Het akeligste uur om uit de warme dekens te kruipen is gewis zoo wat 3
uur in den morgen. Dat nu was het geliefkoosde uur voor den Kolonel, om
het _reveille_ te doen blazen. Maanlicht was er niet; lantarens mochten
niet gezien worden; en toch moest het goed opgepakt, de trekdieren
ingespannen, de paarden opgezadeld en de tent neergehaald en opgerold
worden. O! die tent heeft ons wat moeite veroorzaakt. De pennen waren
zoo moeilijk te vinden en nog moeilijker uit den grond te halen. Foei!
als ik _daaraan_ denk, ben ik dankbaar dat ik niet meer op commando
ben. Aan de vervelige herhaling van dat onderaardsch vroeg opstaan kon
ik mij niet gewennen. Het was geene uitzondering: het was de regel.
Waarom?—dat weet Joost.—De Engelschen waren ver van de eerste batterij
verwijderd. Er was geen gevaar voor eene verrassing, wat ons commando
betrof. Wij hadden de voorzichtigsten van alle voorzichtige officieren:
Generaals Joubert en Daniel Erasmus. Schijnbaar onnoodig dus marcheerden
wij in de duisternis en bleven wij dagen lang op verschillende plekken
talmen. De ergste van al was, dat wij geen koffie mochten maken eer
wij met den optocht begonnen, en dus met leêge maag, zoo wel als
ongewasschen oogen en de vuilste handen moesten voortjagen.
Er zijn vrouwen en jongedochters in Natal, wier namen mij geheel en
al onbekend zijn, maar die ik niet stilzwijgend kan voorbijgaan. Zij
wonen op den hoofdweg en ook soms op een zijweg tusschen Newcastle
en de Biggarsbergen. Nooit vergeet ik de heerlijke kopjes koffie, die
ik (en vele burgers met mij) van haar vriendelijke handen ontvingen.
Niet dat de koffie bijzonder goed gemaakt was. O neen, dat niet. Niet
dat zij echt Javavocht inschonken. Dat nog minder. 't Is omdat wij een
achttien of twintig mijl op de nuchtere maag gereisd hadden, dat wij die
koffie niet kunnen vergeten. De invloed van zulk een kopje, onder zulke
omstandigheden genoten, is niet te beschrijven. Voor gij het drinkt,
zijt gij lichthoofdig, laf, gemelijk, ongelukkig; daarna gezond, sterk,
vroolijk en opgeruimd. Wonderlijke, wonderdoende kopjes koffie! gij
zijt onsterfelijk voor menig burger-geheugen. Vertel mij niet van uw
»three star” of »Bols” of »Scotch”! _Ons_ nationale Kaapsche drank
(van de Oost gestolen) overtreft ze allen. Dank, duizendwerf dank,
gezegende Natalsche schoonen, die de koffie bij emmers vol voor de
voorbijtrekkende commando's inschonken. Wij willen het hopen, dat
geen onpoëtische, ongastvrije, bekrompene geest u die humane, echt
Afrikaansche daad tot disloyaliteit of verraad heeft toegerekend!
Hoe nader wij naar Dundee kwamen, hoe voorzichtiger en langzamer ging
het. Verkenners waren natuurlijk ver voor de colonne uit, om informatie
omtrent den vijand in te winnen. Eenige jonge Natalsche boeren hielpen
ons ook veel met raad en nieuws. (Arme kerels! zij moesten later er
zwaar voor boeten!) Sterke patrouilles te paard werden ook steeds
vooruit en links en rechts van de hoofdmacht gezonden, die gewoonlijk
in den grooten, gebaanden weg bleef. De regeling van den marsch was
gewoonlijk als volgt:—eerst een sterk commando paardenruiters, daarna
de kanonnen en maxims met de artillerieofficieren en artilleristen, dan
de ammunitiewagens voor de kanoniers en voor de burgers, gevolgd door
den tentwagen van Kolonel Trichard, de Jameson-kar (zoo noemden de
artilleristen het rijtuig) en een paar commissariaat-wagens bij de
eerste batterij gevoegd. Eindelijk had men er een sterke achterhoede,
ook uit paardenruiters bestaande. Voetvolk was er niet.
