Het gezin te Fasthwaite was spoedig aan Eduard gehecht. Hij bezat
inderdaad die minzaamheid en beleefdheid, welke bijna algemeen
wederkeerige genegenheid uitlokken, en bij deze eenvoudige lieden
boezemde zijn kunde ontzag in, en wekte zijn lijden belangstelling op.
Zijn neêrslachtigheid schreef hij, om in geen nadere verklaring te
komen, aan het verlies van een broeder toe, die in de schermutseling
bij Clifton gesneuveld was; en onder deze goede menschen, die heel
ouderwetsch waren en veel hechtten aan familie-banden, verwekte zijn
aanhoudende droefgeestigheid medelijden, maar geen verbazing.
Op het laatst van Januari werd zijn gewone levendigheid weder opgewekt
door de gelukkige vereeniging van Eduard Williams, den zoon van zijn
waard, met Cecilia Jopson. Onze held wilde over het huwelijksfeest van
twee personen, aan wie hij zoo veel verplichting had, door geen
treurigheid van zijn zijde een schaduw werpen. Hij spande zich derhalve
in, danste, zong, speelde allerlei spellen mede, en was de vroolijkste
van het gezelschap. Maar den volgenden morgen had hij ernstiger zaken
om aan te denken.
De predikant, die het jonge paar getrouwd had, was zoo ingenomen met
den zoogenaamden student in de godgeleerdheid, dat hij den volgenden
dag van Penrith kwam, om hem een bezoek te brengen. Onze held zou zich
in een tamelijk moeielijke positie bevonden hebben, indien de predikant
de diepte van zijn vooronderstelde kennis had willen peilen; maar
gelukkig hield hij er meer van om het nieuws van den dag te hooren en
te vertellen. Hij bracht twee of drie oude dagbladen mede, in een van
welke Waverley een bericht aantrof, dat hem spoedig doof maakte voor
ieder woord, hetwelk de eerwaarde heer Twigtythe mocht in te brengen
hebben omtrent de tijdingen uit het noorden, en het vooruitzicht dat de
Hertog de rebellen wel spoedig zou inhalen en tot den laatsten man
uitroeien. Het was een artikel in deze, of nagenoeg in deze woorden:
„Den tienden dezer overleed te zijnen huize, in Hillstreet,
Berkeley-Square, de heer Richard Waverley, tweede zoon van sir Giles
Waverley van Waverley-Honour enz. enz. Hij stierf aan een kwijnende
ziekte, verergerd door het onaangename bewustzijn van verdacht te
worden, waarin hij zich bevond, daar hij verplicht was geweest om borg
te stellen voor een groote som, als beschuldigd van hoogverraad. Een
beschuldiging van dezelfde zware misdaad rust op zijn ouderen broeder,
sir Everhard Waverley, het hoofd dier oude familie; en wij vernemen,
dat hij voor de rechters zal gebracht worden in het begin van de
volgende maand, tenzij Eduard Waverley, zoon van den overleden Richard,
en erfgenaam van den baronet, zich in handen der justitie stelt. In dat
geval, verzekert men ons, is het Zijner Majesteits goedgunstig
voornemen, alle verdere vervolgingen tegen sir Everhard te staken. Het
is gebleken, dat deze ongelukkige jonge edelman de wapens heeft opgevat
in dienst van den Pretendent, en dat hij met de Hooglandsche troepen
Engeland is binnengerukt. Men heeft niets van hem gehoord, sedert de
schermutseling van den 18den December l. l.”
Dus luidde de paragraaf, die hem zoo geweldig trof. – „Goede God! ben
ik dan de moordenaar van mijn vader? – Onmogelijk! Mijn vader, die
nooit de genegenheid van een vader blijken liet, zoo lang hij leefde,
kan niet zoo aangedaan zijn geweest door mijn vooronderstelden dood,
dat het den zijne zou verhaast hebben; neen, ik kan dit niet gelooven,
– het zou dwaasheid zijn slechts éen oogenblik zulk een verschrikkelijk
denkbeeld te voeden. Maar het zou zelfs erger zijn dan vadermoord, te
dulden, dat een of ander gevaar mijn braven en edelmoedigen oom zou
bedreigen, die altijd meer dan een vader voor mij geweest is, als zulk
een ramp door een offer van mijn kant af te wenden is!”
Terwijl deze gedachten, als bliksemschichten Waverleys brein
doorkliefden, werd de waardige geestelijke, in een uitvoerig verhaal
van den slag van Falkirk gestuit door de doodelijke bleekheid van zijn
gelaat, en vroeg hem, of hij zich niet wél bevond? Gelukkig kwam de
bruid, met den blos der vreugde op het gelaat, het vertrek binnen.
