Waverley met postpaarden reizende, volgens de gewoonte van dien tijd,
ondervond geen ander bezwaar, dan een paar navragen, die de talisman
van zijn paspoort voldoend beantwoordde, en bereikte op deze wijze de
grenzen van Schotland. Hier ontving hij bericht van den beslissenden
slag van Culloden. [174] Het was niets anders, dan hetgeen hij lang had
verwacht, ofschoon de voorspoed te Falkirk een laatsten straal op de
wapenen des Prinsen geworpen had. Met dat al trof het hem als een
schok, waardoor hij tijdelijk geheel uit het veld was geslagen. De
edelmoedige, de hoffelijke, de hooghartige avonturier was dus nu
slechts een vluchteling, op wiens hoofd men een prijs had gesteld.
Zijn, zoo dappere, zoo hooggestemde, zoo getrouwe aanhangers, waren
dood, gevangen of in ballingschap. Waar was nu de geestdrijvende en
fijn gevoelige Fergus, indien hij inderdaad den nacht te Clifton had
overleefd? Waar de rechtschapene baron van Bradwardine met zijn
onvergelijkelijke eenvoudigheid, wiens zwakheden, zijn belangeloosheid,
zijn goedhartigheid en zijn onwrikbaren moed slechts te meer deden
uitkomen? En zij, die geen anderen steun hadden dan deze twee mannen,
Rose en Flora, waar moest men haar zoeken, en in welke bittere ellende
moest het verlies harer natuurlijke beschermers haar niet gedompeld
hebben! Aan Flora dacht Waverley met de achting eens broeders voor een
zuster; aan Rose met een nog levendiger en teederder gevoel. Misschien
zou het nog zijn lot worden, het gemis der natuurlijke beschermers, die
zij verloren hadden, te vergoeden. Door deze gedachte aangespoord,
zette hij zijn reis met te meer spoed voort.
Toen hij te Edinburgh kwam, waar hij zijn nasporingen onvermijdelijk
moest aanvangen, gevoelde hij al het moeielijke van zijn toestand. Een
aantal inwoners dier stad hadden hem gezien en gekend als Eduard
Waverley; hoe kon hij dan gebruik maken van een paspoort als Francis
Stanley? Hij besloot derhalve alle gezelschap te vermijden, en zoo
spoedig mogelijk hooger op te trekken. Hij was echter verplicht een dag
of wat te vertoeven, in afwachting van een brief van kolonel Talbot, en
insgelijks om zijn adres, onder zijn aangenomen naam, op een
afgesproken plaats achter te laten. Met dit laatste voornemen sloop
hij, in de schemering, door de welbekende straten, terwijl hij alle
mogelijke zorg aanwendde om niet opgemerkt te worden doch te vergeefs.
Een der eerste personen, die hij ontmoette, herkende hem op het eerste
gezicht. Het was vrouw Flockhart, Fergus Mac-Ivors vroolijke
huiswaardin.
„Heere zegene ons, mijnheer Waverley, zijt gij het? Nu, gij behoeft
niet bang voor mij te wezen. Ik zou geen mensch in uw omstandigheden
willen verraden! – Wel, wel! dat is me hier een verandering, hoe
vroolijk placht kolonel Mac-Ivor en gij in ons huis te wezen!” En de
goedhartige weduwe stortte eenige ongeveinsde tranen. Daar het
onmogelijk was hare aanspraak op herkenning te loochenen, liet Waverley
die van ganscher harte gelden, en beleed onverholen het gevaar waarin
hij zich bevond. „Wilt ge, daar het bijna donker is, mijnheer, even bij
mij binnenkomen, en een kopje thee gebruiken? en ik verzeker u, dat,
zoo gij in het kamertje zoudt willen slapen, ik wel zorgen zou, dat ge
niet gestoord wierdt, en niemand zou u herkennen; want Kate en Matty,
zijn met twee van O’Hawleys dragonders weggeloopen, en ik heb twee
nieuwe meiden in haar plaats.”