Een eigenaardig verschijnsel in verband met onzen tocht in Natal
verdient vermelding. Telkenmale bemerkte ik, dat er een lichte kar, of
chais, of »spider” zich bij onzen langen stoet aansloot. Waar kwamen die
rijtuigen toch vandaan? Een paar burgers zaten gewoonlijk in die dingen,
met wat goed en vooral zadels erop geladen. Zij hadden klaarblijkelijk
hun rijpaarden er voor gespannen, om wat gemakkelijker en aangenamer
over den weg te komen. Het was natuurlijk niet heelemaal in den haak,
voor een soldaat tot de ruiterij behoorend (!) om per as den vijand te
gemoet te gaan, maar de officieren lieten het oogluikend toe. Zoodra er
eenig gevaar was, of bijzonder haastige operaties plaats grepen, werden
die geheimzinnige rijtuigen maar zoo achter gelaten. En dan, na eenigen
tijd, doemde zoo'n ding weêr op! Het brood, dat op het veld gesmeten
werd, werd na vele dagen weer gevonden—door iemand anders. Zoo herinner
ik mij goed de lotgevallen van zeker netten »spider”. Te Newcastle werd
het door een paar jonge kerels uit een wagenhuis geraapt. Te Ingogo
kreeg ik het voor het eerst weer in 't zicht. Te Dannhauser werd het
achtergelaten door zijn tijdelijke »eigenaars” of »huurders”. Daar het
mij heel comfortable uitzag, werd het door mij geännexeerd, maar bij de
»Navigation Collieries”, dicht bij Dundee, moest ik het geriefelijke
voertuig achterlaten, uit gebrek aan de noodige trekdieren. (De lezer
wete, dat er gedurig een of ander muil zoek raakte, en dat mijn Jehu's
elken morgen een hevige ruzie hadden, eer wij onze dieren mochten
optuigen,—totdat wij er later met twee magere luie knollen werden
afgescheept). Bij ons volgende uitspanplek zag ik tot mijne verbazing
den identischen spider weer op 't tooneel verschijnen. Te Ladysmith
verloor ik zijn spoor geheel en al.
Mij dunkt, meer dan een dier nuttige rijtuigen zal wel naar gevraagd
worden in Natal, nu dat de goede eigenaren weer bij hunne huizen zijn.
Zoo ja, dan beklaag ik de arme lieden. Zij zullen zoeken, maar niet
vinden. Naalden in hooimijten hebben meer kans, om ontdekt te worden.
De waarheid is dikwijls meer verrassend dan de stoutste vlucht der
verbeelding. Het volgende is er een voorbeeld van.
We waren op marsch van Dannhauserstation naar de Imbaban heuvelen, recht
noord van Dundee. Een patrouille paardenruiters was ver voor ons uit in
het golvende plein[1] tusschen voormelde heuvelen en den Impatiberg. Ik
stond met mijn verrekijker op eene hoogte en kon ver op de vlakte zien.
Onze ruiters reden langzaam en voorzichtig op een weg, die naar Dundee
liep. Plotseling kwam er een tweede groep ruiters op het tooneel. Zij
reden op denzelfden weg, maar in tegenovergestelde richting. Zou dat
een afdeeling Engelsche troepen zijn? Het was ruim zes mijl van ons af
en ik kon de _khaki_-kleur niet goed uitmaken. Ellendig uitvindsel!
Hoe gemakkelijk zou het zijn het helder rood van 1880 op dien afstand
met een goeden veldkijker te onderscheiden! Maar die beroerde _khaki_!
Wel, geduld! Laat 's zien, wat er voorvalt.—Kijk! de twee groepen
komen elkander langzaam nader, maar zij schijnen elkander niet te
zien. Wat zou het zijn? Waarom schieten zij niet?—Ha! daar verdwijnt
de veronderstelde Engelsche patrouille uit het gezicht. Nu is de
zaak mij ietwat duidelijker: de vlakte _lijkt_ wel gelijk, maar in de
werkelijkheid zijn er hellingen en diepten daar, die van hier onmerkbaar
zijn.—Langzaam rijden onze kerels vooruit.... de vijand is vlak voor
ze, achter een bultje. Sakkerloot! kan niemand ze waarschuwen? Kunnen
wij niet die kleine Britsche macht omsingelen en oppikken? 't Is om
razend te worden. De spanning, de onzekerheid is vreeselijk.