Vrouw Williams was geen van de slimste vrouwen; maar zij bezat een goed
hart, en daar zij terstond begreep, dat Eduard geschokt was door
onaangenaam nieuws in de papieren, kwam zij met zoo veel oordeel
tusschenbeide, dat zij, zonder eenige achterdocht te wekken, des heeren
Twigtythes oplettendheid afleidde, en hem bezig hield tot hij, kort
daarop, afscheid nam. Waverley verklaarde terstond aan zijn vrienden,
dat hij in de noodzakelijkheid was, om naar Londen te gaan, en wel
zonder het minste uitstel.
Een oorzaak van uitstel deed zich echter op, waaraan Waverley weinig
gewend was. Zijn beurs, ofschoon wél voorzien, toen hij eerst te
Tully-Veolan kwam, had sedert dien tijd geen versterking ontvangen; en
hoewel zijn latere leefwijze niet van den aard was, om ze spoedig uit
te putten – hij had zich toch voornamelijk bij zijn vrienden en bij het
leger opgehouden – zoo bevond hij toch, dat hij, na met zijn huiswaard
te hebben afgerekend, te arm zou zijn, om de kosten van een reis met
postpaarden te bestrijden. Het scheen dus beter te zijn, zich naar den
noordelijken landweg over Boroughbridge te begeven, en daar plaats te
nemen op den Noorderpostwagen, een lompe ouderwetsche kast, met drie
paarden, die de reis van Edinburgh naar Londen („zoo God wil,” zegt de
advertentie) in drie weken volbrengt. Onze held nam derhalve een
minzaam afscheid van zijn Cumberlandsche vrienden, wier goedheid hij
beloofde nimmer te zullen vergeten, en stilzwijgend hoopte te eeniger
tijd door wezenlijke blijken van dankbaarheid te erkennen. Na enkele
geringe bezwaren en eenig lastig oponthoud, en na zijn kleeding in een
staat te hebben gebracht, meer overeenkomstig zijn rang, ofschoon
uiterst eenvoudig en bescheiden, volbracht hij zijn tocht langs de
landwegen, en bevond zich in den postwagen, tegenover mevrouw Nosebag,
de vrouw van den luitenant Nosebag, adjudant van de **sche dragonders,
een ongegeneerd vrouwtje van ongeveer vijftig jaar, die een blauw met
rood afgezet kleed en een met zilver beslagen karwats droeg.
Deze dame was een dier werkzame leden der maatschappij, die op zich
nemen à faire les frais de la conversation. Zij was juist uit het
noorden terug gekomen, en berichtte Eduard, hoe weinig het gescheeld
had, of haar regiment had het rokkenvolk, te Falkirk, in de pan gehakt;
„dit werd alleen belet,” zeide zij, „door zoo’n akelige moeras, waar
men in Schotland nooit buiten kan, geloof ik, en daardoor leed ons arm
regiment ietwat, gelijk Nosebag zegt, in dit nietsbeteekenend gevecht.
Gij, mijnheer, hebt gij bij de dragonders gediend?” Waverley was zoo
onverwacht overvallen, dat hij dit bevestigde. „O, ik wist het meteen;
ik zag aan uw houding, dat gij militair zijt, en ik was verzekerd dat
gij niet tot de zandhazen behoordet, zooals Nosebag ze noemt. Van welk
regiment, als ik u vragen mag?” Dit was een onaangename vraag. Waverley
maakte er echter te recht het besluit uit op, dat deze goede dame de
geheele ranglijst van buiten kende: en, om ontdekking te ontgaan, door
zich dicht bij de waarheid te houden, antwoordde hij: „Gardiners
dragonders, mevrouw, maar ik heb eenigen tijd geleden de dienst
verlaten.”
„O, die dragonders, die de voorsten waren bij den terugtocht van
Preston, zooals mijn Nosebag zegt. Wat zegt gij, mijnheer, waart gij
daarbij?”
„Ik had het ongeluk, mevrouw,” antwoordde Eduard, „om getuige van dat
gevecht te zijn.”
„En het was een ongeluk, dat weinige van Gardiners dragonders stand
hielden om er getuigen van te zijn, geloof ik, mijnheer – ha! ha! ha!
Ik vraag verschooning; maar een soldatenvrouw houdt van een grap.”
„De duivel hale u!” dacht Waverley, „welk een helsch toeval heeft mij,
met deze nieuwsgierige heks opgesloten!”