Waverley nam haar uitnoodiging aan, en besprak de slaapplaats voor een
paar nachten, overtuigd dat hij veiliger zijn zou in het huis van dit
goedhartig schepsel, dan ergens elders. Toen hij het spreekvertrek
binnen trad, klopte zijn hart op het zien van Fergus’ muts, met de
witte kokarde, die naast den kleinen spiegel hing.
„Ach!” zeide vrouw Flockhart met een zucht, toen zij zag waarheen zijn
oogen zich richtten, „de arme Kolonel kocht een nieuwe, juist den dag
voor dat gij op marsch gingt, en ik heb niet gewild dat men deze hier
zou wegnemen, maar stof ze elken dag zelve af, en als ik er naar kijk,
is het of ik den Kolonel aan Callum hoor roepen hem zijn muts te
brengen, zoo als zijn gewoonte was, als hij uitging. Het is
kinderachtig misschien. De buren noemen mij een Jacobiet, maar ze mogen
zeggen wat ze willen. Ik weet wel, dat het daarom niet is, maar hij was
een vriendelijk heer, als er ooit een bestond, en zulk een schoon man
ook! Och, weet ge, mijnheer, wanneer hij terechtgesteld zal worden?”
„Terechtgesteld? Goede Hemel! Hoe, waar is hij?”
„Wat, in ’s Hemels naam! weet gij het niet? Die arme Hooglandsche hals,
Dugald Mahony, kwam hier een poos geleden, met den eenen arm afgeslagen
en een vreeselijken houw over het hoofd. – Gij zult u Dugald wel
herinneren; hij droeg een bijl op schouder. – Welnu, hij kwam hier
eigenlijk bedelen, mag ik wel zeggen, om wat eten. Nu dan, hij
verhaalde ons, dat het Opperhoofd, zoo als zij hem noemden (maar ik
noem hem altijd Kolonel), en vaandrig Maccombich, dien gij u wel
herinnert, ergens op de Engelsche grenzen gevangen genomen waren, toen
het zoo donker was, dat zijn volk hem eerst heel laat miste, en die
menschen werden als razend! En hij zeide, dat die kleine Callum Beg,
(hij was een stoute, ondeugende, fiere knaap), en gij dien eigen nacht
gedood waart, even als een aantal andere brave kerels. Maar hij zwoer,
als hij van den Kolonel sprak, dat hij nooit zijns gelijke had gezien.
En nu loopt het praatje, dat de Kolonel zal gevonnisd en ter dood
gebracht worden met degenen die te Carlisle gevangen genomen werden.”
„En zijn zuster?”
„O! zij die lady Flora genoemd werd? – wel, ze is weg, naar Carlisle,
en woont daar bij een zekere groote Roomsche dame van haar kennis, om
dicht bij hem te zijn.”
„En,” vervolgde Eduard, „de andere jonge dame?”
„Welke andere? Ik ken maar éene zuster van den kolonel.”
„Ik bedoel Freule Bradwardine,” zeide Eduard.
„O, ja, de dochter van den Baron, het arme ding! Ze was een lief
meisje, maar veel bedaarder dan lady Flora.”
„Waar is ze, om Gods wil?”
„O, wie weet waar iemand van die familie is? De arme meisjes, ze zijn
wat gehavend, om hare witte kokardes en witte rozen; maar ze is
noordwaarts getrokken, naar haar vader, in Perthshire, toen de troepen
van het Bewind weer in Edinburgh kwamen. – Daar waren eenige knappe
mannen onder, en een zekere majoor Whacker werd bij ons ingekwartierd,
een zeer beleefd heer, – maar, o, mijnheer Waverley, hij zag er op
verre na zoo goed niet uit als de arme Kolonel.”
„Weet gij, wat er van Freule Bradwardine’s vader geworden is?”
