Hoe het met de Russische leening afliep, weten wij waarlijk niet
te zeggen; beursbezoekers van dat tijdperk zullen het zich nog wel
herinneren. Dat het huwelijk tusschen Frits Rosemeijer en Claudine
Verburg gesloten werd, kunnen wij echter verzekeren en wie ons niet
op het woord gelooft, kan er de registers van den burgerlijken stand
te E. op nalezen; want aan niemand dan aan Bram Duinstee in zijne
kwaliteit van secretaris der stad E. gunde Frits Rosemeijer de eer,
zijne verbintenis met Claudine Verburg te sluiten.
Professor Roestink begaf zich naar E. om den echt zijner vrienden
kerkelijk in te zegenen tot groote vreugd ook zijner oude gemeente. Dat
het kleine stadje in rep en roer was, kan men denken.
Claudine was een allergracieust bruidje, dat in den kostbaren
eenvoud van haar wit moirée kleed toonde begrip te hebben van de
sociale positie, die zij ging innemen. Het geheim te behagen had zij
verachteloosd in de diepe moedeloosheid van haar hart, maar verleerd
had zij het niet; dat bewees zij nog jaren nà den blijden trouwdag;
en Frits Rosemeijer kreeg volkomen gelijk, toen hij op haar beweren:
»dat zij wezenlijk te oud was geworden en zich heusch onder de oude
juffers rangschikte," lachende had geantwoord: »dat doet er niets toe,
dat gij niet jonger bruid waart is mijne schuld en gij zult zien dat
de _oude juffer_ een allerliefst jong vrouwtje zal wezen!"
Voorts achtte hij zich verplicht haar zekere mededeelingen te doen
omtrent zijne lotgevallen in Engeland, die het voor haar verklaarbaar
maakten, dat hij jarenlang niets van zich had laten hooren, ondanks
welzijn en toenemende fortuin.
De een of ander lezer verlangt mogelijk inzage van dat pleidooi.
In de hoofdzaak kwam het hierop neer:
Toen een deel der ontwerpen van zijn vader uitvoerbaar bleken,
productief waren bevonden en hij zelf van groote geschiktheid voor
industriëele ondernemingen bewijs gaf, had zijn edele beschermer hem
in de vennootschap Wilkinson-Wilmot opgenomen, en bij het overlijden
van het oudste lid der firma, werd Sir Reginald haar chef en Frits aan
diens zijde met het grootste deel der werkzaamheden en des bestuurs
belast. De krachtvolle man, nog schijnbaar het toonbeeld eener vaste
gezondheid, had de eerste aanvallen bespeurd eener smartelijke en
onverbiddelijke kwaal, die reeds aanving hem te ondermijnen en die
hem welhaast ten grave moest slepen. Frits alleen was de vertrouwde
van dit dreigend onheil zoolang Wilmot het zijner gade verbergen kon;
en de heldere, practische man, die den dood zag naderen met de rust
van den Christen, bereidde met zijn jeugdiger vriend alles voor,
wat den slag die eerlang moest treffen, kon lenigen voor vrouw en
kinderen. Smart en rouw kon hen niet gespaard worden, maar voor hunne
belangen was wijselijk gezorgd.
Toen Sir Reginald Wilmot overleden was, had Frits de bevoegdheid
om terstond in zijne plaats te treden, zoodat er geene belemmering,
geene stremming in den loop der zaken behoefde plaats te vinden. Zijn
vertrouwde vriend was _niet_ tot voogd zijner minderjarige kinderen
benoemd en.... om redenen. Frits had aan hem in eene aandoenlijke
afscheidsure de belofte moeten afleggen, dat hij niet hun voogd,
maar hun vader en de steun zijner echtgenoot zou zijn.
