Toen het toornig brullen der Britsche kanonnen ophield, snelde ik
naar de plaats, waar de »Jameson Kar” en de caissons waren. Tot mijne
verbazing, vond ik, dat geen caisson ontploft was, alhoewel er één door
een granaat getroffen werd en de nabijzijnde tenten door vele kogels
doorboord waren. Veiligheidshalve, echter, werden de ammunitiewagens
dien dag onder den heuvel gebracht, alsmede de tenten en rijtuigen.
Dicht bij de kar was er een kaffer kraal van losse steenen, alwaar
ik Luitenant Henri du Toit vond. Hij was zwaar bij zijn kanon gewond
en lag onder een soort afdak, van een paar zinken platen gevormd, te
kreunen. Hij opent zijne oogen en herkent mij. Ik vraag hem, of hij wat
whisky hebben wil. Hij knikt bevestigend en krijgt een goede teug uit
mijn flesch. Of het hem goed deed? Hij was bleek, erg bleek, en had veel
pijn. Toen hij weggedragen werd naar ons veldhospitaal (het woonhuis van
den heer Pepworth), gaf ik hem nog een zoopje meê. 't Was wel der moeite
waard, het kostbare vocht al den weg van Pretoria hierheen te brengen,
en mijzelven onder weg te verloochenen.... om zoodanigen velddienst
ermeê te kunnen verrichten.
De jonge artillerist, die naast hem lag, was buiten hoop. Zijn voorhoofd
werd door een bom getroffen—een akeliger wond heb ik nooit gezien. Daar
lag de dappere jongen, als een doode. Men dacht het niet noodig, hem te
verwijderen. Waarom den armen, bewusteloozen stervende nog plagen? En
toch.... vond men werkelijk nog leven in hem den volgenden morgen! Het
geweten en hart van meer dan een werden door deze gruwzame ontdekking
pijnlijk getroffen, maar wij willen het hopen, dat de jongeling niet
dien nacht tot zijn bewustzijn gekomen is, om zich daar op dien akeligen
heuvel eenzaam en verlaten in de ure zijner uiterste pijnen te bevinden.
Dr. Hohls lag in een tent dichtbij: hij was ter ziele, de sterke man,
gehuld in den purperen mantel van een edelen dood. In het vervullen van
een nobele, zelfopofferende daad, in 't verplegen van een gewonde,
ontsliep hij. Kan men een beter uiteinde begeeren?
Aan zijn zijde hijgt een sterkgebouwde Ier pijnlijk om adem. Zijn
laatste snik is nabij. Het Iersche corps deed flink werk dien dag: zij
hielpen ammunitie voor de kanonnen aandragen en brachten verscheidene
offers voor ons land en volk. Boven op Pepworth's Heuvel is er een
eenvoudig houten kruisje geplant, de plaats aanduidend, waar twee
Ieren begraven zijn. Colonel Blake, die aan het hoofd van hun corps
stond, werd door een bomscherf in den bovenarm getroffen en moest
lange maanden daarna zijn arm door een draagband ondersteunen.
Bij een onzer Krupp's komend, waar het vuur dien dag zeer heftig
was, vond ik een korporaal bij zijn stuk zittend, afgemat, uitgeput,
bleek.... met een kleine opening in den rug van zijn opperkleed,
waardoor er een straaltje bloed vloeide. Hij was gewond, licht gewond;
maar bekreunde zich niet in 't minst daarover. »Komaan, o Stoïcijn van
Pepworth's heuvel! een borreltje zal u geen kwaad doen. Drink! vriend!
Drink diep en lang!—Gezondheid!” Het mooiste van dien kerel is, dat
hij een held was zonder het zelf te weten. Hij had eenvoudig zijn kanon
bediend tot het einde toe: daartoe werd hij opgeleid, daarvoor was hij
hier. Per ongeluk raakte hem een kogel, maar dat doet niets aan zijn
gewone plichtsvervulling toe. Hij blijve dus naamloos, want zoo zou hij
het zelf willen hebben.
Overal rond op den heuvel lagen er doode en gewonde paarden en de
steenen waren bont en blauw van de duizenden kogeltjes, die er
neergeslagen waren.
Terwijl wij er zoo rondliepen, elkander ondervragend en gelukwenschend,
werd onze kalmte plotseling opnieuw gestoord.