„Van den ouden heer? neen, niemand weet dat; maar men zegt, dat hij
heel dapper in dien bloedigen slag te Inverness [175] gevochten heeft
en Deacon Clank, de slotenmaker, beweert dat het Bewindsvolk woedend op
hem is, omdat hij tweemaal uitgetrokken is; en waarlijk, hij had zich
wel mogen laten waarschuwen; maar er is geen erger gek dan een oude
gek. – De arme Kolonel is maar eenmaal uitgetrokken.”
In dit gesprek lag alles opgesloten wat de goedhartige weduwe wist mede
te deelen omtrent het lot der kennissen en der gasten, die zij onlangs
onder haar dak had gehuisvest; maar het was genoeg, om Eduard te doen
besluiten, wat het ook kostte, terstond de reis naar Tully-Veolan voort
te zetten, waar hij hoopte Rose te zullen zien of ten minste iets van
haar te hooren. Hij liet dus een brief voor kolonel Talbot op de
afgesproken plaats achter, geteekend met zijn aangenomen naam, en gaf
hem op het naaste poststation zijn adres, in de nabijheid van het
verblijf des Barons.
Van Edinburgh tot Perth nam hij postpaarden, met het plan om het
overige van de reis te voet af te leggen; een wijze van reizen, waaraan
hij de voorkeur gaf, en die het voordeel aanbood van een tijdlang van
den grooten weg af te kunnen gaan, wanneer zich afdeelingen krijgsvolk
op een afstand vertoonden. De veldtocht had zijn gestel aanmerkelijk
versterkt, en hem aan vermoeienis gewend. Zijn bagage zond hij vooruit,
al naar de gelegenheid zich daartoe voordeed.
Hoe meer hij het noorden naderde, des te meer werden de sporen van den
oorlog zichtbaar. Gebroken rijtuigen, doode paarden, van dak beroofde
hutten, boomen tot palissaden afgehakt en afgebroken, of slechts
gedeeltelijk herstelde bruggen; alles duidde den doortocht der
vijandelijke legers aan. In die plaatsen, waar de voornaamste bewoners
aanhangers waren van de zaak der Stuarts, schenen de huizen vernield of
verlaten; de gewone gang van den tuinbouw, was ten eenemale afgebroken,
en men zag de inwoners over het veld sluipen, terwijl vrees, verdriet
en neerslachtigheid op hun gelaat geteekend waren.
Het was avond, toen hij de omstreken van Tully-Veolan naderde. Hoe
geheel verschilden zijn gewaarwordingen van die, welke hem hadden
overmeesterd toen hij hier voor het eerst binnentrad! Toen was het
leven zoo nieuw voor hem, dat een eentoonige of onaangename dag een van
de grootste rampen was, die hij zich behoefde voor te stellen, en het
scheen hem toe, dat zijn tijd slechts aan beschavende oefeningen of
vermakelijkheden gewijd, en met gezellige of jeugdige vroolijkheid
moest gesleten worden. Thans, welk een omkeer! hoe neêrgedrukt en toch
hoe versterkt was zijn karakter geworden in den loop van slechts zeer
weinige maanden! Gevaar en ongeluk zijn strenge leermeesters, die ons
wel spoedig onderwijzen. Droefgeestiger maar wijzer, gevoelde hij, in
zelfvertrouwen en standvastigheid een vergoeding voor de schitterende
droomen, die de ondervinding zoo spoedig had doen verdwijnen.
