Aanteekening A, Deel I, bl. 22: De terugkomst van den kruisvaarder.
Er bestaat een familie-legende over dit onderwerp, en wel in betrekking
tot de familie van Brajshaigh, de eigenaars van Haig-hall in
Lancashire, waar, naar mij verhaald is, het gebeurde op een beschilderd
raam is afgebeeld. De Duitsche ballade „van den edelen Moringer” heeft
een dergelijken oorsprong. Maar ongetwijfeld hebben er een aantal
soortgelijke voorvallen plaats gehad, waar, natuurlijk door den grooten
afstand en het weinige verkeer, valsche berichten in omloop moesten
komen omtrent het lot van afwezige kruisvaarders, en aan welke
tijdingen te huis misschien wat al te haastig geloof werd geslagen.
Aanteekening B, Deel I, bl. 33: Titus Livius.
Men verhaalt, dat dezelfde liefde voor dezen klassieken schrijver
werkelijk, als in den roman, door een ongelukkigen Jacobiet van dat
noodlottig tijdsgewricht werd aan den dag gelegd. Hij was uit zijn
gevangenis ontsnapt, waarin hij na een haastig verhoor en voor een
zekere veroordeeling was opgesloten, en werd op nieuw gevat, terwijl
hij rondom de gevangenis zelve doolde, zonder daarvoor een andere reden
op te geven dan dat hij bezig was met naar zijn geliefkoosden door hem
verloren Titus Livius te zoeken. Het smart mij er te moeten bijvoegen,
dat zoo veel eenvoud niet voldoende was om zijn misdaad als
opstandeling te verontschuldigen: hij werd gevonnisd en ter dood
gebracht.
Aanteekening C, Deel I, bl. 36: Nicolaas Amhurst.
Nicolaas Amhurst, een beroemd staatkundig schrijver, die gedurende een
aantal jaren bestuurder was van een blad, de Craftsman, onder het
pseudoniem van Caleb van Antwerpen. Hij was de Jacobietische partij
toegedaan, en bestreed met vrij wat bekwaamheid de aanvallen van
Pulteney tegen Sir Robert Walpole. Hij stierf in 1742, door zijn
machtige beschermers verloochend en verlaten, in de grootste armoede.
„Amhurst overleefde den val van Walpole’s macht, en had reden een
vergoeding te wachten. Indien wij Bolingbroke al verontschuldigen, die
slechts het wrak van zijn fortuin gered had, zou het moeielijk vallen
Pulteney te rechtvaardigen, die dezen man zoo gemakkelijk een
aanzienlijk inkomen had kunnen verschaffen. Zijn edelmoedigheid jegens
Amhurst bepaalde zich tot een okshoofd rooden wijn. Men verhaalt, dat
hij van verdriet stierf en op kosten van den rijken drukker Richard
Franklin begraven werd.” (Overzicht van Lord Chesterfields karakters.)
Aanteekening D, Deel I, bl. 37: Kolonel Gardiner.
Ik heb nu in den tekst den naam voluit gegeven van dezen uitstekenden
en dapperen man, en ik laat hier een afschrift volgen van zijn
opmerkenswaardig onderhoud, zoo als dit door Dr. Doddridge wordt
medegedeeld:
„Deze merkwaardige gebeurtenis,” zegt de vrome schrijver, „greep
omstreeks het midden van Juli 1719 plaats. De Majoor had den avond in
vroolijk gezelschap doorgebracht (en bedrieg ik mij niet, dan was het
een Zondagavond) en had een ongelukkige bijeenkomst met een gehuwde
dame, die hem precies te middernacht wachtte. Men scheidde ten elf ure,
en de Majoor, die het niet voegzaam achtte vóor het bepaalde uur zijn
opwachting te gaan maken, ging naar zijn kamer om den tijd te dooden,
misschien wel met een of ander prettig boek of op een andere wijze.
Maar het toeval wilde, dat hij een godsdienstig boek greep, dat zijn
moeder of tante buiten zijn weten in zijn koffer gestoken had. Zoo ik
mij wel herinner, was het „de Christelijke soldaat, of de Hemel
stormenderhand ingenomen,” door den heer Thomas Watson geschreven. Daar
hij zich, volgens den titel, voorstelde hier eenige zinsneden te
vinden, die zijn beroep in een belachelijk daglicht stelden, besloot
hij het te doorloopen, maar zonder er veel acht op te slaan. Evenwel
maakte dit achteloos in de hand gehouden boek, op zijn geest – de Hemel
weet hoe! – zulk een indruk, dat een aantal allergelukkigste en
gewichtige gevolgen daaruit voortvloeiden. Eerst meende hij, dat dit
boek door een wonderbaarlijk licht beschenen werd, dat hij aanvankelijk
geloofde van de kaars te komen; maar, toen bij de oogen opsloeg, scheen
het hem tot zijn groote verbazing, alsof hij vóor zich een zichtbaar
beeld van onzen Heer Jezus Christus aan het kruis, en door een
straalkrans omgeven, zag zweven; het was hem als hoorde hij een stem,
of iets dat op een stem geleek, die tot hem zeide (want hij was niet al
te zeker van de woorden): „Ach, zondaar! heb ik zoo veel voor u geleden
en vergeldt ge mij op deze wijze!” Door zulk een vreemde verschijning
getroffen, bleef hij een tijdlang in sprakelooze verbazing zitten, hij
viel achterover in zijn stoel en werd geheel bewusteloos, zonder dat
hij zich herinneren kon, hoe lang die toestand geduurd had.”
„Wat dit gezicht betreft,” zegt de schrandere Dr. Hibbert, „zoo kunnen
de verschijning van onzen Zaligmaker aan het kruis en de indrukwekkende
woorden niet anders worden verklaard dan als de herinnering van eenige
beelden, die waarschijnlijk hun ontstaan te danken hadden aan deze of
geene stichtelijke zaken, die de Kolonel bij eene of andere gelegenheid
gelezen of gehoord zal hebben. Hoe het kwam dat deze denkbeelden zoo
treffend als werkelijke indrukken werden voorgesteld, kunnen wij, uit
gebrek aan bescheiden, niet verklaren. Dit vizioen had echter de
gewichtigste gevolgen wat het geloof van den Christen aangaat –
namelijk de bekeering van den zondaar. Ook heeft nooit een op zich zelf
staand verhaal misschien meer dan dit bijgedragen om het bijgeloof te
versterken, dat dergelijke verschijningen niet kunnen plaats hebben,
zonder den wil van God.” Dr. Hibbert voegt er in een noot bij: „Korten
tijd voor dit vizioen had de Kolonel een geweldigen val van zijn paard
gedaan. Hadden zijn hersens dus misschien iets door den schok geleden,
waardoor hij een aanleg tot deze illusiën kon verkregen hebben?”
(Hibbert’s Philosophie der vizioenen en verschijningen, Edinburgh,
1824, bl. 190).
Aanteekening E, Deel I, bl. 38: Schotsche herbergen.
Nog in mijn jeugd wachtten zekere oude Schotsche herbergiers altijd een
beleefde uitnoodiging om het maal met den reiziger te deelen, of ten
minste den drank, dien hij gevraagd had. Ter belooning daarvan was de
waard altijd uitstekend op de hoogte van de nieuwtjes van het land en
daarbij dikwerf origineel. Bij de herbergiers in Schotland kwamen
tamelijk algemeen al de zorgen voor het huishouden en de bediening op
de arme vrouw neder. Eertijds leefde er te Edinburgh iemand van zeer
goede familie, die zich wel verwaardigde, als middel van bestaan, in
naam de eigenaar te zijn van een koffijhuis, een der eersten die in de
Caledonische hoofdstad geopend werden. Volgens het gebruik werd het
geheel en al bestuurd door de zorgzame en ijverige mevrouw B–, terwijl
haar echtgenoot zich met jagen en visschen afgaf, zonder zich in het
minst om de zorgen voor zijn huis te bekreunen. Op zekeren dag, dat er
brand in het koffijhuis ontstaan was, kwam men den man op straat tegen,
met zijn geweer en zijn vischtuig bij zich: hij antwoordde met een kalm
gelaat aan iemand, die hem naar den welstand zijner vrouw vroeg, „dat
de arme huisvrouw bezig was wat kookgereedschap en voddige boeken te
redden.” Deze voddige boeken waren de kasboeken van zijn inrichting.
In de dagen mijner jeugd werd ook nog door een aantal oude Schotten
onder de vermaken der reis gerekend, dat van met den waard te kunnen
kouten. Deze geleek dikwijls, door zijn geestigheid, op den waard uit
den Kouseband in de Vroolijke vrouwtjes van Windsor, of op Blague van
„de George” in De Duivel van Edmonton. Somtijds nam de kasteleines deel
aan het gesprek. In elk geval was men verplicht haar behoorlijke
oplettendheid te bewijzen, uit vrees van een onvriendelijke
behandeling, kwinkslag of steek onder water, zoo als uit het volgende
blijken zal.
