Het was schemeravond toen zij de stad binnen reden, en na zich van zijn
medereizigers te hebben ontdaan, en een heel einde omgeloopen te
hebben, ten einde de mogelijkheid te voorkomen van door hen nagespoord
te worden, nam Eduard een huurkoets en reed naar het huis van kolonel
Talbot, op een der voornaamste pleinen in het Westeinde der stad.
Sedert zijn huwelijk was de Kolonel, door den dood van naastbestaanden,
erfgenaam geworden van een groot fortuin, bezat niet weinig
staatkundigen invloed, en leefde, zoo als men het noemt, op een grooten
voet.
Toen Waverley aanklopte, vond hij het aanvankelijk niet gemakkelijk om
toegang te verkrijgen, maar werd eindelijk in een vertrek gelaten, waar
de Kolonel aan tafel zat. Lady Emilia, wier zeer schoon gelaat nog
bleek was na hare ongesteldheid, was tegenover hem gezeten. Zoodra hij
Waverley’s stem hoorde, sprong hij op en omhelsde hem. „Francis
Stanley, mijn beste jongen, hoe vaart gij? – Emilia, mijn beste, dit is
de jonge Stanley.”
De dame kleurde sterk terwijl zij Waverley ontving op een wijze, waarin
beleefdheid met vriendelijkheid vermengd was, en haar bevende hand en
haperende stem verrieden, hoezeer zij geschokt en ontroerd was. Men
ging spoedig weder aan tafel, en terwijl Waverley bezig was met zich te
verkwikken, ging de Kolonel voort – „Ik had niet gedacht, u hier te
zien, Frans; de doctoren hebben mij verzekerd, dat de Londensche lucht
zeer slecht voor uw kwaal is. Gij moest dat niet gewaagd hebben. Maar
ik ben blijde u te zien, en Emilia ook, ofschoon ik vrees, dat wij niet
rekenen moeten lang het genoegen te hebben u bij ons te houden.”
„Een belangrijke zaak heeft mij hierheen gebracht,” mompelde Waverley.
„Dat begrijp ik; maar ik zal niet toestaan dat ge lang hier blijft. –
Spontoon! (zeide hij tot een bejaarden, naar oudmilitair gelijkenden
bediende, zonder liverei) neem dit alles weg, en als ik schel, komt gij
zelf. Laat niemand van de andere bedienden ons storen. – Mijn neef en
ik hebben zaken te bespreken.”
Zoodra de knechts weg waren, ging hij voort: „In ’s Hemels naam,
Waverley, wat heeft u hierheen gebracht? Uw leven kan er meê gemoeid
zijn.”
„Waarde mijnheer Waverley,” zeide Lady Emilia, „hoe kondt gij, wien ik
zoo veel meer verplicht ben dan ik ooit vergelden kan, zulk een
onvoorzichtigheid begaan!”
„Mijn vader – mijn oom, lees deze paragraaf,” en hij reikte kolonel
Talbot het nieuwsblad over.
„Ik wilde, dat deze schobbejakken veroordeeld werden om zelf dood
gedrukt te worden,” zeide Talbot. „Ik hoor dat er thans niet minder dan
een dozijn van hun nieuwsbladen in de stad worden uitgegeven, en dus
geen wonder dat ze genoodzaakt zijn leugens te smeden, om koopers voor
hun waren te vinden. Het is echter waar, mijn waarde Eduard, dat gij uw
vader verloren hebt; maar dat zijn dood het gevolg is van geweldig
verdriet, hem door zijn onaangenamen toestand berokkend – dit is niets
dan grootspraak. De waarheid is – want, ofschoon het mij hard valt dit
thans te zeggen, zoo wil ik uw hart bevrijden van den last der zware
verantwoordelijkheid die u drukt – de waarheid is dan, dat de heer
Richard Waverley, in den loop dezer geheele zaak, een groot gebrek aan
gevoel, zoo wel omtrent uw toestand als dien van uw oom aan den dag
heeft gelegd; en den laatsten keer dat ik hem zag, deelde hij mij met
groote opgeruimdheid mede, dat, daar ik zoo goed was om mij met uw
belangen te belasten, hij het best geacht had een afzonderlijke
onderhandeling voor zich zelven aan te knoopen, en zijn vrede met het
bewind te sluiten langs eenige wegen, welke vroegere betrekkingen hem
nog open lieten.”
