Eduard was in een zeer pijnlijken en gevaarlijken toestand. Hij hoorde
al spoedig de doedelzakken niet meer; en wat nog onaangenamer was, toen
hij, na lang te vergeefs gezocht te hebben, en door een aantal heggen
heen geworsteld te zijn, eindelijk den straatweg naderde, ontdekte hij,
aan het ongewenscht geluid der pauken en trompetten, dat de Engelsche
cavalerie dien thans bezet hield, en zich bij gevolg tusschen hem en de
Hooglanders bevond. Daar hij hierdoor verhinderd was, om rechtuit te
gaan, besloot hij de Engelsche troepen te ontwijken, en te trachten
zich bij zijn vrienden te voegen, door een omweg te maken naar de
linker kant, waar een begaan pad, van die richting van den straatweg
afwijkende, eenig voordeel scheen op te leveren. Het pad was modderig,
en de nacht duister en koud; maar zelfs deze ongemakken werden
nauwelijks geteld bij de niet ongegronde vrees, die bij hem ontstond
van in handen der koninklijke troepen te vallen.
Na een tocht van omstreeks drie kwartier, bereikte hij eindelijk een
gehucht. Wetende dat het volk, in het algemeen, ongunstig dacht over de
zaak, die hij had voorgestaan, en toch verlangende, om, zoo mogelijk
een paard en een gids naar Penrith te verkrijgen, waar hij hoopte de
achterhoede, zoo al niet het hoofdleger van den Prins te zullen
aantreffen, begaf hij zich naar de herberg. Daarbinnen heerschte er
groot rumoer. Hij bleef staan om te luisteren. Een paar harde Engelsche
vloeken en het slot van een soldatenlied, overtuigde hem, dat ook dit
dorp door de troepen van den hertog van Cumberland bezet was. Terwijl
hij zich zoo stil mogelijk zocht te verwijderen, en de duisternis
zegende, waartegen hij tot hiertoe geprutteld had, zocht Waverley, op
het gevoel af, zijn weg langs een laag staketsel, dat de omheining van
een moestuin scheen uit te maken. Toen hij den ingang dezer beschutting
bereikte, werd zijn uitgestoken hand gegrepen door die eener vrouw,
welke te gelijker tijd fluisterde: „Eduard, zijt gij het?”
„Hier heeft een ongelukkig misverstand plaats,” dacht Eduard, terwijl
hij zich zachtjes zocht te bevrijden.
„Houd u toch dood stil, of de roodrokken zullen u hooren. Ze hebben van
nacht iedereen lastig gevallen of aangehouden, die de herbergdeur
voorbij kwam, om hem te dwingen hunne wagens te mennen, en zoo al meer.
Kom bij vader binnen, of ’t zal u slecht gaan.”
„Een goede wenk,” dacht Waverley, terwijl hij het meisje door den
kleinen tuin naar een met steenen bevloerde keuken volgde, waar zij
haar best deed om een zwavelstok aan een uitstervend vuur, en aan den
zwavelstok een kaars aan te steken. Maar zoodra zij Eduard gezien had,
liet zij het licht vallen, en riep: „o vader, vader!”
De dus geroepen vader kwam spoedig voor den dag; het was een forsche
oude boer, met een lederen broek aan en de laarzen over de bloote
beenen, die zoo uit het bed gesprongen was; het overige zijner kleeding
bestond alleen uit den robe-de-chambre van een Westmorelandschen
staatsman, dat wil zeggen: zijn hemd. Zijn gestalte werd verlicht door
een kaars, die hij in zijn linkerhand droeg, terwijl hij in zijn
rechter een pook zwaaide.
„Wat scheelt er toch aan, deern?”
„O!” riep het arme meisje, bijna flauw vallende, „ik dacht dat het
Eduard Williams was, en het is een van de plaidsmannen.”
„En wat hadt ge op dit uur van den nacht met Eduard Williams te maken?”
Hierop, daar het misschien een van die tallooze vragen was, die
gemakkelijker gedaan dan beantwoord worden, had het roodwangige
juffertje niets te zeggen, maar ging voort met snikken en de handen te
wringen.
„En gij, borst, weet gij dat de dragonders in het dorp zijn? Weet gij
dat, man? Ze zullen je kort en klein slaan, vriendje.”
„Ik weet dat mijn leven in groot gevaar is,” zeide Waverley, „maar zoo
ge mij helpen kunt, zal ik u goed beloonen. Ik ben geen Schot, maar een
ongelukkige Engelschman.”
„Schot of geen Schot,” zei de eerlijke landman, „ik wenschte maar dat
ge aan den anderen kant van de heining waart gebleven; maar nu ge hier
zijt, zal Jacob Jopson geen menschenbloed verraden; en de plaids zijn
vroolijke jongens, en deden zoo veel kwaad niet, toen ze gisteren hier
waren.” Bijgevolg was hij ernstig bedacht, om onzen held, voor den
nacht te herbergen en te verkwikken. Het vuur was spoedig weder
aangemaakt, en wel met de noodige voorzorg, opdat men het schijnsel er
van daarbuiten niet zien zou. De flinke huisbaas sneed een stuk spek,
dat Cecilia spoedig braadde, en haar vader voegde er een frisschen
dronk van zijn beste bier bij. Men kwam overeen dat Eduard daar zou
blijven, tot de troepen des morgens zouden vertrokken zijn, dan zou hij
een paard van een boer huren of koopen, en volgens de beste
aanwijzingen die men krijgen kon, zijn vrienden pogen in te halen. Een
zuiver, ofschoon hard bed verkwikte hem, na de vermoeienissen van dezen
ongelukkigen dag.