Een flinke vrouw, die, geen zestig jaar geleden, de grootste herberg
van Greenlaw, in het graafschap Berwick, hield, had de eer dat een zeer
achtenswaardige geestelijke met drie zoons, die hetzelfde herderlijk
ambt bekleedden, onder haar dak zijn intrek nam. In het voorbijgaan zij
gezegd, dat geen van vieren zeer krachtige redenaren waren. Na het eten
vroeg de waardige predikant, in den trots van zijn hart, aan jufvrouw
Buchan, of ze ooit zulk een gezelschap bij zich ontvangen had. „Hier
ziet ge in mij een predikant in dienst van de kerk van Schotland, en in
mijn drie zonen dáar eveneens dienaren dier zelfde kerk. – Ge zult
moeten bekennen, moeder Buchan, dat ge vroeger nooit zulk een
gezelschap in uw huis gehadt hebt,” Deze vraag was niet voorafgegaan
door een uitnoodiging om plaats en een glas wijn of iets anders te
nemen, zoodat jufvrouw Buchan hem droogjes antwoordde: „Inderdaad,
mijnheer, ik kan niet voor zeker zeggen, dat ik dergelijk gezelschap in
mijn huis heb gehad, behalve eenmaal, in het jaar 1745, toen ik een
Hooglandschen doedelzakspeler hier had, met zijn drie zonen, ook
doedelzakspelers zoo als hij, en wat drommel, ze konden met hun vieren
geen enkelen flinken toon er uitbrengen.”
Aanteekening F, Deel I, bl. 42: Huis van Tully-Veolan.
Er is geen bepaald landhuis beschreven onder den naam van Tully-Veolan;
maar de bijzonderheden der beschrijving treft men in verscheidene oude
Schotsche kasteelen aan. Het Huis van Warrender op Burntsfield Links,
en dat van Oud-Ravelston, het eerste het eigendom van Sir George
Warrender, het ander van Sir Alexander Keith, hebben beide een aantal
punten opgeleverd voor de beschrijving in den tekst. Het huis van Dean,
nabij Edinburgh, heeft eveneens eenige overeenkomst met Tully-Veolan.
Men heeft den schrijver evenwel bericht, dat het Huis van Grandtully,
meer dan éen der hier bovengenoemde, op dat van den baron van
Bradwardine gelijkt.
Aanteekening. G, Deel I, bl. 43: Tuin van Tully-Veolan.
Te Ravelston treft men zulk een tuin aan, dien de smaak van den
eigenaar, des schrijvers vriend en bloedverwant, Sir Alexander Keith,
met zorg heeft onderhouden. De tuin, zoowel als het huis, zijn echter
niet zoo groot van omvang als die van den baron van Bradwardine.
Aanteekening H, Deel I, bl. 47: Huisnarren.
Ik weet niet hoe lang het oude gevestigde gebruik van het houden van
narren in Engeland reeds in onbruik is. Swift heeft een grafschrift op
den nar van den graaf van Suffolk, „Wiens naam was Dickie Pearce.”
In Schotland bleef dit gebruik nog tot op het laatst der vorige eeuw in
zwang. Op het kasteel van Glammis heeft men de kleeding bewaard van een
der narren, die zeer schoon en met een aantal bellen voorzien is. Het
is niet meer dan dertig jaren geleden, dat zulk een wezen naast een
edelman van den eersten rang in Schotland stond, en nu en dan zich in
het gesprek mengde; tot hij de scherts te ver dreef, door een
huwelijksvoorstel te doen aan een der jonge dames van de familie, en de
publieke afkondiging daarvan tusschen haar en hem in de kerk.
Aanteekening I, Deel I, bl. 51: Episcopale kerk van Schotland.
Na de omwenteling van 1688, en bij sommige gelegenheden, als de toorn
der Presbyterianen op een ongewone wijs tegen hun tegenstanders was
opgewekt, stonden de Episcopaalsche geestelijken, die hoofdzakelijk
„non-jurors” waren, er aan bloot om door het volk, zoo als wij nu
zouden zeggen, of door het janhangel, gelijk de uitdrukking toen
luidde, voor hun staatkundige ketterijen te worden gestraft. Maar in
weerwil dat de Presbyterianen in den tijd van Karel II en dien zijns
broeders tot het uiterste vervolgd werden, werd er geen grooter kwaad
bedreven dan soortgelijk gering geweld, als waarvan de tekst gewag
maakt.
Aanteekening K, deel I, bl. 54: De afscheidsdronk.
Ik moet hier opteekenen, dat in mijn jeugd de in den tekst vermelde
wijze om drinkgelagen te houden, nog altijd in Schotland in gebruik
was. Na van zijn gastheer afscheid genomen te hebben, ging men
doorgaans den avond besluiten in de herberg of het dorp. Hij, die
ontvangen had, vergezelde zijn gasten altijd derwaarts om deel te nemen
aan den afscheidsdronk, hetgeen veelal aanleiding tot een zwelgpartij
gaf.
De Poculum Potatorium van den braven Baron, zijn welgezegende Beer,
vindt zijn prototype op het oude en schoone kasteel van Glammis, zoo
rijk aan herinneringen van den ouden tijd. Het is een van massief
zilver, vergulde beker, in de gedaante van een leeuw, die ongeveer een
halve flesch wijn kan bevatten. De vorm van dezen beker zinspeelt op
den naam van de familie der Strathmores Lyon („Leeuw,”) en telkenmale
als hij voor den dag wordt gehaald, is men verplicht dien te ledigen op
de gezondheid van den graaf. De schrijver moest misschien eenige
schaamte gevoelen bij de mededeeling, dat hij de eer heeft gehad den
inhoud van den Leeuw te ledigen, en de herinnering aan die heldendaad
was de aanleiding tot de geschiedenis van den beer van Bradwardine. In
de familie der Scotts van Thirlestane (niet van Thirlestane in het
Woud, maar de plaats van denzelfden naam in Roxburgshire) heeft men
langen tijd een beker van gelijken aard in den vorm van een laars
bewaard. Iedere gast was verplicht dien voor zijn vertrek te ledigen.
Indien de gast den naam van Scott voerde, was de verplichting dubbel
heilig.
Wanneer de kastelein aan zijn gasten den deoch an doruis aanbood, dat
wil zeggen, den dronk aan de deur, of den afscheidsdronk, werd deze
niet op de rekening gebracht. Een geleerde baljuw van Forfar heeft
omtrent dit punt een zeer kras vonnis uitgesproken.
A., een tapster in Forfar, had haar bier gebrouwen, en den drank voor
de deur gezet om dien te laten afkoelen. De koe van B, een buur van A,
kwam er langs, en liet zich op het zien van het brouwsel verlokken, om
er van te proeven en dronk het op. Toen A. haar bier kwam halen, vond
ze de kuip leêg, en ziende hoe vreemd de koe keek en liep, begreep zij
op welke wijze het bier verdwenen was. Zij begon met zich te wreken
door, met een stok de ribben der Schotsche Io te streelen. Het loeien
der koe deed B., haar eigenaar, toeschieten, die zijn vergramde
buurvrouw met geen geringe verwijten overlaadde; de kasteleines
beantwoordde dit weder met den eisch van schadeloosstelling voor het
bier door de koe opgedronken. B. weigerde, en werd gedagvaard voor C.,
den baljuw of magistraat. C. hoorde met het meeste geduld het verhaal
aan, en vroeg vervolgens aan de aanklaagster A., of de koe was gaan
zitten om te drinken, dan wel of ze het bier staande gebruikt had. De
aanklaagster antwoordde, dat zij het feit niet had zien bedrijven, maar
wel veronderstelde, dat de koe gedronken had, staande op haar pooten,
terwijl zij er bijvoegde, dat, indien zij er bij tegenwoordig was
geweest, zij haar wel wat anders zou geleerd hebben. Daarop verklaarde
de baljuw plechtig, dat de koe de deoch an doruis of den afscheidsdronk
had gebruikt, waarvoor men niets kon eischen zonder de oude Schotsche
gastvrijheid te schenden.
Aanteekening L, Deel I, bl. 69: Tooverij.
Men verhaalt, dat de laatst medegedeelde gebeurtenis in het zuiden van
Schotland heeft plaats gegrepen; maar – cedant arma togæ – en laat de
tabberd ook zijn eer! Het was een bejaard geestelijke, die verstand en
kracht genoeg bezat om den panischen schrik weerstand te bieden,
waardoor zijn collega’s waren aangetast, en die een arm krankzinnig
schepsel verloste van het wreede lot, dat haar anders ontegenzeggelijk
zou getroffen hebben. De verslagen der heksenprocessen vormen een der
betreurenswaardigste hoofdstukken in de Schotsche geschiedenis.
Aanteekening M, Deel I, bl. 71: Sprekende wapens.
Ofschoon het sprekend blazoen algemeen afgekeurd wordt, schijnt het
echter in de wapens en deviezen van een aantal aanzienlijke familiën te
zijn aangenomen. Zoo is het devies der Vernons. Ver non semper viret,
een, volmaakte woordspeling, even als dat der Onslows, Festina lente.
Op het Periissem ni per-iissem der Anstruthers kan dezelfde aanmerking
worden toegepast. Een lid van dat oude geslacht, bevindende dat een
tegenstander, dien hij tot een vriendschappelijke bijeenkomst had
uitgenoodigd, besloten had deze gelegenheid waar te nemen, om hem te
vermoorden, kwam dit voor, door dezen den schedel met een strijdbijl te
klooven. Twee stevige armen, die zulk een wapen zwaaien, vormen het
gewone helmsieraad van de familie, met het daarboven geplaatste devies
– Periissem ni periissem. („Ik zou gedood zijn, als ik het niet
doorgezet had.”)
Aanteekening O, Deel I, bl. 90: Rob Roy.