Toen hij het dorp naderde, zag hij met verbazing en angst dat een troep
soldaten daar post had gevat, en wat erger was, er ingelegerd scheen te
wezen. Hij maakte dit op uit eenige tenten, die hij zag opgeslagen op
hetgeen men de gemeente-weide noemde. Om aan het gevaar te ontsnappen
van aangehouden en ondervraagd te worden op een plaats waar hij zoo
ligt herkend kon worden, nam hij een grooten omweg, vermeed het dorp
geheel en naderde weder den ingang van de laan langs een hem welbekend
zijpad. Een enkele blik was genoeg, om hem te doen zien, dat er groote
veranderingen hadden plaats gegrepen. De eene deur van de poort, die
van boven neergehaald en tot brandhout gehakt was, lag op hoopen,
gereed om weggedragen te worden, de andere zwaaide nutteloos op de
hengsels. Het kanteelwerk bovenop, was afgebroken en ter aarde
geworpen, en de uitgehouwen beeren, van welke men verhaalde dat ze
gedurende eeuwen den post van schildwacht hadden bekleed, lagen nu, van
hun plaats geslingerd, onder het puin. De laan was vreeselijk
geteisterd. Verscheidene groote boomen waren geveld, en lagen dwars
over het pad zoo als ze omgestort waren, en het vee der dorpelingen, en
de nog hardere hoeven der dragonderpaarden hadden het weelderige gras,
dat zoo zeer Waverleys bewondering had opgewekt, in zwarten modder
veranderd.
Zoodra hij het voorplein betrad, zag Eduard de vrees verwezenlijkt, die
het ontwaren dezer eerste verwoestingen bij hem had doen ontstaan. Het
huis was door ’s Konings troepen geplunderd, die zelfs, in
schandelijken overmoed, gepoogd hadden het af te branden; en ofschoon
de dikke muren grootendeels het vuur hadden weêrstand geboden, zoo
waren toch de stallen en schuren geheel en al vernield. De torens en
kanteelen van het hoofdgebouw waren geschroeid en geblakerd; het
plaveisel der binnenplaats verwoest, de deuren neêrgerukt of hangende
aan een enkel hengsel; de ramen ingeslagen en vernield, en de grond
overdekt met allerhande gebroken huisraad. De kenmerken van aloude
grootheid, waarvoor de Baron, in den trots van zijn hart, zoo veel
eerbied had gekoesterd, waren met een bijzondere minachting behandeld.
De fontein was vernield, en de bron die haar van water voorzag,
stroomde nu over het voorplein heen. Het steenen bekken scheen bestemd
te zijn tot een drinktrog voor het vee, naar de wijze te oordeelen,
waarop het op den grond geplaatst was. De geheele stam der Beeren,
groot en klein, had hetzelfde lot ondergaan als die den ingang van de
laan bewaakten: en een stuk of wat der familie-portretten die den
soldaten, als schijven schenen gediend te hebben, lagen in flarden op
den grond. Gelijk men zich verbeelden kan, zag Eduard met een bloedend
hart de verwoesting van zulk een eerwaardig gebouw aan. Maar zijn
verlangen, om het lot der bewoners te leeren kennen, en zijn vrees om
te vernemen, hoedanig dit lot wel zijn kon, namen met iedere schrede
toe. Toen hij op het terras kwam, deden zich nieuwe tooneelen van
verwoesting voor hem op. De balustrade was neêrgeworpen, de muren
vernield, de paden met onkruid bewassen, en de vruchtboomen omgehakt of
uitgegraven. In een hoek van den ouderwetschen tuin stonden twee
ontzaglijk groote wilde kastanjeboomen, waarop de Baron bijzonder
grootsch was: te lui misschien, om ze omver te hakken, hadden de
plunderaars, met kwaadaardig overleg, ze ondermijnd, en wat buskruid in
het gat aangebracht. De een was door de uitbarsting tot splinters
geslagen, en de stukken lagen er rondom heen verstrooid, en overdekten
den grond, dien de boom zoo lang had overschaduwd. De andere mijn had
zulk een volkomene uitwerking niet gehad. Ongeveer een vierde van den
boomstam was van het overige afgescheurd, die dus verminkt en
geschonden aan de eene zijde, aan den anderen kant nog zijn zware en
ongeschondene takken uitstrekte. [176]
Onder deze algemeene sporen van vernieling, waren sommige die het
gevoel van Waverley meer bijzonder troffen. Toen hij den voorgevel van
het gebouw op deze wijze verwoest en geschonden zag, zochten zijn oogen
natuurlijk naar het kleine balkon, dat tot de vertrekken van Rose
behoorde – de derde of liever vijfde verdieping. Het was spoedig
gevonden, want daaronder lagen de bloempotten en heesters, waarmede
Rose het zoo gaarne versierde, en die men van de fraaie balustrade had
afgeworpen. Een aantal harer boeken lag te midden van gebroken
bloempotten en andere prullen. Onder deze zag Waverley er een van de
zijne, een uitgave van Ariosto, en ofschoon het door wind en regen
gehavend was, raapte hij het als een heiligen schat op. Terwijl hij, in
treurige overpeinzing verdiept, door het hem omringende tooneel, naar
iemand rondzag, die hem het lot der bewoners zou kunnen mededeelen,
klonk hem een stem uit het binnenste van het gebouw tegen; deze zong op
een toon, dien hij zich zeer goed herinnerde, een oud Schotsch lied:
’k Werd overvallen in den nacht,
Mijn tuin vernield, mijn heer geslacht;
Geen knecht of hij ontweek den dood,
En mij liet men in angst en nood.