„En mijn oom, mijn dierbare oom?”
„Is in geen gevaar hoegenaamd. Het is waar – terwijl hij naar de
dagteekening van het dagblad zag – dat toen dit gedrukt werd, er een
zot praatje van den aard, als hier aangehaald wordt, geloopen heeft,
maar het is geheel valsch. Sir Everhard is vertrokken naar
Waverley-Honour, vrij van alle onrust, behalve omtrent u. Maar gij zijt
zelf in gevaar – uw naam komt voor in iedere uitgevaardigde
proclamatie, en er zijn bevelen om u aan te houden. Hoe en wanneer zijt
gij hier aangekomen?”
Eduard verhaalde zijn geschiedenis in het breede, terwijl hij geen
woord repte van zijn twist met Fergus; want daar hij zelf ingenomen was
met de Hooglanders, wenschte hij geen voet te geven aan het nationaal
vooroordeel door den Kolonel tegen hen gekoesterd.
„Zijt gij er zeker van, dat het uw vriend Glens lijfknecht was, dien
gij dood op de Cliftonsche heide hebt gezien?”
„Stellig.”
„Dan is dat duivelskind aan de galg ontsnapt; want het woord
„bloedvergieter” stond op zijn voorhoofd geschreven, ofschoon het (hier
keerde hij zich tot lady Emilia) tevens een zeer mooi gezicht was. Maar
wat u betreft, Eduard, zou ik, ik weet niet wat, willen geven als gij
naar Cumberland wildet terug keeren, of liever, als gij er nooit van
daan gegaan waart; want er is beslag gelegd in al de zeehavens op de
schepen, en het onderzoek naar de aanhangers van den Pretendent is
allerstrengst; en de tong van dat verduivelde wijf zal in haar mond
gaan als de klep van een molen, tot dat de een of ander ontdekt, dat
kapitein Butler een verdicht persoon is.”
„Hebt gij,” vroeg Waverley, „eenige kennis aan mijn reisgezellin?”
„Haar man was, voor een jaar of zes, mijn opperwachtmeester: zij was
een luchtig weeuwtje, met een beetje geld; hij trouwde haar, was
ijverig en kwam, als een bruikbare kerel, vooruit. Ik moet Spontoon er
op uitzenden, om te zien wat ze hier komt uitvoeren. Hij zal haar onder
de oude regiments-vrienden wel uitvinden. Morgen moet gij ongesteld
zijn, en wegens vermoeidheid uw kamer houden. Lady Emilia zal uw
zieken-oppasster zijn, en Spontoon en ik, uw bedienden. Gij draagt den
naam van een mijner naastbestaanden, dien geen van mijn tegenwoordige
bedienden, Spontoon uitgezonderd, ooit gezien heeft: dus is er geen
onmiddellijk gevaar. Ik bid u, krijg zoo spoedig mogelijk geweldige
hoofdpijn en laat uwe oogen zwaar worden, opdat gij op de ziekenlijst
gebracht moogt worden; en gij, Emilia, laat een vertrek voor Frans
Stanley gereed maken, met al de oplettendheden, die een zieke kan
vorderen.”
Des morgens bezocht de Kolonel zijn gast. „Nu,” zeide hij, „ik heb goed
nieuws voor u. Uw goede naam, als man van eer en officier, is gezuiverd
van plichtverzuim en deelgenootschap aan de muiterij in Gardiners
regiment. Ik heb een briefwisseling over dit onderwerp gehad met een
zeer ijverigen vriend van u, een Schotschen predikant, Morton; zijn
eerste brief was gericht aan Sir Everhard, maar ik heb den goeden
Baronet van de moeite ontheven, om dien te beantwoorden. Gij moet weten
dat uw oude kennis, de vrijbuiter Donald, uit het hol, ten laatste in
de handen der Philistijnen is gevallen. Hij was bezig het vee weg te
drijven van zekeren landeigenaar, met name Killan.... zoo iets –”
„Killancureit!”
