Frits was in zijn logement teruggekomen, hij wist zelf nauwelijks hoe,
want hij was dus in gedachten verdiept voortgegaan, dat hij langs
het huis van Verburg voorbij was geloopen, zonder het te weten, ook
zonder door iemand herkend te zijn, althans zonder eenige ontmoeting
waaruit dit bleek. Ten deele voelde hij zich van een last verlicht. Aan
Claudine was nu eene schitterende maatschappelijke positie verzekerd;
hij was dus niet de hinderpaal geweest, die hetgeen mijnheer Verburg
haar »geluk" noemde in den weg stond. Zij waren nu beiden voor elken
terugval, voor elke zwakheid bewaard. Dat zij dezen stap had kunnen
doen, reeds nù, het sneed hem door de ziel, maar toch--had hij zelf
haar niet het eerst afgestaan, al was het met een bloedend hart;
moest zij zich niet vrij achten sinds hij er met zooveel ernst op
aangedrongen had dat zij haar plicht zou doen jegens haar vader. Zij
had naar dien raad geluisterd, wellicht had die haar over de laatste
aarzeling heengeholpen. Zie! alles was nu immers zooals het behoorde,
hij kon zich vrijer voelen, behoefde niet meer gebukt te gaan onder de
zware verantwoordelijkheid, onder de pijnigende bijgedachte, dat hij
haar aan een leven van onbevredigde wenschen overliet. Zij zou niet in
eenzaamheid hare jeugd zien verkwijnen; alle genietingen des levens die
door Indische schatten konden aangebracht worden, zouden de hare zijn;
zij zou ten minste dat uiterlijk geluk bezitten, dat door zoovelen
voor het eene noodige werd gehouden, en dàt, zelfs waar het gering
geschat werd, bij het bezit, zijne waarde had voor hen die wisten wat
ontberingen en zorgen te beteekenen hadden. Dat zou Claudine nooit
weten! Dat moest hem tot troost zijn, hem die er al het drukkende
van kende. Maar al trachtte hij zich dus te troosten, al wilde hij
het zich zelf opdringen, dat hij nu reden had om kalmer te wezen,
om zich verlicht te voelen, telkens kwam toch de gedachte weer boven,
dat Dientje, zijn eigen lieve Dientje, opgeofferd werd; dat zij bij
allen uiterlijken glans ongelukkig moest zijn, en dat hij daarvan de
schuld droeg. Hij, die haar broeder, haar leidsman had willen zijn,
zelfs al had hij niet haar geliefde mogen wezen; wat was hij nu voor
haar geworden? Niets, indien maar niets; hij moest het nu hopen,
al kwam al de teederheid van zijn eigen hart tegen dien wensch op.
»Moet er van middag op eten gerekend worden voor meneer?" met die vraag
van den kastelein werd Frits op eens uit zijn somberen gedachtenkring
gerukt en tot de platste realiteit teruggebracht."
»Als ik hier blijven moet," antwoordde hij, nog niet recht bij de
kwestie, in eenige verwarring.
»Dat zal wel uitkomen, de diligence rijdt niet voor zessen."
»Wordt hier table d'hôte gehouden?" vroeg Frits die zijn best deed
om zich in de situatie van 't oogenblik te voegen.
»Neen! daar doen we hier niet aan. Met veemarkten en in de kermis is
er een open tafel voor het boerenvolk en toen we nog garnizoen hadden,
in plaats van dat miserabele troepje soldaten dat bij het magazijn de
wacht betrekt, was hier eene officierstafel, en ze waren tevreden,
want ik heb eene goede kokkin--al zeg ik het zelf. Maar wat helpt
me dat nu, de commis-voyageurs,--als ze er zijn, maar dit jaar zijn
die ook al schaarsch,--de commis-voyageurs vragen hun biefstuk met
aardappelen en daarmee pas. Heeren zooals die Engelschman en meneer
komen er geen drie in de maand! Als nou meneer het schikken kon om
met den Engelsman mee te doen die nog hier is--want hij kwam te laat
voor de diligence--en die tusschen twaalf en half een zijn tweede
ontbijt gebruikt, dat hij _luns_ noemt, en daar we weer wat warms
voor moeten maken, dan zou dat best uitkomen...."
