en akker, om naar om te
zien. Als zij eene maand op commando zijn, verlangen zij naar hunne
woningen terug te gaan. Als het twee maanden wordt, smeken zij hun
commandant om verlof. Als zij drie maanden van huis zijn, breken zij den
Generaal het hoofd, als hij ze geene kans geeft, om eenige weken naar
vrouw en kind en plaats te gaan. 't Is wel jammer, dat er niet van den
beginne af aan een bepaald systeem van verlof werd vastgesteld—eene wet
die automatisch en algemeen kon werken, en in de natuurlijke behoefte
om naar huis te gaan kon voorzien »zonder gunst of vrees.” Hoe ging het
thans? Het persoonlijk element trad op den voorgrond. Een burger gaat
naar zijn Commandant, wiens tent ten allen tijde voor hem open staat.
Daar nu, ten aanhoore van elk een, die er mocht zitten rooken of praten,
wordt zijn verzoek ingediend, besproken, overwogen en afgehandeld! Heel
gezellig, familiaar, losjes weg gaat het toe—en toch wordt er een
allergewichtigste zaak beslecht. De toekomst van den oorlog is in de
verlofkwestie begrepen—dat moet de Commandant natuurlijk weten. De
onmiddellijke toekomst van den burger—hetzij hier te blijven of zijne
vrouw te gaan zien—weegt natuurlijk het zwaarst bij den applikant.
Zulke dingen moeten volgens vaste regels, geheel en al onpersoonlijk,
geregeld worden. Het is een aller pijnlijkste positie, waarin een
Commandant geplaatst wordt, als hij in elk bijzonder geval als rechter
in zulke brandende kwesties moet optreden.
Het gevolg bleef niet lang achterwege. Het bleek heel spoedig, dat
terwijl één Commandant bijna geen verzoek weigerde, een andere bijna
elkeen afsloeg. Binnenkort ontstonden er natuurlijk ontevredenheid,
twist, klachten bij den Commandant-Generaal, telegrammen naar den
President, ja een menigte klaagliederen van verontwaardigde Penelope's,
die heur mans zeer beminden en erg van noode hadden, trilden door de
lengte en breedte van het land.
De bepaling werd toen gemaakt, dat slechts de Generaal of diens
plaatsvervanger (de verschillende Hoofdgeneraals) verlofbrieven mochten
uitreiken. Zóó ging het wel wat beter, daar de Generaals zeer karig in
't uitreiken van »huis-toe-gaan passen” waren, maar het spreekt van
zelf, dat de moeielijkheid hoegenaamd niet daardoor opgelost werd. Een
vast stelsel, eene wet met bepaalde regulatiën ontbrak er. De gewichtige
kwestie hield de aandacht van beide Presidenten en hun raadgevers en
voornaamste Krijgsofficieren gedurig en lang bezig, want men gevoelde,
dat zij een levenskwestie voor de Federalen was, en later werd er een
soort van formule gevonden, waarop wij later mogelijk terugkomen; maar
de vraag mag wel gedaan worden: »Of het mogelijk is, een leger van
boeren en burgers, die niet betaald worden, op het punt van verlof
onder vaste, systematische militaire regelen te brengen!”
Het was waarlijk vermakelijk daar te Elandslaagte, om den stroom van
komende en gaande burgers gade te slaan. Beide waren even gelukkig,
beide schenen even talrijk. Zij reisden allen met eerste klas biljetten,
die vrolijke kerels. Niemand wilde in een tweede klas rijtuig gaan
zitten. De Regeering betaalde voor alles, ook voor de spoorwegkaartjes.
Waarom dan niet zoo lekker als mogelijk reizen? Op weg bij de stations
kregen zij versch brood, blikjes vleesch, jam, visch, tabak—wat wil men
meer? Koffie kon men op weg voor 6 d. per kopje koopen. O! welk een
pret! Zij lachten en zij tergden elkaar, als groote schooljongens. Zij
groetten elkander luidruchtig, wanneer twee treinen elkander passeerden.
Ping—ping—ping vlogen de Mauserkogels door de lucht achter een
wild bokje aan: de trein in volle vaart, het wild in dollen angst.
Ping—ping—ping—ping—ping; uit elk raam staken de roers en de
schaterende gezichten. De Regeering was rijk; er was overvloed van
ammunitie; »Oom Paul” had er voor gezorgd! Schiet maar op, kerels! Ha!
