Maandag morgen vroeg werd ik door het donderend knallen van een
kanonschot gewekt. De Generaal had mij en den Kapitein dien morgen niet
wakker geschreeuwd, en daar wij zoo te zeggen ons eigen bazen waren,
sliepen wij door, na de andere burgers reeds lang op de been waren.
_Boem!_ dreunde het van Pepworth's heuvel door de heldere morgenlucht.
Het was Luitenant de Jager, die aldus het bal opende.
De Engelschen waren den vorigen nacht reeds uitgetrokken in dichte
drommen voetvolk en ruiterij, gesteund door zes batterijen veldkanonnen,
en vele maxims. Zij sliepen onder de lage, maar toch dichte doornboomen
op het plein[2] tusschen Commandant Weilbach's en Generaal Burger's
posities in de stad. Hun Centrum was ruim drie mijl van Pepworth's
heuvel verwijderd, maar krachtige oogen ontdekten de zwarte streepen
zoodra het licht werd, en Kolonel Trichard tastte den vijand met geweld
aan.
[2] Vlakte.
't Was een dag, dien ik nimmer zal vergeten, daar ik in 't midden van
den kogelregen verkeerde en het mijn eerste ondervinding van dien aard
was. Te Dundee kon ik bij onze Creusot's recht op staan kijken, waar
onze bommen vielen, daar de Engelsche veldkanonnen niet bij machte waren
onze hoogte te bereiken. Op Pepworth's ging het heel anders! Om andere
zwakke medezondaars tot hulp en bemoediging te zijn, zal ik mijne
gewaarwordingen breedvoerig mededeelen.
_Boem_—_boem_—_boem_—dreunde het op den heuvel. Haastig trok
ik mijn baatje (jas) en stevels aan—meer werd er niet 's avonds
uitgedaan—wierp mijn bandelier om den schouder, nam mijn roer in de
hand en stopte een paar handen vol beschuit in den zak. Ik was erg
zenuwachtig, maar vergat toch niet een klein fleschje whisky—dat
ik van huis nam, met het voornemen om het slechts voor gewonden te
gebruiken—uit mijn portmanteau te halen. Het klinkt wat ongeloofelijk
voor dorstige naturen: dat fleschje was nog volmaakt vol, zoo als het
in mijn huis te Pretoria door mijne vrouw was gevuld! Maar wij moeten
ons haasten. Er wordt gevochten van daag. Ik loop zoo snel ik kan, den
heuvel op, naar onze kanonnen. Werktuigelijk, instinctmatig beweeg
ik mij naar dien ijzeren cirkel van vlammende vuurmonden. Achter onze
kanonnen nu is er een groote holte op den heuveltop, waarin de caissons
en trolleys, de »Jameson kar” en eenige tenten schuilen. Daarheen begeef
ik mij. Eer ik bij mijne kar aankwam, echter, zag ik dat er een hagelbui
van kogels en bomscherven op die plaats neersloeg. Onze kanonnen voerden
een tweegevecht met drie batterijen (18 stuks) Armstrongs, die den
heuvel met bommen beploegden en bezaaiden. Waarheen nu? Ik wilde _zien_,
_weten_, _ondervinden_. Maar 't is drommels onveilig daar bij dien
vuurcirkel, boven en vóór mij. Daar kom ik nooit, hoor! Als het mij
geboden werd, dan misschien; maar nu? Foei! Waar berg ik mij?
Hoe kan ik het helsche rumoer beschrijven? Waar vind ik woorden voor al
de geluiden van dien morgen? In 't begin kon ik de ontploffingen tellen,
maar spoedig werd het vuren, heen en weêr, zóó hevig, zoo woest, zoo
kwaadaardig, dat mijn hoofd dreigde te bersten, en mijne ingewanden
als een vulkaan rommelden. Ik kreeg een akelige hoofdpijn en.... ook
maagkrampen, die gelukkig spoedig verdwenen. De hoofdpijn bleef mij
echter den ganschen dag bij.
Goethe vergelijkt het geluid van bommen bij »het gonzen van tollen en
het fluiten van vogelen,” maar sedert zijn tijd heeft men zooveel nieuwe
ontploffingsmiddelen en soorten granaten en granaat-kartetsen en wat
niet al uitgevonden, dat men nu moet spreken van »Brobdignagiaansche
tollen” en »Mammothvogelen,” zal men aan een hedendaagsch
artilleriegevecht recht doen wedervaren. Het gefluit dier looden
vogeltjes in de lucht dringt tot merg en been. De onzichtbare ijzeren
tollen gonzen zoo vreeselijk boven uw hoofd, dat hooren en zien vergaan.
Hoe snel de granaten ook de lucht doorklieven, gij kunt ze hooren
aankomen, al nader en nader. Het duurt slechts eenige seconden, maar
gij hoort het duidelijk: nader, al nader, bij u—Heere! help—gij houdt
den adem op—_phutt!_ valt het monster voor uwe voeten in den grond.
_Whir_—r-r-r-r-r-sh-sh-sh-_shu!_ ploft er een tweede achter u neer.