Mevrouw Wilmot ging met hare dochter het rouwjaar doorbrengen op haar
landgoed in Schotland; de jeugdige Reginald bleef onder toezicht van
Frits te Manchester; toen dat jaar verloopen was, gaf Frits haar
inzage van een eigenhandig schrijven haars gemaals, dat vóór dien
tijd niet mocht geopend worden. Het behelsde zijne hoop, dat Helena
besluiten mocht hare hand aan Frits te geven, aan den man, wiens
karakter door Sir Reginald zelf beproefd en in zekere mate gevormd
was. Een gerechtigd mistrouwen jegens zijne eigene bloedverwanten
en hunne intriges rondom de nog jeugdige vrouw deed hem zulk een
wettigen steun voor haar noodzakelijk achten. Wat Frits betrof,
hij hield Claudine voor zich verloren, en onder zijne afwisselende
lotgevallen, onder de rustelooze werkzaamheid, die hem voortdreef, de
groote verantwoordelijkheid, die op hem rustte, was, hij erkende het,
de herinnering aan het vaderland, met alle lief en leed dat hij er
ontvlucht was, voor hem op den achtergrond geraakt. Zoo had hij zijn
weldoener de belofte kunnen doen, dat hij als man en vader in zijne
plaats zou treden, zoo de weduwe tot die verbintenis wilde overgaan.
Helena had Frits leeren kennen en hoogachten; beider hart had eenmaal
elders behoord; zij raadpleegden slechts met plichten, met belangen;
zij wisten dat zij een _mariage de convenance_ aangingen; maar het was
niet ongelukkig, toch was het nauwelijks gesloten, of eene ontmoeting
die hij deed verstoorde voor Frits de rust en den vrede van hart,
die hij aanving te genieten.
Op zekeren morgen kreeg hij op zijn kantoor een bezoek van den heer
Veere, die met zijne vrouw door Engeland reisde, een kredietbrief
vertoonde aan de order van de firma Wilkinson-Wilmot, en zijn verlangen
te kennen gaf om de groote industrieele inrichtingen te mogen bezoeken.
»De heer Veere uit E.! dat was de echtgenoot van Claudine," en een
onweerstaanbaar verlangen om de laatste nog eenmaal, al ware het
als een onbekende, weer te zien, maakte zich van Frits meester. Hij
gaf het gewenschte verlof en bood aan zelf ten gids te strekken aan
het Hollandsche echtpaar; bij den eersten blik op mevrouw Veere had
hij de zekerheid dat zij Claudine niet was; hij moest er nu meer van
weten; hij ontdekte zich aan de dame als: Frits Rosemeijer, en deze
vertelde hem lachende, dat zij Clara van Houten was, uit E., gelijk
hij zelf. De vraag naar Claudine brandde hem op de tong en wilde hem
toch niet over de lippen.
Gelukkig was de levendige jonge vrouw vaardig met hare
mededeelingen. Ja, het was zoo! Claudine Verburg was de bruid op het
tipje geweest van haar echtgenoot, maar de verbintenis kwam niet
tot stand; zij verhaalde door welke bijomstandigheden. Innerlijk
dieper geschokt dan hij toonen wilde, had Frits met eene stem, die
hij onverschillig trachtte te doen klinken, gevraagd waar de heer
Verburg en zijne dochter zich nu ophielden?
»Dat is niemand bekend," hernam Clara.
»Behalve den bankier Steinhausen te Amsterdam," viel haar
echtgenoot in, »want aan dezen heeft Verburg de regeling zijner zaken
toevertrouwd." Die wenk was voor Frits niet verloren gegaan. Van dat
oogenblik af,--Claudine, nu zij zijne bruid was, mocht het weten,--had
het Huis Heerdt en Comp. in Engeland zich plotseling opgericht uit
zijn val, en was bekwaam en bereid om in hooge rente het verlies in
kapitaal te vergoeden door Verburg bij het failliet geleden!
Zich zelf op den voorgrond zetten, en persoonlijke deelneming te
toonen, Frits was te kiesch en had een te hoog gevoelen van Claudine's
karakter, om er aan te denken. Toch gaf de bewustheid dat hij haar
lot verbeteren kon en haar van zorgen, zoo niet van lijden ontheffen,
hem eenige verlichting.