Een ontzettende knal werd er gehoord, en kort daarop ontplofte een
lyddiet-granaat niet verre van ons op den heuvel. Kolonel Trichard, de
Staatsprocureur en eenige anderen waren bijna »onder stof!” Een tweede
volgde kort op de hielen van het eerste schot. Zij werden allen op Long
Tom gemunt. Het waren ontzaggelijke bommen, een schrikwekkend gedruisch
makend en groote gaten in de aarde ploegend. Zij veroorzaakten groote
ontsteltenis op den heuvel. Generaals en Commandanten waren daar,
gezellig koutende, maar elk een moest nu schuiling zoeken. Niemand
werd geraakt, maar meer dan een had een nauwe ontkoming dien dag. De
projectielen maakten een helsch geluid en groote rotsen werden door
ze verpletterd of gespleten. Later eerst vernamen wij, dat zij van
de geweldige scheepskanonnen van de »Powerful” kwamen. Die geduchte
zeemonsters waren haastig te Durban geland en per spoor naar Ladysmith
gezonden, alwaar zij tijdens den slag werden opgesteld en om 2 uur hun
krachtige stemmen deden hooren. (Er waren er niet minder dan 6: 2
groote 4.7 stukken en 4 twaalfponders met 288 matrozen.) Zij hebben
ontegenzeggelijk goed werk voor de belegerden van toen af aan tot het
einde van het beleg gedaan. Dat hadden wij aan ons verzuim in het
vernielen van den spoorweg naar het zuiden te danken. In 't licht der
latere geschiedenis van den oorlog, is het bijna onbegrijpelijk, dat
de Vrijstaters zoo uiterst voorzichtig in deze te werk gingen.
Tegen drie uur in den namiddag eerst, had ik het genot met Kolonel
Trichard en Kapitein Bosman een kopje koffie bij den grooten wagen
van den Kolonel, aan den voet van Pepworth's, te drinken, en een uur
later ons eerste maal te nuttigen. De Kapitein had zich dien dag zeer
onderscheiden in het dragen van ammunitie en van gewonden, en de Kolonel
werd door een krachteloozen kogel in de dij getroffen. Commandant
Grobler van de Ermeloërs had een nauwe ontkoming: een bomkogel wondde
zijn paard een paar duim achter den zadel, terwijl de Commandant op den
heuvel reed. Onze dooden dien dag telden geen 20 in 't geheel over het
gansche vechtterrein, onze gewonden bij de 60. Er was groote drukte dien
avond in het groote woonhuis van den heer Pepworth, en ook in andere
boerenwoningen dicht bij Ladysmith, die als hospitalen gebezigd werden.
Generaal Kock stierf dien dag, niet wetende, wat de uitslag van den
strijd was. Men zegt, dat het verschrikkelijk kanongebulder zijn dood
verhaast heeft. Over het Britsche verlies zeg ik liever niets, daar ik
hun dooden en gewonden niet heb kunnen tellen, en niet de gewoonte van
Engelsche schrijvers wil opvolgen, door losweg allerlei groote cijfers
omtrent het verlies der tegenpartij op te disschen. (Volgens Conan
Doyle was ons verlies omtrent 300 dooden en gewonden.)
Tegen zonsondergang kwamen de prisoniers aangestapt. Zij waren vermoeid
van de groote hitte en den langen strijd van dien dag. Ter eere onzer
Boeren zij het gezegd, dat de schare van toeschouwers geen geluid liet
hooren, toen de lange rij gevangenen hen passeerden. Zwijgend, zelfs
medelijdend werden zij aangestaard; maar geen spot- of schimptaal, geen
gejuich werd er vernomen. Daar ik zelf onder de menigte toeschouwers
stond, kan ik als ooggetuige in deze optreden. Gedurig hoorde ik een
onzer Boeren zeggen:
»Arme kerels! _Zij_ hebben er geen schuld aan den oorlog. _Zij_ kunnen
het niet helpen, dat zij tegen ons vechten. Zij moeten slechts
gehoorzamen.”
Een wonderlijk volk is het Boeren-volk! Op hen vooral zijn de woorden
van John Dryden toepasselijk: »Men are but children of a larger growth”.
Zij worden gauw weêr goed jegens hunne vijanden. Zij vergeten spoedig
met wien zij oorlog voeren. Zij haten niet, gelijk de Europeesche
volkeren elkander haten.
Hoort wat George W. Steevens van hen op »Klein Majuba” vertelt:—»De
Boeren hadden hunne wraak voor Dundee en Elandslaagte in den oorlog. Nu
namen zij die, bij de volle maat.... in vriendelijkheid. Onze gewonden
werden naar Ladysmith gezonden; water werd hun door de Boeren uit hun
eigen bottels gegeven; dekens van hun eigen zadels losgegespt; muilen
voor hospitaalwerk verschaft” enz.