„Dezelfde. Het schijnt dat deze heer een groote boer is, die bijzondere
zorg voor zijn veestapel draagt, en daar hij bovendien een weinig
vreesachtig van gestel was, had hij een afdeeling soldaten aangevraagd,
om zijn eigendom te beschermen. Het gevolg daarvan was dat Donald,
onvoorziens, met zijn hoofd in den leeuwenmuil liep, verslagen en
gevangen genomen werd. Na zijn ter dood veroordeeling werd zijn geweten
aangevallen, aan den eenen kant door een katholieken priester, en aan
den anderen door uw vriend Morton. Hij wees den katholiek af,
voornamelijk op grond der leerstelling van het laatste oliesel, hetwelk
door dezen zuinigen vrijbuiter als een buitensporige verkwisting van
olie beschouwd werd. Zijn bekeering uit den toestand van verstoktheid
viel dus den heer Morton ten deel, die, durf ik zeggen, zich daarvan op
uitnemende wijze kweet, ofschoon ik vrees dat Donalds christendom, na
dat alles, er toch maar dunnetjes in zat. Hij legde echter voor een
overheidspersoon, zekeren majoor Melville, die een zeer nauwgezet,
vriendelijk soort van mensch schijnt geweest te zijn, de bekentenis af
van zijn geheele intrigue met Houghton, terwijl hij tevens in
bijzonderheden verklaarde, hoe alles aangelegd werd, en u geheel en al,
zelfs van de minste deelneming daaraan, vrijsprak. Ook verhaalde hij,
dat hij het geweest was, die u uit de handen van den
vrijwilliger-officier had gered, dat hij u, volgens orders van den
Pre.... Ridder, meen ik – als gevangene, naar Doune had geleid, vanwaar
hij vernomen had, dat gij naar Edinburgh waart overgebracht. Dit zijn
bijzonderheden, die niet missen kunnen in uw voordeel te zijn. Hij gaf
te kennen, dat men hem gebezigd had om u te bevrijden en te beschermen,
en dat hij er rijkelijk voor beloond was; maar hij wilde niet zeggen
door wien, terwijl hij er bijvoegde, dat, hoewel hij er geen bezwaar in
zou gevonden hebben, om een gewonen eed te breken, ten einde de
nieuwsgierigheid van den heer Morton te voldoen, aan wiens vrome
vermaningen hij zoo veel verplichting had, hij echter, met betrekking
tot deze omstandigheid, op de kling van zijn dolk [172] had gezworen,
zijn geheim te bewaren, hetgeen, naar zijn gevoelen, een onschendbare
verplichting oplegde.”
„En wat is er van hem geworden?”
„O, hij werd te Stirling, nadat de rebellen het beleg opgebroken
hadden, gehangen, met zijn luitenant en nog vier plaids bovendien. Hij
had echter het voorrecht van aan een hoogeren galg dan die zijner
vrienden te worden opgeknoopt.”
„Wel, ik heb weinig reden om zijn dood te beweenen, of er mij over te
verheugen; hij heeft mij veel goed en ook veel kwaad gedaan.”
„Zijn bekentenis althans zal u van groote dienst zijn, daar ze u van al
die vermoedens zuivert, welke aan de tegen u ingebrachte beschuldiging
een geheel andere kleur geven dan die, welke men aan zoo vele
ongelukkige heeren, nu of vroeger tegen het Bewind in het veld, met
recht kan ten laste leggen. Hun verraad – ik moet het dezen naam geven,
ofschoon gij aan hun vergrijp hebt deelgenomen – spruit uit een kwalijk
begrepen deugd voort, en kan daarom niet als vernederend beschouwd
worden, hoewel ze ontegenzeggelijk ten hoogste misdadig is. Waar de
schuldigen zoo talrijk zijn, moet genade aan de meesten worden
verleend. Dit alles geeft mij de zekerheid, dat ik uwe vergiffenis
verwerven zal, mits wij u uit de klauwen der justitie kunnen houden,
tot dat ze haar slachtoffers gekozen heeft en er van verzadigd is, want
hier, even als in andere gevallen, zal het volgens het gewone
spreekwoord gaan, die eerst komt, die eerst maalt. Daarenboven wenscht
het Bewind thans den Engelschen Jacobieten schrik aan te jagen, onder
wie het echter weinige voorbeelden kan stellen. Dit is een wraakzuchtig
en kleingeestig denkbeeld, dat spoedig slijten zal; want van alle
natiën zijn de Engelschen, in hun aard, de minst bloedgierigen. Maar de
noodzakelijkheid van straffen bestaat op dit oogenblik, en gij moet
dus, voor het tegenwoordige, achter de schermen gehouden worden.”
