Klein Majuba

Den dag na den Modderspruitslag ging ik met eenige vrienden te voet

naar Nicholson's Nek. 't Was weêr een zeer warme zomerdag, en ik had

geen paard voor de reis willen vragen, zoo vond ik den weg wat lang en

vermoeiend; maar mijn loon was zeer groot. Ik zag een slagveld, waarop

er nog geen twintig uur geleden hard gevochten werd. Als type van vele

anderen, zal ik het beschrijven. Laat mij zien: wat heb ik er dien dag

alles waar genomen, gevoeld, gedacht? Pijnlijke visioenen komen mij voor

den geest, te akelig bijna om in woorden ingekleed te worden. Ik zal,

echter, trachten om ook het afschuwelijke van den oorlog te teekenen,

in de hoop om daardoor ook mijn klein gewicht in de schaal tegen alle

oorlogvoeren te doen. Eén oorlog is genoeg voor een leeftijd. Ja,

van harte verlang ik naar den nog ver verwijderden dag, waarop de

gezamenlijke opinie der opgevoede menschheid zal verklaren: dat het

beslissen van verschillen tusschen volkeren door het zwaard, even dwaas

en belachelijk als een duel tusschen twee woedende individuën is.

De historische heuvel is op verre na niet zoo hoog als Zwartbooi's Kop,

en niet met Majuba in dat opzicht te vergelijken. Hij heeft den vorm van

een bekende letter, met den kop naar Ladysmith gekeerd, aldus:

N

W b O

Z.

De steel moet men als zeer dik en breed voorstellen. Aan de zuid-, oost-

en westzijde is de heuvel tamelijk steil; de steel is veel lager en

stijgt regelmatig op van noord naar zuid. Bij den hoek, waar de boog en

het handvatsel (of steel) elkander treffen, is het vrij gemakkelijk om

den heuvel te beklimmen, hoewel er daar veel meer tijd toe noodig is,

daar bij den top. Van de zuidoost zijde heb ik den heuveltop gemakkelijk

in twintig minuten tijds bereikt, tijdens mijn tweede bezoek. Van daag

echter, zullen wij den langen en gemakkelijken weg gaan, waar langs de

gewonden zijn afgebracht tot onder aan den weg, die daar langs naar

Ladysmith loopt.

De Engelschen occupeerden het grootste deel van den halven cirkel,

een gelijke oppervlakte, goed voorzien van losse steenen en ook kleine

Kafferkraaltjes en muurtjes. Voor Tshaka en Dingaan het schoone Natal in

een bloedbad herschiepen, was het land als bezaaid met Bantu-stammen.

Vandaar al die muurtjes op elke hoogte te vinden. Daarmede en daarachter

nu, verschansten de Irish Fusiliers en de Gloucesters zich den nacht

voor het gevecht. Ook was het plateau met groote ruwe rotsen omkranst,

die heerlijke schansen voor scherpschutters aanboden. Ze waren in één

woord, in een sterke, hooge, natuurlijke vesting. Water was er wel niet,

maar zij hadden hunne gevulde flesschen bij zich, alsook voedsel in

overvloed. Hunne bergkanonnen waren uit orde geraakt in den nacht, door

het wegloopen van de muilen (hoorden we later), maar zij hadden hunne

flinke Lee Metfords met een overvloed van patronen en ook een hand-maxim

om te gebruiken.

Vroeg in den morgen zag een patrouille Kroonstadters ze van een

naburigen heuvel (»Surprise Hill”, in de richting van Ladysmith, ruim

2,500 yards van de Engelschen). Vandaar uit, echter, konden de Mausers

niet veel kwaad doen, nog minder de Martini's. De wakkere Heilbronners

besloten toen den berg van de zuidwest- en zuidzijde te bestormen. Later

zond Generaal Joubert zijn »staatmakers” onder Commandant van Dam ook

daarheen, die zich langs de noordoostzijde opwerkten. »Opwerkten” is

precies het rechte woord voor de wijze waarop de Boeren en de Politie

een berg bestormen. 't Is geen opklimmen, al wordt er ook hoeveel dood

geschoten; geen opstormen, al ziet de vijand ze ook hoe duidelijk; 't is

een werk, dat alle krachten van verstand zoo wel als lichaam inspant.