Jing-g-g-g-e-e-e-e-e-_paf!_ barst er een derde aan uwe rechterhand. De
granaat-kartetsen zijn nog verschrikkelijker. Zij ontploffen eerst boven
uw hoofd, storten dan met een geweldig gedruisch hun half-emmer looden
kogels op de aarde uit. Gelukkig is de afstand zóó groot, dat het den
kanonniers zelden gelukt om die moorddadige bommen op het juiste moment
te doen ontploffen. Hunne berekeningen zijn natuurlijk naar gissing, en
de kogelregen komt òf te vroeg òf te laat af. De gewone granaten zijn
dus het gevaarlijkst, daar zij rechtuit op hun man afgaan en gewoonlijk
zware wonden, zoo niet den dood veroorzaken. Zoo'n bomscherf in 't
lijf is geen speldenprik, hoor. Daardoor werden Luitenant H. du Toit
en Apotheker Townshend onder meer dien dag zwaar getroffen, en onze
onverschrokkene Dr. Hohls gedood.
Ik dwaal en draai er eenige minuten doelloos rond, niet wetende
waarheen ik mij wenden zal. Naar den bovenrand des heuvels wil ik niet.
Er is wel veel te zien, maar 't is mij te gevaarlijk. Ik ben geen
artillerist. Ik ben slechts een nieuwsgierige burger. Den heuvel te
verlaten zou het veiligste zijn, maar daartoe ben ik te eergevoelig en
te nieuwsgierig. Al vallende en opstaande, links en rechts springende,
waggelend als een dronken man, kom ik ongemerkt nader aan een groepje
burgers, die een weinig rechts van onze kanonnen op de helling van den
heuvel rondspringen. Midden van het gevaar van een vreeselijken dood,
die mij elk oogenblik treffen kan, merk ik toch als in een droom op, hoe
zij elkander zonder opzet naäpen. Als de een valt, vallen allen; hoest
er een, dan volgen allen zijn voorbeeld; springt een rechts of links,
allen doen desgelijks. Allen zijn even gek, even dronken, even aardig,
als zoo vele poppen door een onzichtbaren draadtrekker beheerscht. In
dit marionettenspel, echter, zijn de menschen aan het verkeerde eind van
de vertooning!—een feit, dat veel humor aan het tooneel voegt, als men
er op terugblikt, maar dat heel tragisch kan uitvallen, als men zelf aan
't dansen is.
Toen Saul onder de profeten kwam, begon hij, even als zij, te
profeteeren. Zoo gaat het elk een, die zich bij een groepje menschen
van daag voegt: hij volgt onwillekeurig hun voorbeeld. Zoo ging het
ook mij: ik word met mijn medeburgers door de onzichtbare, maar al te
hoorbare vogeltjes en tollen heen en weer geslingerd, omvergeworpen,
gemesmeriseerd, betooverd, beheerscht. Wij zijn aan een gedwongen orkest
bezig. Ons Satanische kapelmeester geeft ons een gedurige afwisseling
van deuntjes en wij volgen gedwee zijne grillen na. Wee ons! Wee ons!
Ha! Ha! lachen de vogeltjes in de lucht. Dreigend zongen de tollen ons
tegemoet. Al de baren en golven van een boosaardigen oceaan zijn over
ons gekomen.
Hoe het kwam, weet ik niet, maar hier ben ik achter een laag muurtje
van losse steenen. Het zijn ruwe steenen, op den heuvel opgeraapt, en
losjes op elkander gestapeld. Er zijn er zoo wat vijftien man met mij
achter die bouwvallige beschutting. Wij liggen zoo plat als mogelijk.
Gelukkig de man, die van daag het schraalst en tegelijk het kortst is.
Gezegend de onbekende wilde, die dit muurtje lang geleden bouwde......
om ons het leven op dezen dag te redden. Mijn hoofd bonst geweldig; de
maag is geheel ledig. De onmisbare slok koffie werd ons heden morgen
niet gegund. Goddank! het schijnt hier tamelijk veilig te wezen.
Ietwat later zegt een uit onzen groep: »Kerels, komt, laat ons wat lager
af naar dat kraaltje gaan. Hier zijn wij in de lijn van het hevigste
vuur. Hier wordt het al te gevaarlijk.”
Wij aarzelen, want 't is een waagstuk om die vijftig treden af te
leggen. De bomscherven en kogels warrelen er rond als dun stof.
»Ik loop!”—riep onze leidsman uit, en wij volgen hem. _Kraak!_—plat
liggen wij allen. _Shut!_—wij springen als bokken rond. _Whirr!_—wij
zijn aan den grond genageld. Pauze!—wij zijn achter het kraaltje,
veilig, ongedeerd, dankbaar, hijgend. Maar foei, wat een warmte, en
't is nog zoo vroeg. Geen woord wordt er voor eenige minuten gerept.