Maar de doorn bleef in 't vleesch en ondanks werkzaamheid ondanks
het volle genot van rijkdom en weelde, ondanks zekere mate van
huiselijk geluk zelfs, deed de prikkel van het »te laat" en »zoo ik
geweten had" zich telkens opnieuw voelen. Eindelijk werd hij vrij
door den dood zijner echtgenoot, die tien jaren zijn oudere was;
ook vrij in zijne bewegingen, daar zijne oudste stiefdochter met het
jongere lid der firma was getrouwd en Reginald meerderjarig geworden,
reeds als plaatsvervanger van zijn vader kon optreden; tijdelijk kon
aan die beiden het beheer der zaken met de hulp van een degelijken
boekhouder worden toevertrouwd, en zoo kon hij naar het vaderland en
tot Claudine terugkeeren, met het voornemen om alles goed te maken
wat hij aan beiden meende schuldig te zijn.
Claudine was met deze rechtvaardiging voldaan; zal de lezer strenger
zijn dan zij, die mogelijk te zachter was in haar oordeel naarmate
zij in den strijd des levens de verzoeking had leeren kennen, al had
zij dan ook weerstand geboden en den zegen behaald?
Zijn huiselijk geluk moest Frits voor menige teleurstelling in zijne
ondernemingen schadeloos stellen, want al gelukte het hem een deel der
plannen voor den bloei en welvaart van zijne vaderstad uitgedacht,
tot stand te brengen, al mocht hij dat monument voor zijn vader
oprichten dat hij zich had voorgesteld, hij kon zijne stad- zijne
landgenooten niet bezielen met den Engelschen ondernemingsgeest,
en hij stuitte nu eens op slappe knieën en trage handen, dan
weer op lijdelijk verzet en onverstandige tegenwerking. Wijzer en
voorzichtiger dan zijn vader dreef hij niet door dan het bereikbare,
maar hij werd het bergopwerken van den Sisyphus-steen moede, en toen
de oude heer Verburg in dankbare voldaanheid over zijne laatste
levensjaren de oogen had gesloten keerde hij naar Engeland terug,
waar hij zich meer in de ruimte voelde en beter thuis dan in zijne
eigene vaderstad. De impulsie, eens door hem te E. gegeven, ging wel
niet gansch verloren, maar het was alleen de flauwe natrilling van een
krachtigen toon. Het verdient opmerking, dat hij nooit weer als Frits
Millioen is aangewezen, sinds hij werkelijk als millionair bekend was.
Frits Millioen, de schilder, de eigenaar van den bijnaam, bleef
niet langer in Nederland dan de belangen der Russische leening,
waarover zijn vriend had te waken, het vorderden. Wel zond hij
zijne schilderijen naar de Amsterdamsche tentoonstelling, zooals
hij beloofd had, maar zelf verscheen hij er niet om zijn triomf te
genieten. Ook gewerd hem het meest waardeering van enkele helderziende
kunstkenners, en geenszins dat _succès monstre_ dat de claqueurs der
kunst hem toegezegd hadden als hij hun toegestaan had zijn »_succès
te soigneeren_." »Ik ben niet op marktgeschreeuw gesteld," was zijn
antwoord geweest en daarom had men van hem gezwegen. Indien maar
gezwegen want aan anekdoten omtrent zijn _mauvais caractère_ en lastig
humeur bleef het niet ontbreken, al had men zijne redenen om nog zijn
werk niet te denigreeren. De hofgunst gleed hem voorbij zonder dat
iemand had kunnen zeggen uit welke oorzaak. Toch was Koning Willem II,
toen hij de tentoonstelling bezocht, met bewondering voor een zijner
schilderijen blijven stilstaan en had belangstellend naar den naam van
den schilder gevraagd, maar toen een der omringende heeren dien noemde,
was het gelaat van den Vorst koel en strak geworden, en was deze verder
gegaan zonder een woord te zeggen. Zeer zeker hadden de oorblazers
hier hun werk gedaan. De schilder was een onbruikbaar man verklaard.
»Goddank, ja! onbruikbaar voor intriganten!" had deze geantwoord toen
een vriend hem dit oordeel overbracht.