Den volgenden dag (zoo werd mij verteld), zijnde er een wapenstilstand
voor dat doel door Sir George White gevraagd, woonden een aantal Boeren
de begrafenis der Britsche soldaten op het slagveld van Modderspruit
bij, en zongen er een van onze plechtige Hollandsche Psalmen bij het
geopend graf. Te zamen bogen Boer en Brit daar het hoofd voor den
onzichtbaren Heer der gansche schepping, allen rassenhaat vergetend,
alle wraak op zijde stellend. Al zingende werden zij gastvrij van geest
en hart, en verlost van alle kleinheid en bekrompenheid.—En toch? Is
patriotisme ook niet eene beperking des geestes? Is nationaliteitsgevoel
niet een edele bekrompenheid? Zoo is het. Daarom blijven zij steeds
Boeren, Hollandsche Afrikaners, een apart volk, »een eigenaardige natie,
met heur eigendommelijk karakter, en onder alle omstandigheden en onder
elke vlag.”
Een komische gebeurtenis in verband met den Modderspruitslag mag wel
vermeld worden. Onze koffieketel, die op 't vuur stond bij den wagen
onder Pepworth's heuvel, werd heel netjes door een Engelschen bom of
liever door een bomscherf omvergeworpen, met koffie en al natuurlijk. De
ketel had een respectabele en eervolle deuk; en onze kok zei droogjes:
»Na _dit_, dacht ik het veiliger, vandaag liever geen koffie te maken.”
Een ander geval is nog treffender. Zoowat een maand na den slag bevond
ik mij voor de tweede maal op »Klein Majuba”, toen een jongeling er een
Engelsch _10 shilling-stuk_ uit het stof opraapte. Het muntstuk was in
den vorm van een »Heil's Leger Hoedje” gebogen, en lag bij eenige ledige
Lee Metford patronen. Na zorgvuldig onderzoek, was het de algemeene
opinie, dat het geldstuk door een Mauserkogel _in den zak_ van een
soldaat getroffen werd. Een klein teeken aan den rand van het kleine
geldstuk wees duidelijk aan, waar de kogel ervan afgegleden was.
Afgegleden! Waarheen? Ai, dat is de vraag. In de lucht, of in het lijf
van den eigenaar? Of in het lijf van een makker? Wij willen hopen, dat
dat 10 shilling-stuk den gelukkigen bezitter ervan gered heeft. Gaarne
zouden wij de volledige en ware geschiedenis van dat fraai gebogen
goudstukje vernemen. 't Is waarlijk eene curiositeit van den grooten
oorlog, die men den tegenwoordigen bezitter (een Johannesburger) wel mag
benijden.
Het mooiste incident uit den slag heb ik, echter, uit den mond van
Majoor Wolmarans in zijne tent achter Bulwana vernomen. Zijne kanonnen
waren op den kruin van een heuvel gesteld (verhaalde hij mij met
opgewektheid), die met kreupelhout (boschjes) bedekt was. Tusschen hem
en de Engelsche batterijen op den rechtervleugel was er een tweede
heuvel, lager dan zijne positie, waarover hij zijne bommen deed vliegen.
De Engelsche kanonnen repliceerden, maar tot zijne verbazing vielen
hunne schoten allen op den voorsten heuvel. Dus ging hij in volmaakte
veiligheid voort zijne granaten en granaat-kartetsen op den vijand
uittestorten. De uitwerking erg teleurstellend en demoraliseerend voor
de Britsche kanonniers, die alle pogingen tevergeefs aanwendden, om
den juisten afstand te vinden. Zij waren zoo dicht bij elkaar, dat de
Majoor voor langen tijd dit vreemd verschijnsel niet begrijpen kon.
Later werd hem alles duidelijk, vervolgde hij, toen hij het terrein
waarop de Engelschen waren, persoonlijk bezocht. _De heuvel, die vóór
zijne positie was, scheen deel uit te maken van den achtersten heuvel._
Beide heuvels hadden precies denzelfden vorm; beide waren met dezelfde
boschjes begroeid; zij geleken op één heuvel van de plaats, waar de
Engelsche kanonnen waren. Geen wonder dus, dat de vijandelijke bommen
allen te kort vielen. Zij werden allen tegen een stommen heuvel gericht:
een kordaatstuk aan den woesten aanval van den heldhaftigen Ajax op eene
kudde schapen herinnerend! Wie kan zeggen, hoe veel dit zoogenaamde
toeval tot de totale nederlaag van den Britschen rechtervleugel heeft
bijgedragen.