»Schik het zooals gij wilt, dat is mij hetzelfde," viel Frits in om
er af te wezen.
»Nou daar doet meneer mij een dienst mee, want mijne keukenmeid moet
van middag assisteren bij de Verburgs; daar is een diner, de juffrouw
gaat trouwen."
Frits sprong op of een wesp hem gestoken had; moest hij dan ieder
oogenblik opnieuw en door iedereen aan zijn leed herinnerd worden.
»Kan je me geen rijtuig geven tot halfweg?" vroeg hij op eens met
een plotseling besluit.
»Ja dat kàn wel, maar we doen het niet graag, weetje, om de diligence;
als wij die benadeelen dan doen zij 't ons ook!"
»Wat moet het kosten?" vroeg Frits dringend, zonder zich om die
praatjes te bekommeren.
»Als meneer zoo'n haast heeft, tien gulden!"
»Alleen naar halfweg, dat's afzetterij! maar dat doet er niet toe,
laat inspannen," hernam Frits, die op dit oogenblik alles wat hij
bezat zou gegeven hebben om onverwijld weg te komen, om met zijne
smart en zijne eigen gepeinzen alleen te zijn.
De kastelein, verbaasd dat hij het slechte akkoord aanging, haastte
zich echter langzaam om het ten uitvoer te leggen; hij liet Frits
alleen als om diens bevel op te volgen, maar begaf zich naar de
keuken om daar aan te zetten tot spoed met het déjeuner dinatoire
voor den Engelschman bestemd, in de verwachting dat ook de andere logé
daaraan deel zou nemen. Maar toen dit opgedischt werd, beweerde Frits,
wiens ongeduld zich zóó niet paaien liet, niets noodig te hebben dan
zijn rijtuig; met eten of drinken zou hij zich niet ophouden. Bij
die verzekering glimlachte de kastelein, terwijl hij ongeloovig het
hoofd schudde en de gelagkamer verliet.
Toen de vreemdeling binnentrad en zich tegenover Frits neerzette,
nam deze _par manière de contenance_ eene courant in handen en
ging druk lezen, hoewel hij moeite zou gehad hebben om te vertellen
wat hij eigenlijk las. De vreemdeling at zijn biefstuk, zijne ham
en zijne ommelette, met de gemakkelijkheid en den spoed die de
Engelschen karakteriseert; tegelijk zag hij de rekening in, die
men hem voorgelegd had, en het was blijkbaar dat hij zich afgezet
geloofde, uit het misnoegde gezicht dat hij trok en de minachtende
geste waarmede hij het stuk papier ter zijde wierp.
Frits die zijne krant nu wel al driemaal had kunnen doorlezen, en
nog niets van het rijtuig merkte, kon zijn ongeduld en misnoegen niet
langer verbergen. Hij begon heen en weer te loopen, bekeek de armzalige
prulplaten die de zaal heetten te versieren, en kon zelfs geen glimlach
krijgen over de merkwaardige lotgevallen van de schoone Genoveva, hoe
comisch-tragisch ze daar ook waren voorgesteld. Ten laatste trok hij
driftig aan de schel, en toen de kastelein in eigen persoon verscheen,
hield hij hem zijn horloge voor en sprak met ingehouden toorn:
»'t Is nu al drie kwartier geleden dat ik je rijtuig heb besteld en
daar komt nog niets."
»Kan ik het helpen! de kales is uit en komt eerst te vier ure weerom,
en daar hoor ik in den stal dat de Engelsche heer de berline heeft
genomen, die komt zoo aanstonds voor; wij hebben nu niets anders dan
de trouw- en begrafeniskoets, daar zal je toch niet van gediend?"