Spontoon trad op dit oogenblik met een bedrukt gelaat binnen. Door
middel van zijn kennissen bij het regiment, had hij mevrouw Nosebag
ontdekt, en haar ontevreden, woedend, en verschrikkelijk woordenrijk
aangetroffen, daar het haar reeds was gebleken, dat ze uit het noorden
met een bedrieger was komen reizen, die den naam van kapitein Butler,
van Gardiners dragonders, had aangenomen. Zij ging hem aangeven, opdat
men hem als een zendeling van den Pretendent zou opsporen; maar
Spontoon (als een oud krijgsman) was het gelukt, terwijl hij voorgaf
haar voornemen goed te keuren, het uitvoeren daarvan voor het oogenblik
te vertragen. Er was echter geen tijd te verliezen: het nauwkeurige
signalement dat deze goede dame geven kon, zou misschien tot de
ontdekking voeren, dat Waverley die voorgewende kapitein Butler was,
hetgeen zeker voor Eduard, misschien voor zijn oom – en zelfs voor
kolonel Talbot gevaarlijk wezen kon.
Het was daarom de vraag, waarheen Waverley thans gaan zou.
„Naar Schotland,” zeide Waverley.
„Naar Schotland?” zei de kolonel, „met welk oogmerk? – Niet, naar ik
hoop, om u andermaal bij de rebellen te voegen.”
„Neen. Ik beschouw mijn veldtocht als geëindigd, sedert ik, in spijt
van al mijn pogingen, hen niet weder heb kunnen bereiken. En nu zijn
ze, volgens alle berichten, een winterveldtocht gaan maken in de
Hooglanden, waar zoodanige aanhangers als ik, eer last dan voordeel
zouden aanbrengen. Inderdaad schijnt het bijna, dat ze den oorlog
alleen rekken, om den Prins buiten gevaar te brengen, en daarna eenige
voorwaarden voor zichzelven te bedingen. Mijn tegenwoordigheid zou
slechts strekken om hen met een ander persoon te belasten, dien ze niet
zouden willen verlaten en niet zouden kunnen verdedigen. Ik verneem dat
ze, juist om deze reden, meest al hun Engelsche medestanders te
Carlisle in bezetting lieten. – Maar als ik de zaak meer in het
algemeen beschouw, Kolonel, zoo ben ik, om de waarheid te zeggen,
hoewel het mij ook in uw gevoelen moge doen dalen, het oorlog voeren
hartelijk moede, en, heb ik gelijk Fletchers luimige luitenant zegt:
„als ’t ware mijn bekomst van al dat vechten.””
„Vechten! kom! wat hebt ge anders gezien dan een paar schermutselingen!
– Ha! zoo ge den oorlog eens op groote schaal gezien hadt – zestig of
honderd duizend man, van weerszijde, in het veld!”
„Ik verlang er in het geheel niet naar, Kolonel. – „Genoeg,” zegt ons
vaderlandsch spreekwoord, „is zoo goed als een feest.” De gepluimde
benden en de roemrijke krijg, plachten mij in de poëzij te bekoren;
maar de nachtmarschen, de wachten, het bivak onder den winterhemel, en
dergelijke pretjes van het roemrijke krijgsmansleven, vallen volstrekt
niet in mijn smaak, waar het de praktijk geldt; en wat de sabelhouwen
betreft, ik heb er te Clifton reeds genoeg van gehad, waar ik er wel
een half dozijn maal met moeite aan ontkwam; en gij, zou ik denken –”
„Hadt er genoeg van te Preston, woudt gij zeggen?” zei de Kolonel
lachende, „maar het is mijn beroep, vriendje!”
„Maar het mijne is het niet,” hernam Waverley, „en daar ik mij met eer
ontdaan heb van het zwaard, dat ik slechts als vrijwilliger getrokken
had, ben ik ten volle tevreden met de door mij verkregen ondervinding
van den oorlog, en volstrekt niet belust mij er verder in te begeven.”
„Ik verheug me zeer, dat ge er zoo over denkt, – maar, wat wilt ge dan
in het noorden doen?”
„In de eerste plaats zijn er eenige zeehavens, aan de oostkust van
Schotland, die nog in handen van de vrienden van den Prins zijn; als ik
een van deze bereik, kan ik op mijn gemak scheep: gaan naar het vaste
land.”
„Goed! En uw andere reden?”