Gelukkig bleef de goede dame niet lang bij één stuk stil. „Nu komen wij
te Ferrybridge,” zeide zij, „waar een afdeeling van de onzen gelaten
werd, om de deurwaarders en dienders en vrederechters en dat soort van
wezens te ondersteunen, bij het onderzoeken der papieren, het
tegenhouden der rebellen en wat dies meer zij.” Zij waren nauwelijks in
de herberg, of zij sleepte Waverley naar het raam, met den uitroep:
„Ginds komt korporaal Bridoon, van ons arm escadron; hij komt met den
deurwaarder; Bridoon is een mijner lammeren, gelijk Nosebag ze noemt.
Kom, mijnheer – A – a, – maar, hoe is uw naam, mijnheer?”
„Butler, mevrouw,” zeide Waverley, die besloot liever gebruik te maken
van den naam eens voormaligen mede-officiers, dan gevaar te loopen van
ontdekt te worden, door het opgeven van een anderen, die niet in het
regiment gevonden werd.
„O ja, gij hebt onlangs een escadron gekregen, toen die gemeene kerel
Waverley naar de rebellen overliep. Heer! ik wenschte wel dat onze oude
plaag, kapitein Cramp, tot de rebellen overliep, dan zou Nosebag het
escadron krijgen. – Maar! waarom staat Bridoon daar op de brug te
slenteren? Ik wil mij laten hangen, als hij niet „buiten westen is,”
gelijk Nosebag zegt. Kom, mijnheer, daar gij en ik tot de dienst
behooren, zullen wij den rekel tot zijn plicht brengen.”
Waverley zag zich, met gewaarwordingen, die zich gemakkelijker laten
begrijpen dan beschrijven, verplicht zijn manhaftige vrouwelijke
bevelhebber te volgen. De dappere korporaal geleek zoo veel naar een
lam, als een dronken korporaal van de dragonders, van omtrent zes voet
hoog, met zeer breede schouders en zeer dunne beenen, om niet te
spreken van een houw dwars over het gezicht, bij mogelijkheid daarop
kon gelijken. Mevrouw Nosebag begon het gesprek, zoo al niet met een
vloek, dan ten minste met eenige woorden, die er vrij wat naar geleken,
terwijl zij hem beval zijn plicht te doen. „Loop jij maar naar de
verd....” begon de moedige ruiter; en sloeg de oogen op om meer kracht
te voegen aan het woord dat hij er op meende te laten volgen, en verder
een bijvoeglijknaamwoord te zoeken dat hij zou kunnen toepassen op de
persoon die hij aansprak, maar zoodra hij de spreekster herkend had,
salueerde hij eerbiedig en veranderde van toon. – „God zegene uw schoon
gezicht, mevrouw Nosebag, is u dat? Wel, als een arme drommel bij
ongeluk eens ’s morgens een klein tikje weg kreeg, zijt gij er toch
nooit de vrouw naar om hem in het ongeluk te helpen.”
„Kom, kom, deugniet, doe uw plicht; deze heer en ik behooren tot den
dienst; maar zie terdeeg naar dien schuwen vogel met den grooten hoed,
die in den hoek van den wagen zit. Ik geloof dat het een verkleede
rebel is.”
„De drommel hale haar stekelige pruik,” gromde de korporaal, toen zij
hem niet meer hooren kon. „Die grijze feeks van een moeder-adjudant,
zoo als wij haar noemen, is een grooter plaag voor het regiment, dan de
provoost-geweldige en de Sergeant-Majoor, en de oude Kolonel, op den
koop toe. Kom, mijnheer de diender, laat ons zien of die schuwe vogel,
zoo als zij hem noemt, (die, in het voorbijgaan gezegd, een kwaker van
Leeds was, met wien mevrouw Nosebag een kleinen twist had gehad over
het geoorloofde van de wapens te dragen) een slok voor ons over heeft;
want die Yorkshire ale ligt me koud in de maag.”
De levendigheid dezer goede vrouw had Eduard hier uit de verlegenheid
geholpen, maar daarentegen was zij meer dan eens op het punt hem andere
lasten op den hals te halen. In elke stad waar zij ophielden, wenschte
zij het corps de garde te zien, zoo er een was, en eens scheelde het
maar weinig, of zij had hem bij een werf-officier van zijn eigen
regiment gebracht. Daarenboven gaf zij hem den naam van Kapitein en van
Butler zoo druk, dat hij bijna razend werd van verdriet en angst; en
nooit was hij blijder bij het einde van een reis, dan toen de aankomst
van den postwagen te Londen hem van de oplettendheden van mevrouw
Nosebag bevrijdde.