EEN NASCHRIFT, DAT EEN VOORBERICHT HAD MOETEN ZIJN.

Onze reis is nu geëindigd, waarde lezer, en indien gij alle geduld

onder het lezen der voorgaande bladzijden niet verloren hebt, is het

contract van uw zijde volkomen nageleefd. Evenwel, op het voorbeeld van

den koetsier, die het bedongen geld voor zijn rid heeft ontvangen,

verlaat ik u nog niet, en blijf ik nog een oogenblik bij u, om met alle

mogelijke bescheidenheid een aanval te doen op uw edelmoedigheid, ten

einde nog iets boven het bedongene te erlangen. Nogtans staat het u

even zoo vrij het boek van den schrijver, die u met dit verzoek aan

boord komt, weg te werpen, als de deur voor den neus van den koetsier

dicht te slaan.

Dit hoofdstuk had als voorbericht moeten dienen; maar om twee redenen

heb ik besloten het deze plaats te doen innemen. Ten eerste: de meeste

romanlezers, zoo als mijn eigen geweten mij zegt, zijn zeer geneigd

zich aan het overslaan van een voorrede te bezondigen; ten andere, is

het een algemeen gebruik bij deze klasse van lezers, om met het laatste

hoofdstuk van een werk te beginnen; zoodat alles wel berekend, deze

opmerkingen er juist te meer kans door loopen, om op de plaats waar zij

behooren, gelezen te worden.

Er is geen volk in Europa, dat in den loop van een halve eeuw, of iets

minder, zulk een volslagene verandering heeft ondergaan als de

Schotten. Onder de eerste oorzaken der veranderingen moeten de gevolgen

van den opstand van 1745, de vernietiging van de patriarchale macht der

clanhoofden en van het leenstelsel der Baronnen en des Laaglandschen

adels gerekend worden; kortom, de geheele ondergang van de

Jacobietische partij, die, daar zij zich niet met de Engelschen

vereenigen, noch hun gebruiken wilde aannemen, er zich een geruimen

tijd lang een punt van eer van maakte, de oude zeden en de Schotsche

gebruiken te handhaven. De steeds toenemende rijkdom en de uitbreiding

van den handel hebben er sedert toe medegewerkt, om de Schotten van

onzen tijd evenzeer te doen verschillen van hun voorouders, als de

hedendaagsche Engelschen geheel iets anders zijn dan zij, die onder

koningin Elizabeth leefden. De gevolgen van al deze veranderingen,

zoowel uit een staatkundig als uit een œconomisch oogpunt, zijn even

talentvol als nauwkeurig door lord Selkirk beschreven; maar hoewel deze

belangrijke omkeer vrij snel in zijn werk is gegaan, heeft die echter

slechts trapsgewijze kunnen plaats grijpen, en even als zij, die met

den loop van een diepen en rustigen stroom medegaan, bemerken wij de

door ons gemaakte vorderingen niet, voordat wij onze oogen geslagen

hebben op het reeds verwijderde punt, waarvan wij zijn uitgegaan.

Diegenen onder onze tijdgenooten, die zich de laatste twintig of

vijfentwintig jaren der achttiende eeuw kunnen herinneren, zullen de

waarheid dezer bewering toestemmen, vooral als zij verbonden waren met

een of ander lid der familiën, welke men in mijn jongenstijd „het volk

van den ouden zuurdeesem” heette, uithoofde van hun onveranderlijke,

ofschoon hopelooze getrouwheid aan het huis van Stuart. Dit ras is

heden ten dage bijna geheel verdwenen, en met hen heeft men een aantal

ontegenzeggelijk bespottelijke vooroordeelen, maar tevens ook

verscheidene treffende voorbeelden van gastvrijheid en deugd, en van de

aloude trouw der Schotten zien verloren gaan, benevens het bijzondere

en belanglooze aankleven der grondbeginselen, die zij van hun vaderen

hadden geërfd.