„Wel, om u de rechte waarheid te zeggen, er is iemand in Schotland, van
wie ik nu gevoel dat mijn geluk meer afhangt dan ik ooit gedacht had,
en wier toestand mij niet weinig bekommering baart.”
„Dan had Emilia toch gelijk, en loopt er, bij slot van rekening, een
liefdezaak onder? – En welke van de twee schoone Schotsche dames, die
gij mij met geweld hebt willen doen bewonderen, is de uitverkorene?”
Naar ik hoop is het niet Freule Glen– ?”
„Neen.”
„Nu, de andere laat ik gelden; eenvoudigheid kan verbeteren, maar
hoogmoed en inbeelding nooit. Wel, ik wil u niet ontmoedigen; ik denk,
dat uw plan naar sir Everhards zin zal zijn, te oordeelen naar hetgeen
hij zeide, toen ik met hem over de zaak schertste; alleen hoop ik, dat
die onuitstaanbare papa, met zijn dialect, en zijn snuif, zijn latijn,
en zijn ondragelijk lange verhalen van den hertog van Berwick,
verplicht zal zijn een vreemd land te gaan bewonen. Maar wat de dochter
betreft, – ofschoon ik mij verbeeld dat gij licht zulk een goede partij
in Engeland hadt kunnen vinden, zoo kan ik u zeggen, dat, indien uw
hart inderdaad gesteld is op dezen Schotschen rozeknop, uw oom een hoog
denkbeeld heeft van haar vader en zijn familie, en vurig wenscht u
gehuwd en gevestigd te zien, zoowel om uwent wil, als, om dien der drie
hermelijnen op uw wapen, die anders eens voor goed mochten wegloopen.
Maar ik zal u, omdat gij voor het oogenblik geen briefwisseling met hem
houden kunt, zijn gevoelen hieromtrent onverholen mededeelen: want ik
denk niet dat gij lang vóór mij in Schotland wezen zult.”
„Inderdaad! En wat beweegt u er toe, om naar Schotland terug te keeren?
Geen onweerstaanbaar verlangen naar het land van bergen en bergstroomen
naar ik me verbeeld?”
„Neen, op mijn woord niet; maar Emilia’s gezondheid is nu, God dank,
hersteld; en om u de waarheid te zeggen, ik durf mij niet vleien de
zaak ten einde te brengen, die mij thans het meest aan het hart gaat,
voor en aleer ik een persoonlijke ontmoeting heb gehad met Zijn
Koninklijke Hoogheid, den Opperbevelhebber; want, gelijk Fluellen [173]
zegt: „de hertog houdt van mij, en ik dank den Hemel dat ik het
eenigszins aan hem heb verdiend!” Ik ga nu, een uur of wat uit, om de
noodige schikkingen te maken voor uw vertrek. Uw vrijheid strekt zich
uit tot het aangrenzende vertrek, Lady Emilia’s spreekkamer. Gij zult
er haar vinden, als gij lust hebt in muziek, lectuur of conversatie.
Wij hebben maatregelen genomen, om alle bedienden daarbuiten te houden,
behalve Spontoon, die geheel te vertrouwen is.”
Na verloop van ongeveer twee uren keerde kolonel Talbot terug, en vond
zijn jongen vriend in gesprek met zijn vrouw. Zij was ingenomen met
zijn manieren en zijn kunde, en hij overgelukkig, – al was het slechts
voor een oogenblik, – om het gezelschap te genieten van iemand van
gelijken rang, waarvan hij zoo langen tijd was verstoken geweest.
„En nu,” zei de kolonel, „luister welke beschikkingen ik genomen heb;
want er is maar weinig tijd te verliezen. Deze jonkman, Eduard
Waverley, of Williams, of kapitein Butler, moet nu blijven doorgaan
onder zijn vierden bijnaam van Francis Stanley, mijn neef; hij zal zich
morgen op reis begeven naar het noorden, en mijn rijtuig zal hem de
twee eerste stations ver brengen. Spontoon zal hem tot oppasser dienen;
en zij zullen met postpaarden tot Huntingdon gaan; en de
tegenwoordigheid van Spontoon, die overal onderweg als mijn bediende
bekend is, zal allen lust tot navraag en onderzoek voorkomen. Te
Huntingdon zult gij den wezenlijken Frans Stanley ontmoeten. Hij
studeert te Cambridge; maar, een korte poos geleden, in de onzekerheid
of Emilia’s gezondheid mij veroorloven zou naar het noorden te gaan,
bezorgde ik hem een paspoort van den Secretaris van Staat, om mijn
plaats te vervangen. Daar hij hoofdzakelijk ging, om onderzoek naar u
te doen, is zijn reis nu geheel onnoodig. Hij kent uw geschiedenis; gij
zult te zamen te Huntingdon eten; en wellicht zullen uw wijze hoofden
een of ander plan weten te bedenken, om het gevaar van uw verderen
tocht noordwaarts uit den weg te ruimen of te verminderen. En nu,”
voegde hij er bij, terwijl hij een marokijnen brieventasch opende,
„laat mij u fondsen verschaffen tot den veldtocht.”
