In de voorgaande hoofdstukken hebben wij gezien, hoe zwaar de moed en
het _moraal_ onzer burgers in Natal gedurende de eerste weken van den
oorlog op de proef gesteld werden.
Bij Dundee moest Generaal Meijer onverrichterzake het slagveld ruimen
en tot over de Natalsche grenzen de wijk nemen. Er werd wel een maxim
van de Engelsche ruiterij afgenomen en een groote slachting onder
het Britsche voetvolk te weeg gebracht, maar de uitslag was erg
teleurstellend en ontmoedigend op de burgers, en velen vertrokken zonder
verlof naar hunne woningen. De val van Dundee gaf wel wat verademing,
maar de veilige terugtocht van Generaal Yule bedierf de vreugde geheel
en al. Op het _moraal_, den _geest_ onzer menschen had dat feit dus geen
invloed van eenige beteekenis. Toen kwam de onvergetelijke nederlaag
te Elandslaagte als een donderslag bij klaren hemel op de burgers af.
Zij wisten niet anders, dan dat het zeer goed met Generaal Kock en
Commandant Ben Viljoen ergens in de Biggarsbergen ging. Zoowat 800 vette
beesten waren er te Waschbank-station met trein en al op den 19den
gebuit en het spoor was later met succes te Elandslaagte opgebroken.
Alles scheen dus goed te gaan met de voortvarende en ambitieuze
commando's onder Generaal Kock. En toen?—Elandslaagte! »Een totale
nederlaag, zoo groot als nog nooit door het Afrikaansche volk geleden
is”—om de eigen woorden van Generaal Joubert te bezigen.
Daarbij kwam nog dit, dat wij van de Vrijstaters niets hoorden.
Hoofd-Commandant Marthinus Prinsloo moest van de Drakensberg-Passen op
Ladysmith afzakken, den spoorweg van Harrismith naar gemelde stad in
handen krijgen, met onze commando's aansluiten en vooral de Britsche
connectie per spoor met het zuiden afbreken. Langzaam, uiterst langzaam
werd met dat werk gevorderd. De lijn naar Pietermaritzburg bleef
onaangeroerd en de verbintenis met onze commando's vond niet plaats.
Generaal Joubert begon zeer onrustig te worden. In plaats van de
Engelschen zuidwaarts te drijven, vreesde hij het tegenovergestelde.
»Als de Vrijstaters niet beter helpen,” telegrafeerde hij in die
angstige dagen, »zal mijne positie onhoudbaar worden!” Hij dacht, dat
er mogelijk een groote aanval van uit Ladysmith op ons werd voorbereid.
Plotseling, echter, brak het licht door de wolken heen. De romantische
rit vergewisde ons èn van de nabijheid èn van het schitterend succes der
Vrijstaters in hun eerste treffen van beteekenis met den vijand. De slag
van Elandslaagte had ze wakker geschud daar boven bij Bestersstation
op de Harrismithlijn. Een commando van 900 man met één kanon werd in
allerijl van daar naar de Zondagsriviervallei gezonden. Voorzichtiger
dan de Johannesburgers, de Hollanders en Duitschers, namen zij een
sterke positie in op eenige hooge heuvelen, op de plaats Rietfontein,
ten noordoosten van Ladysmith, alwaar Sir George White ze aanviel, maar
met groot verlies werd teruggeslagen.
Dat gebeurde op Dinsdag den 24sten October—een dag, die met helder
rood in de geschiedrollen van den Oranje Vrijstaat dient gemerkt
te worden—een dag, die veel invloed op het _moraal_ onzer burgers
uitoefende—de dag, waarop het licht door de donkere wolken begon door
te breken.
Ladysmith is ongeveer 18 mijl van Elandslaagte verwijderd, zooals de
spoorweg gaat. Een weinig meer dan halfweg van laatstgenoemde plaats
naar Ladysmith, op de rechterhand van het wagenpad naar het zuiden, is
het land zeer bergachtig. Terrasgewijze stijgen de heuvelen al hooger
en hooger, totdat zij zich in de hooge Drakensbergen en Biggarsbergen
verliezen. Daar nu, op een van die heuvelen, of liever, op eene
heuvelen-groep, nestelden de Vrijstaters zich zóó vast, dat Sir George
ze niet kon uithalen. Daar ontvingen onze dappere wapenbroeders hun
vuurdoop. Daar stonden zij de proef flink door en wonnen zij hunne
sporen.
Op Donderdag 26 October kwam de hoofdmacht der Transvalers van het
Noorden langs den weg van Elandslaagte naar Ladysmith aangereden, en
waar de weg tegenover Zwartbooi's Kop op Tinta Inyoni (den hoogsten top
der Vrijstaatsche stelling) komt, vond de lang verbeide verbintenis
tusschen de federale machten plaats. Vroolijk mengde de zijstroom zich
met de groote rivier! Groot en algemeen was de vreugde onder de burgers
dien dag.
Ik had het voorrecht tegenwoordig te zijn toen Vecht-Generaal Andries
Cronjé onze hoofdofficieren de hand drukte. Ook hoorde ik hem vertellen,
hoe zij van 8 uur v.m. tot 4 uur n.m. door voetvolk en ruiterij werden
bestookt, door drie batterijen en vele maxims gesteund—hoe flink de
burgers zich onder het hevig kanonvuur gedroegen—hoe de herhaalde
aanvallen van den vijand werden teruggeslagen. Het Vrijstaatsche kanon,
(een Krupp) kon slechts nu en dan zijne tanden wijzen en blaffen,
daar het vijandig vuur te hevig daarop neerstortte. Van tijd tot tijd
verdween het dan ook geheel en al van het tooneel, om weer onverwachts,
als er een kans was, vooruit te schieten en een schot of wat te lossen.
