Wilkinson had _juist_ geoordeeld. Frits had rust noodig, en die
nacht, doorgebracht in het dorpslogement, waar alles doodstil was
zoo ras de laatste gasten waren afgetrokken, voldeed geheel aan
zijne behoefte. Ditmaal overmande de slaap hem eer hij over de
voorvallen van den drukken en belangrijken dag kon nadenken, en
toen hij ontwaakte voelde hij zich naar het lichaam zoo verkwikt en
versterkt, dat de geest ook er door verhelderd was, zoodat hij de
ontmoeting van Wilkinson en de ongedachte wending in zijn lot, die
er het gevolg van was, nu met geheel andere oogen beschouwde, dan het
hem in de duizeling der eerste verrassing mogelijk was geweest. Toen
was het hem bijkans of hij alleen toegegeven had aan zekeren dwang,
waaraan hij niet wist te ontkomen, en die reeds terstond drukkend
scheen. Nu eerst voelde hij dat hij een steun had gevonden voor de
toekomst, eene uitkomst, die hem voor goed afbracht van een besluit
in vertwijfeling opgevat. Hij zag het in met een glimlach over zich
zelf, dat het vaderland veel minder gebaat zou zijn met zijne hulp,
die zonder geestdrift, alleen uit moedeloosheid zou verleend worden,
dan hij zelf met de uitzichten, die Wilkinson voor hem opende. Zijns
vaders plannen helpen uitvoeren op groote schaal, in datzelfde land,
waarvan deze altijd had gesproken, als van het land der belofte aller
grootsche ondernemingen! Zijn hart sprong op van vreugde, zijne wangen
kleurden zich met een nieuwen blijden blos, zijne oogen schitterden
bij die gedachte.
En Dientje, nu ja! die droom der jeugd was voorbij; hij moest dat
verledene achter zich werpen, er niet meer naar omzien, en zich
uitstrekken naar hetgeen vóór hem lag, en hoe licht zou dat hem vallen,
daar hij het vaderland verliet om in geheel nieuwe omgeving een nieuw
leven aan te vangen.
Met dit kloek besluit, met een verlicht gemoed, trad hij de koepelkamer
binnen, waar men gezamenlijk zou ontbijten, en Wilkinson, als naar
gewoonte vroeg op, hem reeds wachtte aan de ontbijttafel, op welks
samenstelling hij het oog had gehouden, terwijl meester Baptist
door het diner van den vorigen dag beter dan ooit _en mesure_ was om
aan zijne eischen te voldoen. Een koude kip, ossehaas in gelei, een
gefarceerde kalfsborst en schilderachtige gesneden ham stonden dus
in slagorde gerangschikt, terwijl Trijntje maar op een sein wachtte
om de kievitseieren binnen te brengen. Sir Reginald had vast thee
gezet en verwelkomde met een gullen lach en een hartelijken handdruk
zijn luien reismakker, dien hij verraste met de mededeeling, dat hij
reeds eene mooie wandeling had gedaan.
»Ik ben er waarlijk beschaamd over," zei Frits.
»Gij hebt er geene reden toe, en gij zult niet volkomen hersteld zijn
eer wij het kanaal oversteken."
»Neen! neen! ik voel mij reeds nu veel beter. Doch waar zou onze
Pierrotain-Cham blijven, om hem bij den naam zijner vinding te noemen."
»Die moet al vroeg uitgegaan zijn, zooals ik van den kastelein vernam;
maar daar hij niet op zijn tijd past, zullen wij hem al etende wachten,
als gij 't met mij eens zijt."
»Ik heb er niets tegen; hij is zeker iemand die slecht met den tijd
rekent, en ik zou haast gelooven, dat hij zijn dag met de vroegmis
begint."
»Dat zou heel wel kunnen zijn, want hij _is_ vroom en toch.... kan
ik nog niet gelooven, dat hij geworden is....wat....gij meent."
»Mij dunkt het kan niet anders, hoewel hij er niet voor uit wil komen;
maar ik erken het, in hem is zulk een overgang zeer verklaarbaar
en verschoonlijk."
»En toch het zou jammer zijn" sprak Sir Reginald; »want een enthousiast
zooals hij is en die licht van het eene uiterste tot het andere
vervalt, zou tot _bigotterie_ kunnen overslaan."
»Ei zie! daar komt hij de laan uit, recht op het logement aan;
hij ziet ons en zwaait met de fluweelen muts om ons te groeten;"
al sprekende wuifde Frits hem met de hand een welkom toe, dat hij
eenige seconden daarna mondeling kon herhalen, want de schilder trad
onverwijld binnen, ditmaal _en tenue d'atelier_, zooals hij zeide, de
grijze blouse en pantalon en een rood fluweelen muts met crevés a la
Rafaël. Hij droeg eene portefeuille onder den arm en zette eene kleine
schilderkist neer, terwijl hij hen opgeruimd »goedenmorgen" wenschte.
»Zóó vroeg al aan 't werk geweest, master Pierrotain? dát
verontschuldigt uwe achterlijkheid aan de ontbijttafel; gij hebt de
fijnste geur van de thee laten vervliegen."
»Och daar let ik niet op, Sir! Verschoon mij zoo ik de vrienden wachten
liet, maar ziet gij, ik watertandde er naar, hier eens wat te teekenen;
ik heb in 't kleine stadje E. een paar dagen geflaneerd zonder
iets te doen dan mijmeren en gisteren ook al leeg geloopen.... gij
begrijpt dus...."
»Met uw ijver beschaamt gij onze verdenking," viel Sir Reginald in,
Frits glimlachend aanziende, die even kleurde en hem een blik toewierp
of hij hem het zwijgen had willen opleggen.
»Gijlieden hebt mij verdacht? ei zoo! waarvan dan toch? Zeg op,
Frits! gij kleurt als een schuldige."
»Niet van kwaad, toch slechts van wat overdreven piëteit! In één woord,
wij meenden dat gij naar de vroegmis waart."
Piet schudde het hoofd. »Gij schijnt daaraan te hechten, Frits! maar ik
had er niet noodig, ik had den goeden pastoor Reinfeld eene kleinigheid
beloofd, een duingezicht, iets uit zijn dorp als souvenir.... ik ging
dàt croqueeren."
»Ah! zoo! dàt dispenseert u van de kerkplichten," zei Frits lachende.
»Zoo ik kerkplichten te vervullen had, geloof vrij, dat ik er mij
door niets of niemand van zou laten dispenseeren," hernam Piet kalm,
maar ernstig; »doch ik zie wel, kameraad! dat ik je tekst en uitleg
geven moet van 't geen naar mijn gevoelen ieder de vrijheid heeft
voor zich zelven te houden, tenzij hij zich opgewekt gevoelt er van
te getuigen: mijne geloofsbegrippen...."
