Een brilliante Schermutseling

Tusschen een en twee uur van dienzelfden noodlottigen Vrijdag,

21 October, waarop Generaal Meijer gedwongen werd, om tot over de

Buffel's rivier terugtetrekken, vond er een korte, maar brilliante

schermutseling plaats, die een apart hoofdstuk waardig is. Zoo wat

twee honderd Engelschen—zij waren van de King's Royal Rifles en de

18de Hussars—kwamen heel onverwachts op ons af. Zij werden tusschen

de kolenmijnen en den Impatiberg door een patrouille onder den wakkeren

Kapitein Daniël Theron (Hoofd van het Wielrijder's Corps) aangetroffen,

en, even als een lot springbokken kwamen zij wild in onze richting

aangejaagd, met Theron's patrouille op hunne hielen! Zij waren

verdwaald, dachten wij toen; maar later vernamen wij, dat zij deel

uitmaakten van een grootere macht, die Meijer's commando trachtte

omtetrekken en er deerlijk gehavend van afkwam. Mogelijk wilden zij

Dundee van 't noorden weer binnen rijden, niet wetende, dat de Boeren

reeds dien weg hadden afgesneden. Hoe het ook zij: daar komen zij aan!

Door het mistig weer is het ons in 't begin twijfelachtig, of het

Engelschen zijn. »Schiet!” schreeuwt er een, maar er wordt geen bevel

daartoe gegeven, en eer wij van onze verbazing bekomen, zwenken de

ruiters rechts en snellen zij in vollen galop naar de Imbaban bergen.

Toen volgde er een merkwaardig schouwspel. De tweehonderd man werden

in 't begin door slechts zoo wat vijftien man nagezet. De schrik was

echter zoo groot, dat zij er niet aan dachten, om hun achtervolgers te

beschieten. Zij zoeken slechts veiligheid in een haastige vlucht. Daar

snellen zij heen! 't Is een wedren zoo als ik er nog nooit een heb

bijgewoond. Zullen zij vrij komen? Het lijkt er wel naar, want zij

tellen veel meer dan hun achtervolgers en zijn ze ver vooruit.

Doch ziet! wat is er gaande aan mijn linkerhand? Veldkornet Ernst van

Ermelo is er als een pijl uit een boog met een twaalftal waaghalzen,

zoo als hij zelf is, van de Mijnen uitgeschoten. Ha! die mannen kunnen

rijden! Hun paarden zijn versch en sterk, en zij geven ze den vrijen

teugel. 't Is een »race” naar het hart van den boer, die dikwijls op

zijne plaats het gewond wild zoo achterna zet, of ook met Nieuwjaarsdag

voor de pret met zijne vrienden te paard wedijvert. Het terrein is hun

onbekend en daarbij erg gebroken en lastig, maar paard en man zijn aan

zulke dingen gewoon. Sa! mijn dappere kerels! Sa! mijn flinke jongens.

Gij wint reeds op den vijand. Jaagt, dat het zweet je aftapt, maar

breekt toch je nekken niet.

Het gelukt hun werkelijk de Engelschen ‘voortesnijden’, ze voortekeeren,

ze den aftocht onmogelijk te maken. Bravo! dat's flink gedaan. Dat

kleine klompje heeft de vliegende colonne Engelschen in de grootste

verlegenheid gebracht. Zonder eenig bevel daartoe aftewachten, zetten

zij den vijand achterna en keerden zij hem voor. Daar hebt je een van de

sterkste zijden van een Boerenmacht. De individu kan soms zoo veel doen!

Intusschen, echter, waren er honderden burgers ook te paard gestegen, om

aan de jacht deeltenemen.—Verschoon mij het gebruik van die schijnbaar

wreede uitdrukking; er is geen beter woord denkbaar voor het tooneel van

dien namiddag.—Niet slechts de Ermelo-burgers en de Ieren, maar een

aantal Pretorianen kwamen ook van den hoogen Impati aangejaagd, om hun

bloed een weinig te koelen, na het vreeselijke abuis van den morgen.