Mijn meester, aan mijn hart zoo waard,
Versloegen zij; men stal zijn paard; [177]
De zon of maan blink’ van omhoog,
Toch dekt de doodslaap ’s meesters oog.
„Helaas!” dacht Eduard, „zijt gij het? Arm, hulpeloos schepsel! Zijt
gij alleen achtergelaten, om te mijmeren en te zuchten, en met uw
zonderlinge en onzamenhangende brokken van oude balladen in de zalen te
spoken, die u bescherming boden?” Nu riep hij Davie, eerst: zacht, en
daarna luider, „Davie, Davie Gellatley!”
De arme hals kwam uit de puinhoopen van een soort van tuinhuis te
voorschijn, dat eenmaal aan het einde stond van hetgeen het terras
geheeten werd; maar op het zien van een vreemdeling, trok hij zich,
door schrik overmeesterd, terug. Waverley, die zich de gewoonte van
dezen ongelukkige herinnerde, begon een lievelingsdeuntje te fluiten,
waarnaar Davie meermalen met groot genoegen geluisterd, en op het
gehoor van hem geleerd had. De zang van onzen held geleek even min op
die van Blondel, als de arme David op Coeur-de-Lion; maar de melodie
bracht dezelfde uitwerking te weeg, en werd de aanleiding tot de
herkenning. Davie kroop weder, maar bedeesd, uit zijn schuilhoek,
terwijl Waverley, uit vrees van hem schrik aan te jagen, de meest
bemoedigende teekens gaf, die hij slechts bedenken kon. – „Het is zijn
geest!” mompelde Davie; doch nader komende, scheen hij zijn levenden
vriend te herkennen. De arme drommel zelf scheen een geest, vergeleken
bij hetgeen hij geweest was. De bijzondere soort van kleeding, waarmede
hij in betere dagen was uitgerust, liet slechts nog ellendige lompen
van zijn grilligen opschik zichtbaar, waarvan het te kort komende
erbarmelijk aangevuld was door brokken behangsel, venstergordijnen en
reepen beschilderd doek, die hij gebezigd had om zijn tooi te
herstellen. Ook zijn gelaat had niet meer dat opene en zorgelooze
voorkomen van vroeger, en het arme schepsel zag er holoogig en mager,
verhongerd en zenuwachtig uit. Na langdurige aarzeling, naderde hij
Waverley eindelijk met eenig vertrouwen, zag hem treurig in het
gezicht, en zeide: „Allemaal dood en weg – allemaal dood en weg.”
„Wie zijn dood?” vroeg Waverley, die volstrekt niet aan Davies
onvermogen dacht, om een aaneengeschakeld gesprek te voeren.
„De Baron – en de rentmeester – en Saunders Saunderson – en Freule
Rose, die zoo lief zong. – Allemaal dood en weg – allemaal dood en
weg.”
