Niemand weet eigenlijk minder van wat er overal op het vechtterrein
gedurende een grooten oorlog plaats vindt, dan de man, die bij een of
ander commando zich heeft aangesloten. Die tehuis blijft hoort in deze
veel meer, dan die zijne plicht aan 't front doet. Te Pretoria hadden
de menschen dagelijks eenige nieuwsbladen, waarin er een soort van
overzicht over de geheele, uitgebreide vechtlinie te vinden was. Aan
't front had men, in 't begin vooral, de handen vol aan den strijd om
lichaam en ziel aan malkander te houden, terwijl er gedurig gereden en
gestreden werd. De Regeering te Pretoria wist natuurlijk ook heel wel,
wat er op elk punt gaande was, en van een en ander hooggeplaatsten
persoon kon men altoos de jongste nieuwtjes erlangen. Zóó vond ik
het althans, toen ik in het begin van November eenige dagen in den
hoofdzetel der Zuid-Afrikaansche Republiek mocht doorbrengen. Dank zij
den vriendelijken Staatssecretaris had ik ook vrijen toegang tot de
_Oorlogstelegrammen_ der Regeering, wier getal »Legio” mag heeten. O!
wat heb ik in die op fijn papier getypeerde telegrammen van en naar
Pretoria gesnuffeld! Veel heb ik aan mijn persoonlijke ondervinding van
zaken aan 't front te danken voor een helder en juist begrip der dingen;
veel ben ik ook aan gemelde telegrammen verschuldigd, wat een algemeen
overzicht van het geheel der dingen en een blik in de grootere en
kleinere raderen der oorlogsmachinerie. Zie hier eenige dingen die mij
troffen:
_De uitgebreide vechtlinie_, die als _mogelijk of waarschijnlijk_ geacht
werd. In een oorlog moet men waken tegen den vijand dien men _niet_,
zoowel als tegen hem, die men wel ziet. Het onbekende speelt ook in
oorlogszaken—evenals in de wetenschap en in den godsdienst—een
grooten rol. Een Generaal moet steeds vragen: »Wat is er mogelijk,
of waarschijnlijk?”—zoo wel als de oogen sterk op den vijand vóór
hem richten. De verbeelding is een machtige factor in de dispositie
van de verschillende grootere en kleinere commando's (of regimenten),
waarover een Commandant-Generaal te beschikken heeft. Voor twintig
gebeurlijkheden moet hij zich gereed maken, al wordt er slechts ééne
werkelijk tot feit verheven. Voorwaar de taak, die op de schouders
der twee Regeeringen te Pretoria en te Bloemfontein rustte, en de
verantwoordelijkheid der Presidenten en Hoofd-Generaals was geen kleine.
Behalve het belegeren van Ladysmith, Kimberley en Mafeking, waren er
nog de volgende krijgsoperaties aan den gang. In 't Noorden stond
Generaal F. Grobler (»Groot-Freek” noemde men hem, wegens zijn groote
gestalte) op de drift door de Krokodilrivier te loeren. Er waren
troepen in Rhodesia; er was een garnizoen te Tuli. Zij konden haastig
op Pietersburg afstormen! Wie weet, wat er kon gebeuren? Het kon ook
geen kwaad, indien wij door de rivier op Tuli aanrukten, zoo als nog
voor het einde van November werkelijk gebeurde. Groot Freek met zijn
Zoutpansbergers waren onze noordelijke wacht, of vliegende colonne, al
naar omstandigheden hun werk mochten aanwijzen. Een heel commando ging
er echter in die noodelooze onderneming (van _achteren_ gezien! na de
gebeurtenis geprofeteerd!) een tijd lang op.
Bij Komati Poort lagen er een aantal Lijdenburgers, alsmede te Oshoek en
te andere plaatsen op onze oostergrenzen. Wie wist wat er kan gebeuren?
Wie kon de toekomst voorspellen? Onze Regeering en Commandant-Generaal
moesten tegen alle waarschijnlijke en mogelijke dingen waken. Engeland
mocht troepen door Delagoa Baai zenden—alle dingen zijn mogelijk in
oorlogstijd. De Swazies moesten scherp in 't oog gehouden worden. Zij
konden »hun oude krijgslustigheid” weêr bot vieren. Zij konden tegen de
Republiek opstaan. Vandaar het verspillen van nog meer burgerwachten ook
aan de oostelijke grenslinie—een bloot mogelijke vechtlinie, maar toch
even lastig als een werkelijke.