Bij het aanbreken van den morgen ontving men bericht, dat de
Hooglanders Penrith verlaten hadden, en naar Carlisle aftrokken, dat de
hertog van Cumberland in het bezit van Penrith was, en dat afdeelingen
van zijn leger de wegen in alle richtingen bedekten. Te pogen om zonder
ontdekt te worden er door heen te komen, zou dolzinnige roekeloosheid
zijn. Williams, de echte Eduard, werd nu door Cecilia en haar vader als
raadsman ingeroepen, en daar hij er waarschijnlijk niet voor was, dat
zijn knappe naamgenoot te lang met zijn liefje in hetzelfde huis zou
blijven, uit vrees voor nieuwe misgrepen, stelde hij voor, dat Eduard,
zijn uniform en plaid tegen de landskleeding verruilen, met hem naar
zijns vaders boerderij, bij Ulswater, gaan, en in die ongestoorde
afzondering blijven zou, zoolang de troepenbewegingen zijn vertrek
gevaarlijk maakten. Ook kwam men omtrent den prijs overeen, waarvoor de
vreemdeling, zoo hij het goed vond, bij baas Williams kon inwonen. Deze
was zeer matig, daar de reddeloosheid van zijn toestand, onder deze
brave en eenvoudige lieden, niet als een middel gebruikt werd om hem
een hoogeren eisch te doen.
De noodzakelijke kleedingstukken werden bij gevolg aangeschaft, en door
het inslaan en volgen van bijpaden die den jongen boer volkomen bekend
waren, hoopten zij iedere onaangename ontmoeting te vermijden. Een
belooning voor hun gastvrijheid, werd door den ouden Jopson en zijn
roodwangige dochter, stellig geweigerd; een kus betaalde de eene, en
een hartelijke handdruk den anderen. Beide schenen bezorgd voor de
veiligheid van hun gast, en namen afscheid onder vriendelijke wenschen
voor zijn welzijn.
Op hun tocht doorkruiste Eduard met zijn leidsman de velden, die den
avond te voren het tooneel der schermutseling geweest waren. De
kortstondige verlichting der Decemberzon straalde treurig over de
uitgebreide heidevlakte, welke, naar den kant waar de noordwestelijke
landweg de omheiningen van Lord Lonsdales eigendommen doorsnijdt,
gesneuvelde mannen en doode paarden te aanschouwen gaf, benevens de
gewone medgezellen van den oorlog, een aantal op lijken azende
roofvogels en raven.
„En dit was dan uw laatste slagveld,” dacht Eduard, terwijl hem de
oogen vol tranen schoten, bij de gedachte aan de vele schitterende
punten van Fergus’ karakter, en aan hun vorige gemeenzaamheid, waarbij
hij al zijn hartstochten en onvolmaaktheden vergat – „hier viel de
laatste Vich Ian Vohr, op een namelooze heide; en in een onbeduidende
nachtschermutseling werd die vurige geest uitgebluscht, wien het zoo
gemakkelijk scheen, zijn meester den weg tot den Britschen troon te
banen! Eerzucht, staatkunde, dapperheid, die er allen naar streefden
boven haar aangewezen kring te stijgen, leerden hier wat het lot der
stervelingen is. Ook de eenige steun eener zuster, wier geest, trotsch
en onbuigzaam, zelfs nog opgewondener was dan de uwe; hier eindigden al
uw vooruitzichten voor Flora en de lange en hooggeschatte
geslachtreeks, welke het uw roem was, door uw avontuurlijke dapperheid,
thans nog tot hooger eer en aanzien te brengen.”
Terwijl deze denkbeelden zich aan Waverley opdrongen, besloot hij de
opene heide over te gaan en te zien, of hij, onder de verslagenen, het
lijk van zijn vriend kon ontdekken, met het vrome voornemen om zich
jegens hem van den laatsten plicht, het bezorgen eener behoorlijke
begrafenis, te kwijten. De vreesachtige jonge mensch, die hem
vergezelde, wees hem op het gevaarlijke der onderneming, maar Eduard
had zijn besluit genomen. De soldaten die tot den legertrein behoorden,
hadden reeds de dooden uitgeschud van alles wat ze met zich konden
voeren; maar het landvolk, ongewoon aan bloedtooneelen, was het
slagveld nog niet genaderd, ofschoon sommigen, vol vrees, op een
afstand stonden te kijken. Omstreeks zestig of zeventig gesneuvelde
dragonders lagen binnen de eerste omheining, op den straatweg en het
open veld. Van de Hooglanders waren op zijn best een dozijn gevallen,
voornamelijk de zoodanigen, die, door zich te ver in den weeken grond
gewaagd te hebben, den vasten bodem niet weder hadden kunnen bereiken.