Wij liggen plat op den grond,—de beenen, echter, zoo veel mogelijk
optrekkende. Zoo'n bom kan gemakkelijk een voet verbrijzelen. Het
kanonvuur van den vijand wordt zóó verschrikkelijk, dat het ons den adem
wegneemt. Mij dacht, ons laatste ure was geslagen. Of liever, ik kon
niet eens denken. Ik gevoelde slechts, en dat wel eene vreeze, zooals
mij nog nooit overkomen was. 't Is de eenvoudige, ronde waarheid, lezer,
dat de voornaamste uitwerking van kanonnen _de zenuwen_ geldt, en dus
onthutst, ontsteld, verwijfd, bang maakt. Een hevig kanonvuur uit een
achttien of meer stukken tegelijk verschrikt het stoutste hart. Voor het
eerst gehoord, maakt het eenvoudig de meeste menschen lafaards—voor
korteren of langeren tijd. Een meer doeltreffend middel dan dat, om een
commando of regiment te demoraliseeren, valt moeielijk te noemen. En
toch—gelukkig dat het zoo is—zelfs daaraan raken de meesten later
gewoon. De vuurproef _à la canon_ is ontzettend zwaar om met eere te
doorstaan, maar elken keer gaat het een weinig gemakkelijker zulks
te doen. Een »ik en weet niet wat”, zooals vader Cats het zoo lief
uitdrukt, wordt telkenmale bij het karakter gevoegd. Elk bombardement,
met een weinigje zelfrespect doorgemaakt, voegt wat ijzer bij het bloed
en mannelijkheid bij de persoonlijkheid.
Laat ons echter naar den kraalmuur terug gaan. Daar ging het mij zoo:
in 't begin enkel benauwdheid, algeheele ontzenuwing en lichamelijk
bankroet. De oogen zelfs zijn toegenepen!—Een paar minuten duurt deze
verlamming voort, totdat de rede zich langzaam begint te doen gelden.
Wat is er toch gaande? Wat gebeurt er om ons?—vroeg ik mijzelven af.
Het kost inspanning, maar ik open mijne oogen en kijk voorzichtig op.
Het eerst werp ik het oog op mijn mede-burgers, en tot mijne verbazing
bemerk ik, dat ook de helft van hen de oogen nog dicht gesloten houden!
_Die enkele waarneming doet mij veel goed._ »Ik ben bang, zeer bang;
maar toch niet de bangste!”—zeg ik tegen mijzelven. Alzoo krijg ik
een vasten bodem in mijn binnenste, hoe gering ook, om mijn zelfrespect
op te bouwen. Ik heb dus een klein vonkje moeds, of ik ben in elk geval
niet zoo bang als de helft mijner vrienden hier bij mij. Dat troost! Dat
geeft hoop! _De eerste sport in de ladder is gewonnen._
De tweede stap werd dus gemakkelijk gemaakt. Waarom niet omdraaien en
rondkijken? Ik doe zulks en aanschouw de arme paarden, daar onder op de
helling van den heuvel, geen vijftig treden van ons. Zij grazen daar op
het weinigje gras, dat er tusschen de steenen schuilt. Plotseling zakt
er een ter aarde, zonder een geluid te geven. Hij ligt zwaar gewond op
den grond. Een tweede wordt in het been getroffen en loopt er hinkende
rond. Een derde krijgt een heupschot. Een vierde wordt in den rug door
een bomscherf getroffen. Sommige wonden zijn onzichtbaar, anderen
gapend, bloedig, afgrijselijk. De overblijvenden grazen onverschillig
voort.
Al rondziende, wordt het mij duidelijk, dat bijna al de bommen te hoog
gaan, om ons te kwetsen. Vandaar dat er zoo veel paarden daaronder
getroffen worden. Er is veel troost in deze ontdekking en de moed stijgt
wat hooger—of liever, de vrees vermindert nog wat. Ja, dat 's beter
uitgedrukt. Lezer, vrees en moed zijn, voor de meeste menschen, zeer
dicht bij elkander. Ze zijn de twee zijden van hetzelfde muntstuk, of,
beter gezegd, de lagere en hoogere sporten van dezelfde ladder. Frederik
de Groote vluchtte van zijn eerste slagveld! Daar stond hij op de
laagste sport, die een soldaat kan bereiken. Langzamerhand echter werd
hij _le plus brave des braves_ van zijn tijd. Daar bereikte hij de
hoogste sport van de ladder. Geduld, vriend, bijt maar gedurig op je
onderlip, houdt je hoogmoed met beide handen vast, en gebruik je gezond
verstand onder alle omstandigheden in een gevecht en eindelijk wordt ge
een held, al begint ge ze als een lafaard.
Dien dag, den eersten dag van dien aard voor mij, bracht ik het echter
niet heel ver op de ladder. Toch won ik een paar sporten, Gode zij dank!
alhoewel ik mij schaam, dat ik het niet verder bracht.
Langzamerhand beginnen wij wat moed te scheppen en rond te zien, maar
geen woord wordt er gewisseld. Toen bekroop mij de begeerte om een
gesprekje te voeren. Het was niet juist een begeerte, maar ik wilde
zien, of het mij en anderen niet mogelijk in onzen benarden toestand kon
helpen.
»Kerels!”—riep ik uit, »waarom houdt jullie de oogen dicht? Hoe rekent
jullie, als die Engelschen ons hier stormloopen?” Die de oogen open
hebben lachen—niet luid, maar zacht en ik vat moed. Alle beetjes
helpen! Het geluid van mijne stem heeft mij ook goed gedaan. Als ik
toch maar voor ééne minuut dat oorverdoovend gedruisch kon vergeten en
de altoos tegenwoordige vrees voor een plotseling en akelig uiteinde
hier op den heuvel kan overwinnen! Neen! daar valt niet aan te denken.
