Het verhaal van den Baron was kort, wanneer men er de spreekwoorden en
gemeenplaatsen in het Latijn, Engelsch en Schotsch, waarmede zijn
geleerdheid het opsierde, wegliet. Hij stond lang stil bij de
droefheid, die hem getroffen had over het verlies van Eduard en
Glennaquoich, schetste de veldslagen van Falkirk en Culloden, en
verhaalde, hoe hij, nadat alles in het laatstgenoemde gevecht verloren
was, naar huis was teruggekeerd, in de meening van gemakkelijker een
schuilplaats te zullen vinden onder zijn eigene boeren, en op zijn
eigen landgoed, dan ergens elders. Een afdeeling soldaten was
uitgezonden om zijn eigendommen te verwoesten; want barmhartigheid was
niet aan de orde van den dag. Hun vernielingswerk was echter gestuit
door een bevel van het Civiele Hof. Men erkende dat het landgoed niet
vervallen verklaard mocht worden aan de Kroon, ten nadeele van Malcolm
Bradwardine van Inch-Grabbit, den erfgenaam in de mannelijke lijn,
wiens aanspraak op de baronie niet lijden mocht door de handelingen van
den tegenwoordigen eigenaar, daar hij zijn recht van dezen niet
ontleende, – en die dus, gelijk een aantal andere erfgenamen van
leengoederen, in denzelfden toestand, er het bezit van erlangde. Maar,
geheel verschillend van velen in soortgelijke omstandigheden, toonde de
nieuwe heer spoedig, niet te zullen dulden dat zijn voorganger het
minste voorrecht of voordeel trok van de goederen, die hem hadden
toebehoord, en dat het zijn voornemen was, zich het ongeluk van den
ouden Baron in zijn geheele uitgestrektheid ten nutte te maken. Dit was
te onedelmoediger, daar het van algemeene bekendheid was, dat de Baron,
met het romantische denkbeeld bezield, om het recht van dezen
jongeling, als mannelijken erfgenaam, niet te benadeelen, de
erfopvolging op zijn dochter niet had willen overdragen. Deze
onrechtvaardige zelfzucht stiet de dorpelingen geweldig tegen de borst,
die hun ouden meester hartelijk lief hadden, zoodat zij niet weinig
verontwaardigd waren over het gedrag van zijn opvolger. In des Barons
eigen woorden, „strookte deze zaak niet met het algemeen gevoelen op
Bradwardine, mijnheer Waverley; en de boeren waren traag en onwillig in
het betalen van het verschuldigde; en toen mijn neef in het dorp kwam,
met zijn nieuwen rentmeester, den heer James Howie, om de huur in te
vorderen, loste, men weet niet wie, – ik vermoed echter, John
Heatherblutter, de oude jagermeester, die in het jaar vijftien met mij
uittrok – een schot op hem in het donker, waardoor hij zoo bang werd,
dat ik met Cicero in Catilinam wel mag zeggen, abiit, evasit, erupit,
effugit [178]. Hij liep, mijnheer, om mij zoo uit te drukken, in éen
adem naar Stirling. En nu heeft hij het landgoed ten verkoop
aangeslagen, daar hij zelf de laatste mannelijke erfgenaam van het leen
is. En indien men mij door zulke zaken grieven kon, zou dit mij meer
grieven, dan de overgang van het goed uit mijn eigen bezit, dat toch,
volgens den loop der natuur, binnen weinige jaren zou moeten plaats
hebben; daar dit nu overgaat uit handen van het geslacht, dat het in
sæcula sæculorum moest bezeten hebben. Maar, Gods wil geschiede, humana
perpessi sumus [179]. Sir John van Bradwardine – Zwarte Sir John, zoo
als men hem noemde – die de algemeene stamvader van ons huis en der
Inch-Grabbits was, dacht weinig dat zoo iemand uit zijn geslacht zou
voortkomen. Intusschen heeft hij mij beschuldigd bij den een of ander
van de primates, de tijdelijke bewindhebbers, alsof ik een aanvoerder
van bravo’s en sluipmoordenaars was. En er zijn soldaten hierheen
gezonden, om op mijn goederen te verblijven, en jacht op mij te maken
als op een veldhoen in het gebergte, gelijk de H. Schrift zegt van den
goeden koning David, of als onzen dapperen Sir William Wallace, –
zonder daarom mijzelven met een van beiden te vergelijken. – Ik dacht,
toen ik u aan de deur hoorde kloppen, dat zij het oude wild ten laatste
in zijn leger hadden overvallen; en daarom nam ik mij voor, mijn leven
ten duurste te verkoopen. – Maar nu, Janet, kunt gij ons niet wat
avondeten bezorgen?”
