't Was een treurige pelgrimstocht dien Woensdag namiddag naar de plaats,
waar vier dagen vroeger een groot lager gestaan had, vol van leven en
vreugde en hooge eerzucht—en nu? En nu? Laat ons zien, wat er nu nog te
zien is. 't Is een goed half uur wandelens van het station, zoo gaan wij
te paard—Kapitein Bleksley en ik. Wij reden over de gelijke vlakte naar
de heuvelen-groep—er zijn er zoo wat drie of vier dicht bij elkaar,
één waarvan min of meer dwars tegen over de anderen loopt—waar de
tragedie werd afgespeeld. Onverwachts komen wij op een lijk af, zoo
wat halverwege naar den naasten heuvel. Een lijk in het open veld,
vier dagen na den slag! Wij stijgen af en doen onderzoek. 't Is een
sterk gebouwde, forsche man, blijkbaar een Duitscher, van middelbaren
leeftijd. Hij ligt op den rug en er is een kleine ronde wond recht boven
het linker oog en een tweede in het achterhoofd. De kogel trof hem
terwijl hij stond, of liep, of reed, mogelijk op weg naar de kopjes.
Maar hoe kwam hij daar, in het open veld?
Zijn linkerhand is in zijn jaszak gestoken. Wij halen haar uit en
ziet!—er is een Mauser-patroon tusschen zijn duim en voorvinger
vastgenepen! In den dood hield hij den kogel nog stijf vast. Hij was
op 't punt om zijn geweer te laden, arme man, toen de doodsengel, in
den vorm van een Lee Metford kogel, hem arresteerde.
Te vergeefs onderzoeken wij zijne kleeren en zakken voor een naam, of
eenige andere vingerwijziging omtrent zijne identiteit. Wij kunnen
slechts dit verklaren: dat hij in alle waarschijnlijkheid tot het
Duitsche Korps onder Kolonel Schiel (die ook dien dag gewond en gevangen
genomen is) behoorde. Zijne daden zoo wel als zijn naam zijn begraven
daar in het plein bij Elandslaagte, waar wij hem haastig een graf
maakten, ver, ver van zijn vaderland.
Helaas! mijn onbekende broeder! Op uw grafheuvel passen de aandoenlijke
woorden van Adelaide Proctor:
No name, to bid us know
Who rests below,
No word of death or birth,
Only the grass's wave
Over a mound of earth,
Over a nameless grave.
Met een bezwaard gemoed zetten wij onzen tocht voort naar de naaste
tent, die wij zagen. Het bleek de tent van den heer de Witt-Hamer te
zijn, een Nederlander, lid van den Tweeden Raad en Luitenant van het
Hollandercorps. Eenige enveloppen op den grond liggend droegen zijn
bekenden naam. Dicht bij de tent lagen een geelgeverfden reiskoffer,
met den naam »C. Mansvelt” in groote witte letters er op geschilderd.
Goeie deugd! Dan was mijn leerling, Cornelis, niet lang geleden hier!
Zijn vader, de Superintendent van Onderwijs der Zuid-Afrikaansche
Republiek, weet niet of zijn oudste zoon dood of levend is. Is hij
gesneuveld, of prisonier? Is hij slechts gewond, of reeds begraven?
Niemand weet. Kon de kleerenkoffer toch maar spreken over het gevecht
en het lot van zijn jongen meester!—Later kwam de blijde tijding, dat
de jongen prisonier was en in goeden welstand verkeerde.
Wij haasten ons verder, daar de regen al weer dreigt. Daar staat de
groote wagen van den Generaal, vlak onder het dwarskopje (zoo even
genoemd), en in het midden van den heuvelengroep, waar de Republikeinen
stelling namen. De twee veldkanonnen (Maxim-Nordenfeldts, 7½ cM.—van
Dr. Jameson destijds afgenomen) stonden op de dwarshoogte, niet ver van
des Generaals wagen. 't Is ons goed, te weten, dat de grijze Generaal
(een lid van den Uitvoerenden Raad nog al) als een held op zijn post
bleef, totdat zijne zware wonden hem deden neerstorten.
De strijd moet hier hevig geweest zijn, hier in de omgeving van den nu
verlaten wagen, want er zijn verscheidene lange, versche graven in den
maagdelijken bodem gedolven.
Wij zien eenige tenten op de helling van den hoogsten heuvel der groep,
niet ver van ons af, en gaan daarheen. Op weg moeten wij een diepen,
droogen sloot (donga) door en worden aan den grond genageld door wat
er te zien valt. Een twintig of dertigtal doode paarden liggen er in
den sloot op een hoop. Zij zijn daar aan elkander gekoppeld, mogelijk
door de Engelsche bommen neergeveld, die er over den dwarsheuvel
donderden; of misschien zijn zij later door de troepen daarheen gesleept
en op elkander gesmeten. Hoe het ook zij, de verscheidenheid van houding
en ligging der nobele dieren, alsmede hun wederkeerige betrekking
tot elkander, zooals zij daar opeengestapeld zijn, vormen een
onbeschrijfelijk treffend geheel. Och! dat het penseel van Potter mij
dit afgrijselijk-schoon, natuurlijk-artistiek tooneel kon afschilderen!