Als wij eens zelf aan 't schieten konden gaan met onze Mausers, dan
mocht het wel gebeuren. Zoo zeggen de menschen. Ons helpt het echter
niet: wij krijgen geene kans het geweer te gebruiken. Als schapen worden
wij ter slachting geleid, zonder een geluid te kunnen geven.
»Dominé!”—begon ik weêr. Er lag een vriend van mij, die predikant was,
ook bij ons; hij had hoofd en schouders onder een groote klip gestoken.
Gelukkige man! ik benijdde hem die lekkere klip. Maar _onder ons_,
lezer!—wat ziet hij er toch aardig uit, met zijn »achterkant” omhoog!
»Dominé! Hoe gaat het?”
»Né, goed!”—was het diep antwoord van onder de klip.
»Het gaat maar zwaar om onder _zulke_ omstandigheden het geloof te
behouden, nê?”
Stilte. Een paar kerels kijken mij echter aan, en knipoogen ondeugend.
Wij gaan vooruit, hoor? Het begint te beteren. Als dit ellendige geraas
toch maar wil afbreken. Ach! de zee zwijgt nooit. De baren bruischen; de
golven klotsen; het dondert steeds tegen de rotsen voort. O! dat ik wéér
een man ware! Een man zonder vrees! Een man, die den dood kalm in 't
aangezicht staart en zelfs uittart: Bah! hoe koezen wij hier achter de
klippen. Hoe zwak en ellendig gevoelen wij ons. Hoe laf zien wij eruit.
Sommigen hebben de oogen nog toe! Foei!
Ik begin weer!
»Dominé! Hoe gaat het?”
»Nog goed,” komt het onderaardsche geluid, te voorschijn.
»'t Is gemakkelijker om van den preekstoel te zeggen: 'menschen!
vertrouwt op God!', dan om het hier te doen, nê?” Pauze!—»Ja,
kerels!” vervolg ik, »zoo'n dag laat 'n mensch gevoelen, hoe nietig en
nietsbeteekenend hij is. Eenig oogenblik kan een granaat-kartets op ons
barsten. Eenig oogenblik! En dan?—Wel, al wat wij doen kunnen is om die
heele affaire maar aan God over te laten. Wij zijn ware nullen—pure
nullen, hoor!”
Het gesprek wil niet vlotten. De dood is te zichtbaar, te tastbaar, te
nabij ons: Wij kunnen niet praten, nog minder lachen. 't Is alsof er
begraven wordt.
Wat is dat?—Iemand steunt hier achter ons in de kraal. »Een Ier is
gewond”—zegt iemand—»wie heeft iets te drinken voor hem?” Met
blijdschap geef ik den spreker een flinken »dop” uit mijn ongerepte
veldflesch voor den Ier! Gelukkig is de wond niet gevaarlijk—slechts
eene wond in de hand—en wij hooren den Ier niet meer kreunen.
Het gevaar komt al nader. De Ier is binnen in het kraaltje, waartegen
wij aanleunen. Nu komt er weêr een kogel uit een granaat-kartets tegen
mijn zijmaat aangevlogen. Zijn linkerbeen is vast tegen mijn rechterheup
geperst. »Eina!” schreeuwt hij, terwijl hij de hand op het been legt.
Hij is doodelijk verschrikt, maar vindt spoedig uit, dat de kracht van
den kogel reeds verspild was, toen hij er door getroffen werd. Ik raap
den kogel op en geef hem dien, met een gevoel van verlichting. Het kon
zoo anders zijn geweest!
Het vijandig vuur neemt erg toe. Het wordt hier, waar wij zijn, bepaald
gevaarlijk. Een ernstig gevoel maakt zich van mij meester. Ik gevoel mij
als een populier blad, trillend in den wind, elk oogenblik in gevaar om
weggerukt te worden van den boom des levens. Ai mij! Wat is de mensch
met al zijn hoogmoed en idealen toch klein! Zijn leven hangt aan een
draad. Hij is niets! »We are such stuff; as dreams are made of”.
Intusschen was er een nieuw geluid op onze ooren gevallen. De lezer moet
weten, dat het nog vroeg in den morgen is—geen uur na het eerste schot
viel. Een uur geeft soms een leeftijd van indrukken en sensatie. Daar,
rechts van ons, heel ver, wordt er met het geweer geschoten! Wat mocht
dit beduiden? Wij, kunnen geen enkel mensch zien—'t is goed twee mijlen
van hier—en ook is het vechtterrein (Nicholson's Nek: Klein Majuba)
niet van hier goed zichtbaar. Hoort!
Têk—têk—têk.... têk—têk.... têk—têk—têk—têk—têk—têk—têk
_ad infinitum_. Het geluid is zeer gemakkelijk van alle anderen te
onderscheiden, behalve van Maximschoten. Soms knallen er eene reeks
geweerschoten zóó snel op elkaar volgend, dat men in twijfel verkeert,
of ze wel door geweer of maxim veroorzaakt zijn—wij bedoelen natuurlijk
de hand-maxims, die Lee-Metford-, of Martini Henri-, of Mauser-patronen
uitbraken—bij de el.