De vrijheidsgrens werd door een sterk commando vrijheidsburgers opgepast
tegen de oude vijanden der Boeren: de geduchte Zulu's. Honderden
telegrammen handelen over de mogelijkheid en waarschijnlijkheid van
onstuimigheid van dien kant! Wederom eene verdeeling onzer reeds zoo
kleine krachten. Ook de Basutolandgrens wordt op dezelfde wijze door
Vrijstaatsche commando's bewaakt.
Dan, te Volksrust en Charlestown waren er groote wagenlagers. Nooit heb
ik zoo veel wagens bij elkander gezien. Zij waren de wagens der boeren,
die te paard Natal waren ingevallen. Generaal Joubert belette hun de
wagens mee te voeren. Hij was uiterst voorzichtig. Hij moest tegen een
mogelijke mislukking waken. Eerst den vijand uitkloppen en opsluiten,
daarna de trouwe wagens met drooge kleeren, biltong, tabak, beschuit,
naald en garen, riempjes en wat niet al, naar de Tugela en Ladysmith
brengen.
Op 23 October seinde Generaal Joubert aan den President:
»De burgers zijn nu al negen dagen zonder tenten, zij leven in natte
kleeren; zij zijn zonder regenjassen; zij lijden gebrek en ellende”.
De wagens zouden alles weer later recht maken, de trouwe, geliefde
voortrekkerswagens. O welk een vreugde, toen zij door de Biggarsbergen
in November afdonderden! Ook _dat_ was de vrucht van de overwinning van
Modderspruit en Nicholson's Nek.
Intusschen echter, zijn er burgers noodig om de wagens op te passen en
de ossen te doen weiden. Al weer een groot en geducht commando _hors de
combat_ gesteld.
De spoorweg moest ook bewaakt, niet slechts in het veroverd, maar ook
in Transvaalsch gebied. Er waren nog velen in den lande, die men niet
vertrouwen kon. De commando-treinen liepen dus meestal slechts over dag.
Een doorloop of brug kon gebroken, de spoorstaven verwijderd worden.
Zoo ook met de telegraafdraden. Dit alles, echter, eischte nog meer
burgers. Nog heugt het mij, hoe er overal bij de stations en »sidings”
en »culverts”, en bruggen gewapende burgers in die dagen stonden.
Zij hadden geen tenten in 't begin, maar woonden in allerlei haastig
gefabriceerde afdaken; toch waren zij vroolijk en levenslustig, den
reiziger groetende en toeroepend:
»Dag, Burger! Pleizierig!” Vroolijke, groote kinderen! Zij vonden het
alles zoo pleizierig in 't begin. Het was hun een groote picnic. De
Regeering zorgde voor alles. Waar zijn die pleizierige kerels nu?
Wat is er van hun pleizier overgebleven? Waar zijn hunne huizen en
echtgenooten, ouders en kinderen?—Welk een _picnic_!
Gaan wij nu naar de westergrens der twee republieken. Daar vooral
schuilde het gevaar. Men zie op eene kaart hoe open en gelijk en
toegankelijk de twee Staten van die zijde zijn. Ten Noorden van Mafeking
had men den spoorweg naar Buluwayo, waarlangs troepen konden verwacht
worden. De Waterberggrens, dor, droog, zanderig, akelig, lag ook
bloot aan een aanval van een onbekenden vijand. De arme Waterbergers
patrouilleerden daar maanden lang, tot vervelens toe, zonder ooit een
vijand te zien. Aan den spoorweg gaat het beter: de Marico burgers nemen
Lobatsi in, en Vecht-Generaal Snijman vecht nu en dan te Gaberones
en elders, eer hij Generaal Cronjé bij Mafeking opvolgt. Dicht bij
Gaberones in het verre noorden moeten er 400 burgers waken, en te
Derdepoort, den sleutel tot Rustenberg, staan er 300 man. Zoo worden
de krachten versnipperd.
Ten zuiden van Mafeking is Commandant Tollie de Beer van Bloemhof
tusschen Vrijburg en Taungs werkzaam. Hij neemt Vrijburg in, vroeg in
October, en beschermt onze grenzen in die deelen.
Vecht-Generaal de la Rey is op 17 October reeds van Kraaipan naar
Warrenton met 1000 Transvalers en eenig geschut vertrokken. Hij gaat
Hoofd-Commandant C. Wessels van den Oranje Vrijstaat helpen, om
Kimberley te bedwingen en vestigt zijn hoofdkwartieren bij de Kimberley
Waterwerken dicht bij de Vaal. Van hem zullen wij nog meer hooren.