Het gaat langzaam maar zeker. Het gaat voorzichtig, maar zij komen er.

De vijand ziet ze nooit lang genoeg, om goed te mikken. Als tijgers

bekruipen zij hun prooi: elk voor zichzelf, elk op zijn eigene wijze,

gebruik makende van elke schuiling en dekking, en gedurig het ééne oog

op den vijand houdend, om een scherpschutter aan den grond te nagelen,

eer hij zijn gevaarlijk schot kan lossen. 't Is vooral een werk van

_oog_ en _gezond verstand_.

Daar het hier een tweegevecht tusschen Lee Metfords en Mausers gold,

en Koning Armstrong aan het orkest niet kon deelnemen, kon er maar één

uitslag zijn. De Boer schiet te goed voor den Engelschman. Ook is hij te

gauw, te slim, te behendig, te handig, te vernuftig (»resourceful” is

het beste woord) voor een gewoon soldaat. Gelijk weleer te Majuba, zoo

werd ook hier: (a) den heuvel des nachts door de Engelschen onverwachts

in bezit genomen, en (b) door de Boeren weêr in den morgen beklommen,

en de Engelschen er afgehaald. Mogelijk is deze de reden, waarom onze

menschen die plaats »Klein Majuba” gedoopt hebben. Of, misschien komt

de benaming van een navolgende uitdrukking door een Engelschman op dien

heuvel gebezigd. Wij komen er zoo bij, lezer.

Volg mij dan eerst op dien Dinsdag morgen naar het plateau, waar de

Engelschen verschanst waren. Een groep mannen staan er onder de welkome

schaduw van een grooten, breedgetakten doornboom. Wij naderen ze.

Het zijn Engelsche Ambulance-menschen; sommigen hunner zijn hooge

officieren. Hunne taak is: de stervenden onder den boom te verzamelen.

Er zijn er goed een stuk of achttien daar op den grond liggend: de

meesten hunner reeds gestorven, sommigen stervende. Een jongeling van

geen zeventien jaar ligt daar naar adem hijgend, zijn naakte borst

worstelt pijnlijk om lucht en leven. Zwijgend staren wij allen op den

stervende. Helaas! Zoo jong, zoo onschuldig, en—hier gedood door een

kogel, ver van zijn huis! Geen medicijn of dokter kan hem redden. 't Is

een akelig gezicht, dat aan Lord Byron's woorden herinnert:

_O God! it is a fearful thing

To see the human soul take wing._

Een officier keert zich naar mij om en wij knikken elkander toe.

»By God! This is worse than Majuba”—bromt hij tusschen de tanden.

Die woorden heb ik aan anderen meêgedeeld en 't is niet

onwaarschijnlijk, dat zij aanleiding tot den nieuwen naam van dien

heuvel gegeven hebben.

Een ander »Roode Kruis” officier is zoo woedend, dat hij zich aldus in

't Engelsch tegen mij uitlaat:—

»Hoe kan jullie kerels uw Maker te gemoet gaan, na zulk bloedig werk?”

Ik vroeg hem, wat _wij_ ermeê te doen hebben? Regeeringen beslissen over

een oorlog: burgers vechten zoo goed zij kunnen. »Their's not to reason

why.” Hij spreekt niets meer, waarschijnlijk omdat hij zichzelven

eenigszins vergeten had.

Wij verlaten die »plaats der dooden” en nemen eene wandeling al langs

den rand des heuvels, waar de groote rotsen en rotsspleten zijn—een

waar bolwerk om tegen duizenden aanvallers te houden.