De tongen beginnen eindelijk los te gaan. Wij wisselen gedachten omtrent
de beteekenis van dat schieten. Een ding is ons duidelijk: het gevecht
komt niet nader, daar er geen helder, fijn, »ping-ping” geluid de
lucht doorklieft. De kogels komen dus niet _naar_ ons toe, maar men
is aan 't vechten ergens achter de heuvelen, waar de Pretorianen
en Vrijstaters zich bevinden. Vooreerst zijn wij er buiten. Later,
natuurlijk, kan de aanval ook tot ons naderen. Wij turen door onze
kijkers, maar 't is te vergeefs. Er is niets te zien—dank zij den
uitvinder van rookeloos kruit! Arme oorlogscorrespondenten! Arme
photografen! Arme kunstschilders! Arme schrijvers! Prenten zonder
rook!—verbeeld u reis!—Het ergste van al is nog dit: dat van de
Britsche zijde gezien, er nog al wat rook soms te teekenen valt. Onze
Long Toms, bijvoorbeeld, maken niet slechts een vuur-, maar ook een
rook-kolom van enorme proporties. De Vrijstaatsche Krupps en Armstrongs
gebruiken ook het ouderwetsche, donkere, rookende kruit. Welk eene kans
voor mijne _confrères_ thans in Ladysmith! Hoe dankbaar is een George
W. Steevens, bijvoorbeeld, voor ons rookgevende kanonnen en Martini
Henri's! De talentvolle man moest echter de totale mislukking van dezen
dag met bitterheid des geestes aanschouwen, en later te Ladysmith aan de
koorts bezwijken.
De onzekerheid omtrent wat er achter en voor ons gebeurt, is zeer
onaangenaam, maar onze schuilplaats willen wij niet uit eigene beweging
verlaten. Het artilleriegevecht breekt nimmer af, noch van onze, noch
van Britsche zijde. Om de vijf minuten brult onze Long Tom met een
geweldige dreuning. Zijne bommen zijn op de stad gericht. Zij moeten
ontsteltenis en vrees te weeg brengen, den vijand demoraliseeren en
verwarren. Als een diepe diapasons-pedaalklank trilt zijne stem door
het kanonorkest duidelijk boven alle andere vuurmonden hoorbaar. Als
een verre donderslag ploffen zijne zware bommen in de stad neder. Aan
de beangste vrouwen en kinderen, de zieken en gewonden, de stervenden
(waaronder Generaal Kock) denken wij vandaag niet. Er wordt thans
gevochten! Têk—têk—têk—têk—têk.... têk—têk! (rechts)—Boem—m—m—
Whirr-r-r-r-r-r—Sh—s-s-s-s-shut—tjing—ng-ng—phut—kraak—phiz—
pâks—pocks—plof (boven en achter, op zijde en voor u)! Inspanning
genoeg voor alle zintuigen, niet waar?
't Wordt half acht. De hitte brandt sterker en sterker. 't Gaat een
schroeiende zomerdag worden. En daarbij geen ontbijt, geen koffie,
niets—dat's te erg. Ik deel een paar klinkers uit mijn zak aan eenigen,
die dichtbij zijn, uit. Dat helpt ook. De andere kerels hadden niets bij
zich. Wij zijn nog maar jong op 't gebied van oorlogvoeren.
»Wat is dat?”—roept iemand luide uit. »Daar op dien berg voor ons?”
Wij kijken, en ziet! waarlijk, daar daalt een lange, donkere streep
ruiters langzaam den berg af. Zij komen in onze richting! De zon schijnt
op hen en we zien lichtflikkeringen nu en dan, die ons aan Lanciers doen
denken. Na Elandslaagte hadden wij een groote vrees voor die kerels.
Heeft de vijand misschien onzen rechtervleugel teruggeslagen? Rijdt
hij mogelijk heelemaal om onze stellingen? Gaan die mannen ons in
den rug aantasten? De heuvel, of liever berg, waarlangs zij afdalen,
is ongeveer twee mijlen van hier in een noordoostelijke richting,
schijnt het. Wij hebben geene commando's daar, zoover wij weten! Wat
kan het toch beduiden? Voor het oogenblik vergeten wij de bomscherven en
kartetsmuziek. Aller aandacht is op dien berg gevestigd. Elke veldkijker
staart die paardenruiters aan. De spanning is groot, want 't is geen
kleinigheid, om van achteren nu ook te worden bestookt. De aanval, van
voren komend, is erg genoeg voor vleesch en bloed.
»'t Zijn _onze_ menschen!” zegt er een eindelijk, die een eersteklas
»Zeiss”-veldkijker had. »Kijk, zij draaien rechts! Zij gaan onze
menschen helpen, die met klein-geweers vechten!”