[1] Vlakte.
Lezer, denk eens goed na over het gevoel, dat zich van u meester
maakt, wanneer gij in de duisternis eene kamer binnenstappend uwe hand
onverwachts tegen een tafeltje aanstoot. Er zijn kostbare voorwerpen op
de bewuste tafel: eene lamp, een bloempot, een klok,—wie weet wat nog
meer. Gij weet niet of de tafel omver zal vallen, of weer recht zal
komen. Gij weet niet, of de kostbare dingen aan 't aftuimelen zijn, of
niet. Gij zijt bang uwe handen uittesteken, want mogelijk stoot gij dan
juist een of ander ding te pletter. De machteloosheid en de onzekerheid
waarin gij verkeert, zijn onbeschrijfelijk. In één enkele seconde moet
het gekraak komen, óf—de tafel heeft haar evenwicht behouden! Maar welk
eene seconde voor _U_! Welk eene intense ondervinding maakt gij erin
door! Wat voor gedachten, en vragen vliegen u door het brein! Hoop,
vrees, twijfel, angst—een heele geschiedenis maakt gij door, en dat
alles in één klein oogwenk!—Zóó was het mij dien dag te moede, toen
de Engelschen weer te voorschijn kwamen. Zij schenen mij vlak voor
onze burgers te zijn en ik kon niet anders dan een hevig geweervuur
verwachten. Daar hoor! Kr.r.r.r.... neen! nog niet. Hoe is 't mogelijk?
Het _moet_ gebeuren. Daar!—neen! hoe hangt het onvermijdelijke dan zoo
lang in de lucht? Het vuur _moet_ vallen. Hoor!—Nog alles stil. Geen
geraas—geen gekraak. Wat? De onzen vliegen om! Zij jagen terug. En de
_Khaki's_? Vuren zij dan niet? Neen! Ook zij verdwijnen van 't tooneel
zoo snel zij kunnen.
Gij haalt—weer vrijen adem. De tafel is niet omgevallen—de lamp is
gered—de mooie vaas staat er nog. Gij trekt een lucifer: alles is in
orde.
Verbeeld u 'reis. Na al die angst, onzekerheid, akelige gewaarwordingen,
is er _niets_ gebeurd! De Boeren kwamen van 't verre Noorden; de
Engelschen kwamen over de groote wateren. Zij voerden oorlog met
elkander. En ziet! Zij kwamen..... zagen..... en liepen weer terug,
toen zij elkander voor het eerst op 't lijf kwamen! Zij vergaten, dat
zij zoo ver gereisd waren, om elkander de eeuwigheid in te jagen. _Ex
Africa semper aliquid novi_ is maar al te waar. 't Was voorwaar een
geheel nieuwe, en zeer origineele wijze van een campagne te openen!
Na drie lange dagen op de Imbaban heuvels vertoefd te hebben, met
ongeduld op den trotschen Impati starend, waarachter het Engelsche kamp
te Dundee gelegen was, kwam er eindelijk wat »beroering in de dorre
beenderen.” Generaal Erasmus was in communicatie gekomen met Generaal
Meijer, die bij den Doornberg nabij de Buffelsrivier gelegerd was.
Halverwege tusschen de twee legers, was er eene ontmoeting plaats
gevonden, waarbij eenige officieren van beide zijden tegenwoordig waren.
Daar werd het plan van den aanval besproken en de dag daartoe bepaald.
Op Vrijdagmorgen, 20 October, zou het Engelsche kamp van drie zijden
worden aangevallen, namelijk: Generaal Meijer van het oosten, Generaal
Erasmus van het noorden en Commandant Weilbachs Heidelbergers van het
westen. De zaak werd geheim gehouden, maar onze geheimen waren destijds
gewoonlijk van het soort, dat men »open” noemt.
't Was op een donkeren, regenachtigen avond, dat ik de Pretoria- en
Standerton-burgers ons kamp zag verlaten. Stil als spoken verdwenen zij
uit ons midden in de duisternis. Hunne bestemming was de Impatiberg.