»Neen, waarlijk! zóó was het niet gemeend; denk je dat ik den
inkwisiteur wil spelen? Alleen uit belangstelling in den ouden makker
van de catechisatie...."
»Meen je een zeker recht te hebben om te vragen naar eene uiterlijke
daad, die al of niet door mij zou zijn geschied. Welnu, stel je gerust,
ik heb dien stap nog niet gedaan en zal er mogelijk nooit toe komen,
hoewel ik u dat niet verzekeren wil, want mijne sympathieën zijn aan
die zijde, dát ontken ik niet en mijne belangen evenzeer. Alleen heb ik
mij aan niets of aan niemand verkocht, zooals gij mogelijk vreest, en
ik u eenig recht gegeven heb te onderstellen. Toen ik er dominé Willems
mee dreigde, had ik dat voornemen, maar het is er niet wel toe gekomen,
en dat is heel gelukkig, want dan zou ik zeker den koop breken. Reeds
het denkbeeld verplicht te zijn tot hetgeen alleen uit aandrang der
consciëntie en behoefte des harten moet volgen, zou mij dús afkeerig
maken, dat ik mij zelven niet zou kunnen leveren.... zoo ziet gij...."
»Zoo zie ik, dat gij een sublime zonderling zijt, wien ik in alle
oprechtheid moed, kracht en geluk toewensch om bij zulk voornemen te
kunnen blijven," zei Frits, hem de hand drukkende.
»Wel, jongen! als ik je zoo wat van mijn leven vertel, met verlof
van master Wilkinson, zal je zien dat ik van dit alles nogal provisie
heb opgedaan."
»Ik permitteer alles behalve dat gijlieden mij alleen laat zitten
ontbijten," zei Wilkinson.
De jongelieden voldeden aan die oproeping, hoewel Piet betuigde dat
hij na zijn overvloedig diner van den vorigen dag eigenlijk niets
noodig had.
»Van dat diner gesproken, hoe is het met de verrassing
afgeloopen?" vroeg Wilkinson.
»Wel, dat had erger kunnen zijn, ik vreesde om de waarheid te zeggen
voor een zilveren tabaksdoos of iets dergelijks, dat zoo wat in den
geest moest vallen van mijne boeren-kerkregenten zelven, maar het
kwam geheel anders uit. Zij boden mij eene reisnécessaire aan, die
even sierlijk als degelijk was, en die mij best te pas zal komen;
later werd er nog een krans voor den dag gehaald van natuurlijke
lauwerbladen, die ze mij op het hoofd wilden zetten, niet meer noch
minder dan of ik Tasso geweest ware; maar dáár paste ik voor, zooals
gij denken kunt; ik zette eenvoudig mijn hoed op en ze begrepen zelf
wel, dat op zoo'n hoed geen lauwerkans voegt; ik heb beloofd hen later
te waarschuwen als ik geloof er recht op te hebben. Daarmee was die
klucht uit en ik stelde voor, den lauwer aan Monseigneur aan te bieden,
die er waarlijk wel aanspraak op heeft van hunnentwege."
»Ik dacht niet dat de bisschop van L., die tegenwoordig hier nogal
eens over de tong gaat, zoo liberaal was, dat hij een kunstenaar,
die nog niet onder zijn herdersstaf hoort, voor _de_ Kerk laat werken."
»Je moet reizen, Frits! je moet reizen! De Hollanders zetten elkander
hier allerlei kleingeestige vooroordeelen aan, die voor het leven
inroesten. Monseigneur M* * * is een waardig prelaat en een nobel
mensch, dien ik van de gunstigste zijde heb leeren kennen."
»Juist, daar hebben wij het, maar _le revers de la médaille_ is minder
mooi en die.... is naar ons toegekeerd."
»Wat zal ik u zeggen; dat hij het niet met de regeering van koning
Willem heeft kunnen vinden, is zeer verklaarbaar. Hij had dan moeten
opgeven wat geen kerkvoogd opgeven mag. Doch dit daargelaten. Hij
weet zeer goed, dat ik maar een vrijwilliger ben, die nog geen plan
heeft vasten dienst te nemen onder zijne vlag, en toch heeft hem dat
niet verhinderd mij dienst te doen en gunst te bewijzen. Integendeel,
zijn hart leeft nog altijd voor Holland, waar hij een deel zijner
bezittingen heeft, en nog leden zijner familie wonen, en 't is
juist om mijne hoedanigheid van Noord-Hollander, dat hij mijn werk
opmerkzaamheid schonk en die schilderij heeft gekocht; ik wil u gaarne
mededeelen onder welke omstandigheden, maar dat eischt nogal een
langen omweg.... en ik ben waarlijk bang master Wilkinson te vervelen."
»Mij! integendeel _my dear_: ik ben juist zeer nieuwsgierig om iets te
weten van de wegen, die gij zijt gegaan om te worden wàt gij nu zijt!"
»'t Is mijne schuld niet zoo ik slingerpaden heb moeten kiezen."
»Sinds gij ons voorbereidt op een verhaal van langen adem, moet gij
mij toestaan, eerst om de kievitseieren te schellen, die Hollandsche
delice,"
»_C'est convenu!_" En Pierrotain-Cham, Frits vóórkomend die wilde
opstaan, vloog naar de schel en luidde of er brand was, zooals Trijntje
lachende aanmerkte, toen zij het schaaltje met de mooie gevlakte
eieren, die zachtelijk rustten in de fijne groene tuinkers, op tafel
zette, er met zekere goelijke boersche gemeenzaamheid bijvoegende,
dat zij wel raden kon wie er zóó had gescheld; en met een schalk
lachje knikte zij Piet toe, die lachend antwoordde:
»Geraden, kindlief! Ik merk dat je mij kent. Ik doe niets ten halve,
en als ik ooit je portret maak, reken er dan op dat je een paar bolle
roode wangen zult krijgen, waar je vrijer pleizier in zal hebben!"
»Gunst, meneer! o, foei! ik een vrijer!" en de deerne maakte zich
schielijk uit de voeten met een kleur als vuur, en verzekerde ieder wie
't hooren wilde, dat de voorname schilder haar »uitpottretteeren" zou!