Het zijn de kleine klompjes Boeren, echter, zoo even genoemd, die de

vluchtelingen in een hoekje keerden. Ja, zij waren inderdaad in de engte

gebracht. Zij zochten schuiling, namelijk, in twee kleine huisjes en

achter eenige steenen muren van een boerenplaats. Daar sprongen zij van

hun paarden af en trachtten zij het een tijd lang uittehouden.

Langzaam en voorzichtig sluiten de burgers ze in. Zij laten hunne

paarden op een afstand achter, en kruipen nader, steeds nader, al

schuilend en schietend. Elke burger gaat zijn eigen gang, behalve waar

een veldkornet in de nabijheid is, die bevelen geeft. Bevelen zijn

trouwens ook niet noodig. De Boer is in zijn element hier. Hij heeft

scherpe, geoefende oogen; een gezond en helder verstand; een bedaard en

kalm gemoed. Zijn zenuwen plagen hem niet; hij is phlegmatisch. _La

Gloire_ heeft voor hem geene betoovering, daarom ligt hij plat op den

grond, glijdt hij op zijn buik, of koest hij achter een klip, of schuilt

hij in een sloot, al schietende en steeds schietende, zooveel als

mogelijk. Hij haast zich langzaam—want het einde is zeker, en hoe

minder offers van onzen kant, hoe beter voor ons in de toekomst.

Têk-tek-tek. Tak-tak-tak-tak-tak. Têk-tek. Zoo knallen de Mauser en

Lee Metford schoten onophoudelijk door. Het duurt ruim een uur, en de

Engelschen verdedigen zich knap. Zij houden zich goed en schieten dat

het kraakt. Hunne paarden (prachtige ingevoerde dieren) worden één voor

één getroffen, want _zij_ zoeken geene schuiling, stomme, trouwe dieren.

De positie der Engelschen is hopeloos. Toch houden zij den tegenstand

vol. Lafaards zijn zij niet. Van alle kanten worden zij nu beschoten,

en de vuurkring wordt al nauwer om hen getrokken. Daar zij zich

hardnekkiglijk verzetten en tot geen overgave komen, zendt iemand

bericht aan Kolonel Trichard, om een kanon ook eens het woord te geven.

Een ruiter komt aangevlogen naar de plaats, waar onze kanonnen zoo

nutteloos den mond houden, en schreeuwt: »Vuur! kerels—jullie moet

vuur! Daar, op die huizen. Die Engelschen zijn erin.”

Boem.... kraak! 't Is ons eerste kanonschot. Luitenant de Jager, Kolonel

Trichard's rechterhand,—verbitterd over het droevig nietsdoen van

den morgen, en waarschijnlijk al te begeerig, om toch eindelijk een

beetje meê te praten—loste dat schot, onder daverend gejuich van de

omstanders.

Boos kwam de Kolonel, die bezig was de schermutseling met zijn

verrekijker gade te slaan, naar den Luitenant, uitroepende: »Wacht! Moet

niet schieten zonder mijne orders. Jullie mag van onze menschen dooden.”

Daarin lag ongetwijfeld ook heel wat waarheid, maar de menschen

waren toen reeds overspannen over het gebeurde (en vooral over het

niet-gebeurde) van dien dag, zoo vond er een hevige ruzie tusschen een

Veldkornet en den Kolonel plaats! Voor het aangezicht en ten aanhoore

van al de burgers en artilleristen in den omtrek werd er getwist

tusschen twee officieren. Ja, sommigen van de burgers nemen van tijd

tot tijd ook deel er aan. 't Is eene verwarring als die van Babel. Wat

hebben die lui met de zaken van den Kolonel uitstaande? Hoe durven zij

zich in den twist mengen? Zijn al de burgers gelijk? Is er geen tucht,

geen discipline in een Boerenleger mogelijk? Heeft men geene vrees

voor officiers—geen eerbied voor het gezag? Is deze de noodzakelijke

_schaduw van de sterke zijde_ onzer Boeren, die wij zoo even geprezen

hebben? Is deze »de ondeugd onzer deugd” _par excellence_?.... De goede

God helpe ons om het spoedig in te zien, als het zoo is!