Maar volg, ei volg mijn spoor;
De glimworm licht ons voor;
Ik wijs u waar, de dooden
Het leven zijn ontvloden;
Waar ieder rust van zorg en pijn,
Terwijl de winden huilen,
En zich van achter ’t wolkgordijn,
Waar ze eerst zich ging verschuilen;
De bleeke maan hun graf verlicht.
Dat iedre vreeze zwicht;
’t Moet hem aan moed niet falen,
Die in het uur van middernacht,
De graven langs gaat dwalen.
Met deze woorden, die hij op woesten en somberen toon zong, gaf Davie
aan Waverley een teeken om hem te volgen, terwijl hij haastig naar het
uiteinde van den tuin liep, langs den oever der beek, die, zoo als men
zich herinneren zal, de oostelijke grens daarvan uitmaakte. Eduard
volgde hem, in weerwil van de beteekenis zijner woorden, met een
onwillekeurige siddering, maar niet zonder eenige hoop er de verklaring
van te zullen erlangen. Daar het huis blijkbaar door de bewoners
verlaten was, kon hij niet verwachten onder de puinhoopen daarvan een
verstandiger berichtgever te zullen vinden.
Davie, die vrij stevig aanstapte, bereikte welhaast het uiterste einde
van den tuin, en klouterde over de brokken van den muur, die dezen eens
had gescheiden van het boschachtig dal, waarin de oude toren van
Tully-Veolan stond. Nu sprong hij naar beneden in de bedding van den
stroom, en ging, door Waverley gevolgd, met rassche schreden voort
terwijl hij over eenige rotsbrokken klom, en zich met moeite om anderen
heen wendde. Zij gingen onder de puinhoopen van het huis voorbij;
Waverley volgde, maar kon zijn leidsman bezwaarlijk bijhouden, daar de
duisternis begon toe te nemen. Toen hij den loop van den stroom nog een
weinig lager volgde, verloor hij hem geheel uit het oog; maar een
flikkerend licht, dat hij nu tusschen het ineengegroeide kreupelhout en
de struiken ontdekte, scheen een zekerder gids. Spoedig sloeg hij een
weinig gebaand pad in, en bereikte ten laatste de deur eener ellendige
hut. Een geweldig hondgeblaf klonk hem in den beginne tegen, maar kwam
bij zijn nadering tot zwijgen. Van binnen liet zich een stem hooren, en
hij achtte het raadzaam te luisteren, eer hij naderde.
„Wien hebt gij hier gebracht, domme deugniet?” vroeg een oude vrouw, op
een toon die haar hevige drift verried. Tot eenig antwoord floot Davie
Gellatley het begin van het deuntje, waardoor Eduard hem herkend had,
en deze maakte nu geene zwarigheid om aan de deur te kloppen. Er
heerschte terstond een doodsche stilte van binnen, die slechts door het
doffe geknor der honden werd afgebroken; en vervolgens hoorde hij de
meesteres van de hut de deur naderen, waarschijnlijk niet om ze te
openen, maar Waverley kwam haar voor en lichtte de klink zelf op.
Voor hem stond een oude, met lompen bedekte vrouw, die hem toeriep:
„Wie komt, in den nacht, op deze wijze hier in huis?” Aan de eene zijde
legden twee kwade en half uitgehongerde jachthonden hunne woestheid,
bij zijn verschijning, af, en schenen hem te herkennen. Aan de andere
zijde, half verborgen door de geopende deur, doch blijkbaar met weerzin
zich in dezen schuilhoek verbergende, stond, met een overgehaald
pistool in de rechterhand, en de linker bezig om een tweede uit zijn
gordel te halen, een lange, stevige en magere gedaante, in de
overblijfsels eener verschoten uniform, en met een baard die in geen
drie weken geschoren was.
Het was de baron van Bradwardine. – Het is onnoodig hier bij te voegen,
dat hij zijn wapen op den grond wierp, en Waverley met een hartelijke
omhelzing begroette.