Nadat dit tusschenspel was afgeloopen en Pierrotain-Cham had voldaan
aan het verlangen van Sir Reginald, om toch zijn eigen en 't goede
voorbeeld van Frits te volgen en eens van de eieren te proeven,
hervatte deze, terwijl hij mes en bord verre wegschoof, als om te
kennen te geven dat hij er nu voor goed mee had afgedaan:
»Toen ik aanving mijn Stefanus te schilderen, was ik nog te Parijs,
en werkte in het gemeenschappelijk _atelier_ van onze bent. De prins
d'A., een Belgisch edelman en kunstliefhebber, die zich destijds in
Frankrijk ophield, kwam ons dikwijls bezoeken, omdat hij belang stelde
in de vorderingen onzer school. Mijne schilderij trok bijzonder zijne
aandacht; hij informeerde zich naar mijn persoon bij onzen beroemden
meester, en 't geen hij vernam van mijne _faits et gestes_, scheen
mij zijne gunst en genegenheid gewonnen te hebben. Hij kwam nogmaals
terug, overtuigde zich dat mijn werk vorderde en raadde mij dat
naar de eerstkomende Brusselsche tentoonstelling, te zenden. Daar
deze mijne eerste proeve was in dit genre, kon de belangstelling
van zulk een dilettant mij niet onverschillig zijn: ik beloofde wat
hij verlangde en daarop noodigde hij mij uit, die schilderij zelf
te brengen en dan eenige dagen op zijn kasteel in de nabijheid van
Chaud-Fontaine te komen logeeren. Gij begrijpt dat ik die noodiging
aannam en mij vast voorstelde er gebruik van te zullen maken; maar
wij waren toen in 't jaar dertig, onrustiger gedachtenis; het werd
druk en woelig in de ateliers zoowel als in de werkplaatsen; er
werd meer over politiek gesproken, geschreeuwd zou ik moeten zeggen,
dan over kunst, en ik had onder dat alles mijn Stefanus niet kunnen
voltooien toen de julidagen aanbraken. Onze bent bleef niet binnen,
maar weerde zich dapper, om in gemeenschap van:
»La grande populace,
»Et la sainte canaille,"
zooals Barbier dat noemt, de omwenteling te helpen voltooien,
de onsterfelijkheid te _verdienen_, zooals de dichter zich
uitdrukt. Ik kan niet zeggen, dat ik _deze_ onsterfelijkheid voor
mij eene begeerlijke achtte; ik gevoelde liefde noch haat voor het
wankelende koningschap, maar ik was mee in de bent, ik behoorde tot de
volksklasse door mijne afkomst, door de verdrukking, die ik geleden
had, was mijne zucht tot onafhankelijkheid een hartstocht geworden,
en dat alles samen verleidde mij om in eene republiek het model
van een gelukkig staatsbestuur te zien, en, al had ik zelf over dat
alles ternauwernood nagedacht, anderen riepen het zóó luid en op zóó
verscheiden toon, dat ik mij geschaamd zou hebben om niet een weinig
mee te doen; als het consigne onder ons luidde: »_Allons faire le
coup de fusil_" moest men een poltron zijn om thuis te blijven. Maar
ik begreep spoedig, dat straatsteenen opnemen en barricades maken
mijne vocatie niet was. Dankbaar dat er een koning was aangesteld,
die zich de burgerkoning noemde, die verklaarde dat voortaan het
charter eene waarheid zou zijn, oordeelde ik dat men het er nu ook bij
laten kon, en hoopte dat er rust zou komen, om weer ongestoord aan
't werk te kunnen gaan; maar ik had buiten de woelwaters gerekend,
wie het volstrekt niet te doen was om rust en orde, die het werk als
eene bijzaak beschouwden, en die mij uitlachten als ik hen voorhield,
dat er in 't geheel geene regeering mogelijk zou zijn als iedereen mee
regeeren wilde, dat kunstenaars iets anders te doen hadden, dan zich
als staatshervormers en wetgevers op te werpen, en dat ik voor mij
niet voornemens was mij opnieuw buiten mijne sfeer te laten trekken,
door mee te agiteeren en te conspireeren, en allerlei dwaasheden
uit te voeren, die slechts opschudding konden geven, en ons allen
van den wal in de sloot zouden helpen. Van toen aan was er voor mij
geen vrede meer met hen te houden. Ik was een aristo, een Orleanist,
ik weet al niet wat, en dát zou ik mij getroost hebben, maar onder
dat alles door had ik mijn Stefanus niet kunnen afwerken, en ik zag
er geen kans meer toe onder hunne opgewonden praatjes en toespraken,
onder hunne wilde Marseillaises en zinneloos gejoel; ik had stilte
en afzondering noodig, en hoe ongaarne ik Parijs verliet, ik had er
te veel kennissen, te veel antecedenten om er dit ééne noodige voor
mij te kunnen vinden.
»Reeds was het te laat geworden voor de Brusselsche tentoonstelling
van dat jaar; en daarbij, wij waren nu in Augustus en het woeste
revolutiespel werd ook in België, Frankrijk nagespeeld. Mijn tijd om
naar Holland weer te keeren was het nog niet, en om eene verre reis,
bij voorbeeld naar Italië te ondernemen, was ik te arm.