Al deze onderaardsche tegenwerking belette echter niet dat hij zijn
werk goed verkocht aan een Amsterdamsch dilettant, maar hij had het
vaderland reeds verlaten toen hij dat vernam. Zoo weinig aantrekkelijks
scheen ditmaal zijne geboortestad zelfs voor hem te hebben, dat hij
bedankte voor de uitnoodiging van Frits Rosemeijer om zijne bruiloft
bij te wonen. Ook werd hem ten laste gelegd dat hij afkeerig was van
zijn vaderland. Waarheid is dat hij smart en ergernis gevoelde over
veel wat hij er hoorde en zag en de onvoorzichtigheid had, die ergernis
somtijds lucht te geven. Hij was er teruggekomen met illusies, wier
ontnuchtering hem te pijnlijk trof. Sinds zijn kortstondig verblijf
te Amsterdam scheen er eene diepe zwaarmoedigheid te drukken op die
levendige en impressionable kunstenaarsziel, waartegen hij streed met
alle kracht, doch die hij altijd slechts voor oogenblikken scheen
te kunnen afschudden. Sommigen schreven deze vlagen van melancolie
toe aan eene onmetelijke ambitie en de bespottelijke ijverzucht op
het werk van Rembrandt en de oude meesters, dat hij met tranen van
bewondering in de oogen voor onnavolgbaar verklaarde, terwijl hij er
in dienzelfden adem en met den voet stampend van spijt bijvoegde:
»en toch behoorden wij hetzelfde, behoorden wij beter te kunnen
doen, of zoo niet, wat wordt er van de kunst?" Anderen beweerden
dat hij in Rome, of in St. Petersburg, zij wisten zelve niet recht
waar! van godsdienst veranderd was, en nu onder de verwijtingen van
zijn geweten de gemoedsrust verloren had. Professor Roestink, die
zijn volle vertrouwen genoot, mocht die lezing tegenspreken zooveel
hij wilde, met te verklaren dat Frits Millioen Christen was in den
waren zin des woords, en dat hij overigens aan niemand rekenschap
verschuldigd was, onder welken vorm hij zijn Christendom beleed,
mits hij het slechts beleefde, het mocht niet baten; »er was toch wel
iets van aan," fluisterde men elkaar in 't oor, en mevrouw Daubenheim
zelve verklaarde, dat zij er niets van begreep en dat de Professor,
anders zoo streng rechtzinnig, in dezen wel wat overliberaal scheen
te zijn. Vermoedelijk kwamen van al die verdenkingen de echo's
tot den schilder en mocht hij ze nemen voor 't geen ze waren, zij
versterkten hem toch in het voornemen om zijn vaderland hoe eer hoe
beter te verlaten. Hij haalde Graaf Peterhoff over om eene reis naar
het Oosten met hem te ondernemen. Hij hoopte zich te verfrisschen
in het aanschouwen van nieuwe en stoute natuurtooneelen. Hij wachtte
nieuwe bezieling en geloofsversterking van een pelgrimstocht naar het
Heilige Land. Wij hopen, zonder het te kunnen verzekeren, dat hij niet
in zijne verwachtingen zal zijn teleurgesteld. Wat er verder van hem
als kunstenaar werd, is ons niet bekend geworden. De oorzaak van deze
onwetendheid ligt mogelijk niet bij ons, maar bij hem. Hij had den
bijnaam van Frits Millioen aanvaard, omdat hij Frits Rosemeijer van het
bijgeloof wilde genezen, dat er eene fataliteit zou rusten op zekere
benamingen. Hij had het bewijs geleverd dat hij zich had voorgesteld,
en schitterende zegepralen behaald onder een schimpnaam. Maar toch
die was oorzaak geworden van een misverstand, waarvan de gevolgen
dieper bij hem hadden ingegrepen dan hij zich zelf wilde bekennen,
en het zou kunnen zijn dat hij om met zekere herinneringen te breken,
opnieuw zijn pseudoniem had veranderd. Hoe dit ook zij, de naam van
Frits Millioen is na dezen nooit meer gevonden op eenigen catalogus
van kunstwerken!