Frits stiet eene verwensching uit die zoo sprekend was, dat men
de taal niet behoefde te verstaan, om dien kreet van ergernis en
verontwaardiging te begrijpen. Aan den vreemdeling die sinds lang mes
en vork had weggelegd, en zijne aandacht op Frits had gevestigd, was
de _scène_ tusschen dezen en den kastelein natuurlijk niet ontgaan,
en hij vertolkte dan ook juist en vaardig diens toornigen uitval,
zooals bleek toen hij het woord tot hem richtte in gebroken Fransch:
»_Mauvaise auberge ici, pas vrai Sir_--_and he charges so much as it
is bad_," eindigde hij in zijne eigene taal.
Frits kon uit die spraakwarreling genoeg wijs worden om op de
voorkomendheid te kunnen antwoorden, tot blijdschap van den vreemdeling
in het Engelsch. Eenigszins verlicht, daar hij zijne ergernis kon
uitstorten aan een derde, deelde hij hem mee hoe hij teleurgesteld
was, en hoe men spotte met zijn verlangen om spoedig te vertrekken;
want hij was tot de onderstelling gekomen dat de kastelein met opzet
allerlei uitvluchten zocht om hem op te houden; »maar," vervolgde hij
nu weer in 't Hollandsch en zich tot den laatsten keerende, die rondom
de tafel draaide en hen beurtelings aanzag of hij hen de woorden uit
den mond wilde kijken, »maar als jij, meester Koppelman! mij nu niet
binnen tien minuten een rijtuig bezorgt, dan loop ik je huis uit en
bestel het bij een ander." Al sprekende had hij zijn horloge op tafel
neergelegd en zag den kastelein aan met een vasten besloten blik.
»Wel ja! wel ja! zij zijn hier opgeschept, de rijtuigen," hernam deze
brutaal en met tergenden glimlach. »Ik verwed twintig gulden tegen
tien, dat je hier geen rijtuig krijgen zult, zelfs geen boerenwagen;
't is voorjaarsveemarkt te H. en alle paarden zijn uit! Waarom blieft
meneer niet mee te eten en rust te houden tot de kales komt."
Frits was niet in eene stemming van lankmoedigheid en er was iets
moedwilligs uittartends in den harden, drogen toon van den lompen
herbergier, dat zeer bijzonder op zijne reeds zoo geprikkeld zenuwen
werkte. Hij vloog op met fonkelende oogen en gloeiende wangen, met
eene heftigheid of hij den grinnikenden Koppelman te lijf wilde.
De herbergier, die zeker aan standjes gewoon was, trad hem stoutelijk
tegen als wilde hij een aanval uitlokken, maar de Engelschman was
ook opgestaan, trad ijlings tusschen beiden in en legde gemeenzaam
de hand op den schouder van Frits, als om zijne drift te stillen,
terwijl hij sprak op vasten, maar vriendelijken toon:
»Beheersch toch u zelven, jongmensch! er is tegen zulk grof volk niets
te doen dan zich te onthouden. Gij kunt immers met mij meerijden als
gij wilt, want ik moet ook naar Amsterdam en sinds gij haast hebt,
wees getroost, want daar komt waarlijk de berline!"
Reeds had Frits zich van den kastelein af, en naar den vreemdeling
toegekeerd.
»Is dat meenens, mijnheer! is het geen onbescheidenheid, gebruik te
maken van uw aanbod?" vroeg hij met een zeker gevoel van verlichting
of hij reeds aan al zijne kwellingen een eind zag.
»Mij dunkt die kast is ruim genoeg voor twee!" antwoordde de
vreemdeling lachend op het logge voertuig wijzende, met twee magere
paarden bespannen die, mak als lammeren, meer veiligheid dan spoed
waarborgden.
»Nu dan, mijnheer? ik neem met dankbaarheid aan," sprak Frits, geheel
gewonnen door die mengeling van goedheid en vastheid die hem toesprak
uit het gelaat van den Brit.