Tegen 31 October gaat de eerste trein vol Transvalers Bloemfontein
voorbij, op weg naar Norvals Pont. Zij gaan met een commando Vrijstaters
onder Hoofd-Commandant I. Grobler van Philippolis de Kaapkolonie
bij Colesberg invallen. Generaal Hendrik Schoeman is tot hoofd der
Transvalers gekozen; maar hij is niet juist de rechte man op de rechte
plaats. Eigenlijk gezegd, is er een Christiaan de Wet of de la Rey
noodig voor het groote werk, dat _daar_ te verrichten is. Maar die
mannen kunnen thans niet gespaard worden. Dat commando moest naar
Nauwpoort en vandaar naar De Aar zijn doorgedrongen. Op 21 November
brak Generaal Schoeman werkelijk een spoorwegbrug op ergens tusschen
Nauwpoort en De Aar, maar dit was ook al, dat wij in die richting
vernamen. Het was trouwens ook toen al te laat! De guldene kans was
de laatste week van October of de eerste week van November. Generaal
French, de held van Elandslaagte, was met den laatsten trein uit
Ladysmith ontsnapt en tegen de laatste week van November al druk bezig
van Nauwpoort als basis in de richting van Colesberg te opereeren.
De eerste week van November was er geen enkel kanon en slechts één enkel
regiment te De Aar. Bij de Oranjerivier spoorwegbrug waren er een paar
duizend man met eenig grof geschut. Nauwpoort en Stormberg werden beide
toen verlaten! De Engelschen hadden geene troepen, om een sterke macht
Republikeinen met kanonnen te keeren, al wilden zij ook tot naar de
Tafelbaai gaan. Nooit hadden de Federalen zulk eene kans om de Engelsche
wapenen een geduchten slag toetebrengen, als in de laatste dagen van
October en de eersten van November. Buller's macht was nog op de
wateren. Maritzburg was in gevaar. Durban sidderde. Alle krachten werden
ingespannen om de zuidelijke helft van Natal te redden: de Kaapkolonie
lag open voor een man van onderneming, zoo als de Vrijstaat er later zoo
velen te voorschijn bracht. De ure was daar, maar de man was er niet.
't Is noodeloos om er thans over te spreken, maar het kan niet ontkend,
dat de Republieken een prachtige kans in 't begin van November hadden,
om de zwaartekracht van den oorlog in eenige weken tijds naar de
Heksrivier Bergen te verplaatsen. Had men toen gedaan, wat later
zoo herhaalde malen gedaan werd, dan was de oorlog jaren lang op
Kaapkolonialen bodem gevoerd, eer de grenzen der Republikeinen bedreigd
werden.
Langzaam, voorzichtig, doch bedaard gingen de meeste federale Generaals
en Commandanten echter destijds te werk. Zoo is ons volkskarakter in den
regel. Wij zijn uiterst conservatief van aard. Nieuwe dingen worden niet
gaarne onder onze vleugelen genomen. Die diepgewortelde volksaard kwam
den Engelschen goed te stade meer dan eens in den oorlog, maar nooit zoo
zeer als in die weken. Wisten onze voormannen toen echter, wat zij nu
weten? Hadden zij toen het zelfvertrouwen, dat zij later opdeden?—maar
genoeg; »gedane zaken hebben geen keer!”
De energieke Generaal Olivier treedt in de maand November ook op het
tooneel en dat wel te Bethulie. Hij gaat de Bethuliebrug over en neemt
Aliwal Noord in bezit op den 13den der maand. Later dringt hij door
tot bij Stormberg, maar de junctielijn van daar tot aan Rosmead (bij
Middelburg) wordt door ons niet veroverd! Overal werd er te lang
verzuimd, te lang gewikt en gewogen. Wij hadden geen tijd te verliezen;
de Engelschen baden slechts om tijd!
De Fauresmithers hadden nog de beste kans van allen, om zich een naam te
verwerven. Zie op de kaart, hoe open, dicht bij, genaakbaar de groote
spoorweg op hunne grenslijn is. Lord Methuen moet langs die lijn van
de Kaap komen. Al de paarden, al het voedsel, al de soldaten moeten
over dien weg reizen. De Fauresmithers voeren ook niets uit. Tevergeefs
ijvert de wakkere Regeeringscommissaris in die deelen, de Heer C. W. H.
van der Post, lid van den Volksraad, voor een oogenblikkelijken aanval
op het Grootrivier-Kamp. Er wordt wel een plan gevormd tegen het einde
van October (juist ter rechter tijd), maar—er is _verdeeldheid_ onder
de Officieren, en deze hoeksteen van alle verdere krijgsoperaties wordt
roekeloos weggesmeten!