Bijna hetzelfde avontuur is wijlen den heer Abercromby van Tully Rody,
grootvader van den tegenwoordigen lord Abercromby en vader van den
beroemden Ralph, overkomen. Toen deze edelman, die een zeer hoogen
ouderdom bereikte, zich voor het eerst in het graafschap Stirling
vestigde, werd zijn vee verscheidene malen door den beruchten Rob Roy,
of eenige manschappen zijner bende weggevoerd. Hij was ten laatste
verplicht, nadat hij een vrijgeleide verkregen had, bij den roover een
bezoek, gelijk aan het door Waverley aan Bean Lean gebrachte, af te
leggen. Rob ontving hem allerhoffelijkst, en maakte allerlei
verontschuldigingen over het gebeurde: het was, zeide hij, het gevolg
eener vergissing. De heer Abercromby werd evenzeer onthaald op
runderlappen van zijn eigen ossen, die bij de pooten in het hol waren
opgehangen. Daarop werd hij vrijgesteld, na een overeenkomst te hebben
aangegaan om in het vervolg een kleine som bij wijze van schatting te
betalen, waartegen Rob Roy zich verbond zijn vee te ontzien, en zelfs
datgene wat andere roovers mochten wegvoeren, te vergoeden. De heer
Abercromby zeide, dat Rob Roy zich voordeed alsof hij hem voor een
aanhanger van koning Jacobus, en een volslagen vijand van de Unie
hield. Het een noch het ander was overeenkomstig de waarheid; maar de
gast achtte het niet noodig zijn gastheer uit dien waan te brengen, uit
vrees van in zulk een toestand in een politieken redetwist gewikkeld te
worden. Ik heb deze anekdote uit den mond van den heer Abercromby
zelven, die er in betrokken was, eenige jaren geleden (omstreeks 1792)
gehoord.
Aanteekening P, Deel I, bl. 95: De vroolijke galg van Crieff.
Deze beruchte galg bestond nog, in de vorige eeuw, aan het westelijke
uiteinde der oude stad Crieff, in het graafschap Perth. Wij zouden den
lezer niet met zekerheid kunnen zeggen, waarom zij den naam van de
„vroolijke galg” droeg, maar men beweert, dat de Hooglanders er niet
langs gingen zonder de muts af te nemen voor een plaats, die voor zoo
velen hunner landgenooten noodlottig was geweest en niet zonder uit te
roepen: „God zegene hen en de duivel hale u!” Men heeft haar daarom dus
„vroolijke of goed” kunnen noemen, daar zij een soort van natuurlijke
of aangeboren plaats des verderfs was voor hen die er stierven, alsof
zij daarmede hun natuurlijke bestemming bereikt hadden.
Aanteekening Q, Deel I, bl. 97: De Caterans.
De geschiedenis van den bruigom, die op zijn huwelijksdag door de
roovers werd weggevoerd, is gegrond op een verhaal, dat wijlen de heer
van Mac-Nab, een aantal jaren geleden, den schrijver mededeelde. Het
was een gewone practijk der Hooglanders, lieden uit de Laaglanden op te
lichten en een losgeld voor hen te eischen, evenals, naar men zegt, nog
heden ten dage, in het zuiden van Italië door de bandieten gedaan
wordt. In het bedoelde verhaal lichtte een rooverbende den bruidegom
op, en voerde hem naar een hol in den berg Schihallim. De jonkman werd
er door de kinderziekte aangetast, alvorens men het over zijn losprijs
was eens geworden; en dank zij de frissche berglucht, of wel het
volslagen gebrek aan een geneesheer, de gevangene genas. Zijn losgeld
werd betaald; hij werd aan zijn betrekkingen en bruid teruggegeven,
maar hij beschouwde de Hooglandsche roovers altijd als de redders van
zijn leven, door de wijze waarop zij hem gedurende zijn ziekte
behandeld hadden.
Aanteekening R, Deel I, bl. 101: Wederinkoop van Schotsche verbeurd
verklaarde goederen.
Dit gebeurde bij verschillende gelegenheden. Inderdaad werden er eerst
na de geheele vernietiging van den invloed der clans, na 1745 koopers
gevonden, die een goeden prijs boden voor de in 1715 verbeurd
verklaarde goederen, welke toen te koop werden geboden door de
schuldeischers van de Yorksche bouw-maatschappij, die een grooter of
kleiner gedeelte tegen een vrij lagen prijs van het gouvernement had
gekocht. Zelfs stelden later, even als op het eerst vermelde tijdstip,
de vooroordeelen van het publiek, ten gunste van de erfgenamen der
familiën, wier goederen waren verbeurd verklaard, den koopers van zulk
een eigendom een aantal hinderpalen in den weg.
Aanteekening S, Deel I, bl. 102: Hooglandsche Staatkunde.
De aan Mac-Ivor toegeschreven staatkunde was werkelijk die van de
meeste Hooglandsche Opperhoofden, en vooral van den beroemde lord
Lovat, die deze sluwheid tot het uiterste dreef. De heer van Mac – was
ook kapitein eener onafhankelijke compagnie, maar bij hem woog het goud
der soldij veel te zwaar om weggeworpen te worden voor de Jacobietische
zaak. Zijn krijgszuchtige echtgenoote riep zijn clan te wapen, en
stelde er zich in 1745 aan het hoofd van. Maar het Opperhoofd zelf
wilde zich niet met den strijd inlaten, terwijl hij zich voor dien
Koning en voor geen ander verklaarde, die den heer van Mac – een guinje
daags gaf.
Aanteekening T, Deel I, bl. 105: Hooglandsche krijgstucht.
Ter verklaring der krijgshaftige oefeningen op het kasteel van
Glennaquoich, verzoekt de schrijver verlof om op te merken, dat de
Hooglanders niet slechts de behandeling van sabel en geweer kenden,
benevens al die oefeningen, waarbij kracht en vlugheid een vereischte
zijn, even als in geheel Schotland, maar daarenboven nog in een andere
soort van excercitie bedreven waren, overeenkomstig hun kleeding en hun
wijze van oorlogvoeren. Zij hadden, bij voorbeeld, een aantal wijzen om
hun plaid te dragen: éen wanneer zij rustig voorttrokken; een andere
wanneer zij geloofden dat er eenig gevaar te duchten was; nog weder een
andere om er zich in te wikkelen, wanneer zij meenden in te kunnen
slapen zonder gestoord te worden; en wederom een andere wijze om bij
het minste alarm te kunnen oprijzen met pistool en zwaard in de hand.
Vóor 1720, of daaromstreeks, was de plaid en ceintuur die, welke het
meest algemeen werd gedragen; het was een plaid, waarvan dat gedeelte,
hetwelk om het lijf sloot, en dat hetwelk over den schouder werd
geworpen, uit éen stuk waren. Bij een wanhopigen aanval werd de plaid
weggeworpen; dan rukte de clan voorwaarts zonder andere bedekking dan
het buis en een kunstige schikking van het hemd, dat, even als dat der
Ieren, altoos zeer ruim was, en de sporran-mollach, of tas van
geitenvel.
De behandeling van den dolk en het pistool maakte ook een deel uit der
krijgsoefeningen van den Hooglander, die de auteur door lieden heeft
zien ten uitvoer brengen, welke het in hunne jeugd geleerd hadden.
Aanteekening U, Deel I, bl. 107: Afkeer der Schotten van
varkensvleesch.
Varkensvleesch, onder welken vorm ook, werd nog niet veel jaren geleden
door de Schotten veracht; heden is het evenmin een geliefkoosd voedsel
bij hen: Koning Jacobus bracht dit vooroordeel naar Engeland over, en
men weet van hem, dat hij even grooten afkeer van varkensvleesch had
als van tabak. Ben Jonson heeft deze bijzonderheid aan de vergetelheid
ontrukt, waar de gemaskerde heiden, terwijl hij de hand van den Koning
onderzoekt, zegt:
„maar o, ’t spreekt uit deez lijn:
Gij houdt veel van een paard en hond, maar geenszins van een
zwijn.”
Het door Jacobus aan den Duivel toegedachte maal bestond uit een stuk
spek en den kop van een stokvisch, met een pijp tabak voor de
spijsvertering.
Aanteekening X, Deel I, bl. 107: Een Schotsche tafel.
Door het verzamelen van zulk een groot aantal personen van alle rangen
aan dezelfde tafel, die echter allen niet dezelfde spijzen nuttigden,
leefden de Opperhoofden een gebruik na, dat eertijds algemeen in
Schotland in zwang was. „Ik zelf,” zegt een reiziger, Fynes Morrison,
die op het einde der regeering van koningin Elizabeth leefde, waar hij
van de Laaglanden gewaagt, toen hij er zich in die dagen bevond, „ik
zelf werd bij een ridder genoodigd, die een aantal knechts had om hem
te bedienen. Zij brachten het eten binnen, met hun blauwe mutsen op het
hoofd. De tafel was voor meer dan de helft met groote schotels soep
bedekt, waarin ook een klein stuk gekookt vleesch aanwezig was. Toen
alles opgezet was, namen de knechts naast ons plaats; maar aan het
boveneinde van de tafel had men een kip met eenige pruimen in de soep.”
(Reizen. bl. 155).
Tot op het midden der vorige eeuw gebruikten de pachters, zelfs die van
de hoogste klasse, het maal met hun daglooners. De meesters en hun
ondergeschikten waren van elkander gescheiden door het zoutvat, of
dikwijls ook door een met krijt getrokken lijn over de tafel. Lord
Lovat, die de kunst verstond om de ijdelheid zijner onderhoorigen te
vleien en hun eetlust te beteugelen, stond iederen onbeschaamden Fraser
die aanspraak op den titel van Duinhé-wassel maken kon, de eer toe van
aan zijn disch aan te zitten; maar tegelijker tijd zorgde hij wel dat
zijn jeugdige bloedverwanten niet al te veel verzot werden op
uitheemsche lekkernijen. Milord had altijd eenige geldige
verontschuldigingen bij de hand, om tot op zekere grenzen het rondgaan
van de Fransche wijnen en brandewijn te beperken, een gastronomische
weelde, volgens hem, geschikt om den moed zijner neven te verzwakken.
Aanteekening Y, Deel I, bl. 114: Conan de Hofnar.