En zoo bleek het ook later: het waren de Johannesburgers onder
Commandant van Dam, de reservecolonne door Generaal Joubert vroeg dien
morgen reeds op dien hoogen heuvel gestationeerd, om, desvereischt, op
eenige punt in de vechtlinie te kunnen toeschieten. De blinkende
voorwerpen waren de tinnen bekertjes, die de Boeren aan hun zadels
vastgemaakt hadden, om water meê te scheppen. Van zijn hoog standpunt
kon Commandant van Dam precies weten, van welke zijde hij den vijand
bij Nicholson's Nek moest bekruipen. Het duurde ook niet lang, of het
têk-têk-têk der Mausers steeg in kracht en geweld, totdat wij niets
dan Maxims meenden te hooren: têk-têk-têk-têk-têk-têk-têk-têk-têk —
têk-têk-têk-têk-têk-têk-têk-têk-têk-têk-têk-têk-têk-têk-têk! Ai mij!
dat was muziek voor onze bekommerde harten! 't Geleek precies op een
aanhoudend getimmer van duizenden hamers op honderden ijzeren daken,
gedragen door de diepe zee-bas der kanonnen. Mij dacht, de oude Thôr
was weer op aarde bezig met zijn geduchten hamer te spelen. 't Was een
concert, den Heidenschen God waardig.
Plotseling werd ik weer aan ons persoonlijk gevaar herinnerd door een
groot stuk ijzer, een stuk van een bom, dat met een gonzend geluid geen
duim van mijn rechtervoet ter aarde viel. Een koude rilling voer mij
door de leden. Dat was een nauwe ontkoming, hoor. Bijna een voet kwijt!
Dat ijzer moet bewaard worden, ter herinnering aan dezen dag—als ik
er door kom. Wanneer komt er een einde aan het onnatuurlijk gedonder
en getimmer, getjingel en gesis, gefluit en gekras? Wij worden al
meer gedemoraliseerd en gedegradeerd en verwijfd—hoe langer wij hier
blijven.
Wat te doen? Schieten kunnen en mogen wij niet. Dezen heuvel verlaten?
dat durven wij ook niet: èn onze plicht èn ons zelfbehoud roepen ons
toe: »hier blijven!” Hier zijn wij gesteld, om een mogelijken aanval
op ons geschut af te slaan. Gaan wij van hier weg, worden wij best
mogelijk, zoo als gindsche rossen, ter aarde geworpen. Zoo gaan er uren
van zenuwachtige opgewondenheid voorbij, zonder dat wij iets te doen, of
te eten, of te drinken krijgen.
Eindelijk komt er eene gelegenheid voor ons, om iets te doen. Zoo wat
11 uur verschijnt er een jonge artillerist op het tooneel. Hij was een
opgeschoten jongen van zoo wat 17 jaar. Hij kwam uit de richting van de
holte (achter de kanonnen op den heuveltop) aanrennen, en, ons ziende,
riep hij:—
»Burgers! Komt en helpt ons om ammunitie voor de kanonnen op te dragen.
Gauw! Gauw!”
De Hemel helpe ons! Bommen die helling opdragen? Zware granaten die
hoogte uit torschen? Recht tegen de Engelsche bommen in loopen?
_Woep_—scheren zij daar over onze kanonnen en den heuvelrand elke
seconde. _Paf_—plompen zij daar rondom u neêr. Ik wist er alles van,
doordien ik vroeg dien morgen daar verdwaald raakte.
»Loop slaap! Jongen!”—schreeuwt er een van ons. »Go to
Jericho”—mompelt een andere. Niemand verroert zich.
Hoe kalm en rechtop staat zoo'n jongen toch. Waar komt hij eraan? Hij
vreest geen bom of kogel, hoor! 't Is een flinke rakker. Hij wenkt ons
met de hand:
»Komt! Kerels. Daar is hulp noodig! Die ammunitie is op daar bô bij die
kanonne. Die burgers moet kom help!”
Door bloote schaamte gedreven, spring ik op. »Volgt mij! Burgers!”—roep
ik uit: »Komt, laat ons gaan helpen.”
Geen vin verroert zich.
Ik sta nog over eind, maar met vreeze en beving. Mijn hart zit me in de
keel, hoor!
»Komt dan! Broers! Komt gaat saam met die kerel.”—Probeer ik nog eens.
Twee man springen op. Daar staan wij nu met ons drieën, elkander
aantekijken, en vooral onze vrienden, die blijven liggen, aanstarend.
»Komt! Laat ons gaan!”—roepen wij nog eens uit. 't Is te vergeefs. Zij
zijn vastgenageld aan den grond, vastgelijmd aan de steenen.
De andere twee zonken ook spoedig weer neêr, en een hunner bromt:—»Ons
is te min om iets uitterichten; als jullie kerels niet gaat, dan ga ik
ook niet.”
Daar sta ik den jongen held aantekijken, die zoo wat dertig treden van
ons af is, besluiteloos, weifelend, zwak. De moed zijpelt me door de
hand- en voet-vingers heen! Ik gevoel mij als door een magneet ter aarde
getrokken, want het raast en krast, bonst en sist, kraakt en gonst maar
altijd door. Het gevaar is verdriedubbeld, als men zoo staan blijft.
Een blik op den jongen Transvaler redt mij. De hoogmoed komt mij ter
hulpe. Weêr gaan liggen? Neen, waarachtig niet..... voor het aangezicht
van dien kleinen jongen. Die schande is te groot. Ik stap recht op naar
hem af, en daar staan wij de kerels toe te schreeuwen, om ons te volgen.