Het toeval heeft gewild, hoewel ik niet onder de Hooglanders geboren

ben – hetgeen tot verontschuldiging moge strekken voor de tallooze

fouten, die ik begaan mocht hebben als ik mij van hunne taal bediend

heb – dat ik de dagen mijner kindschheid en jongelingschap in het

midden van zulke personen heb doorgebracht, als waarvan ik gesproken

heb. Om eenige herinnering te bewaren van deze voormalige zeden en

gewoonten, die ik bijna geheel en al heb zien uitsterven, heb ik in de

uit de lucht gegrepen tooneelen en met geheel en al verdichte personen

een gedeelte der gebeurtenissen afgeschilderd, die ik door diegenen had

hooren vertellen, welke er een werkzaam aandeel in genomen hadden; en,

in waarheid, de meest romantische gebeurtenissen van dit verhaal zijn

juist die, welke op werkelijke feiten gegrond zijn. De wederkeerige

dienstbewijzen tusschen een Hooglander en een hoofdofficier van het

leger des konings, en de stoutmoedige wijze waarop deze zijn rechten

deed gelden, om aan den eersten de van hem ontvangen goede dienst te

vergelden, zijn letterlijk waar. Het gebeurde met het geweerschot is

een dame van adellijke geboorte overkomen, die sedert is overleden, en

door wie het heldhaftig antwoord werd gegeven, hier Flora in den mond

gelegd. Geen edelman, die verplicht was na den slag van Culloden zich

te verbergen, of hij kon even vreemde en even zonderlinge avonturen

verhalen, als die ik mijnen helden heb laten weêrvaren: de vlucht van

Karel Eduard zelve zou er het merkwaardigste en treffendste voorbeeld

van opleveren.

Alles wat den slag van Preston en de schermutseling van Clifton

betreft, is ontleend aan de verhalen van ooggetuigen, die alles behalve

van verstand misdeeld waren, en is nog eens getoetst aan de

„Geschiedenis van den Opstand,” door wijlen den achtenswaardigen

schrijver van „Douglas.” De Schotsche edellieden der Laaglanden en de

hoofdpersonen zijn hier, niet als portretten van bepaalde personen,

maar als typen der algemeene zeden van dit tijdperk weêrgegeven,

waarvan ik in mijn jeugd eenige sporen heb gezien, terwijl de

overlevering voor mij het ontbrekende heeft aangevuld.

Het is mijn voornemen geweest die karakters te schilderen, niet door

middel van een overdreven karikatuur van het volks-dialect, maar door

hun gewoonten, hun zeden en hun gevoelens, ten einde van verre

eenigszins te wedijveren met die bewonderenswaardige Iersche

portretten, die wij te danken hebben aan mejufvrouw Edgeworth, en zoo

geheel verschillend van die „stereotiepe Ieren” die, terwijl ze

volmaakt op elkander geleken, sedert zoo langen tijd een plaats in het

drama en den roman hebben ingenomen.

Ik heb echter geen groot vertrouwen in de wijze, waarop ik mijn plan

heb ten uitvoer gebracht. Ik was, inderdaad, zoo weinig over mijn werk

voldaan, dat ik het ter zijde had gelegd, zonder er de laatste hand aan

geslagen te hebben, en ik vond het slechts toevallig onder andere

verloren papieren in een oude kast terug, waar het een aantal jaren had

gelegen, toen ik in de laden daarvan naar het een of ander zocht,

waaraan een vriend voor zijn vischtuig behoefte had. In dien

tusschentijd zijn er over soortgelijke onderwerpen een paar werken

verschenen, uit de pen gevloeid van twee dames, wier genie haar

vaderland tot eere verstrekte; ik bedoel de Glenburnie van mevrouw

Hamilton, en een latere Verhandeling over het bijgeloof in de

Hooglanden. Maar het eerstgenoemde schildert ons slechts, ofschoon met

een treffende waarheid, de zeden der landlieden in Schotland, terwijl

het geestige werk van mevrouw Grant van Laggan, over onze

volksoverleveringen, geheel en al iets anders is dan het verdichte

verhaal, dat ik gepoogd heb zamen te stelten.

Ik wenschte er mij van te overtuigen, dat mijn werk niet geheel

onbelangrijk voor den lezer wezen zal. De ouden van dagen zullen er de

tooneelen hunner jeugd in terugvinden, terwijl het jongere geslacht

zich er een denkbeeld door zal kunnen vormen van de zeden onzer

voorouders.

Evenwel spijt het mij van harte, dat de afschildering van dit tafereel

der zeden en gewoonten van ons land, die hoe langer hoe meer verloren

gaan, niet aan de pen was opgedragen van den Schotschen schrijver, die

er zich alleen met goed gevolg van had kunnen kwijten – van dien zoo

voortreffelijken schrijver op het gebied dezer soort van literatuur, en

wiens schetsen van kolonel Caustie en van Umphraville zoo geheel

overeenkomstig zijn met de schoonste trekken van ons volkskarakter. Ik

zou in dat geval meer genoegen gesmaakt hebben als lezer, dan ik ooit

als auteur zal smaken, in het volle gevoel van gelukkig geslaagd te

zijn, – wel te verstaan, indien de voorgaande bladzijden mij die zoo

gewenschte onderscheiding verschaffen. Maar terwijl ik reeds van de

aangenomen gewoonte ben afgeweken door deze opmerkingen aan het einde

van het werk te plaatsen, dat ze mij heeft ingegeven, waag ik het

nogmaals den vorm te schenden, door het geheel te besluiten met een

opdracht.

Waverley(#75933) · 第 150 / 156 题