„Ja wel, mijnheer, ik zal het waterhoen braden, dat John Heatherblutter
heden morgen medegebracht heeft, en gij ziet, de arme Davie is al bezig
met de eieren van de zwarte kip te bakken. Ik durf zeggen, mijnheer
Waverley, dat gij nooit geweten hebt dat al de eieren die zoo goed in
het groote heerenhuis gebakken werden, door onzen Davie waren klaar
gemaakt. Niemand haalt bij hem, die zoo knap is om met zijn vingers in
de heete asch te werken en de eieren te keeren.” Davie lag gedurende al
dien tijd met zijn neus bijna in het vuur, terwijl hij in de asch
blies, met de hielen schopte, bij zichzelven mompelde, en zijn eieren
in den gloed keerde, als ware het om het spreekwoord te weêrleggen,
„dat er verstand toe noodig is om eieren te bakken,” en de lofspraak te
rechtvaardigen, die Janet uitstortte
„Over hem, haar lieveling, haar arm onnoozel kind.” [180]
„Davie is zoo dom niet, als de menschen wel meenen, mijnheer Waverley;
hij zou u hier niet gebracht hebben, als hij niet geweten had, dat gij
een vriend waart van mijnheer – zoo waar, zelfs de honden kenden u,
mijnheer Waverley, want gij waart altijd vriendelijk jegens beesten en
menschen. – Maar, met mijnheers verlof, zal ik u een geschiedenis van
Davie vertellen. Ge ziet, dat de edele heer die zich in deze bittere
tijden moet schuil houden, en wat nog erger is, dag en nacht in het hol
in het eikenbosch ligt, en ofschoon het nauw genoeg is van ingang en de
goede oude man, Cors Cleugh, het van een bos stroo heeft voorzien, zoo
komt evenwel, wanneer alles in den omtrek op het land stil, en de nacht
recht koud is, mijnheer er soms uit kruipen, om zich te warmen bij een
takkenbosch en op kussens te slapen, en dan gaat hij er ’s morgens weêr
heen. En zoo, eens op een keer, – hoe schrikte ik! – hadden twee
ongelukkige roodrokken den nacht doorgebracht met op de zalmvangst uit
te gaan, of iets ergers, want ze doen zelden veel goeds, en zagen even
een glimp van mijnheer, toen hij het bosch inging, en schoten op hem.
Ik er uit, als een giervalk, en aan het roepen: – „Wat ze te schieten
hadden op een brave vrouws arm, onnoozel kind?” en ik vloog naar hen
toe, en riep dat het mijn zoon was, en ze vloekten en zwoeren, dat het
de oude rebel was, zoo als de deugnieten mijnheer noemden; en Davie was
in het bosch, en hoorde het leven, en nam, krek uit eigen beweging, den
ouden grijzen mantel op, dien mijnheer weggeworpen had, om des te
vlugger te kunnen beenen maken, en kwam juist uit hetzelfde gedeelte
van het bosch, zich oprichtende en rondziende, zoo geheel op mijnheer
gelijkende, dat zij glad misleid werden, en overtuigd werden dat zij
hun geweer op mallen Sawney afgeschoten hadden, gelijk men hem noemt;
en zij gaven mij een zesstuiverstuk, en twee zalmen, opdat ik er maar
niets van zeggen zou. – Neen, neen, Davie is wel niet precies als
andere menschen, maar hij is toch lang zoo gek niet als de menschen
meenen. Het is waar, wij kunnen nooit genoeg voor mijnheer doen, daar
wij en de onzen nu al twee honderd jaar op zijn land hebben gewoond; en
daar hij mijn armen Jamie op school en het collegie liet gaan, en zelfs
op het heerenhuis hield, tot hij hier boven een betere plaats kreeg.