Ha! Ha! hoe loopt het diertje. Allemaal mis! Hij is vrij. Het was wel
verboden, dat verspillen van patronen; maar wie stoorde zich in die
dagen aan een verbod? Er was wel eene boete van £ 5 op dien misdaad
gelegd; maar wie klaagde ooit een _burger_ (die onbetaald voor zijn land
ging vechten) aan, en welke vrije burger heeft die boete ooit betaald,
indien aangeklaagd en schuldig bevonden? Druk maar op, jongens, schiet!
O 't is zoo heerlijk, dat schieten met de nieuwe Mausers, die zoo goed
treffen, met patronen, die geen penny kosten. Zulk eene kans komt nooit
weêr! Zulk een holiday keert nimmer terug! Neen—dat 's waar ook.... De
holiday ging spoedig voorbij, om niet weer terug te keeren! Buller en
Methuen, French en Roberts, met hun kwart millioen troepen en honderden
kanonnen en duizenden lyddiet bommen hebben de prettige vacantie
eenigszins gestoord.
En toch—gunnen wij van harte hun die korte vroolijkheid en
brooddronkenheid. De burgers lezen geen sensatiewekkende romans. Zij
bezoeken geen schitterende theaters. Zij verlustigen zich niet in de
heerlijke muziek van schoone opera's. Zij worden niet geboeid door de
groote geschiedenissen van oudere en nieuwere volkeren. De betooverende
kracht van de beroemde werelddichters en schilders is hun nog niet
bekend. (Wij spreken natuurlijk van de overgroote meerderheid onzer
burgers.) Ja, van heeler harte gunnen wij hun al die vreugde, al die
weelde, al die uitgelatenheid. Zij hebben het zwaar gehad, en zij
zullen het nog zwaarder krijgen. Hun leven was altoos eentoonig; het
kanongebulder bij de Tugela zal hun weldra tot dagelijksche muziek
moeten dienen. Vermaken hebben zij niet vele, en spoedig zullen zij stof
leveren voor vele romans. De genietingen der hoogere beschaving kennen
zij niet, maar zelf zullen zij ten tooneele optreden en de wereld
met hun opera's verbazen, terwijl toekomstige Afrikaansche dichters,
schilders en schrijvers hunne daden zullen vereeuwigen. Het een en ander
zal echter veel bloed en tranen en lijden en ellende kosten. Dus—geniet
den vroolijken dag van heden, jongens. Gij weet nog niet wat het woord
oorlog alles met zich meêbrengt. Gij weet nog niet hoe vele troepen en
hoe veel schepen en hoe veel hulpbronnen Engeland bezit.
Ai mij! indien gij alles vooruit wist!.... maar neen! 't is beter zoo.
De handschoen is neergeworpen. Tot het bittere einde gaat het! God
zegene u, geharde, taaie, eenvoudige, zorgelooze, lachende, schietende
schare van reizende medeburgers! Als ware »sportsmen” treedt gij het
gevaar te gemoet. Gij haat den »Rooinek” niet—neen! dat niet!—er
wordt slechts gejaagd, gebuit, geschoten, gegeten en gedronken,
en dat vindt gij zoo prettig, niet waar? »Goeien dag dan, burgers!
Pleizierig!”—morgen en overmorgen en nog lang daarna zullen wij
weenen en begraven. Heden wordt er gelachen en geschertst.
Wij bezochten Dundee, van Glencoe onze wielen gebruikende. Den volgenden
dag ging het naar »de plaats van Maritz”, waar de paar honderd Engelsche
ruiters werden vastgekeerd. Dat was eene onderneming per bicycle. Ouf!
welke wegen, welk eene hitte, welk een zweeten en zwoegen was dat! Een
fraaie schets van het tooneel—ziedaar! ons loon voor een zwaar dagwerk.