Zij hadden een zware taak voor zich, en, zooals wij toen dachten, eene
gevaarlijke. Later bleek het echter, dat de onderneming van alle gevaar
ontbloot was, daar de Engelschen (vreemd maar waar!) al de hoogste en
belangrijkste punten rondom Dundee onbeschermd lieten. Onze tent was
neergehaald en alles was in de wagens gepakt, kant en klaar om eenig
oogenblik voorwaarts te rukken. 't Was drie uur in den morgen, echter,
eer de Kolonel (ouder gewoonte) de trompet liet steken. De Ermelo
burgers en het Iersche korps dienden als escorte voor de kanonnen der
eerste batterij. In een klein half uur was alles gereed en de lang
verbeide marsch op Dundee nam een aanvang. Groote dingen werden door
ons dien dag te gemoet gezien. Moedig trotseerden wij dan ook al de
ongemakken van den vroegen rit, die mij nog zoo helder voor den geest
staat alsof het gisteren gebeurde.
De weg was bijzonder drassig en slecht; de regen erg lastig; de koude
vinnig. Mijn historische kar had wel drie veeren, maar geen kap. Ik werd
heel aangenaam gewiegd, maar niet tegen den regen beschut—_hae misero
mihi_! Hoe wij over den weg kwamen? Ja, dat weet ik niet. Om de tien
minuten moest er halt gehouden worden, daar de kanonnen en caissons in
de vele slaggaten vast raakten en slechts na veel oponthoud en gesukkel
weer weg konden. Wederom trof mij de vele stroompjes in het gezegende
land van gras en water. De modder lag dieper dan ooit te voren; de
driften waren lastiger dan immer voor de trouwe trekdieren. Meer dan een
ammunitiewagen rijd ik voorbij in de vroege schemering.
Allo! wie is dat? Is het mogelijk?.... Neen, toch niet, ja toch.
't Is mijn oude vriend, Advokaat Ewald Esselen. Hij zit op een
ammunitiewagen van het Pretoriacommando. Hij is korporaal van een aantal
ammunitiewagens. Daar zit hij, hoog en ‘nat’ met onzen vriend Mike
Maritz naast hem. Beiden zijn uit Pretoria, en oude schoolmakkers van
mij.
»So the world wags, Mor'e Ewald! Mor'e Mike! Hoe gaat het, kerels?” Het
gaat beroerd, maar wij lachen lekker ten spijte van alles. Bar! als ik
aan onze vuile handen en gezichten, en nog vuiler kleeren denk. 't Was
een tooneel voor de schoone Grieksche goden! Zonder scheermes, zonder
zeep, zonder brood, zonder koffie, zonder bed en zonder tent moesten
de meeste mannen in die dagen het stellen. En onder hen waren er
predikanten en schoolmeesters, advocaten en hoofdambtenaren.
Adieu, mijne vrienden! Later zien wij elkander weer, vuiler dan immer,
maar vroolijker tevens en—wij willen het hopen—wijzer en mannelijker
en beter ten gevolge van wat wij hebben doorgestaan.
Wij gaan naar Dundee!—Neen, toch niet. In elk geval, nog niet. Het
bevel kwam: afzadelen, uitspannen bij de »Navigation” koolmijnen—meer
dan een uur rijdens van de plaats mijner bestemming. Haastig tracht elk
nu wat te eten en te drinken te krijgen. De honger is groot en de dorst
niet minder. 't Is meer dan tijd om wat in de maag te doen. Er zijn
kleine woonhuisjes bij de mijnen en in een keuken maken wij ons spoedig
een heerlijk ontbijt gereed. Er was een winkel dichtbij en mijn drijvers
wisten er wat ‘porridge’ en ‘jams’ te bemachtigen. Het beste van alles
was, echter, een jonge kip, die zij ergens op weg hadden opgepikt en
voor ons klaar maakten. Onvergetelijk hoen! Zaliger nagedachtenisse! Nog
was ik bezig een beentje te pluizen, toen er onverwachts een onaangenaam
geluid tot ons doordrong.