Hij heeft er mij voor bewaard, dat ik te Perth als een tooverheks werd
terechtgesteld – de Heer vergeve het hun, die zulk een eenvoudige, arme
oude vrouw aanvielen! – en den armen Davie heeft hij van voedsel en
kleeding voorzien, gedurende bijna zijn gansche leven!” Waverley vond
eindelijk een gelegenheid, om Janets verhaal af te breken, door een
vraag naar Freule Bradwardine.
„Zij is, God dank! wél en in veiligheid te Duchran,” antwoordde de
Baron; „de heer is een verre bloedverwant van ons, maar een
bloedverwant van mijn kapelaan, den heer Rubrick; en, ofschoon hij de
Whigsche beginselen is toegedaan, vergeet hij echter, in dezen tijd, de
oude vriendschap niet. De rentmeester doet wat hij kan, om iets uit de
schipbreuk voor de arme Rose te redden; maar ik vrees, ik vrees, dat ik
haar nooit zal wederzien, want ik zal mijn beenderen naar een ver land
moeten dragen.”
„Neen, neen, mijnheer; gij waart er in het jaar vijftien even slecht
aan toe, en kreegt de kostelijke baronie terug, dat kreegt ge; en nu
zijn de eieren klaar, en het waterhoen is gebraden, en daar is voor elk
een bord en wat zout en een hapje witte brood, dat van den rentmeester
is gekomen; en daar is nog overvloed van brandewijn in de kan, die
Luckie Maclearie heeft gestuurd, en zult ge nu niet een maaltijd doen
als Prinsen?”
„Ik hoop, dat ten minste één Prins van onze kennis er niet erger aan
toe is,” zei de baron tot Waverley, die met hem instemde in den
hartelijken wensch dat de ongelukkige Prins in veiligheid wezen mocht.
Nu begonnen ze van hunne verwachtingen in de toekomst te spreken. Het
ontwerp van den Baron was zeer eenvoudig. Het was, naar Frankrijk te
ontsnappen, waar hij hoopte, door den invloed zijner oude vrienden, de
eene of andere bediening bij het leger te verkrijgen, waarvoor hij zich
nog geschikt achtte. Hij noodigde Waverley uit hem te vergezellen; een
voorslag, dien deze aannam, ingeval de invloed van kolonel Talbot te
kort mocht schieten, om hem genade te bezorgen. Stilzwijgend hoopte
hij, dat de Baron zijn liefde voor Rose zou goedkeuren, en hem het
recht geven om hem in zijn ballingschap te ondersteunen; maar hij
onthield zich hiervan te spreken, tot zijn eigen lot zou beslist zijn.
Nu liep hun gesprek over Glennaquoich, omtrent wien de Baron groote
bezorgheid aan den dag legde, ofschoon hij aanmerkte, dat hij „juist de
Achilles van Horatius Flaccus was
Impiger, iracundus, inexorabilis, acer.
welke verzen,” zoo voegde hij er bij, „te vertalen zijn:
„Een woelig hoofd, een krijger als metaal,
Zoo heet als vuur en zoo hard als staal.”
Flora had een ruim en onbekrompen deel in het medelijden van den goeden
oude.
Intusschen begon het laat te worden. De oude Janet kroop in een soort
van hondenhok, achter de hut; Davie sliep en snurkte al lang tusschen
Ban en Buscar. Deze beide honden waren hem naar de hut gevolgd, nadat
het heerenhuis verlaten was, en waren er gebleven; en hunne
kwaadaardigheid, en de naam der oude vrouw, die voor een tooverheks te
boek stond, droegen er niet weinig toe bij, om het dal van bezoekers te
vrijwaren. Met dit inzicht voorzag de rentmeester Mackwheeble de oude
Janet, ondershands van het noodige voor haar onderhoud, en insgelijks
van eenige kleine voorwerpen van weelde, ten gebruike van zijn heer,
waarvan de bezorging met niet weinig voorzichtigheid moest geschieden.
Na eenige plichtplegingen, begaf de Baron zich naar zijn gewone
legerplaats, en Waverley zette zich in een gemakkelijken leuningstoel
met gescheurd fluweel, die eens de statie-slaapkamer van Tully-Veolan
had versierd, (want het huisraad van dit verblijf was thans in al de
hutten uit de nabuurschap vestrooid) en sliep zoo zacht in, alsof hij
op een donzen bed zijn leden ter ruste gevlijd had.