Er waren acht burgers in den slag gevallen, zes zwaar en zestien licht
gewond; maar dat belette ons niet met stralende aangezichten elkander
aan te zien en de hand te schudden. De gesneuvelden worden heel
gemakkelijk door de vechtende burgers vergeten, zoo lang als er nog
gevochten moet worden. Het hart wordt door het vechten en het gedurig
zien van menschenbloed verhard. De hoofdgedachte dien dag was deze:
Indien de Vrijstaters alleen, met een enkel kanon, _dat_ konden doen,
dan moeten onze vereenigde machten wonderen kunnen verrichten! Alzoo
werd de geestdrift van Zandspruit in ons herboren; alzoo kwam ons oud
vertrouwen weer terug; alzoo werd de geest en het _moraal_ en de moed
onzer burgers hersteld.
Dienzelfden namiddag besteeg ik, in 't gezelschap van den
Staatsprocureur, den hoogen bergtop, vanwaar men een heerlijk uitzicht
had op het slagveld van _Rietfontein_—aldus genaamd naar den naam
der boerenplaats, waarop er gevochten werd—eenerzijds en dat van
Elandslaagte anderzijds. Vroolijk en opgewekt gevoelden wij ons op de
hoogte; terneergedrukt en verontmoedigd waren wij in gindsche laagte:
een waar symbool van onze lotgevallen, ja van 's menschen leven ten
allen tijde—
_A double picture with its gloom and glow,
The splendour overhead, the death below._
(LONGFELLOW)
Maar ik moet u voorstellen, lezer, aan twee mannen daar bij Generaal
Cronjé. Ik bedoel de twee broeders de Wet. De man, die uw aandacht het
meest trekt en 't oog terstond boeit, is bepaald de jongere broeder:
Piet de Wet. Hij is ruim zes voet drie duim hoog, zou ik schatten—een
ware Saul onder de burgers. Een Saul ook hierin: dat hij een van de
schoonste boeren is, die ik ooit gezien heb. Zijn gelaatstrekken
zijn regelmatig, eer dan sterk geteekend. Hij is bijzonder blond
van huid voor een Afrikaander. Zijn blauwe oogen, lichtgeel haar en
blozende wangen herinneren aan Noord-Europeesche stamvaders. Zijn
gestalte is prachtig, doch mogelijk een weinig te gezet voor groote
krachtsinspanning en bewegelijkheid. Verwacht in hem echter niets
van het oude Berserk-karakter der Noormannen van vroegere eeuwen.
Zijn geheele wezen verkondigt zachtheid, teederheid, gevoeligheid,
hartelijkheid en sympathie. Zijn mond is ietwat zwak en onstandvastig.
Hij is een man om te beminnen en om bemind te worden—een man, die geen
vrees inboezemt, maar het harte steelt. Als eenvoudige burger ging
hij ten strijde, om eerlang tot veldkornet verkozen te worden, en te
Rietfontein was hij reeds ageerend-Commandant der Bethlehemmers. Later
werd hij tot nog hoogeren rang bij Colesberg verheven, en hij heeft goed
werk daar, te Sanna's Post, te Dewetsdorp en elders verricht.
Maar let wel op dien korten, breed geschouderden, sterk gespierden,
donker gekleurden ouderen broeder, Christiaan de Wet. Hij is hoegenaamd
niet iemand, die terstond in 't oog valt. Schoon kan hij niet genoemd
worden. Hij is bruin van huid; zijne oogen zijn klein en zwart; er
speelt een embryonisch lachje op zijn welsprekenden mond. De mond treft,
als gij hem eerst goed in acht neemt. Er is kracht en zelfbeheersching
in de rechte lijn der lippen; er sluimert humor in dat lachje. In deze
doet hij aan President Kruger denken. Dan de kin! Die is prominent
breed, krachtig. Er is beslistheid, standvastigheid, individualiteit in
zijne ferme kin en massieve jukbeenderen. Als hij den mond open doet,
hoort gij terstond dat hij lispelt. Zijne stem is echter zacht en zoet;
en hij sprak vloeiend en aangenaam. Ontbloot hij zijn hoofd, dan treft
u zijn breed, hoog voorhoofd, door diep gepeins geploegd. Zijn hoofd
is bijzonder groot in vergelijking met zijn kort lichaam. Hij is zeer
kalm, bescheiden, natuurlijk in zijn voorkomen en houding; maar als hij
zijn oordeel over iets geeft, gevoelt men terstond, dat er overtuiging
en zelfvertrouwen in den man zetelen. Als hij van u wegstapt, bemerkt
gij dat de man van ijzer en staal gemaakt is: sterk gebouwd, en tegelijk
elastiek, snel, vurig. Hij heeft de kracht en de veerkracht van een
zwaardvechter uit de oude Romeinsche tijden. Onbekende talenten
sluimeren er in dien onaanzienlijken, korten man; hij is verordineerd,
om al de andere officieren, daar tegenwoordig, verre te overtreffen.
Hij begon den oorlog als Veldkornet der Heilbronners en was ageerend
Commandant te Rietfontein. Later zien wij hem weer en hooren wij veel
van hem.
Het contrast tusschen de twee broeders de Wet doet denken aan de schoone
beschrijving van Miles Standish en diens vriend, John Alden in een
gedicht van Longfellow:
_Short of stature he was, but strongly built and athletic,
Broad in the shoulders, deep-chested, with muscles and sinews
of iron;
Brown as a nut was his face...._
En dan de jongere broeder Piet:
_Fair-haired, azure-eyed, with delicate Saxon complexion,
Having the dew of his youth and the beauty thereof._