»Toen dacht ik aan den Prins d'A. en zijn vroeger voorstel. Ik schreef
hem gulweg hoe het met mij en met mijne schilderij stond en of hij mij
een plekje wist aan te wijzen in eenig dorp op een zijner goederen,
waar ik, tegen stoornis veilig, mij aan het voltooien mijner schilderij
kon wijden. Ik kreeg antwoord van zijn secretaris, dat de Prins zelf
maar eenige dagen op zijn kasteel had vertoefd, en er door den drang
der tijdsomstandigheden vermoedelijk ook niet spoedig komen zou,
maar dat zijn rentmeester reeds order had om mij te ontvangen als ik
mij aanmeldde en dat ik er nu mijn atelier kon opslaan, en blijven
zoolang ik goed vond. Gij begrijpt dat ik niet aarzelde naar die
veilige wijkplaats heen te trekken. Ik vond er meer ruimte dan ik
noodig had, uitnemend licht en de grootste voorkomenheid van de zijde
des rentmeesters, aan wiens tafel ik mee at, hoewel de Prins order had
gegeven, dat men voor mij afzonderlijk zou laten aanrichten als ik dit
verlangde. Gij begrijpt dat de eenvoudigste leefwijze, die anderen den
minsten last gaf, mij het meest welkom moest zijn. Dit leven, vrij
van alle materiëele zorg en moeite, zonder eenige stoornis in mijn
werk, zonder andere afleiding dan die ik zelf zocht, in wandelingen
op de rotsachtige hoogten, in het welige Vesdredal, bracht mij in
de gelukkigste zielsstemming, en ik dankte God iederen dag opnieuw,
dat Hij den armen zwerver zulk een toevluchtsoord had bereid. Hier
was mijn Patmos waar ik onuitsprekelijke dingen zag en voelde;
was het vreemd dat ik behoefte had om ook op eenige wijze aan den
uiterlijken eeredienst der Christenen deel te nemen. Herinnert gij
het u nog, Frits! hoe ik in mijne kindsheid met vuiststompen naar
de Gereformeerde kerk werd gejaagd? Maar weten kunt gij het niet
hoe ik mij dáár ergerde aan de kale wanden, aan 't gekrijsch dat men
psalmgezang heette ter verheerlijking Gods, en hoe ik er mijne studie
van maakte om op te tellen hoeveel malen dominé Willems _dezelve_ had
gezegd, op zulke wijze dat ik thuis komende den tekst vergeten had
en moeder mij voor een botterik schold en de gewone profetie uitte:
»dat er nooit iets goeds uit mij groeien zou," maar dat gleed over
mij heen en ik had een eeredienst op mijne eigene hand. Toen ik voor
't eerst in de Antwerpsche Cathedrale trad, sprak de plechtige stilte
in die hooge, grootsche zuilengangen zoo aangrijpend tot mijn gemoed,
dat ik zonder zelf te weten wat ik deed de knieën boog en het hoofd
liet neerzinken op de kille steenen, in aanbidding verzonken; o! het
was mij of eene geestenstem mij toefluisterde: Hier woont de Heilige,
de Ongeziene. Ik bekwam eerst van die zielsverrukking, toen een
stroom van tranen mij lucht gaf. De _suisse_, die eerst in mij een
gewonen bezoeker of een nieuwsgierige had gezien, meende nu dat ik
een groot zondaar was die penitentie kwam doen; hij tikte mij op den
schouder en wees mij de kapel waarop dit oogenblik gelegenheid was om
te biechten. Het scheelde niet veel of ik had er gebruik van gemaakt,
maar de man zelf bedierf het weer voor mij door mij tot haast aan te
zetten, in termen die mij geheel ontnuchterden! Gij begrijpt dus,
dat ik mij in den zielstoestand, waarin ik mij toenmaals bevond,
liet aantrekken door het lieve eenvoudige dorpskerkje, en er met
zekere devotie den dienst bijwoonde, en zelfs nadat ik de kennis
van den jongen pastoor had gemaakt, zijne hartelijke toespraken,
naar aanleiding van 't Evangelie, met belangstelling aanhoorde. Ze
hadden zoo niets van den gewonen preektoon, die mij bij ons altijd
zoo geërgerd en verveeld hadden."
»Er vielen dus geen _dezelves_ op te tellen," merkte Frits aan met
een glimlach.
»Mogelijk wel, maar _ik_ lette toen op wat anders. Die pastoor Alberts
was een man van smaak, van kennis, van beschaving. Hij had zijne
studies gemaakt in Frankrijk in een collegie der Orde van Jezus, daar
men in zijne familie zeer tegen het Gentsche collegie was gestemd; maar
hetzij hij dit aan het onderwijs der Orde dankte, of aan eigen inzicht,
hij was zeer liberaal, en had begrippen en gevoelens waarmee ik het
best kon vinden. Ik zette voorop dat ik niet tot zijne kerk behoorde en
ook niet aan overgang dacht; hij begreep dat in mij, en onthield zich
van rechtstreeksche aanmaning om daartoe te komen, hoewel hij nooit
verzuimde mij de instellingen en de plechtigheden zijner Kerk voor te
stellen in dat zekere poëtische en mystieke licht, dat mij het meeste
moest aantrekken. Toch kwam het mij voor dat hij zelf veeleer hunkerde
naar mijne vrijheid, dan omging met het opzet om die te kluisteren
in den kerkelijken band. Hoe dat ook zij, wij zagen elkander veel
en praatten over alles; hij had de kunst lief en kwam mij somwijlen
bezoeken in mijn atelier, en toen de rentmeester mij verwittigd had,
dat de bibliotheek van het kasteel tot mijne dispositie was, bood hij
zich aan om mijne lectuur een weinig te regelen, en mij behulpzaam te
zijn in de keuze dier boeken die het meest geschikt waren te mijner
ontwikkeling en beschaving. Historie, aardrijkskunde, fraaie letteren,
poëzie, geschiedenis der schoone kunsten, prachtige plaatwerken, er
was van alles voorhanden van de beste auteurs, nieuwere zoowel als
oudere, meestal in de Fransche taal, die ik machtig was geworden,
en waar ik op Latijn of Italiaansch stuitte, kwam hij mij te hulp;
zoo brachten wij onze avonden door en de helft mijner nachten werd
er ook meestentijds aan geofferd, want toen ik zelf een weinig thuis
geraakt was in dat alles, bepaalde ik mijn onderzoek niet meer bij
zijne aanwijzingen; mijne onwetendheid had mij altijd gehinderd, en
deze gelegenheid om mijn dorst naar kennis te lesschen, was zoo rijk,
zoo eenig tevens, dat ik er alle mogelijke winst mede doen wilde,
hoewel dat niet zijn mocht ten koste van mijn werk, waaraan ik
geregeld mijne voormiddaguren wijdde, daar ik mij verplicht achtte
de schilderij in den kortst mogelijken tijd te voltooien; toch was
de gansche Septembermaand er mee verloopen zonder dat ik het zelf wist.
»Ik had geen dagen, geen weken geteld en onder dit gelijkmatige,
rijk vervulde leven vervloog de tijd als in een droom, maar een droom
die mij in de werkelijkheid rijke winst had aangebracht; toch werd ik
daaruit zeer onzacht opgeschrikt toen de rentmeester mij op zekeren
morgen begroette met de tijding dat de Prins in de eerste helft van
October op het kasteel werd gewacht om er met eenige vrienden het
jachtseizoen door te brengen. Hij zelf scheen zeer in zijn schik met
dat vooruitzicht.
»Nu gaat het hier weer druk en vroolijk worden," sprak hij
opgeruimd. »Morgen komen reeds de equipages en de paarden, de piqueurs,
de palfreniers en het geheele personeel voor den dienst van den stal
en de jacht! Zeker worden er ook aanzienlijke dames verwacht, want
de staatsie-vertrekken en de mooiste logeerkamers moeten in orde
gebracht worden. De Prins is ongetrouwd, maar zijne zuster mevrouw
de gravin de V. neemt de _honneurs_ waar bij zulke gelegenheid, en
gij zult wat zien, dat niet alle dagen te kijk is, dat beloof ik u,
mijnheer! Alles wat België schoons, edels en voornaams heeft, zal
hier, om zoo te spreken, af- en aangaan. Wie weet of we hier zelfs
geen leden van het Voorloopig Bewind krijgen...."