Paf!—hier bij ons valt er een bom! Kraak!—vlak boven ons breekt er
een granaat-kartets. Plof!—wij springen beide op zij. Ik tuimel op den
grond, terwijl de vuureter een kalmen glimlach plooit. Nog niet gewond!
Dat 's goed—maar.... bommen dragen in een bom-regen? Onmogelijk! Dat
niet!
Terug dan?—Nimmer. Een idée schiet mij te binnen. Ik had terloops
vernomen, dat Veldkornet Breijtenbach van Ermelo »om den draai” van den
heuvel, niet ver van ons met zijne manschappen was.
»Kom! Ik zal jou naar een Veldkornet brengen.”—Daarop loop ik snel den
hoek om, door den Artillerist gevolgd. Allerlei capriolen worden door
mij op weg uitgevoerd, maar de jonge snuiter stapt maar even koel en
kalm door alle gevaren heen. Zoo zijn onze jonge Artilleristen.
»Daar 's de Veldkornet!”—wijs ik hem aan.... en verdwijn te met van
het verschrikkelijk terrein eens en voor altijd. Ik loop den heuvel af
naar een punt, alwaar ik een klomp burgers in der haast had opgemerkt.
Zij waren daar op een kleine verheffing—een lager terras, deel van
Pepworth's heuvel uitmakend—bij een muurtje van steenen bijeen, _buiten
de lijn van het kanonvuur_.
Daar vond ik mijn vriend, ex-Commandant Smuts van Ermelo en vele andere
vrienden. Wij hadden een prachtig uitzicht in volmaakte veiligheid
op het slagveld. Onze kanonnen waren links, ver boven ons hoofd—de
Engelschen vuurden slechts op de kanonnen—vandaar onze gerustheid te
midden van den kogelstorm. Wij waren als 't ware in de holligheid onder
en achter een Niagara-Waterval verscholen. Heerlijke rust, verademing,
verlossing van doodsgevaar! Hoe heb ik de uren, welke ik daar mocht
doorbrengen, eer de slag was afgeloopen, genoten! Op den muur staande,
met mijn verrekijker voor de oogen, trachtte ik uittevorschen wat er
gaande was.
Daar onder de doornboomen zie ik de zwarte strepen, die geregeld bliksem
uitschieten. Dat zijn de achttien Engelsche veld-kanonnen, die het ons
zoo warm op Pepworth's heuvel maakten. Geen rook, slechts vuurtongen
zijn er zichtbaar. En dan het gefluit en geklap, gekraak en gejank in
de lucht of tegen den heuvel aan. Onze Artilleristen hadden het bitter
zwaar dien dag, maar zij gedroegen zich als mannen. Rechts, verreweg,
ratelden de Lee Metfords en Mausers onafgebroken voort, te Nicholson's
Nek en op de »Kleine Majuba”. Noch ruiterij, noch voetvolk kon ik in 't
begin ontwaren; slechts kanonvuur links, slechts geweervuur rechts. Hoog
boven de stad hing er een _balon-captif_, onbeweeglijk, geheimzinnig,
spookachtig, met een kleine parachute eronder aan vastgehecht. Het ding
deed denken aan een groot, allesdoordringend oog, dat bezig is al onze
posities, plannen en toestanden uittevinden.
Mijne medeburgers roepen mij toe, van den muur aftestijgen, om de
aandacht niet op ons trekken, maar ik heb te weinig gezien (en te veel
gevoeld) dien morgen. Thans wil ik zien, wat er te zien valt. Hitte,
dorst, hoofdpijn, honger—alles is vergeten, terwijl ik als van den
veiligen lichttoren van een lichthuis den onstuimigen oceaan gadesla.
't Is bij twaalven. Er zijn donkere massa's zich in de richting van
Generaal Meijer's posities bewegende. 't Is zoo ver, dat ik slechts met
moeite kan uitmaken, wat er gaande is. Het zijn ruiters en ook kanonnen.
Zij zijn van het Engelsche centrum, naar het schijnt, daarheen gezonden.
Een goed teeken! Zijn Meijer's mannen te sterk voor hun rechtervleugel?
Wie weet? Zij gaan hun rechtervleugel versterken, lijkt het. Bij
Jupiter! Hoe slaan de stofwolkjes tusschen hunne gelederen op! En boven
hun hoofd zijn er kleine, ronde, witte wolkjes. Ha! Majoor Wolmarans is
aan 't woord. Hij neemt wraak voor Talana Kop. »Go it, old chap!” Nog
eens: »druk op, kerel! Kap hullie om!” Snel rukken de kanonnen vooruit.
Dikker worden de stofwolkjes en veelvuldiger de cirkeltjes in de lucht.
»Tast toe! Majoor! Tast toe!”
»Hoera! Zij komen weer terug! De poging is verijdeld. De aanval is
teruggeslagen. Zie! de paardenruiters gaan in vollen galop in de
richting van Ladysmith.” Duidelijk zien wij nu de lange rijen ruiters.
Zij zijn verslagen! Zij nemen de wijk!