»Laten wij dan ons reisverbond bezegelen en drink een glas wijn met
mij vóór wij gaan, ik weet geen beter middel om ons aan elkaar voor
te stellen: Ik heet Wilkinson! en gij?"
»Rosemeijer!"
»_Your health master Rosemeijer!_" sprak nu de vreemdeling, terwijl
hij zijn glas in één teug ledigde en den naam langzaam maar met groote
nauwkeurigheid teruggaf.
»De uwe, master Wilkinson!" riep Frits, met levendigheid zijn
voorbeeld volgende. Nu eerst bemerkte hij dat hij toch wel behoefte
had aan eenige verkwikking; maar het was te laat om zich daarmee nog
op te houden.
Wilkinson reikte hem de hand, en van weerszijden volgde er een
trouwhartig _shakehands_.
»Denkt meneer ook te gaan?" vroeg de kastelein wrevelig, nu hij de
goede verstandhouding opmerkte tusschen zijne beide gasten. »Die
comediant, die niets gebruiken zou maar die zich wel tracteeren
laat!" mompelde hij met ergernis halfluid, doch men nam geene notitie
van dat gemor.
»_Yes we are going! pay yourself_," en Wilkinson wierp hem een
Hollandsch bankbiljet toe, met zijne nota.
Frits vroeg ook naar zijne vertering.
»Dat heeft nog geen haast," gaf Koppelman ten antwoord met eene
bedoeling die licht te raden was.
»Het heeft haast, want ik rijd met mijnheer mee."
»Zoo, dat's 'n mooie! en de kales die je besteld hebt, en die ieder
moment komen kan."
»Als je daar nog een woord van spreekt, roep ik de politie in en
verklaag je van afzetterij," sprak Frits nu met vastheid maar zonder
drift, en een vijfguldenstuk op de tafel leggende, ging hij voort:
»Neem daar af wat je toekomt."
»Maar de koetsier heeft recht op een fooi extra, als hij er twee
rijdt," sprak Koppelman, terwijl hij Frits eenig klein geld teruggaf,
de bijzonderheid dat er een Hollander was die den Engelschman in het
nazien van de rekening behulpzaam kon zijn, maakte hem voorzichtig
en wat meer gedwee.
Dit geregeld zijnde, nam Frits zijn mantel over den arm en gedienstig
voor den aanstaanden reisgezel, wilde hij diens kleine reistas opnemen,
daar de knecht bezig was zijne verdere bagage in te laden.
»Met voor eens anders goed te zorgen, verachtloost gij uw eigen,"
sprak deze met zekeren nadruk, »gij vergeet uw horloge!" en hij stelde
het hem ter hand.
Frits verbleekte bij de gedachte aan die mogelijkheid.
»Dat zou een onherstelbaar verlies voor mij zijn," sprak hij het
zorgvuldig bij zich stekende.
»Zoo komt het mij ook voor, een oud familiestuk, een best werk,
zeker wat lomp en zwaar, maar dat is het gewone gebrek van die oude
repetities, ze maken die nu beter."
»Verschoon mij, mijnheer! hoe weet gij dat het eene repetitie
is?" vroeg Frits wat verwonderd.
»Dat is wel te zien! en daarbij heb ik nog eene reden om dat te
onderstellen, die ik u zeggen zal als we _confortable_ in ons rijtuig
zitten!"
»Klaar koetsier!" en de staljongen-_kellner_ sloeg het portier dicht
dat de glazen rammelden; de fooi was hem niet meegevallen.
Te zes ure, op het oogenblik zelf, dat de diligence zou afrijden,
kwam een huisknecht aanloopen met een pakje dat nog mee moest.
»Komt van?" vroeg Koppelman schrijvende.
»Van mijnheer Verburg," antwoordde de knecht.
»Voor wie?" vroeg de kastelein, die tevens de directie had over het
bureau der diligence.
»Voor mijnheer Rosemeijer, kunstschilder te Amsterdam, _cito-cito_."
»Nou! dat's al casueel, als je een paar uren vroeger gekomen waart,
had hij het zelf kunnen meenemen!"