In de Iersche balladen op Fion (de Fingal van Mac-Pherson) treft men,
even als in de oorspronkelijke poëzij van bijna alle volken, een cyclus
van helden aan, waarvan ieder een bijzondere eigenschap bezit. Op deze
hoedanigheden en op de avonturen van hen, die ze bezitten, zijn
verscheidene spreekwoorden gegrond, die nog bij de Hooglanders in
omloop zijn. Onder deze helden munt Conan uit, in zeker opzicht als een
soort van Thersytes, maar een die tot vermetelheid dapper en
stoutmoedig was. Hij had de gelofte afgelegd, van nooit een slag te
zullen ontvangen zonder dien terug te geven. Toen hij, „even als andere
helden der oudheid,” in de onderwereld was aangekomen, ontving hij van
den daar regeerenden duivel een klap, dien hij terstond teruggaf,
terwijl hij zich van de in den tekst aangehaalde woorden bediende:
„slag om slag!”
Aanteekening Z, Deel I, bl. 117: Waterval.
De beschrijving van den waterval, waarvan in dit hoofdstuk gesproken
wordt, is ontleend aan die van Ledard, bij de pachthoeve van dien naam,
aan de noorderzijde van Lochard, en dicht bij het hoofd van het meer,
ongeveer anderhalf uur ver van Aberfoyle. Het is een kleine waterval,
maar overigens een der schoonste, die men zien kan. Te recht heeft de
kritiek de verschijning van Flora met haar harp als te theatraal en te
gemaakt voor haar edel en eenvoudig karakter gewraakt; maar men kan het
een weinigje verschoonen om den wille van haar Fransche opvoeding; want
in Frankrijk bedient men zich veel van alles wat effect kan maken.
Aanteekening AA, Deel I, bl. 130: Hooglandsche jacht.
Men heeft den schrijver dikwijls beschuldigd dat hij verdichting en
werkelijkheid door elkaâr mengt. Hij acht het daarom noodzakelijk te
verklaren dat de jacht, gelijk zij beschreven is, als aangelegd om den
opstand van 1745 voor te bereiden, voor zoo ver hem bekend is, geheel
uit de lucht is gegrepen. Maar wel bekend is het, dat er zulk een
groote jacht werd gehouden in het bosch van Brae-Mar, onder bescherming
van den graaf van Mar, als een voorbereidende maatregel tot den opstand
van 1715, en meest al de Hooglandsche Opperhoofden, later in dien
burger-oorlog gewikkeld, waren bij die gelegenheid tegenwoordig
geweest.
Aanteekening BB, Deel II, bl. 200: Mac Farlane’s lantaarn.
De clan van Mac-Farlane, die den boschrijken westelijken oever van het
meer Lomond bewoonde, maakte dikwijls strooptochten in de Laaglanden;
en daar deze invallen doorgaans des nachts plaats grepen, heette men
bij wijze van spreekwoord de maan, „Mac Farlane’s lantaarn.” Hun
beroemde lied van Hoggil-Nam-Bo, de naam van den deun, die hen bijeen
roept, beschrijft dergelijke practijken op deze wijze:
Wij zijn verplicht langs berg en holen
Langs paden, in het hout verscholen,
Den buit te voeren om en rond;
En, is het helder aan de transen,
Dan schenkt de maan ons trouw haar glansen
Van d’avond tot den morgenstond.
Geen wind, geen stof, geen koude of regen
Houdt ons op onzen rooftocht tegen,
Als zucht naar winst op weg ons zond.
Aanteekening CC, Deel II, bl. 201: Het kasteel van Doune.
Deze trotsche bouwval is mij dierbaar in de herinnering, omdat zij een
reeks van denkbeelden mij voor den geest roept, die sedert geruimen
tijd smartelijk zijn afgebroken. Doune is verrukkelijk aan de oevers
van de Teith gelegen; het was een der sterkste kasteelen van Schotland.
Murdoch, hertog van Albany, de stichter van dit schitterende gebouw,
werd op de hoogte van Stirling onthoofd, vanwaar hij de torens van
Doune, het gedenkteeken zijner vervallen grootheid, aanschouwen kon.
Gelijk in den tekst in 1745–46 legde de Prins te Doune garnizoen,
hetwelk in die dagen zulk een ontredderd kasteel niet was als thans.
Dit garnizoen stond onder het bevel van den heer Stewart van Balloch,
als gouverneur voor prins Karel; nabij Callander bezat hij verscheidene
eigendommen. In die dagen ontsnapte John Home, de schrijver van
Douglas, op romantische wijze uit dat kasteel, gezamenlijk met eenige
andere gevangenen, die door de opstandelingen in den slag van Falkirk
waren opgesloten. De dichter, die zelf veel van die geestdrift bezat,
door hem aan den held van zijn treurspel toegeschreven, had het plan
voor de ontvluchting ontworpen, en blies den moed zijner makkers aan.
Daar men iedere poging om met geweld te ontkomen voor onmogelijk hield,
vervaardigden zij een soort van touw van hun beddelakens, en lieten
zich tot onder aan den toren naar beneden glijden. Aan vier hunner,
waaronder Home zelf, gelukte het zich dus te bevrijden. Maar het touw
brak door de zwaarte van den vijfden, die tamelijk groot en zwaar was.
De zesde, Thomas Barrow, een moedige jeugdige Engelschman, een
bijzondere vriend van Home greep, toen hij besloten was het waagstuk te
ondernemen, zelf onder zulke ongunstige omstandigheden, het gebroken
koord, en liet zich naar beneden vallen, toen het hem niet verder van
dienst kon zijn. Het gelukte zijn vrienden die reeds veilig beneden
waren, zijn val te breken. Dit belette echter niet dat hij zijn enkel
verstuikte, en verscheidene ribben brak. Zijn makkers waren echter
gelukkig genoeg hem in veiligheid te brengen.
Den volgenden morgen zochten de Hooglanders ijverig naar hun
gevangenen. Een bejaard man verhaalde den schrijver, dat hij den
gouverneur Stewart door het veld had zien jagen om de vluchtelingen
achterna te zetten.
Aanteekening DD, Deel II, bl. 205:
Uit te gaan of uit te zijn gegaan was in Schotland een aangenomen
uitdrukking, gelijk aan de Iersche, waarmede iemand werd aangeduid die
„op” was geweest, beide slaande op iemand, die aan een opstand had
deelgenomen. Voor omstreeks veertig jaren werd het in Schotland voor
onwelvoegelijk gehouden de uitdrukking opstand of opstandeling te
bezigen, hetwelk door iemand onder de aanwezigen als een persoonlijke
beleediging kon worden aangemerkt. Ook werd het beleefder geacht, zelfs
door hevige Whigs, om Karel Eduard te bestempelen met den naam van
„Ridder,” dan hem den naam te geven van Pretendent; en deze soort van
hoffelijke overeenkomst werd altijd in gezelschap in acht genomen, waar
lieden wan beide partijen op vriendschappelijken voet met elkander
verkeerden.
Aanteekening EE, Deel II, bl. 240: De Engelsche Jacobieten.
De Jacobietische gevoelens werden algemeen in de westersche
graafschappen en in Wales aangekleefd. Maar ofschoon de groote familiën
der Wynnes, der Wyndhams en anderen, onder werkelijke verplichting
waren zich bij Prins Karel te voegen, wanneer hij geland zou zijn, zoo
was dit echter onder uitdrukkelijke bepaling geschied, dat hij door een
hulpleger uit Frankrijk zou ondersteund worden. Daar zij zijn zaak wel
waren toegedaan, en slechts op een gelegenheid wachtten, om zich bij
hem te voegen, achtten zij zich evenwel, volgens eed en plicht, niet
gehouden, deze overeenkomst na te leven, daar hij slechts ondersteund
werd door een troep woeste Hooglanders, die een onbeschaafde taal
spraken, en een vreemde kleeding droegen. Zij, die hooger op bij Derby
woonden, dienden hem eer uit vrees dan uit liefde. Maar het valt
moeielijk te zeggen wat de gevolgen zouden geweest zijn, indien de
slagen van Preston en Falkirk gedurende den inval in Engeland gewonnen
waren.
Aanteekening FF, Deel II, bl. 213: Het leger van den Ridder.
Spoedig ontstond er verdeeldheid in het kleine leger van den Ridder,
niet slechts onder de onafhankelijke hoofden, die veel te trotsch waren
om zich ondergeschikt aan elkander te gedragen, maar tusschen de
Schotten en Karels gouverneur O’Sullivan, een Ier van geboorte, die,
daar hij met enkele zijner landgenooten opgeleid was in de Iersche
brigade, in dienst van den koning van Frankrijk, een invloed op den
Avonturier bezat, welke vooral door de Hooglanders met leede oogen werd
aangezien, die van meening waren, dat hun eigene clans de grootste
kracht, of liever de eenige kracht van zijn onderneming uitmaakten. Ook
bestond er een veete tusschen lord George Murray en James Murray van
Broughton, den geheimschrijver van den Prins, wier oneenigheid de zaken
van den Avonturier in groote verwarring bracht. In éen woord, door
duizenderlei kleine grieven werd hun klein leger verdeeld, en deze
werkten niet weinig mede om het eindelijk geheel te doen verloopen.
Aanteekening GG, Deel II, bl. 233: Veldstuk van het Hooglandsche leger.
Dit feit, hetwelk even als de daaraan voorafgaande beschrijving geheel
historisch is, zal den lezer den oorlog in de Vendée voor den geest
roepen, waarin de koningsgezinden, die hoofdzakelijk uit opgestane
landlieden bestonden, een bijgeloovige gehechtheid aan den dag legden
voor het bezit van een veldstuk, dat den naam van Marie Jeanne droeg.