»Maar wat is dat ding, daar in den weg achtergelaten?”—'t Zijn
affuiten, met kanonnen en al natuurlijk. De vluchtenden lieten ze
achter. De kanonpaarden zijn gewis doodgeschoten. Dat's weer buit voor
ons.
Neen! niet zoo gauw. Een klein klompje ruiters jaagt terug. Zij gaan het
stuk halen! Bravo! Zij pakken het beet. De paarden zijn voorgehaakt....
hier komen zij met het kanon aan.... onder een regen van bommen en
kogels. Bravo! Daar hebben zij eer van!
Toen kwam het laatste tooneel. Als door een tooverslag was de vlakte
daar dicht bij de Engelsche batterijen met voetvolk besprenkeld. Waar
kwamen zij vandaan? Mogelijk lagen zij verscholen achter een heuveltje,
of onder de boomen, klaar om Pepworth's heuvel te bestormen. Mogelijk
hadden zij zich reeds vroeg in den slag uitgeput in den mislukten aanval
op Generaal Burgers' positie. Later vernam ik, dat onze menschen het
daar in ons centrum voor een korten tijd zeer zwaar hadden en hun
voorste positie moesten opgeven. De Howitzers en Krupps deden, echter,
van twee kanten zulk goed werk, dat het Engelsche centrum geene
vordering kon maken. De Engelsche rechtervleugel kreeg het nog heeter.
Van heuvel tot heuvel dreef Generaal Meijer's mannen ze dien morgen
terug, totdat zij Lombard's Kop en Gun Hill en Bulwana zelfs opgaven—en
naar Ladysmith vluchtten. Ook daar deden onze kanonnen prachtig werk;
terwijl de burgers er ook uitmuntend de kopjes bestormden.
Thans zag ik het voetvolk hard loopen. _Sauve qui peut_ scheen nu de
orde van den dag. Zij waren niet in gelid, of bij hoopen te zien.
Gescheiden, apart, elk voor zich zelf, renden zij daar over het plein.
Er moet een paniek daar onder hen zijn, te oordeelen uit de verwarring
die er heerscht. Zij dwalen rond als schapen zonder een herder.
Pom—pom.... pom—pom—pom.... pom—pom—pom—pom—pom—pom—pom! Voor
het eerst in Natal wordt ons groote Maxim van Pepworth's heuvel gehoord.
't Is een onvergetelijk oogenblik. Het ding kraakt geweldig hard en
draait er 2 lb. kogels los bij de honderd in minder dan eene minuut.
Zijn bommetjes kan hij 4,500 yards ver schieten! 't Is een monster, dat
den Engelschen groote vrees inboezemt, en de _chaos_ in het plein zoo
mogelijk verergert. Overal waar de soldaten loopen slaan er kleine
stofvlekken uit den grond op. De aarde is gestippeld met die vale
plekjes—zoo dik valt de Pom—Pom-regen. Foei! die kerels rekken d'r
beenen. Men zou zweren, dat er een groote picnic-partij door een
hagelstorm verrast werd!
Intusschen zijn onze andere kanonnen niet stil. Zij donderen voort,
kwaadaardiger dan immer. Maar de Engelsche batterijen gedragen zich ook
flink. Zij moeten den aftocht van het leger dekken, en ik moet erkennen
dat zij vuur en ijzer, lood en staal spuwen tot het laatste toe. Meer
dan een onzer stukken krijgt het zoo heet, dat het voor een tijdje moet
zwijgen. Long Tom acht »voorzichtigheid de moeder van de porseleinkast”,
en blijft liever voor eene wijle dood stil achter zijn fort gedoken.
Terwijl de eene batterij de paarden voorhaakt en in vollen galop
terugvliegt, schieten de overigen uit alle macht. Zoo retireeren zij
batterij na batterij, elkander ondersteunende totdat allen buiten
onze gezichteinder zijn. Lang voor dit geschied is echter, zijn de
voetgangers, die er heelhuids van door gekomen zijn, ook achter de
heuveltjes die rondom de stad zijn, verdwenen. Weldra is er slechts
een groote, lange, roode stofwolk in de richting van Ladysmith zich
uitspreidend, die ons ten teeken dient, dat Sir George White te
Modderspruit totaal verslagen is.
Nog erger ging het hem bij Nicholson's Nek. Daar gingen Majoor
Carleton's 1200 man in den nacht op een hoogen heuvel schuiling zoeken,
om den volgenden morgen door de Heilbronners en een paar dozijn
Kroonstadters van de westzijde, en later door de Johannesburgsche
Politie van de noord- en oostzijde te worden bestormd. Tegen het einde
hadden de Pretorianen ook eene kans om wat »meêtespreken.” _Enfin_,
na een hardnekkig gevecht en zware verliezen, gaven de Gloucesters
en Dublin Fusiliers zich tegen één uur over. Aldus vielen er over de
duizend prisoniers en eenige veldkanonnen en hand-maxims in onze handen.
Daar deze de eerste _groote_ slag was, door de Boeren gewonnen, heeft
hij een geweldigen indruk op geheel de beschaafde wereld gemaakt, en mag
men wel op Pepworth's Heuvel de fiere woorden van den grooten Emerson
toepassen:—
_Here once the embattled farmers stood,
And fired the shot, heard round the world._