»Dan wordt het hoog tijd dat ik aftrek," sprak ik met een zucht, bij
de gedachte dat het nu uit was met mijne rust, en ik had een gevoel
of ik uit het paradijs verjaagd werd. Reeds had ik het mij zelven
gezegd dat ik veel te lang gebruik had gemaakt van de gastvrijheid des
prinsen en nu kwam het mij voor dat deze mededeeling mij gedaan werd,
als eene beleefde aanmaning om te vertrekken; ik besloot dus reeds den
volgenden dag naar Parijs terug te keeren, en gaf dit den intendant
te kennen, maar hij wilde daar niets van hooren. »De Prins rekent er
op u nog hier te vinden," sprak hij; »ik verzeker het u, en het zou
monseigneur zeer teleurstellen, zoo gij vertrokken waart, dat zou mij
mogelijk in verdenking brengen, u eenige reden tot ontevredenheid te
hebben gegeven."
»Gij weet zelf wel beter, mijn goede mijnheer Begiers! maar blijven,
drommels! dat gaat niet, ik wil liefst weten hoe mijn werk bevalt,
eer ik mijn persoon aan die voorname lieden opdring. Ik zal mijne
schilderij hier laten en..."
»Heengaan als hij komt, dat zal monseigneur als eene onbeleefdheid
opnemen!" hernam de intendant het hoofd schuddende; en hij had gelijk,
dat was erg genoeg! heengaan zonder zulk een loyalen gastheer te
bedanken. Ik zou dan blijven, maar niet zonder groote beklemdheid des
gemoeds nam ik dat besluit. In het atelier van mijn meester en naar
aanleiding van werk, van portretten, had ik reeds genoeg aanraking
gehad met heeren en dames uit de groote wereld, maar dat was geen
verkeer, geen samenzijn, geen gemeenzame omgang boven al, mijn toon,
mijne manieren, alle gewoonten die ik aangenomen had en die ik maar
niet zoo op eens zou kunnen veranderen, waaraan ik vroeger nooit had
gedacht, kwamen mij op eens zoo ongeschikt, zoo onbehagelijk voor;
juist hier waar ik zooveel geleerd had, begreep ik hoe weinig ik wist,
hoeveel mij ontbrak; die aanzienlijken hadden dit alles van kind
aan geleerd, zij wisten alles, zij hadden leiding, opvoeding gehad,
ik was opgegroeid als het onkruid, zonder wieden, al was het niet
zonder trappen. Het is waar, ik had gedaan wat mogelijk was, ja zelfs
bijkans het onmogelijke om door inspanning van alle krachten mij zelf
te vormen, te ontwikkelen, te beschaven; maar toch, het kon niet anders
die anderen zouden mij ruw en ongemanierd vinden of stijf en linksch,
en de gedachte dat zij mij uitlachen zouden, was mij onverdragelijk. De
Prins zelf, als hij in 't atelier kwam met den grooten meester de la
Croix, had zich altijd met de meeste voorkomenheid en gemeenzaamheid
jegens ons gedragen. Mij vooral bleek hij onderscheiden en in gunst
genomen te hebben; maar nu hier, in zijn eigen kasteel, te midden
zijner hoogaanzienlijke gasten, hoe zou hij mij nu bejegenen? Zou hij
hoog en vreemd tegen mij zijn? De anderen, dat berekende ik vooruit,
de anderen zouden zich naar hem richten. Hoe zou hij het instellen,
dat was de kwestie. Ik moest het afwachten. Ik besloot mij zooveel
mogelijk op den achtergrond te houden en mij te onderscheiden door
terughouding. Wie met mij te doen wilde hebben moest tot mij komen,
dat was mijne tactiek om terugzetting te vermijden. Ik begeerde geene
gelijkstelling, ik was nu eenmaal niet van de hunnen noch verlangde
dat te zijn, maar ik begeerde achting, achting voor mijn talent omdat
God het mij geschonken had, mij door allerlei leiding en bestiering
gelegenheid had gegeven het te ontwikkelen, en omdat ik er voor
gestreden en geleden had, om het in eene kunst, zoo grootsch, zoo
heerlijk als de mijne, tot zekere hoogte te brengen, al ware het nog
maar op den eersten trap, terwijl zij, rijken en grooten, niets hadden
gedaan dan geboren worden om te zijn wat zij waren; achting wilde ik
voor den kunstenaar, al was hij doodarm en uit de laagte gekomen, al
miste hij wereldkennis en den toon _du beau monde_, en zoo ik bemerkte
dat zij mij voor de aardigheid met overgemeenzaamheid behandelden
als hun speelpop, als hun _clown_, dan,--maar dan was het toch altijd
vroeg genoeg, om mij te toonen en--heen te gaan! nam ik mij voor....
»Misschien lacht gij om mijne pretenties, Frits! gij die weet wat
Piet Snibs was in de woning zijner moeder?"
»Neen, Piet! geloof mij, ik lach _niet_" sprak Frits ernstig, »juist
omdat ik dit alles weet, treft het mij te meer u zóó te leeren kennen."
»Dan zult gij ook begrijpen dat ik, die met de grootste tevredenheid
en zonder van ontbering te klagen, daar ik mijne behoeften tot
het minst mogelijke weet te bepalen, in de armste boerenhut mijn
kost zou hebben besteld, zoo de Prins vergeten had orders te geven
omtrent mijne tafel, dat ik, voor wien het dagelijksch maal bij den
rentmeester werkelijk eene soort van weelde was, dat ik besloten had,
het mij niet te laten welgevallen zoo de Prins bij zijne komst op het
kasteel met zijne overige gasten, wie ze dan ook zijn mochten, mij
aan de tafel van een zijner onderhoorigen liet; ik zou niets hebben
gezegd, maar ik zou weggegaan zijn en hem de reden van mijne vlucht
hebben laten uitvinden, al had het mij ook zijne bescherming, al had
het mij ook mijne fortuin gekost. Wie arm weet te zijn, behoeft niet
laag te wezen, is mijn devies. Vindt gij dit buitensporig zelfgevoel,
kleingeestige ijdelheid, master Wilkinson?"
»Integendeel, ik vind dat gij gelijk hadt met uwe waardigheid als
kunstenaar op te houden; wie zich zelf weggooit, verdient dat men
hem vertreedt; en hoe is het er mee afgeloopen?"