De Hooglanders van vroegere dagen waren bang voor het kanon, daar ze
volstrekt niet met het gebulder en de uitwerking er van gemeenzaam
waren. Door middel van een drie- of viertal kleine veldstukken
behaalden de graven van Huntley en Errol, onder de regeering van
Jacobus VI, een groote overwinning op een talrijk leger van
Hooglanders, dat door den graaf van Argyle werd aangevoerd. In den slag
bij de Brug van Dee, was de generaal Middleton aan zijn artillerie
eveneens den goeden uitslag verschuldigd, daar de Hooglanders niet
bestand waren tegen het losbranden van de „moeder van het geweer” zoo
als ze het kanon heetten. In een oude ballade op den slag van de Brug
van Dee treft men de volgende coupletten aan:
Het Hooglandsch volk is moedig volk,
Als ’t schild hanteert en zwaard,
Maar waar ’t geregeld strijden geldt,
Bouw dan niet op hun aard,
Het Hooglandsch volk is moedig volk,
Met dolk en schild en zwaard,
Maar toch is dat zoo moedig volk
Voor ’t kleinst kanon vervaard.
Want zomer’s nachts rolt dat kanon
Als donder door de lucht;
Geen man uit heel het Hoogland, die
Voor ’t kleinst kanon niet vlucht.
Maar de Hooglanders van 1745 waren lang zoo eenvoudig niet als hunne
voorvaderen; ze bewezen gedurende den ganschen oorlog, dat ze voor de
artillerie alles behalve beducht waren, ofschoon de meest onwetenden
onder hen nog eenig gewicht hechtten aan het bezit van het stuk, dat
aanleiding tot deze aanteekening heeft gegeven.
Aanteekening HH, Deel II, bl. 242: Anderson van Whitburgh.
De getrouwe vriend, die den bergpas aanduidde, waarlangs de Hooglanders
zich van Tranent naar Seaton begaven, was Robert Anderson van
Withburgh, een rijke edelman van Oost-Lothian. Lord George Murray had
hem over de mogelijkheid ondervraagd om een onbebouwd en moerasachtig
terrein over te trekken, hetwelk de beide legers gescheiden hield, en
dat voor geheel onbegaanbaar gehouden werd. Onder het naar huis keeren
herinnerde hij zich, dat er aan den oostelijken kant een zijpad was,
hetwelk door het moeras op de vlakte uitliep, en waardoor de
Hooglanders in staat zouden zijn Sir John Cope’s stelling in de flank
te vallen, zonder aan het vuur van den vijand te worden blootgesteld.
Na er met den heer Hepburn van Keith over gesproken te hebben, die
terstond al het gewicht er van inzag, werd hij door den laatste
aangespoord om lord George Murray uit den slaap op te roepen en hem
zijn denkbeelden mede te deelen. Lord George nam dezen raad met de
levendigste dankbaarheid aan, en ging terstond prins Karel wekken, die
met een bos erwtenstroo tot hoofdkussen, op den grond lag te slapen. De
Avonturier ontving met de grootste blijdschap het bericht, dat er
mogelijkheid bestond om een volmaakt goed uitgerust leger te dwingen
den strijd met zijn ongeregelde troepen te aanvaarden. Zijn bij deze
gelegenheid aan den dag gelegde vreugde strookte volstrekt niet met het
verwijt van lafhartigheid, hem door Johnstone, een zijner misnoegde
aanhangers gedaan, wiens gedenkschriften evenveel van een roman als van
een geschiedenis hebben.
Volgens het verhaal van den Ridder zelven, bevond de Prins zich
gedurende den slag aan het hoofd van het tweede gelid der Hooglanders,
en de slag, zoo als hij zeide, „werd zoo spoedig gewonnen, dat wij in
het tweede gelid, waar ik mij nog aan de zijde van den Prins bevond,
geen andere vijanden zagen dan die, welke op den grond gesneuveld of
gewond lagen uitgestrekt, ofschoon wij slechts een vijftig pas achter
ons eerste gelid waren en steeds zoo snel mogelijk voorttrokken om ons
er bij te voegen.”
Deze passage uit de gedenkschriften van den Ridder toont aan, dat de
Prins op vijftig pas van de strijdenden was, een plaats, die hij zeker
niet zou gekozen hebben, indien hij het voornemen niet gehad had zich
bloot te stellen aan de gevaren van den slag. Slechts wanneer de
generaals aan het verlangen van den jeugdigen Avonturier hadden
toegegeven om in persoon de voorhoede aan te voeren, zou hij zich iets
dichter bij den strijd hebben kunnen bevinden.
Aanteekening II, Deel II, bl. 245: Dood van Kolonel Gardiner.
De dood van dezen vromen Christen en dapperen krijgsman wordt op de
volgende wijze door zijn geschiedschrijver, Dr. Doddridge, volgens de
verklaring van ooggetuigen medegedeeld:
„Hij bleef den geheelen nacht onder de wapens, in zijn mantel gewikkeld
en meestal onder een garstschelf, die zich toevallig op het slagveld
bevond. Omstreeks drie ure des morgens liet hij zijn bedienden, ten
getale van vier, bij zich komen. Drie hunner zond hij weg na een
allerhartelijkste en Christelijke vermaning en met de ernstigste
raadgevingen betrekkelijk de beoefening hunner plichten en de zorg voor
hun wapens. Hij gaf duidelijk te kennen, dat, gelijk hij duchtte, dit
naar alle waarschijnlijkheid zijn laatste vaarwel zou wezen. Er bestaan
gegronde redenen om te gelooven, dat hij de weinige oogenblikken, op
zijn hoogst een uur, die hem nog ten dienste stonden, bezigde tot het
volbrengen zijner godsdienst-plichten, waaraan hij sedert geruimen tijd
gewoon was, en waartoe destijds zoo vele omstandigheden samenliepen om
hem te bewegen. Bij het aanbreken van den dag werd het leger verrast
door het gerucht van het naderen der opstandelingen, en de aanval nam
vóor zonsopgang een aanvang; echter was het licht genoeg om te
onderscheiden wat er voorviel. Zoodra de vijand onder het bereik van
het geweer was, had er een geweldig vuur plaats, en men zegt, dat de
dragonders, die den linkervleugel uitmaakten, terstond op de vlucht
sloegen. Op het oogenblik van den aanval, die slechts eenige minuten
duurde, ontving de Kolonel een kogel in de rechterzijde, die hem ter
aarde deed storten, waarop zijn bediende hem wilde overhalen zich te
verwijderen, maar hij antwoordde, dat hij slechts licht gewond was, en
hij ging voort met aan het gevecht deel te nemen; kort daarop kreeg hij
een kogel in de rechter dij. Gedurende dien tijd zag men hem een aantal
vijanden neêrsabelen, en daaronder een man, die hem eenige dagen
vroeger een bezoek had gebracht, en hem verzekerd had, dat hij de
grootste gehechtheid voor het bestaande Bewind koesterde.
„Gebeurtenissen van dezen aard hebben in minder tijd plaats dan er
noodig is om ze te verhalen of ze te lezen. De Kolonel werd eenige
oogenblikken door de zijnen ondersteund, en hoofdzakelijk door den
waardigen luitenant-kolonel Whitney, die bij deze gelegenheid door een
kogel in den arm werd getroffen, en eenige maanden later op het
slagveld van Falkirk het leven liet, alsmede door den luitenant West,
een man, wiens dapperheid boven allen lof verheven is, en door een
dozijn dragonders, die tot aan zijn einde bij hem bleven. Maar, na een
slecht onderhouden vuur, werd het geheele regiment door een geweldigen
schrik overmeesterd, en in weerwil van de door den Kolonel en eenige
andere dappere officieren aangewende pogingen om het weder te
verzamelen, vluchtte het eindelijk in de grootste verwarring van het
slagveld.
„Juist op het oogenblik, dat kolonel Gardiner nadacht over hetgeen door
zijn plicht in zulke omstandigheden gevorderd werd, greep er een
voorval plaats, dat, naar mij voorkomt, hem in het oog van ieder braaf
en edelmoedig mensch, moet verontschuldigen zijn leven, na de vlucht
van zijn regiment, aan zulk groot gevaar te hebben blootgesteld. Hij
ontwaarde een troep infanteriesoldaten, die moedig, zonder aanvoerder,
aan zijn zijde streden, en die het hem opgedragen was te ondersteunen;
waarop hij met geestdrift riep, zoo als mij verhaald is door dengene,
die het zelf had gehoord: „Deze dappere lieden zullen zich bij gebrek
aan een aanvoeder in de pan laten hakken!” en terwijl hij dit of iets
dergelijks zeide, reed hij spoorslags op hen toe met den uitroep:
„Vuurt maar toe, brave jongens! vuurt maar toe, en vreest niets!” Maar
juist op het oogenblik, dat hij deze woorden uitte, schoot er een
Hooglander met een aan een langen stok gehechte zeis op hem af, en
bracht hem zulk een geweldigen slag op den rechter arm toe, dat zijn
degen hem uit de hand vloog; en op hetzelfde oogenblik, waarop anderen
toegeschoten waren bij den aanval van dit vreeselijke wapen, werd hij
van zijn paard geworpen. Terwijl hij ter aarde stortte, gaf een andere
Hooglander, indien men zich op een getuige te Carlisle verlaten mag (en
ik zou niet weten waarom men hem geen geloof zou verleenen, ofschoon de
ongelukkige het in zijn stervensuur ontkend heeft), zekere Mac-Naught,
die ongeveer een jaar later ter dood werd gebracht, hem op het
achterhoofd een houw met een sabel, of strijdbijl (de man, die het mij
verhaalde, had dit niet kunnen onderscheiden), die zijn dood
veroorzaakte. Alles wat zijn getrouwe bediende verder zag, was, dat,
daar zijn hoed was afgevallen, hij dien met zijn linkerhand opnam, en
dien zwaaide om daardoor te kennen te geven, dat hij zich moest
verwijderen, en hij voegde er bij, dat de laatste woorden, welke hij
hem had hooren uiten, deze waren: „Zorg voor u zelven!” waarop hij zich
dan ook verwijderd had.”