't Is een scène, het plastische doek van een Hogarth meer dan waardig.
Ik kan er geene woorden voor vinden. Ik werd er door tegelijk betooverd
en afgeschrokken. Trouwe, fiere, krachtige, verminkte, verwrongene,
bebloede strijdrossen. Gij vormt een passend monument van den
vreeselijken slag. 't Is mij alsof de ziel van Elandslaagte laatstleden
Zaterdag nacht tusschen deze heuvelen rondwarend, en eindelijk sidderend
in uw koude, ontzielde lichamen tot rust kwam.
Wij gaan voort zonder een woord te spreken, totdat de Kapitein een
voorwerp ziet, dat een teedere snaar in het hart doet trillen. 't Is de
tent van zijn vriend, Majoor Hall, van Johannesburg. Hij herkent haar
aan de voering van groene baai en eenige stoelen in de nabijheid. »Ik
kende hem zeer goed,” zeide hij treurig, »hij was mijn vriend. Hij viel
in den slag van laatsten Zaterdag.”
Overal op de helling van dien heuvel staan er nog tenten, en tusschen de
tenten in liggen er doode paarden bij de aschhoopen van doode vuurtjes.
Verschoten patronen, Mausers en Lee Metfords, lagen er overal rond
gestrooid. Helmen en gordels van soldaten waren er naast aan de zadels
en tooms en portmanteaux onzer menschen.
Hier vond de hardste en laatste worsteling te midden van een zwaren
donderstorm plaats. Het Engelsche voetvolk stormde hier van twee kanten
in deze kloof op, nadat de granaten en granaat-kartetsen (wie weet hoe
lang?) hier bijna alles verpletterd hadden. En toen?—Toen ontspon
zich een strijd van man tegen man, met aangezicht tegen aangezicht,
hand tegen hand, geweerkolf tegen sabel, vuist tegen lans, zoo als de
oorlog er geen tweeden heeft opgeleverd. Uit brieven van Engelsche
soldaten oordeelend moet het hier een kleine hel zijn geweest, dewijl
sommige Lanciers zich, volgens die brieven, gedroegen alsof zij op
een zwijnen-jacht uit waren, in plaats van een oorlog met Boeren
(a _boar_-hunt instead of a _Boer_-war) voerden.
Hier bezweek De Jonge (Dr. Mansvelt's Secretaris), door meer dan een
lanssteek doorboord, de liefde van velen in Zuid-Afrika, door zijne
geschriften van hem vervreemd, door zijn heldendood herwinnend.
Twee groote lange grachten zijn hier gegraven voor de vele dooden van
beide zijden. Ze zijn een paar voet van elkander verwijderd. Mogelijk
zijn de Engelsche lijken in de ééne, de Boeren lijken in de andere
geworpen. Heel waarschijnlijk echter, is er geen onderscheid gemaakt.
De dood kent geen rassenhaat. Het graf weet van geen nationaliteiten.
Vriend en vijand rusten hier dicht bij elkander. Nederlander en
Engelschman, Afrikaander, Duitscher en Schot,—allen zijn zij vereenigd
onder de haastig omgekeerde zoden.
Mijn jonge vriend, Luitenant Joubert van het Johannesburg
Vrijwilligerscorps, telg van een dapperen vader, die als
Commandant-Generaal in den laatsten Basuto-oorlog van den Vrijstaat
figureerde, ligt best mogelijk in een van die breede, groote graven
te slapen. Hij gedroeg zich gewis zijnen grijzen vader waardig. Vrede
zij zijne assche!
De beste, de edelste, de talentvolste, de onvergetelijkste van allen
echter, die te Elandslaagte sneuvelde, is Dr. Coster, Nederlander van
geboorte, advokaat te Pretoria, Staatsprocureur der Zuid-Afrikaansche
Republiek tijdens den Jameson-Inval. Ter onzaliger ure werd de
rechtschapene man beledigd door lippen, die het eene eer moesten geacht
hebben, om hem te eeren. De fiere Nederlander legde zijn ambt als
Staatsprocureur zonder een woord neêr.... zonder een woord, en _zonder
eene grieve_! _Dat_ was het zedelijke wonder, dat de kroon op zijn
grootmoedig karakter zette. Toen de oorlog ons voor de deur stond sloot
hij zich vrijwillig bij het Hollandercorps aan—en dat na hetgeen er
achter de Staatsgordijnen was gebeurd. Te Elandslaagte liet hij het
kostbaar leven voor zijn aangenomen vaderland en volk.
Zoolang er nationaliteitsgevoel in de Transvalers, de Vrijstaters en
de Hollandsche Afrikaanders blijft branden, zoo lang zal het reine
patriotisme en de ridderlijke dood van Dr. Coster, in eervolle
gedachtenis blijven voortleven. Zijn standbeeld prijkt in Nederland,
zijn graf is diep in elk edel Afrikaander hart gezonken.
This was the noblest Roman of them all,....
His life was gentle; and the elements
So mix'd in him, that Nature might stand up
And say to all the world: »This was a man”!