Wederom snelt er een ruiter in vollen galop naar de kanonnen. Er

moet een kanon naar het vechtterrein komen zegt hij. De burgers

krijgen het anders niet klaar van avond. Na een kort onderhoud met

hem geeft Kolonel Trichard bevel aan Luitenant de Jager, om met een

Krupp-snelvuurder op te rukken. Alles was in orde; de paarden stonden

klaar, tuigen en zadels waren op hun plek, en de jonge artilleristen

toonden dien dag, dat zij hun werk op meesterlijke wijze verstonden.

In eenige minuten was de affuit de hoogte af en in vollen galop ging

zij voorbij de mijnen in de richting van de boerenplaats, waar het

kogelgefluit nog onafgebroken voort ging. Een diepe drift moest men

door, en later ging het buiten den weg over heuvels en door kloven, maar

de uitgelaten Luitenant vertraagde zijn snelle vaart niet, aleer hij bij

de plaats gekomen was, waar hij zijn stuk wilde stellen.

De rest behoeft nauwelijks verhaald. De derde kogel trof het huisje dat

links stond, en de witte vlag kwam voor den dag. De Engelschen telden

12 gewonden en 4 dooden. Ruim zes maanden later ontmoette ik Kolonel

Möller, die ze dien dag aanvoerde, te Pretoria. Hij vroeg mij ernstig:

hoevelen er aan onzen kant dien namiddag getroffen waren. Ik antwoordde:

»twee, zeer licht gewond,—eene in den bovenarm, de andere in de hand.

Dat was al!” Noodeloos te zeggen, dat hij mij niet wilde gelooven, en

toch is het de eenvoudige, volle waarheid.

Daar bij den muur van het huisje, dat door den bom getroffen werd, zag

ik voor de eerste maal een gesneuvelde. Een jongeling, nog baardeloos,

lag er op zijn rug uitgestrekt, onder eene kar, waar hij schuiling had

gezocht. Eene bomscherf had ook daar haar weg tot het hart van den

jongen Engelschman gevonden. Leeft zijn vader of zijne moeder nog? Zijn

er anderen, die hem beweenen?—Het leven is wreed: de oorlog is nog

wreeder!

Op een kopje dichtbij hoorde ik eenige honderden burgers een Psalm

aanheffen en, met ontbloote hoofden in den regen staande, Gode voor de

overwinning dankend—een typisch oorlogstooneel, aan de dagen van Gustav

Adolf en die van den ouden Voortrekker Charl Cilliers herinnerend.

Daar bij het andere huis vindt er iets plaats, dat ook zeer aandoenlijk

is. Een sterke, welgebouwde boerenvrouw wordt uit het huis gebracht,

doodsbleek en bevend. Twee krachtige mannen ondersteunen haar, en

verscheidene kinderen volgen haar. Het zijn de vader en de moeder

des huizes, die met hun kinderen den heelen middag in dat huis met

eenige soldaten doorbrachten. Het dak des huizes was doorboord van

Mauserkogels, en de gewonden werden in het huis gedragen en verpleegd.

Arme vrouw! Dat alles moest zij doorstaan en aankijken. En dan—het

bombardement! Geen wonder, dat zij er als een doode uitzag. Het

oorlogsgetij was schijnbaar voorbij de »plaats” gegaan, maar onverwachts

sloegen de stormen met geweld tegen het woonhuis aan, een schok

veroorzakende, die niet licht door die familie vergeten zal worden.

Toen ik twee maanden later die plaats weer bezocht, vond ik er slechts

een paar zwarten. Het huis was gesloten en verlaten. De eigenaar

woonde op eene nabijgelegene plaats met zijne vrouw en kinderen. Zeer

waarschijnlijk was de vrouw er niet toe te bewegen, om naar haar met

bloed bevlekt huis terug te keeren.

De naam van »de plaats” is Adelaïde, en de eigenaar beroemt zich op den

aristocratischen familienaam Maritz, en is stellig een afstammeling van

den fieren Voortrekker, Gerrit Maritz, wiens naam bij dien van den

grooten Pieter Retief in Natal's hoofdstad, Pietermaritzburg, voor

eeuwig gevoegd is.

De Engelschen zochten schuiling tegen de Boeren in het huis van een

_Maritz_! Welk een vreemd geval! Wilde de grillige Godin ons wat humor

met de bittere ironie van dien dag mengen?

Zes maanden bij de commando's · 第 17 / 79 题