Dat Generaal Joubert met recht blij en trotsch was over het gedrag
zijner manschappen en den uitslag des strijds, behoeft niet gezegd te
worden. De vreemde _attache's_ schudden wel hunne hoofden, zeggende:
»Waarom zijn de Engelschen niet in de flanken bij hun terugtocht
aangevallen? Waarom niet de stad dien namiddag nog ingenomen?”—maar zij
vergaten, dat onze commando's uit gewone burgers en niet uit gehuurde
troepen bestonden. Tot _zulke_ dingen zijn onze menschen niet in staat:
dat heeft de oorlog gedurig bewezen. Zij waren maar te blij, om wat
rust en voedsel en koffie weer te krijgen, na de ontzaggelijke hitte en
vermoeienis en de gevaren van dien dag. Morgen, of overmorgen, zouden
zij verdere plannen maken; vandaag niet. »Elke dag heeft genoeg aan zijn
zelfs kwaad.”
Dan, Talana Heuvel en Elandslaagte waren nog versch in het geheugen.
Was het te Modderspruit met ons verkeerd afgeloopen, dan was de oorlog
spoedig tot een roemloos einde voor de Republieken gekomen. Want ziet!
Het plan van Sir George White was: Pepworth's Heuvel als met eene
reuzen-schroef vast te knellen. Zijn rechtervleugel moest door onze
gelederen (tusschen Lombards Kop en Generaal Burger's positie) breken,
terwijl zijn centrum alle onze krachten ter zelfverdediging eischten.
Intusschen zou Colonel Carleton om onzen rechtervleugel werken, of
dien terugdrijven, en alzoo Pepworth's Heuvel tusschen de twee groote,
lange, ijzeren armen van de schroef gekomen zijn. Onze beste stukken
waren daar. Ons groote Long Tom was daar. Het verlies van dien heuvel
zou ontzaggelijk demoraliseerend voor de federalen zijn geweest. Het
grootste Boerenleger was thans om Ladysmith—ongeveer 7000 man—Sir
George had een 12,000 man ter zijner beschikking. Volgens het algemeen
oordeel der beschaafde wereld, moest hij ons met wortel en tak dien dag
hebben uitgeroeid. In plaats van dat te doen, echter, moest hij met pak
en zak Ladysmith binnenvluchten en ruim 1000 prisoniers met eenige
bergkanonnen en maxims in onze handen laten.
Generaal Joubert vond dat genoeg, vooreerst. Hij was tevreden. Hij was
gelukkig. Hij dankte God voor eene groote verlossing. Nooit heb ik den
grijzen Staatsman, Patriot en Krijgsman—met
_Een hoofd vol kreuken, een geweten zonder rimpel_
zoo stralend van vreugde als dien avond gezien. 't Was _zijne_
victorie, _par excellence_, roemrijker dan Laing's Nek, of zelfs Majuba!
* * * * *
»De Artillerie heeft zich goed gehouden en verdient allen lof”—seinde
de Commandant-Generaal dien dag naar President Kruger. Zoo was het
ook. Tot hiertoe hadden de boeren smalend en schouderophalend over de
Artilleristen gesproken. Tot hiertoe hadden zij met verachting op kanon
en maxim neergezien, terwijl zij al hun geloof »in God en hun Mauser”
vestigden. Op 30 October vond er eene openbaring voor hunne oogen
plaats. Zij stonden verstomd over de koele, bedaarde dapperheid en het
goed mikken en treffen onzer kanonniers. Van toen af aan hadden zij den
mond steeds vol van den lof der flinke Artillerie-kerels. Modderspruit
was inderdaad eene _apotheosis_ voor de vroeger miskende Artilleristen
en de Artillerie.
Nog iets: ook de Johannesburgsche Politie gedroeg zich bijzonder
knap dien dag. Hun Commandant werd in de heup gewond, maar bleef
op het slagveld bevelen gevende. Een Luitenant liet het leven bij
Nicholson's Nek. Nog 13 man werd er uit hun gering getal gewond. Nu, de
Heidelbergers en de Heilbronners b. v. telden ook even veel gewonden
dien avond; maar de Politie kwam van verren afstand, in gelid, in
volmaakte orde, man voor man op zijn plek,—om zich in het strijdperk
te werpen. _Dat_ was het kenmerkende van hun werk. »Geen klauw bleef
er achter!” Er was orde, tucht, gehoorzaamheid in dat corps. Geen
willekeur, geen persoonlijke grillen, geen individuëele dapperheid
of lafhartigheid kon onder hen alles redden—of ook wel alles
verongelukken. Generaal Joubert was met recht tevreden met zijn
burgers, maar vooral trotsch op zijn reservecolonne.
Hoe vele »achterblijvers” waren niet te Talana Heuvel? Hoe veel
verwarring was er niet te Elandslaagte? Goddank! te Modderspruit ging
het veel beter. De Republikeinen bedekten zich niet slechts met roem,
maar zij wonnen vooral in zelfrespect en zelfvertrouwen. Ons _prestige_,
ons _moraal_ was volkomen gered: Colenso en Spionkop werden mogelijk!