_Boem! Boem!_—klonk het uit de verte. Er wordt gevochten! Lukas Meijer
is bezig—en wij? Wat doen wij hier?—Wij luisteren en schudden onze
hoofden. _Boem!_ daar valt weer een hard schot. Een groote, pijnlijke
twijfel beknelt ons gemoed. Is er misschien een fout begaan? Daaraan
valt niet te twijfelen. »Some one has blundered?”—Wie? Hier staat de
geheele eerste batterij, met haar prachtige snelvuurders en pom-poms.
Alles nutteloos, terwijl er ginds achter dien berg hard gevochten wordt.
Ik snel naar de hoogte boven de mijnen, waar onze kanonnen gesteld zijn,
en vraag den Kolonel, wat ons te doen staat. Hij zegt: »Generaal Erasmus
heeft mij doen weten, dat de Impatiberg in zulk een dikken mist gehuld
is, dat hij niets zien kan en dus niet weet, waar de kanonnen te laten
plaatsen”. 't Is een akelige geschiedenis—die van dien Vrijdagmorgen.
Er was een dikke mist, ongetwijfeld. Maar die lag maar op de bovenste
helft des bergs. Indien Generaal Erasmus eenige verkenners had
afgezonden aan de zijde van Dundee, dan zou er spoedig heel wat licht op
het vechtterrein gevallen zijn. Geen uur te paard van de Pretorianen
verwijderd, vond de slag van Talana Kop plaats—van den morgen vroeg tot
tegen den middag. Men hoorde het kanongebulder onafgebroken dreunen,
maar de gansche colonne bleef »op orders” die nooit kwamen, wachten,
terwijl zij het heele Engelsche leger in het holle harer hand had. De
gewaarwordingen van de Pretorianen moeten onuitsprekelijk pijnlijk zijn
geweest, daar zij zoo dicht bij het vuur waren—zoo nabij en toch zoo
ver!
Nimmer vergeet ik het dof gedreun der kanonnen van Dundee en Talana Kop
op dien Vrijdagmorgen. Na zóó veel inspanning, zóó veel zelfopoffering,
zóó veel plannen maken, zóó veel tijdverlies—zulk een resultaat! De
heerlijke Creusot snelvuurders waren van Pretoria tot hier bij de
kolenmijnen gebracht—om werkeloos te blijven, terwijl er een hevig
gevecht aan den gang was! De Pretoria- en Heidelberg-burgers hadden
regen en koude, honger en allerlei ontberingen en ellende vroolijk
getrotseerd—om _hier_ te komen en.... niets te doen. De Engelschen
waren totaal verloren, indien er slechts een boodschapper naar Generaal
Meijer was gezonden, of omgekeerd, indien deze zich met Generaal
Erasmus tijdens den slag in communicatie gesteld had. De weg naar den
»Helpmalkaar Pas” (zuid van Dundee) werd door Generaal Meijer's mannen
beheerscht. Het pad naar Glencoe liep over een nauw en open plein,
dat van den westelijken schouder van Impatiberg door onze vuurmonden
bestreken kon worden, terwijl Commandant Weilbach met zijn sterk
commando en eenige stukken nog daar waren, om den vijand het vluchten in
die richting te beletten. Het gansche leger van vijf of zes duizend man
zou tot de overgave gedwongen zijn, indien het afgesproken plan slechts
eenigszins werd nagekomen. O! de bittere ironie der fortuin! De berg was
in barensnood, weken lang, en ziet! een muis kwam er voor den dag.—En
toch vergete men niet, dat de Boeren toen nog maar »groenen” in de kunst
van aantevallen waren! Geen wonder dus dat wij zulk een fiasco maakten.
Geen wonder, dat ons eerste aanval zoo treurig afliep. Ook hadden wij
geen de la Rey daar, om alles met zijn helder hoofd te regelen en met
zijn kalmen moed uittevoeren. Welk een kluchtspel werd er dien morgen
afgespeeld, wat de centrale colonne betreft! Maar o! welk een treurspel
was het voor de mannen van Wakkerstroom en Utrecht, Middelburg en
Vrijheid, Krugersdorp, Bethal en Piet Retief, die daar zoo schandelijk
in den steek gelaten werden!