»Heel goed! er was geene kwestie van 't geen ik vreesde. Dames kwamen
er vooreerst niet, de Prins was de beminnelijkheid en voorkomenheid
zelf. Hij bracht mij terstond met zijne gasten op zulken voet waarop
ik noch voor terugzetting behoefde te vreezen, noch voor een relief
ten koste van mijn karakter; en toen de dames kwamen was ik al zoo
goed op mijn dreef, dat ik zonder aarzelen den wenk der gastvrouw
opvolgde om eene douairière den arm te bieden en aan tafel te
geleiden. Verbeeld-je, Frits! Piet Snibs die eene statige Belgische
gravin met een fluweelen japon, en een toque met veeren op, aan den
arm heeft, naar hare plaats voert, zijne buiging voor haar maakt en
zich naast haar neer zet!" en de malicieuse jonge schilder, die het
toch al niet langer op zijn stoel had kunnen houden, maar bijkans
alles wat hij vertelde door gestes en drukke bewegingen _en action_
bracht, parodiëerde nu zich zelf met eene kluchtige mimiek en eindigde
met eene diepe reverentie te maken voor zijn eigen leegen stoel.
Wilkinson schoot in een gullen lach, terwijl hij sprak: »Ik zou
»bis!" roepen, maar gij hebt ons nog meer te vertellen, en dus ik
onthoud mij."
»Maar ik moet tegenwerpen, dat gij toch Piet Snibs niet meer waart,
althans niet dien ik gekend heb, je hadt toen zeker je naam ook
al verfranscht?"
»Ja, dien had ik al zoo wat verhanseld, toen ik nog te Antwerpen op
de academie ging."
»Te Antwerpen op de academie! Hoe zijt gij daar gekomen?" vroeg Frits;
»gij begrijpt, ik weet niets van u dan het algemeene praatje, dat
gij op een mooien dag weggeloopen waart en dat niemand wist waarheen."
»Dat was ook niet noodig; ik had langs omwegen mijn weg naar den
Haag genomen, om mijnheer N., de kunstschilder, op te zoeken, die
mij zijne hulp had toegezegd; maar hij kon mij niet in de residentie
houden, omdat hij den schijn niet wilde hebben een minderjarige aan
zijne moeder te ontvoeren; alleen gaf hij mij recommandaties voor den
directeur van de Antwerpsche academie en andere invloedrijke personen
aldaar, en ik moest zelf maar zien hoe er te komen, hij wilde er niet
mee te doen hebben; dát was voor mij de zwarigheid niet en _toen_ ik
er kwam, vond ik van alle kanten hulp en bijstand, daar had N. voor
gezorgd. Te Antwerpen waren er meer die zich uit het niet moesten
opworstelen zooals ik, en wij legden de handen ineen om elkaar _envers
et contre tous_ te helpen en voor te staan en intusschen te wedijveren,
wie er door zijne vlijt en zijn talent het eerst en best komen zou. Zij
noemden mij altijd Pierrot en daar dit mij ergerde om de glossen die er
telkens op vielen, maakte ik er Pierrotain van. Mijn werk echter wilde
ik zóó niet teekenen, er was een ander merk dat het dragen moest; de
consciëntie gaf mij dat in, het was als een zoenoffer aan haar, tegen
wier wil ik was wàt ik was. _Et voilà!_ Meestal noemen de kameraden
mij kortheidshalve Cham, maar het begint mij nu te vervelen; ik weet
daarbij dat moeder nu vrede zou hebben met mijne handelwijs, wie weet
of ik nog niet weer eens wat anders bedenk! En gij, Frits! laat me nu
ook eens iets van uwe _faits et gestes_ hooren; hebt gij nogal altijd
zooveel tegen dien schitterenden bijnaam of hebt je dien _bravement_
geaccepteerd en geïllustreerd, zooals ik het in uw geval zou gedaan
hebben. Ik zou de lachers en smalers gedwongen hebben er zich blind
op te staren, niet op de millioenen, dàt spreekt wel vanzelf; een
schilder, al verdient hij nog zooveel, kan nooit millionair worden
uit zeer verklaarbare oorzaken. Wij kunnen noch leven noch rekenen als
_épiciers_; maar uw talent, je hebt toch talent, Frits! al verschillen
wij in opvatting, wat hebt gij er mee gedaan? Kom, biecht eens op!"
»Ik heb niets te zeggen, Piet! niets, ik ben van de kunst af,
ik.... ben mislukt," viel Frits uit, die onder de laatste woorden
van Piet nu eens gloeiend rood, dan weer doodsbleek was geworden;
die geaarzeld had tusschen toorn en smart, tusschen kwalijk nemen en
rond voor de waarheid uitkomen, en die nu ten laatste aan de zucht
om waar te zijn, en zich uit te storten geen weerstand kon bieden.
»Domkop, ellendeling, die ik ben!" riep Piet met tranen in de oogen,
terwijl hij zich voor het hoofd sloeg; »ik had die snaar niet moeten
aanroeren, ik had bescheidenlijk moeten wachten tot uw tijd van
confidenties dáár was. Vergeef mij!" En hij bood hem de hand, die
Frits nam en hartelijk drukte.
»Gij hebt geene schuld, gij zult alles, alles weten, maar later; toch
is het goed dat gij _dit_ weet, het maakt onze verhouding meer helder."
»En nu weet ik wat te vermijden om u geen leed te doen?"
»O, neen, neen! alles is nu goed en op het beste voor mij uitgevallen;
ik word industrieel, dat is _mijne_ vocatie, en ik ga naar Engeland
met master Wilkinson."
»We gaan eerst naar Schotland, mooie natuur en mooie kunst zien,"
sprak deze opgeruimd; »en dan, wie weet wat er dan nog uit volgt."
Frits haalde met een droeven blik ongeloovig de schouders op.
»_Brisons là dessus!_" sprak Wilkinson, »en laat ons de toekomst niet
vooruitloopen. Master Pierrotain! wij lieten u daar veel te lang aan
tafel zitten, hoe liep het met uwe partij af?"