Eenige merkwaardige trekken uit het leven van den kolonel James
Gardiner, door P. Doddridge. DD. Londen 1747, blz. 187.
Bij gelegenheid van dit uittreksel moet ik opmerken, dat het in den
tekst gegeven verslag van den weêrstand door een gedeelte der Engelsche
armee geboden, volkomen bevestigd wordt. Daar ze door een geheel
nieuwen en onverwachten aanval verrast waren, kon de tegenstand noch
lang, noch geducht wezen, vooral niet nadat ze door de cavalerie en
door hen, die het geschut moesten bedienen, verlaten waren: maar toch
heb ik, ofschoon de slag spoedig beslist was, altijd begrepen, dat het
grootste gedeelte der infanterie zich geneigd toonde haar plicht te
doen.
Aanteekening KK, Deel II, bl. 246: De heer van Balmawhapple.
Het behoeft nauwelijks gezegd te worden, dat het karakter van dezen
jongen onbeschoften landjonker geheel en al van mijn vinding is. Toch
is een edelman, die veel gelijkenis met Balmawhapple had, maar alleen
wat zijn moed betreft, op de beschreven wijze te Preston gesneuveld.
Een edelman uit het graafschap Perth, even eerbiedwaardig als met
eergevoel bezield, die een deel uitmaakte van den kleinen hoop
ruiterij, die zich aan Karel Eduard verbonden had, vervolgde bijna
alleen de vluchtende dragonders tot bij Sint Clements-Wells. Daar
gelukte het aan de pogingen van enkele officieren een klein aantal
vluchtelingen voor een oogenblik tot staan te brengen. Toen deze
bemerkten, dat ze slechts door een enkelen officier en een paar
bedienden achtervolgd werden, wierpen zij zich op hem en doorstaken hem
met hun sabels. Ik herinner mij, toen ik nog kind was, mij op zijn graf
te hebben nedergezet, waarop het gras langen tijd welig en dik was
opgeschoten, waardoor deze plek van het overige terrein werd
onderscheiden. Een vrouw, die tot de familie behoorde, welke destijds
bij Sint Clements-Wells haar verblijf hield, heeft mij deze
geschiedenis, waarvan ze ooggetuige was, herhaalde malen verteld, en
ten bewijze daarvan toonde ze mij een der zilveren vesthaken van den
ongelukkigen edelman.
Aanteekening LL, Deel II, bl. 256: Andrea de Ferrara.
De naam van „Andrea de Ferrara” treft men op alle Schotsche zwaarden
aan, die voor bijzonder uitmuntend worden gehouden. Wie was deze
kunstenaar, welke waren zijn lotgevallen, en wanneer heeft hij geleefd?
Al deze vragen zijn tot nog toe door het onderzoek van oudheidkundigen
niet opgelost. Algemeen wordt het er echter voor gehouden, dat Andrea
de Ferrara een Spaansche of Italiaansche werkman was, die door Jacobus
IV of V was ontboden om de Schotten in het smeden hunner klingen te
onderrichten. De meeste barbaarsche volken munten in het vervaardigen
van wapens uit; en de Schotten hadden reeds een aanzienlijke hoogte
bereikt in het smeden van zwaarden, sedert den slag van Pinkie, op welk
tijdstip de geschiedschrijver Patten deze beschrijft als „bijzonder
breed en dun, vooral met het doel vervaardigd om te splijten, en zoo
voortreffelijk gehard, dat ik nooit iets dergelijks gezien heb; zoodat
ik het voor moeielijk houd er betere te maken.” (Verslag van de
expeditie van Somerset).
Men kan zien, dat op de kling der beste en echte Andrea de Ferrara’s,
een kroontje is ingedreven.
Aanteekening MM, Deel. II, bl. 260: Mejufvrouw Nairne.
Het ongeval, hier beschreven als aan Flora Mac-Ivor overkomen, heeft
werkelijk mejufvrouw Nairne getroffen, een dame, die de schrijver het
genoegen heeft gehad te kennen. Bij het binnenrukken van het leger der
Hooglanders in Edinburgh, stond zij, even als andere dames, die hun
zaak waren toegedaan, met haar zakdoek op een balkon te wuiven, toen
een kogel uit het geweer van een Hooglander, dat bij toeval was gelost,
haar voorhoofd schampte. „God zij geloofd!” zeide zij op het oogenblik,
dat zij weder bij kwam, „dat het ongeval mij is overkomen, wier
beginselen bekend zijn. Indien het een Whig getroffen had, zou men
gezegd hebben, dat het met opzet was geschied.”
Aanteekening NN, Deel. II, bl. 293: Prins Karel Eduard.
Men heeft den schrijver van Waverley beschuldigd, dat hij den jongen
Avonturier in gunstiger kleuren heeft geschilderd dan zijn karakter
verdiende. Maar, daar hij een aantal lieden gekend heeft, die zijn
persoon van nabij gezien hebben, heeft hij hem geschetst zoo als
ooggetuigen hem beschreven hebben. Zonder twijfel moet men eenige
overdrijvingen, natuurlijk aan hen, die zich hem voorstelden als de
ondernemende en stoutmoedige vorst, voor wiens zaak zij goed en bloed
veil hadden, eenigszins matigen; maar moet hun getuigenis geheel
achterstaan bij die van een enkelen ontevredene?
Ik heb reeds met een enkel woord gewaagd van de door Johnstone tegen
den Ridder ingebrachte beschuldigingen van gebrek aan moed, maar een
gedeelte van zijn verhaal ten minste gelijkt volkomen op een roman. Men
zal, om maar iets te noemen, bezwaarlijk kunnen gelooven, dat Johnstone
ten tijde, waarop hij aan het publiek de zoo aardige geschiedenis
zijner vrijaadje met de beminnelijke Peggie schonk, een gehuwd man was,
wiens kleinzoon nog in leven is. Evenzoo is het tot in de kleinste
bijzonderheden afdalende verhaal van de vreeselijke wraak door Gordon
van Abbachie op een Presbyteriaanschen predikant uitgeoefend, geheel en
al onwaar. Men moet ook aannemen, dat de Prins, even als andere leden
zijner familie, de diensten, hem door zijn volgelingen bewezen, niet
genoeg op prijs stelde. Daar hij opgevoed was in het vaste denkbeeld
zijner erfelijke rechten, heeft men voorgewend, dat hij de pogingen en
opofferingen aan zijn zaak gewijd, als een plicht beschouwde, die van
zijn zijde slechts luttel dankbaarheid eischte. Deze meening wordt
versterkt door de getuigenis van Dr. King; maar zijn verzaken van de
Jacobietische partij maakt den dokter een weinigje verdacht.
De uitgever van Johnstone’s gedenkschriften brengt een verhaal bij, dat
aan Helvetius wordt toegeschreven, en waaruit blijken zou dat prins
Karel Eduard, verre van zich vrijwillig tot zijn vermetelen tocht te
hebben ingescheept, letterlijk gebonden aan handen en voeten aan boord
werd gebracht, en het schijnt wel dat hij er geloof aan slaat. Nu, daar
het een even goed aangenomen feit is als elk ander zijner geschiedenis,
en, zoo ik mij niet vergis, geheel en al buiten kijf is, dat juist
Boisdale en Lochiel ten gevolge van de dringende persoonlijke beden van
den Prins tot den opstand overgingen, toen zij er zelf met klem op
aandrongen dat hij zijn onderneming zou uitstellen tot hij genoegzame
hulp uit Frankrijk zou hebben ontvangen, zou het bezwaarlijk vallen
dezen gewaanden tegenzin op het oogenblik der expeditie te rijmen met
zijn wanhopige pogingen om den opstand, in weerwil van de raadgevingen
en de smeekingen zijner kundigste aanhangers te verhaasten. Zeker zou
iemand dien men geboeid aan boord van een schip had moeten brengen,
hetwelk hem tot zulk een wanhopige onderneming moest overvoeren, de
gelegenheid hem door den tegenzin zijner aanhangers aangeboden, om
veilig naar Frankrijk terug te keeren, gretig hebben aangegrepen.
In Johnstone’s gedenkschriften wordt beweerd dat Karel Eduard het
slagveld van Culloden verliet, zonder de minste poging te hebben
aangewend om de overwinning te betwisten; en om het voor en tegen te
laten gelden, moeten wij hier ook de vrij wat geloofwaardiger
getuigenis van lord Elcho aanhalen, die verklaart, dat hij zelf den
Prins heeft aangespoord zich aan het hoofd van den linker-vleugel, die
niet in het gevecht gewikkeld was, te stellen, en den strijd te
hernieuwen of met eere te sneuvelen. Daar zijn raad echter verworpen
werd, nam lord Elcho, met de bitterste verwijten, afscheid van den
Prins, hem zwerende dat hij hem nooit weder onder de oogen komen zou,
en hij hield woord.