„Ik ben verlegen, waarde Kolonel –”
„O, gij zoudt ten allen tijde over mijn beurs kunnen beschikken; maar
dit geld is uw eigen. Uw vader, op de mogelijkheid bedacht, dat men u
in handen zou krijgen, stelde mij als zijn zaakwaarnemer voor u aan.
Gij zijt eigenaar van ruim vijftien duizend pond, behalve van
Brerewood-Lodge – dus een geheel onafhankelijk jong mensch, naar ik
meen. Hier hebt gij twee honderd pond aan bankbiljetten; en gij kunt
zoo veel meer als gij verlangt, of krediet buiten ’s lands verkrijgen,
zoodra uwe belangen dit vorderen.”
Het eerste gebruik, dat Waverley van zijn pas verkregen rijkdom maakte,
bestond in het zenden van een zilveren schenkkan aan den eerzamen
landbouwer Jopson, die hij hem verzocht aan te nemen van wege zijn
vriend Williams, die den nacht van den achttienden December niet had
vergeten. Hij verzocht hem te gelijker tijd, zorgvuldig voor hem zijn
Hooglandsche kleedij en uitrusting te bewaren, en vooral de wapens, die
op zichzelven reeds van belang waren, doch waaraan de vriendschap der
gevers een nog hoogere waarde bijzette. Lady Emilia nam op zich, om een
gepast herinneringsgeschenk te bedenken, dat tegelijk de ijdelheid van
vrouw Williams streelen en haar smaak voldoen zou, en de Kolonel, die
zich ook met den landbouw bemoeide, beloofde den Ulswaters aartsvader
een uitnemend span paarden te zenden voor vrachtkar en ploeg.
Waverley bracht een gelukkigen dag in Londen door; en, op de
voorgestelde manier reizende, ontmoette hij Frans Stanley te
Huttingdon. De kennis tusschen de beide jonge lieden was weldra
gemaakt.
„Het kost weinig moeite het raadsel van mijn oom te raden,” zeide
Stanley, „de voorzichtige veteraan vond het niet goed mij te beduiden,
dat ik u de paspoort zou overhandigen, welke ik zelf niet noodig heb;
en wat, als het naderhand uitkwam, slechts voor een grap van een
student zou doorgaan: cela ne tire à rien. Gij zult derhalve Francis
Stanley zijn, met deze paspoort.” Deze voorslag scheen inderdaad de
grootste der moeielijkheden, die Eduard anders, ieder oogenblik, had
kunnen ontmoeten, uit den weg te ruimen, en bij gevolg maakte hij geen
bezwaar zich er van te voorzien; te meer nog, daar hij alle
staatkundige voornemens bij het aanvaarden van zijn tegenwoordigen
tocht had laten varen, en niet kon beschuldigd worden, van, terwijl hij
met de paspoort door den Secretaris van Staat afgegeven reisde, aan de
een of andere onderneming tegen het Bewind bevorderlijk te zijn.
De dag ging allervroolijkst voorbij. De jonge geleerde had vrij wat te
vragen omtrent Waverleys veldtochten en de zeden der Hooglanders; en
Eduard was verplicht zijn nieuwsgierigheid te voldoen door een pibroch
op de doedelzak te spelen, een Strathspey te dansen en een Hooglandsch
lied te zingen. Den volgenden morgen vergezelde Stanley zijn nieuwen
vriend tot aan het volgende station, noordwaarts, en scheidde met
grooten weerzin van hem, op aandrang van Spontoon, die, zelf gewoon
zich aan de tucht te onderwerpen, even streng was waar het op de
handhaving daarvan bij anderen aankwam.