Naar Talana Heuvel (waarop de dappere Veldkornet Sassenberg en nog vele
brave burgers begraven zijn) ging het gemakkelijker. Wij reden tot
de plaats, waar Generaal Sir Penn-Symons van zijn paard geschoten
werd (Smith's Farm) en toen ging het te voet den berg op. Alle eer der
Engelsche Infanterie voor hare bestorming onder een kogelregen nog al,
van dien steilen heuvel. Het kostte hun veel tijds en veel bloeds, maar
een zeker aantal kwam toch eindelijk boven op den top. Waren de twee
muren van losse steenen niet daar op de helling, zij bereikten hun
doel nooit. Vooral de lange muur, die van noord naar zuid liep en den
geheelen heuvel in de breedte in tweeën deelde, vormde een volmaakte
borstwering tegen de Transvaalsche scherpschutters, die er boven op den
heuvel stonden. Wat wil men meer? De muur was sterk en hecht en hoog en
lang genoeg om eenige regimenten te dekken. Zij aan zij, schouder aan
schouder, knielden de Britten daar achter, terwijl de Republikeinen
aan bom en schroot en geweerkogel waren blootgesteld. Wij vonden er
wel eenige duizenden ledige Lee Metford-patronen achter die welkome,
natuurlijke vesting. Zij schijnen er werkelijk te hebben getabernakeld,
eer zij verder opwaarts gingen. Zij bleven er inderdaad wachten, totdat
onze kanonnen tot zwijgen gebracht waren en de Boeren nauwelijks het
hoofd konden oplichten.
Wij zagen de plaatsen (onder bij Dundee), waar de Engelsche kanonnen
getrokken werden—geen 3000 treden van den top des heuvels! Er waren
slechts 2 Krupps, 1 Fransch kanon (Creusot snelvuurder), en een
handmaxim op Talana Kop. En op een spitsvormigen heuvel, rechts van
Talana (van Dundee kijkende) stond er slechts één pom-pom, zonder meer.
Deze stukken en niets meer weerstonden het vuur van al het grof geschut
uit Dundee: 12 kanonnen (Armstrongs) die tusschen 2000 en 2300 treden
van ons vuurden, en nog 6 van hetzelfde kaliber bij het kamp. Om half
tien ure moesten onze stukken het vuur staken: zij werden eenvoudig
weggenomen naar achteren en alzoo in veiligheid gebracht. Toen werd er
met verdubbelde energie om het verdunde klompje Boeren boven op Talana
gebombardeerd, en—de Infanterie kon den langen muur eindelijk verlaten,
_om vooral door hun eigen kanonnen in den rug met schroot begoten te
worden_. Arme kerels! Zij verdienden een beter lot. Zij streden zwaar
en lang en moedig—en toen zij den laatsten, steilsten, zwaarsten sprong
deden, maaiden hunne eigene Artilleristen ze bij tientallen af!
Maar hoe is het, dat de Boeren dien prachtigen muur niet in bezit namen?
Er is een breed terras achter dien muur eer de laatste, korte steilte
naar den top begint. De muur omzoomt het terras. De plek was uitgeknipt
voor onze Mausers en geen voetvolk zou van Smith's Farm levend bij dien
muur zijn aangekomen, terwijl geen granaat of granaat-kartets ze achter
dien steenen zoom zou gedeerd hebben. 't Is wel jammer, dat er slechts
weinige Boeren van die prachtige positie gebruik maakten, maar àl oorlog
voerende leerden wij oorlog voeren. 't Was onze eerste slag in den
oorlog en onze eerste aanval op Britsche troepen (met kanonnen). Dit
ééne feit bedekt veel, zeer veel, in verband met de verwarring en
mislukking van den stoutmoedigen aanval op Dundee.
* * * * *
't Was terwijl de heer Oerder dien onvergetelijken muur teekende, dat
een onbekende zijn splinternieuwe bicycle buit maakte! Hij had een ander
bij Smith's Farm gelaten, geen mensch ziende, geen diefstal vermoedende.
Aangenaam zat hij te schetsen, maar die schets kostte hem nog duurder
dan de vorige. Nooit meer per wiel in Natal reizen, vooral niet in
oorlogstijd! Wij fabriceerden een armoedigen plaatsvervanger uit een
aantal oude, versletene, lamlendige bicycles, die wij in de publieke
kantoren van Dundee vonden, en hij reisde zijn weg verder al krassend en
krakend en binnensmonds groote woorden mompelend. Mijn wiel had ook zijn
eerste _lustrum_ al achter den rug, zoo verschafte ik mijn vriend een
passend accompagnement voor de geluiden, die hij maakte.
Schoone, golvende heuvelen van Natal. Den dichter doet gij denken aan
machtige golven, al golvende versteend op den boezem eener wreede,
prozaische aarde. Den schilder, helaas! herinnert gij slechts aan
kreunende en steunende en afmattende apologieën voor bicycles.