Aan den anderen kant schijnt het gevoelen der overige officieren
geweest te zijn, dat de slag onherroepelijk verloren was, daar de eene
vleugel der Hooglanders volkomen geslagen, het overige gedeelte des
legers veel te gering in aantal was, en zijn flanken geheel in
verwarring en in een allerwanhopigsten toestand waren. In dezen stand
van zaken kwamen de Iersche officieren, die den Prins omringden
tusschenbeide en noodzaakten hem het slagveld te verlaten. Een
vaandrig, die dicht bij hem was, heeft verklaart, dat hij Sir Thomas
Sheridan, den toom van des Prinsen paard zag grijpen, en dat hij het
dier deed omkeeren. Ziedaar getuigenissen, die wel met elkander in
tegenspraak zijn; maar het gevoelen van Lord Elcho, een man van een
vurigen aard, en daarenboven wanhopig over een nederlaag, die
allernoodlottigst scheen, mag niet gelden ten nadeele van een moedig
karakter, hetwelk blijkt uit den aard der onderneming zelve, uit de
zucht van den Prins om ten allen tijde den strijd te beginnen, uit zijn
besluit om van Derby naar Londen te trekken, en uit de tegenwoordigheid
van geest door hem te midden der gevaren van zijn avontuurlijke vlucht
aan den dag gelegd. De schrijver is er verre van voor den ongelukkigen
Prins loftuitingen te eischen alleen aan schitterende talenten
verschuldigd; maar hij blijft bij zijn gevoelen, dat hij, gedurende den
loop zijner onderneming blijken heeft gegeven van het gevaar in het
gelaat te durven zien en naar roem te streven.
Dat Karel Eduard de voordeelen bezat van een bevallig uiterlijk en
innemend voorkomen, even als de houding en de manieren, die aan zijne
positie voegden, heeft de schrijver nooit hooren betwisten door een van
hen die hem hadden mogen naderen, en hij gelooft geenszins die
hoedanigheden te hebben overdreven in de schets door hem geleverd.
De volgende uittreksels, die het algemeene gevoelen omtrent het
beminnelijke karakter van den Prins versterken, zijn ontleend aan een
in handschrift bestaand verhaal zijner romantische onderneming, door
James Maxwell van Kirkconnell, en waarvan ik een afschrift te danken
heb aan de vriendschap van den heer J. Menzies, van Pitfoddells. De
schrijver, hoewel partijdig voor den Prins, dien hij getrouw
vergezelde, schijnt een oprecht mensch, en volkomen ingelicht omtrent
de kuiperijen der raadslieden van den Pretendent:
„Iedereen was opgetogen over het voorkomen van den Prins en zijn
persoonlijk gedrag; er was over hem slechts éen stem. Zelfs diegenen,
die uit eigenbelang of ontevredenheid zijn zaak verlieten, konden niet
nalaten te erkennen dat ze hem in andere opzichten alles goeds
toewenschten, en durfden hem nauwelijks berispen over hetgeen hij
ondernam. Zeer vele omstandigheden hadden medegewerkt om zijn moed te
verhoogen, zonder van het grootsche der onderneming en van het gedrag,
door hem, tot aan de uitvoering er van aan den dag gelegd, te gewagen.
Een aantal trekken van zijn goede inborst en zijn menschlievendheid
maakten veel indruk op het volk; ik zal er slechts een paar van
mededeelen. Terstond na den slag, begaf de Prins zich te paard naar het
veld, weinige minuten te voren door het leger van Cope bezet; een
officier trad op hem toe en zeide, terwijl hij op de gesneuvelden wees.
„Hoogheid, uw vijanden liggen aan uw voeten.” De Prins, verre van zich
te verheugen, legde veel medelijden aan den dag met de afgedwaalde
onderdanen zijns vaders, en gaf levendig zijn leedgevoel te kennen, dat
hij hen in zulk een toestand aanschouwde. Den volgenden dag, tijdens
het verblijf van den Prins op Pinkie-House, kwam er een burger van
Edinburgh om den secretaris Murray te spreken over de tenten, daar
bevel was uitgevaardigd, dat de stad ze op een bepaalden tijd zou
leveren. Murray was afwezig, en toen de Prins dit vernam, liet hij den
man bij hem komen, zeggende dat hij de zaak, welke dan ook, liever zelf
wilde afdoen, dan hem te laten wachten, wat hij ook voorkwam door alles
toe te staan wat hem gevraagd werd. Zoo veel voorkomendheid van dezen
door de overwinning begunstigden, jeugdigen Prins verwierf hem zelfs de
loftuitingen zijner vijanden. Maar wat het volk de meest gunstige
gevoelens omtrent hem inboezemde, was het afslaan van iets, dan zijn
belangen van zeer nabij betrof, en waarop misschien het welgelukken
zijner geheele onderneming gegrond was. Men had voorgesteld een der
gevangenen naar Londen te zenden, om aan het hof een
uitwisselingscartel voor te slaan voor allen die gedurende den oorlog
krijgsgevangen zouden gemaakt worden, en te verklaren, dat een
weigering zou worden beschouwd als een besluit om geen pardon te geven.
Blijkbaar was het, dat een cartel zeer voordeelig voor de zaak van den
Prins wezen zou; zijn vrienden zouden zich zoo veel te eerder voor hem
verklaren, indien zij geen andere oorlogskans dan die van het slagveld
te duchten hadden; en indien het hof van Londen dit voorstel van de
hand wees, gevoelde de Prins zich gemachtigd zijn gevangenen op
dezelfde wijze te behandelen als de Keurvorst van Hannover die vrienden
van den Prins zou behandelen, welke in zijn handen vallen mochten, en
men voorzag dat eenige weinige voorbeelden het hof van Londen zouden
noodzaken om toe te geven. Het liet zich toch aanzien dat de officieren
van het Engelsche leger er veel gewicht aan zouden hechten. En
inderdaad hadden zij zich slechts aan de dienst verbonden onder de
voorwaarden bij beschaafde natiën in gebruik, en hun eer kon er niet
door lijden, indien zij hun aanstelling terugzonden, wanneer deze
voorwaarden niet werden nageleefd, en dat vooral door de
stijfhoofdigheid van hun souverein. Ofschoon dit voorstel algemeen werd
toegejuicht en als zeer belangrijk werd voorgedragen, wilde de Prins er
zich volstrekt niet mede vereenigen: „Het was hem onwaardig,” zeide
hij, „ijdele bedreigingen te uiten, want nooit zou hij er in toestemmen
dat ze ten uitvoer werden gebracht; nimmer zou hij in koelen bloede
mannen opofferen, wier leven hij in het heetst van het gevecht zelfs
met gevaar van het zijne zou gespaard hebben.” Dit waren niet de eenige
bewijzen van zijn goede inborst door den Prins op dien tijd gegeven;
iedere dag leverde er andere van gelijken aard op. Dit alles temperde
de ruwheid van een militair bestuur, dat noodzakelijk was, en hetwelk
hij zoo zacht en dragelijk mogelijk zocht te maken.
Het is reeds aangevoerd dat de Prins dikwijls meer pracht en
plechtigheden vorderde dan met zijn toestand scheen overeen te komen;
maar aan den anderen kant, was eenige strengheid op het punt van
etiquette volstrekt noodzakelijk om hem van allerhande lastigen
aandrang te bevrijden, waaraan hij anders ontegenzeggelijk zou zijn
blootgesteld geweest. Hij wist ook met vrij wat lankmoedigheid de
antwoorden te verduren, die zijn voorgewende zucht voor plichtplegingen
hem dikwijls op den hals haalde. Men verhaalt, bij voorbeeld, dat Grant
van Glenmoriston, nadat deze een overhaasten marsch aan het hoofd van
zijn clan gemaakt had, om zich met Karel te vereenigen, den Prins te
Holyrood onder de oogen trad met een onbescheiden ijver en zonder in
het minst op zijn kleeding te hebben acht gegeven. De Prins ontving hem
vriendelijk, maar niet zonder hem te doen verstaan, dat een
voorafgegaan bezoek bij den barbier niet geheel overvloedig zou geweest
zijn. „Het zijn geen baardelooze soldaten,” hernam het beleedigde
Opperhoofd, „die de zaken van uw Koninklijke Hoogheid kunnen
herstellen.” De Ridder nam dit verwijt welwillend op.
Met éen woord, indien Prins Karel zijn loopbaan terstond na zijn
wondervolle ontkoming had geëindigd, zou hij een voorname plaats in de
geschiedenis bekleed hebben. Zoo als hij was, behoort zijn plaats onder
hen wier schitterendst levenstijdperk een merkwaardig contrast oplevert
met alles wat daaraan voorafgegaan of er op gevolgd is.
Aanteekening OO, Deel II, bl. 299: Schermutseling te Clifton.
Het volgende verslag van de schermutseling te Clifton is getrokken uit
de in manuscript bestaande gedenkschriften van Evan Macpherson van
Cluny, clanhoofd der Macphersons, aan wien de eer toekomt dat hij den
voornaamsten aanval bij deze gelegenheid heeft weerstand geboden. Het
schijnt dat deze gedenkschriften in 1705, dus tien jaren na de
gebeurtenissen waarover zij handelen, zijn opgesteld. Zij werden in
Frankrijk geschreven, waar dit dappere Opperhoofd in ballingschap
leefde, hetwelk eenige in zijn verhaal voorkomende gallicismen
verklaart.
„Bij den terugtocht van den Prins van Derby naar Schotland, belastte
zich gaarne de luitenant-generaal, Lord George Murray, met het bevel
over de voorhoede, een post, waaraan, hoe eervol ook, groote gevaren,
tallooze moeielijkheden en evenveel vermoeienissen verbonden waren;
want de Prins was genoodzaakt zijn marsch te verhaasten, uit vrees dat
hij zou worden afgesneden door den maarschalk Wade, die het Noorden met
een vrij wat talrijker leger bezet hield dan de troepen, die Zijn
Koninklijke Hoogheid in staat was tegenover hem te stellen, terwijl de
hertog van Cumberland met geheel diens cavalerie zijn achterhoede op de
hielen zat. De artillerie kon evenwel midden in den winter langs de
slechtste wegen van geheel Engeland, niet zoo spoedig voortrukken als
het leger van den Prins zelven. Ook was Lord Murray verplicht zijn
marsch tot laat in den nacht voort te zetten, tegelijkertijd
blootgesteld zoowel aan allerhande onzekerheid, als aan de
schermutselingen der voorposten van den hertog van Cumberland.