»Uitnemend!" hervatte Piet, die den wenk begreep, »de Prins had mij
niet voor niet tot den _partner_ gemaakt van die dame, ze praatte graag
en druk, zij had nog »lieve souvenirs" van Holland; haar echtgenoot
had indertijd een hoogen rang bekleed aan het Hof van Koning Willem;
zij regretteerde zeer de verschillen die er gerezen waren tusschen
de Noordelijke en Zuidelijke staten; zij vreesde dat de afscheiding
onherstelbare vijandschap zou zetten tusschen haar zelve en hare
vrienden, hare relatiën die zij nog in Holland had; zij had er zelfs
nog bezittingen al van overouden tijd, die hare tegenwoordigheid
of die van haar broeder noodig zouden maken, maar hoewel zij voor
zich onschuldig was aan de gebeurtenissen, zij wist _qu'elle serait
mal vue à la Cour_, en ze moest er alles door zaakwaarnemers laten
afdoen! Voor 't geval ik naar Holland weerkeerde, moest ik haar
waarschuwen; zij zou dan de vrijheid nemen mij eenige commissies op
te dragen, en zij wist zeker dat haar broeder, Monseigneur de M. mij
zulke diensten volgaarne reciproceeren zou door recommandaties aan
zekere personen van invloed, waarmede hij voortdurend in betrekking
was gebleven." Het was aardig te hooren hoe vaardig Piet den toon
der aanzienlijke babbelaarster imiteerde.
»Ik antwoordde dat ik tot mijn spijt de _bienveillance_ van Monseigneur
de M. niet verdienen kon, daar ik in gelijke _position délicate_
was tegenover mijn vaderland, al was het uit verschillende oorzaak,
dat ik niet naar Holland dacht weer te keeren, dat ik mij zelfs niet
verder in België zou begeven dan 't kasteel van mijn gastheer en dat
ik welhaast naar Parijs dacht te gaan."
»_Eh bien! ce sera pour une autre fois_," zei ze geresigneerd, en begon
over Hollandsche kunst en kunstenaren, waarvan ik natuurlijk niets had
gehoord of gezien; maar dat deed er niets toe, ik liet haar praten,
wierp er van tijd tot tijd een woord tusschen dat haar moest voldoen
en verder brengen, met dat gevolg, dat zij, toen wij van tafel gingen
»geënchanteerd was van mijn gezelschap" en zich later, zooals de Prins
mij ondeugend genoeg meedeelde, _toute émerveillée_ bekende over mijn
_savoir vivre_, en mijne fijne manieren! _Terre et ciel_! mijn _savoir
vivre_! Het bestond alleen hierin, dat ik mij zelf trachtte te zijn
en volstrekt niet mijn best deed om de hunne na te volgen, dat mij
toch slecht afgegaan zou zijn, en alleen stijf en onnatuurlijk zou
gemaakt hebben. De Prins wist dat ik er zoo over dacht en amuseerde
zich dus niet weinig met de _clairvoyance_ van zijne _illustre_ nicht,
die toch eene beste vrouw was, zooals gij later hooren zult."
»Maar hoe ging het met je kostuum?" vroeg Frits, die werkelijk geheel
van zijn eigen leed was afgeleid.
»O! opperbest, dàt was _en règle_. Ik _wist_ waar ik heen ging, toen ik
Parijs verliet; de zwarte rok, die dwaasheid van de negentiende eeuw,
waar de heeren elkaar zoo bitter mee plagen, was niet verplichtend,
was nauwelijks geaccepteerd in een gezelschap, dat voor de jacht
buiten was. Ter eere van de dames werden er 's middags elegante
fracs aangedaan, en ik had er mij juist een laten maken eer ik
Parijs verliet. In _lingerie_ was ik niet rijk, maar de vrouw van
den rentmeester hielp dat zoo wat voor mij in orde houden, en op het
punt van glacé handschoenen was ik uit mij zelven keurig. Aan het
diner was ik dus onberispelijk; ik verschoonde mij van de jacht en
wie mij over dag in mijn atelier bezocht, moest het met mijne blouse
voor lief nemen, en daaraan haperde het dan ook niet! _La blouse
est bien portée_, in onzen tijd, en wie er ook anders over dacht,
zou het toch niet durven toonen!"
»Ja! die verwenschte blauwkielen, ik begrijp niet hoe gij het onder
hen hebt kunnen uithouden," viel Frits uit.
»Mij dunkt, ik heb toch getracht u dat duidelijk te maken," hernam Piet
glimlachend; »maar dat gij, Hollander in uw hart, u daaraan ergert,
dàt begrijp ik heel best; ieder zingt het »_Amour sacré de la Patrie_"
op zijne eigene wijze. Wat mij betreft ik ben cosmopoliet. Mijn
vaderland is waar men de kunst liefheeft, den kunstenaar waardeert en
gastvrij behandelt, en op dát punt heb ik alle reden om de liefste
en dankbaarste herinneringen te houden van België en den Belgischen
adel; ik zou snoode ondankbaarheid plegen met anders te spreken;
want aan dat kringetje, aan dàt verblijf dank ik allerlei groote en
kostbare voorrechten, dank ik allereerst dat de eene groote wensch
mijner ziel zal vervuld worden, dat ik naar Rome ga, in een woord...."
»Gij gaat naar Rome!" riep Frits in verbazing.
»Ja! daar is gezorgd dat ik drie, vier jaar in Italië kan reizen,
zonder dat ik van mijn werk behoef te leven; hoe vindt gij dat?"
»Miraculeus! Gij zijt een gelukskind, en dat alles
zonder.... nevenbedoeling?"
»Och! weg met de nevenbedoeling, dat nog een leelijk woord is
bovendien, om van den leelijken argwaan niet te spreken. De Prins
d'A. is de man die voor mij deze zaak op het touw wist te zetten,
en die mij juist in dien kring had voorgesteld om tot dat doel te
geraken. Van de zijde der regeering was op dat oogenblik niets te
wachten, noch te vragen voor mij. Maar door zijne vrienden voor mij
te interesseeren, door zelf edelmoediglijk het voorbeeld te geven
verkreeg hij wat hij wilde. Een van de aanwezige heeren ging op
last van 't Voorloopig Bewind met eene geheime zending naar Parijs
en daar ik er nog werk had af te maken, nam ik zijn voorstel aan
om met hem mee te reizen; ik geloof dat hij den kunstenaar als een
masker gebruikte om het doel van den diplomaat er onder te dekken;
hoe dat zij, op verlangen van den Prins liet ik mijn Stefanus in zijne
galerij achter; hij zelf kocht die niet, omdat hij beproeven wilde
welke fortuin de schilderij zou maken op de eerste tentoonstelling de
beste, die er in een der hoofdsteden zou gehouden worden. Dat kon nog
wel lang duren, maar het was niets; in Parijs had ik _ressources_
om er te leven zooals ik _leven kàn_ als 't noodig is. In mijne
afwezigheid waren de gemoederen mijner kameraden wat bekoeld; ze
begrepen dat het ernst was met de Juli-regeering, ze schikten zich
in de orde; ze waren misschien zelf vergeten wát ze gewild hadden en
waren getroost weer aan 't werk getogen; niets verhinderde mij dus
het mijne te hervatten. Ik had nog een portret in den steek gelaten
van een majoor der nationale garde, die in uniform wilde poseeren,
maar in die dagen van algemeene beroering was hij geen oogenblik
zeker van zijn tijd; nu was het rustiger en ik volbracht die nobele
taak tot zijne satisfactie, niet tot de mijne, want niets is minder
schilderachtig dan een burgerman in een soldatenpak; maar _il faut
passer par là_, ieder beroep heeft zijne misères, en al was er geen
stof tot een kunstwerk, ik pleegde daarmee geene laagheid! En het
was goed ook dat ik deze gelegenheid om geld te verdienen niet had
versmaad; want er verliepen verscheiden maanden eer ik iets hoorde
van den Prins en zijne vrienden. Eindelijk in 't begin van Maart
kreeg ik een eigenhandigen brief van hem, waarin hij mij meedeelde,
dat ik mijn tocht naar Italië kon beginnen zoo ras ik zelf wilde;
dat Monseigneur de bisschop van L. mijne schilderij had gezien op de
Gentsche expositie en deze koopen wilde, om er zekere Hollandsche
dorpskerk mee te begiftigen, waarop hij eene innige geestelijke
betrekking had. De Prins vond de bestemming wel niet schitterend,
maar de som die er voor geboden was klonk zoo goed, dat hij het mij
in overweging moest geven; zoo ik toestemde moest ik naar Brussel
komen, waar de Prins nu zijn verblijf had en waar Monseigneur zelf
zich dezer dagen ophield.