Rechter Hertzog is in die dagen reeds ijverig aan het werken. Hij is
te Barkly West bezig zaken te regelen. Honderd man staan hem als een
soort Politie ter zijde. Hij is een Fauresmither van geboorte. Hij is
een van de Rechters des lands; hij is thans Rechtsgeleerd-Adviseur
zijner Regeering in het pas veroverd gebied van Griqualand West. Later
ontmoeten wij hem weêr. Hij is één uit duizend!
Diep in Bechuanaland eindelijk vinden wij den ondernemenden Veldkornet
Visser, die Kuruman zonder eenig grof geschut tracht te veroveren. Het
gelukt hem ditmaal (12 Nov.) niet; maar later komt hij er weer met een
ouderwetsch kanonnetje—en de zaak is beklonken.
»There is a tide in the affairs of men, which, taken at the flood,
leads on to fortune,” zegt Shakespeare. Voor de Republieken kwam dat
getij in de laatste week van October en de eerste week van November te
voorschijn. Wij wierpen ons niet snel en krachtig genoeg op de gunstige
golven—en ziet! de wateren daalden. Wij liepen tegen de rotsen en
kwamen in engten. God helpe ons!
Vergeten wij, echter, nooit: dat er veel, zeer veel in die eerste dagen
te regelen was, en dat wij het oorlogvoeren nog leeren moesten. Denk aan
de verbazende uitgestrektheid velds, die moest bewaakt worden, de vele
manschappen daartoe benoodigd, en—het voedsel en de kleeren, die naar
alle richtingen moesten gezonden worden. Naar Mafeking had men geen
trein. Alles, zelfs het groote vestingkanon, werd door paard of muil
daarheen vervoerd. Zoo waren er ook andere deelen van het reusachtig
vechtterrein (actuëel en mogelijk), die op die wijze van al het noodige
moesten voorzien worden. Van ammunitie, bandeliers, geweren, paarden,
zadels en tooms spreken wij niet eens; ook niet van de rijtuigen, welke
men den Generaals en andere groote heeren moest verschaffen.
De drukte bij de Gouvernementsgebouwen te Pretoria en te Bloemfontein
heb ik persoonlijk gezien. Er waren Hoofdcommissies voor Commissariaat
in 't algemeen, voor Proviand in 't bijzonder, voor Krijgstoerusting
meer bepaald, met sub-commissies op verschillende belangrijke punten
zoo als Klerksdorp in de Transvaal en later Edenburg in den Vrijstaat.
Te Bloemfontein was er een vaste, gekozene Krijgscommissie, met den
Staatspresident aan 't hoofd. Te Pretoria was de grijze Staatspresident
een Heir in eigen persoon. President Steyn was _generalissimus_ zijner
burgers krachtens de Grondwet; President Kruger was feitelijk de
Opperste Generaal der federale machten, krachtens zijne positie en zijn
karakter. Alles ging door zijne handen of door zijn hoofd. Hij wist
van alles en wilde in alles gekend wezen. Van alle kanten stroomden
de electrische boodschappen hem toe. Naar alle zijden zond hij zijn
praktische, bezielende, geestelijke raadgevingen en vermaningen.
Geen belangrijke Krijgsraad vond in eenig deel van het uitgestrekte
vechtterrein plaats, of de oude Staatsman sprak als 't ware een woordje
mee. Geen gewichtig krijgsplan werd vastgesteld, voordat hij er in
gekend werd. Met den nobelen President van den Oranje Vrijstaat was hij
in gedurige communicatie. Hartelijk en heerlijk was de samenwerking
tusschen de twee Presidenten, en tijdens den oorlog liet de verhouding
tusschen President Kruger en den Commandant-Generaal niets te wenschen
over.
President Kruger was te oud en ziekelijk, om bij de commando's tot het
einde toe te blijven, maar geen Transvaler of Vrijstater zal het hem in
de verste verte ten kwade duiden. Zijne telegrammen tijdens den oorlog
persoonlijk gedicteerd, toonen zijn onwrikbaar geloof, zijn onverpoosden
ijver, zijn innig patriotisme en zijne krachtige persoonlijkheid.
In boekvorm uitgegeven, zullen zij een blijvend monument van den
waardigen man uitmaken. De ridderlijke trouw, edele zelfopoffering en
standvastige volharding van President Steyn kunnen een van de schoonste
erfenissen van den oorlog voor 't volk van Zuid-Afrika en voor de
menschheid in 't algemeen geacht worden.