Hij kon het lijk van Fergus niet onder de verslagenen vinden. Op een
geringe hoogte lagen, verwijderd van de andere, drie Engelsche
dragonders, twee paarden en de page Callum Beg, wiens harde schedel
eindelijk door den sabel eens ruiters werkelijk gekloofd was. Het was
mogelijk, dat het lijk van Fergus door zijn clan was medegevoerd; maar
het behoorde evenzeer tot de mogelijkheden, dat hij ontsnapt was,
vooral, omdat Evan Dhu, die nooit zijn chef zou verlaten hebben, niet
onder de dooden gevonden werd; of misschien was hij krijgsgevangen, en
de minst verschrikkelijke aankondiging van den Bodach Glas gebleken
waarheid te zijn. De nadering van een krijgshoop, gezonden om het
landvolk tot het begraven der dooden te dwingen, en die reeds
verscheidene boeren tot dat oogmerk bij elkander gebracht had, dwong
Eduard thans zich weder bij zijn gids te voegen, die hem met grooten
angst onder het geboomte afwachtte.
Na dezen doodsakker verlaten te hebben, volbrachten zij gelukkig het
overige hunner reis. Aan het huis van den landman Williams, ging Eduard
door voor een jongen bloedverwant, die, tot predikant opgeleid, daar
verblijf kwam houden, tot de burgerlijke beroerten hem zouden vergunnen
verder te reizen. Dit bracht allen argwaan onder de goedhartige en
eenvoudige landlieden van Cumberland tot zwijgen, en scheen voldoende
om de deftige manieren en afgetrokken leefwijze van hun nieuwen gast te
rechtvaardigen. En deze voorzorg werd noodzakelijker dan Waverley had
gedacht, daar een aantal voorvallen oorzaak werden dat zijn verblijf te
Fasthwaite, de naam der boerderij, wat verlengd werd.
Een vreeselijke menigte gevallen sneeuw maakte zijn vertrek gedurende
meer dan tien dagen onmogelijk. Toen de wegen een weinig bruikbaar
begonnen te worden, ontvingen ze achtereenvolgens bericht van den
terugtocht des Prinsen naar Schotland; dat hij de grenzen verlaten had,
op Glasgow terug was getrokken, en dat de hertog van Cumberland
Carlisle belegerd had. Het leger der Engelschen ontnam dus aan Waverley
alle mogelijkheid, om in die richting naar Schotland te ontsnappen.
Langs de oostelijke grenzen trok de maarschalk Wade, met een
aanzienlijke macht, op Edinburgh aan; en overal op de grenzen des lands
waren afdeelingen soldaten, vrijwilligers en partijgangers onder de
wapens, om het uitbreken van den opstand te beletten en de
achterblijvers van het Hooglandsche leger, die men in Engeland vinden
mocht, te vatten. De overgave van Carlisle, en de gestrengheid,
waarmede de bezetting der rebellen behandeld werd, gaf welhaast een
reden te meer aan de hand om alle denkbeeld te laten varen van zich
alleen door een vijandelijk land en een uitgebreid leger op reis te
begeven, om den bijstand van éen enkel zwaard te brengen aan een zaak,
die ten eenemale hopeloos scheen.
In dit eenzaam en afgezonderd toevluchtsoord, verstoken van allen
gezelligen omgang met lieden van beschaafden geest, riep zich Waverley
de redeneeringen van kolonel Talbot voor den geest. Een nog benauwder
herinnering verontrustte zijn slaap – het was de stervende blik en het
laatste gebaar van kolonel Gardiner. Op het hartelijkst bad hij, zoo
dikwijls de schaars aankomende post tijding van schermutselingen met
verschillenden uitslag, bracht, dat het nooit weder zijn lot mocht
wezen, zijn zwaard in een burgeroorlog te trekken. Vervolgens dacht hij
aan den vooronderstelden dood van Fergus, aan den verlaten toestand van
Flora, en met nog teederder deelneming aan die van Rose Bradwardine,
die de hooge mate van geestdrift voor het koninklijke huis niet bezat,
welke den tegenspoed voor hare vriendin heilig en verheven maakte. Aan
deze mijmering kon hij zich overgeven, ongestoord door lastige vragen
of tusschenkomende gesprekken; en het was op menige wandeling, door hem
gedurende den winter aan de oevers van de rivier Ulswater afgelegd, dat
hij een volkomener heerschappij verwierf over een door het ongeluk
getemden geest, dan zijn vroegere ondervinding hem nog gegeven had, en
dat hij zich gerechtigd vond, om met vastheid, hoewel misschien met een
zucht, te verzekeren, dat de roman van zijn leven ten einde was, en dat
de werkelijke historie thans een aanvang ging nemen. De rede en de
wijsbegeerte riepen hem weldra op om te toonen dat zijn gevoelens in
dit opzicht wel gegrond waren.