»Acht duizend _francs_ voor eene schilderij, die maar eene proefneming
was in het genre; ik kòn niet weigeren, en ik vroeg mij zelven af
of ik niet behoorde af te dingen; maar de Prins stelde mij gerust
toen ik hem dat zeide. De Bisschop _moet_ zoo duur betalen, zeide
hij, omdat hij u door het in dien Hollandschen achterhoek te steken
berooft van alle eer en alle genot, die gij er verder van hadt kunnen
smaken; dus ik liet het mij welgevallen, ditmaal bood de Prins zich
niet als mijn gastheer aan. Hij had het zelf druk met de publieke
zaken, waarin hij de hand had, en wilde mij mijne vrijheid laten,
om kunstenaars en vrienden op te zoeken en met hen te verkeeren;
maar hij noemde mij den dag en het uur waarop hij altijd voor mij te
spreken zou zijn, en eindigde nog met een diner te geven voor mij en
enkele kunstbroeders. Nu! in Brussel is men niet verlegen wáár in te
trekken! Daarbij was mevrouw de Douairière de V. er woonachtig. Ik
ging haar mijne opwachting maken, daar ik wist dat Monseigneur haar
broeder er logeerde. Ik werd geïnviteerd om met hen te eten, _en petit
comité_. Ik liet een zwarten rok maken, Frits! wees er gerust op,
en bij die gelegenheid deden zij mij den voorslag om de schilderij
zelf naar Holland te brengen. Het dorpje V. lag zóó dicht bij mijne
geboortestad; het zou de goede gemeenteleden zooveel pleizier doen
eens iemand te spreken, die hunnen voormaligen pastoor kende en die
zijne groete overbracht.
»Ik behoefde nu immers geene tegenkanting meer te vreezen van de
zijde mijner familie?--vroeg zij mij.
»In alle geval en op iedere wijze ben ik nu geëmancipeerd van
het moederlijk gezag," was mijn antwoord; en ja, nu dit alles zóó
samentrof, vond ik het denkbeeld aardig om op déze wijze in mijn
vaderland weer te komen. Ik schreef naar E. om narichten omtrent
mijne moeder. Ik kreeg antwoord van een vader, waar ik nooit van
had gehoord! Moeder was hertrouwd en sinds overleden. Maar de brave
stiefvader noodigde dringend tot mijne overkomst, _et me voilà_!
»Daar heb je nu het heele mysterie; zooals je klaar zien kunt, steekt
er geen priesterlist noch Jezuïeten-intrige achter. De Prins vooreerst
en om u gerust te stellen is Voltairiaan en wat mij betreft, het is
mogelijk dat ik onder het majestueuse koepelgewelf van St. Pieter
mij als door onweerstaanbare macht tot de Kerk voel getrokken; het
_is_ mogelijk dat ik Rome verlaat als een gehoorzaam zoon van den
Paus; maar als dát geschiedt, zal het zijn uit volle overtuiging,
uit eene behoefte van overgave des harten, niet door aandrang van
buiten, allerminst omdat men aan mijne kunstreize eene voorwaarde van
dien aard verbonden heeft; liever dan mij die te laten opleggen en
mijne zedelijke vrijheid gevangen te geven, zou ik de Eeuwige Stad
nooit willen zien, of haar trachten te bereiken, zooals de vrome
bedevaartgangers van den ouden tijd, voetje voor voetje met den
knapzak op den rug. En nu, dunkt me, hebben wij al zóólang gezeten,
master Wilkinson, dat het tijd wordt voor de wandeling, die gij ons
beloofd hebt!"
»_Wij_ hebben gezeten, dat is waar," antwoordde Wilkinson lachende;
»maar gij hebt gelijk, ons rijtuig komt te elf ure voor, master
Rosemeijer is nog niet in de lucht geweest en wij moeten nog wat
rondloopen in dat mooie bosch, zooals ik mij heb voorgesteld!"
Wij vergezellen hen niet op die wandeling, die ongetwijfeld tot
aller voldoening werd volbracht; want toen zij terugkeerden liep Sir
Reginald alleen vooruit met den vasten, stevigen stap, hem eigen,
en zag van tijd tot tijd met een vergenoegd gelaat om naar de beide
oude kameraden, die het wat langzamer opnamen en die arm in arm
voortliepen onder een druk opgewekt discours, waarbij Frits zelf van
tijd tot tijd in een gullen lach uitbarstte.
»Jammer dat die twee scheiden moeten," mompelde Sir Reginald
halfluid. »Jammer dat Frits niet naar Rome wil, of dat ik _master_
Cham niet met ons mee naar Schotland kan krijgen."
Maar er was niets tegen te doen, scheiden moesten zij, na elkander
eigenlijk voor het eerst gevonden te hebben.
Precies te elf ure kwam er door de zorg van Baptiste Meijer eene
elegante barouchette voor, waarin Frits plaats nam naast zijn
Engelschen vriend.
Monsieur Pierrotain-Cham liet hen heentrekken, na een hartelijk
afscheid en wuifde hen toe met zijn hoed zoolang zijn oog ze kon zien.