Omstreeks den avond van den 28sten December 1745 rukte de Prins de stad
Penrith in de provincie van Cumberland binnen. Maar daar Lord Murray de
artillerie niet zoo spoedig kon doen marcheeren als hij wel wenschte,
was hij genoodzaakt den nacht op zes (Engelsche) mijlen van deze stad
met het regiment van Mac-Donald van Glengarrie, dat dien dag de
achterhoede uitmaakte, door te brengen. De Prins besloot, ten einde
zijn troepen eenige rust te gunnen en aan Mylord George en de
artillerie den tijd te geven zich bij hem te voegen, den 29sten te
Penrith te blijven. Hij gaf dus aan zijn klein leger des morgens bevel
onder de wapens te komen, daar hij het in oogenschouw nemen wilde en de
verliezen nagaan door hem, sedert zijn inval in Engeland, geleden. Er
bleven hem toen slechts vijfduizend man over, met ongeveer vier honderd
ruiters, edellieden, die als vrijwilligers dienden, en van wie een
gedeelte het eerste gardecorps van den Prins vormde onder de bevelen
van Lord Elcho, later graaf van Weems, thans gebannen en in Frankrijk.
Een ander deel vormde een tweede corps gardes onder de bevelen van Lord
Balmirino, die in den Tower te Londen onthoofd werd. Een derde corps
stond onder het commando van Lord Kilmarnoch, die eveneens werd
onthoofd. Eindelijk werd een vierde aangevoerd door Mylord Pitsligow,
die mede gebannen werd. Deze ruiterij, ofschoon gering in aantal, was
echter, daar zij geheel uit de dapperste edellieden bestond, een groote
steun voor de infanterie, niet slechts op het slagveld, maar ook
gedurende den marsch, daar zij als voorposten dienst deed, en gedurende
den nacht patrouilles uitzond langs de verschillende wegen, die op de
steden uitliepen, waar het leger zijn kwartier moest opslaan.
„Terwijl dit kleine leger den 20sten December op een hoogte, ten
Noorden van Penrith vereenigd was om de revue te passeeren, werden de
heer van Cluny en zijn clan naar de brug van Clifton gezonden, ongeveer
een mijl ten Zuiden van Penrith, na vooraf in oogenschouw te zijn
genomen door den heer Pattullo, kwartiermeester-generaal van het leger,
die met de inspectie der troepen belast was, en zich tegenwoordig in
Frankrijk bevindt. Ze bleven onder de wapens bij de brug, terwijl ze de
komst van Lord George Murray met de artillerie verbeidden, wier
overtocht de heer Cluny zou dekken. Tegen zonsondergang kwamen zij aan;
levendig door den hertog van Cumberland met geheel zijn cavalerie
achtervolgd, die meer dan drie duizend man telde, waarvan ongeveer een
derde afsteeg om aan de artillerie den overtocht over de brug te
betwisten, terwijl de hertog en de anderen te paard bleven om de
achterhoede aan te tasten. Lord George Murray rukte voort; en hoewel
hij den heer de Cluny en zijn clan onder de wapens en vol moed vond,
kwam hem de stelling zeer bedenkelijk voor. Door de buitengewone
ongelijkheid aan troepen-sterkte, scheen de aanval zeer gevaarlijk: ook
wachtte Lord George met het geven van bevelen totdat hij den raad van
den heer de Cluny had ingewonnen. „Ik zal hen volgaarne aanvallen”
antwoordde de heer de Cluny, „als gij het beveelt.” – „Welnu, ik beveel
het dan,” hernam Lord George. En zich terstond bij den heer de Cluny
voegende, streden zij te voet, met den sabel in de vuist alleen met den
clan der Macphersons. In éen oogenblik baanden zij zich een doortocht
dwars door een doornhaag, waarachter de cavalerie een stelling had
ingenomen. Bij het dringen door de haag, verloor lord Murray, even als
geheel het leger in Hollandsche kleeding, zijn muts en zijn paruik, en
bleef verder blootshoofds strijden. Zij losten terstond hun vuurwapens
op den vijand en vielen hen vervolgens met den sabel in de vuist aan;
zij rigtten gedurende langen tijd een vreeselijk bloedbad onder hen
aan, hetgeen Cumberland tot een overhaaste vlucht met zijn cavalerie,
en wel in zulk verwarring, noodzaakte, dat, indien de Prins over een
voldoend aantal ruiters had kunnen beschikken, de hertog van Cumberland
zonder twijfel met het grootste gedeelte van zijn troep zou zijn
krijgsgevangen gemaakt. Het was toen zóó donker, dat het onmogelijk was
de dooden te zien noch te tellen, die al de sloten van het
oorlogstooneel vulden. Maar men berekende, dat, behalve de gewonden,
wie het gelukte te ontsnappen, er ten minste honderd op de plek bleven,
waaronder de kolonel Honywood, die de afgestegen cavalerie aanvoerde.
De heer de Cluny maakte zich van zijn sabel meester, die van
aanmerkelijke waarde, en nog in zijn bezit is; zijn clan vermeesterde
evenzeer een aantal wapens; de kolonel werd spoedig daarop
krijgsgevangen gemaakt en herstelde met veel moeite van zijn wonden. De
heer de Cluny verloor slechts een twaalftal manschappen, waarvan
eenigen, die slechts gewond waren, vervolgens in handen van den vijand
vielen en als slaven naar Amerika werden gezonden. Verscheidene hunner
zijn vandaar terug gekeerd, en een hunner is op dit oogenblik in
Frankrijk, en wel sergeant bij het regiment koninklijke Schotten.
Zoodra de Prins bericht van de nadering des vijands ontving, zond Zijn
Koninklijke Hoogheid den graaf van Nairne, brigadier, (gebannen en nu
in Frankrijk) met de drie bataljons van den hertog van Athol, het
bataljon van den hertog van Perth, en eenige andere onder zijn bevelen
staande troepen, ter ondersteuning van Cluny en ter bevrijding van de
artillerie; maar het gevecht was geheel geëindigd eer de graaf van
Nairne met zijn troepen het slagveld bereikt had. Zij keerden dus naar
Penrith terug en de artillerie trok in goede orde voorwaarts. Van dat
oogenblik af durfde de hertog van Cumberland den Prins en zijn leger
gedurende dezen ganschen aftocht, slechts op een dagmarsch afstands
naderen; deze werd dus met de grootste voorzichtigheid volbracht,
ofschoon men van alle kanten door vijanden omringd was.
Aanteekening PP, Deel II, bl. 309: Eed op den dolk.
Gelijk de heidensche godheden door het zweren bij den Styx zich tot een
onverbreekbare verplichting verbonden, zoo waren de Schotsche
Hooglanders gewoon bijzonder gewicht te hechten aan hun eed, wanneer
zij wilden dat die heilig onder hen wezen zou. Voornamelijk bestond die
plechtigheid in het uitstrekken van de hand, terwijl zij op hun
ontblooten dolk zwoeren; en dit wapen, dat alzoo een waarborg voor hun
overeenkomst geworden was, werd ingeroepen om iedere schending van de
gelofte te straffen. Maar wat ook de handeling wezen mocht, waardoor de
eed werd geheiligd, iedereen was er bijzonder op gesteld de soort van
eed, dien hij als onherroepelijk gezworen had, geheim te houden. Dit
was een zeer gemakkelijk middel om niet al te beschroomd te zijn in het
verbreken zijner belofte, wanneer deze onder een anderen vorm was
afgelegd dan dien welke bij voorkeur als bijzonder plechtig beschouwd
werd, en om welke reden iedere verbintenis zeer gemakkelijk werd
aangegaan, die hem niet langer dan hij zelf wilde, gebonden hield,
terwijl, wanneer zijn onverbreekbare eed eenmaal algemeen bekend was,
een ieder met wien hij in de gelegenheid zou komen er een aan te gaan,
zich met geen anderen zou te vreden stellen. Lodewijk XI, Koning van
Frankrijk, gebruikte dezelfde list; want ook hij had een bijzondere
soort van eed, de eenige, dien hij altijd geëerbiedigd heeft, en
waardoor hij zich zeer ongaarne gebonden zag. De eenige eed, door dezen
dwingeland als heilig beschouwd was die door hem op het heilige kruis
van St. Lo d’Angers gezworen, hetwelk een stuk van het echte kruis
bevatte. Lodewijk geloofde dat hij binnen het jaar zou sterven, als hij
dezen eed verbrak. Toen de connétable van Saint-Pol uitgenoodigd was
een persoonlijk onderhoud met Lodewijk te hebben, weigerde hij dit aan
te nemen, tenzij de Koning hem een vrijgeleide verzekerde ouder
verbintenis van dezen eed. Maar, zegt Comines, de koning antwoordde dat
hij nooit op zulk een wijze een verbintenis zou aangaan met een
sterfelijk mensch, maar dat hij geneigd was iederen anderen eed, dien
hij aan de hand zou doen, te zweren: het traktaat werd dus na herhaalde
onderhandelingen afgebroken, en wel op grond van den eed, waardoor
Lodewijk die bekrachtigen moest. Zoodanig is het verschil tusschen de
beginselen des bijgeloofs en die des gewetens.