Ook daar was de doodsengel ons voor: achter elk rotsblok, in elke

spleet, in elken schuilhoek ligt er een doode. Bijna allen zijn door het

voorhoofd geschoten, terwijl zij bezig waren naar den vijand te zoeken

of op hem aan te leggen. Wij zien rond, en telkenmale valt het oog op

been, of arm, of rug, of hoofd van een in _khaki_ gekleeden persoon, die

zijn dood tusschen de klippen vond. 't Is een afgrijselijk tooneel, en

toch (vergeef het mij, lezer) gaan wij verder rondom den zoom van die

»tweede Majuba”, de lijken tellend. Sedert gisteren namiddag zijn de

Engelschen bezig, met verlof van onzen humanen Generaal, de gewonden te

vervoeren en de dooden te begraven. Nu nog zijn de Coolie-dragers bezig

de zwaar gewonden in de zoogenaamde »doolie's” met hun groene gordijnen,

den heuvel af te brengen. Anderen, die lichter gewond zijn, worden door

twee man gesteund, terwijl zij den berg afsukkelen. Onder aan den voet

des heuvels tellen wij een halfdozijn Ambulance-wagens. En toch tellen

wij er dien laten morgen nog een veertigtal lijken op het plateau

verspreid!

Zoodanig is de oorlog! Honderden zijn in de kracht en schoonheid der

jeugd afgesneden. Zij zijn in de lange grachten, die de reiziger boven

op den naamloozen heuvel vindt, geworpen. Achter elk muurtje, achter

elke hoop gestapelde steenen, binnen in elke kraal, achter elken grooten

boom was er op 30 October 1899 een doode. Ik zag er soms drie lijken

naast elkaar in ééne kraal liggend! Brood lag er bij hen en beschuit en

»blikjes vleesch”, en patronen, beide geladene en ledige. Maar de kleine

Mauser-kogel vond zijn weg overal heen. Aandoenlijk was het bij sommigen

het versch bakkersbrood te zien, _uitgehold door de vingeren_!—de

zachtere deelen gegeten, de korst achtergelaten. Een groote, sterke,

prachtige soldaat was bezig van den buitensten rand des bergs naar het

midden te loopen; een kogel trof hem in het hoofd; hij zonk zielloos

neêr—'t was mij alsof ik hem kon zien loopen en vallen, zoo natuurlijk

lag hij daar met zijn athletische figuur. _Zoo lijkt de oorlog_, als de

slag voorbij is en de glans er van wordt afgehaald, Lezer! Als gij op

Klein-Majuba staat, en uw oog zuidwaarts werpt over de stad, dan ziet

gij den grooten Platrand. Ook daarop zijn vele grachten gegraven, maar

ditmaal voor Boer _en_ Brit. En daar ginds aan den verren horizon kunt

gij den beroemden Spion Kop zien. Daar is het nog doller toegegaan, daar

en overal aan de boorden van de Tugela. Hoeveel dapperen zijn daar niet

haastig onder de harde, steenachtige aarde gelegd? Waarom? waarom?

Nogmaals: _Waarom?_ Kome de schoone dag spoedig,

_When every nation, that shall lift again

Its hand against a brother, on its forehead

Would wear the brand of Cain._

(LONGFELLOW).

Den volgenden dag zag ik drie personen in ééne tent bij ons

veldhospitaal samen rooken en drinken: Commandant van Dam, Colonel Blake

en Majoor Kincaird. De Transvaler was in de heup, de Ier in den arm, de

Engelschman (naar het mij voorkwam) in den voet gewond. In elk geval:

hij liep kreupel... Vriendelijk werd ook ik binnen genoodigd, om een

sigaartje te rooken en op hun aller gezondheid te drinken. Het deed mij

denken aan den edelen Hector en den krachtigen Ajax, die elkander eerst

goed te lijf gingen, en daarna—elkander heel vriendelijk geschenken

gaven (Ilias Bk. VII). Was het ook eene profetie? Zullen de vijanden

later onderling vereenigd en verzoend zijn? Zoo zij het!

Zes maanden bij de commando's · 第 34 / 79 题