Wij behoeven den lezer nauwelijks te herinneren, dat de Hooglanders, na
een op den vijfden December te Derby gehouden krijgsraad, hun wanhopig
plan, om Engeland verder binnen te dringen, opgaven, en tot groot
ongenoegen van hun jongen en stouten aanvoerder, stellig besloten naar
het noorden terug te trekken. Dienovereenkomstig vingen zij hun
terugtocht aan, en door hun uitnemende vlugheid ontsnapten zij aan den
hertog van Cumberland, die hen thans met een uitgebreid corps ruiterij
op de hielen zat.
Deze terugtocht was een wezenlijk opgeven van hunne hoog gespannen
verwachtingen. Niemand had er zich meer van voorgesteld, dan Fergus
Mac-Ivor; niemand was bijgevolg zoo bitter gekrenkt door deze
verandering als hij. Hij advizeerde, of liever redetwistte, met de
uiterste hevigheid, in den krijgsraad; en toen zijn gevoelen verworpen
werd, stortte hij tranen van spijt en verontwaardiging. Van dat
oogenblik af was geheel zijn voorkomen zoo veranderd, dat hij
nauwelijks te herkennen zou geweest zijn als dienzelfde hooghartige,
vurige geest, voor wien, slechts een week geleden, de aarde te eng
scheen. De terugtocht was gedurende verscheidene dagen voortgezet
geworden, toen Eduard, tot zijn niet geringe verbazing, des morgens
vroeg van den twaalfden December, een bezoek van het Opperhoofd
ontving, in zijn kwartier, op een dorpje halfweg tusschen Shap en
Penrith.
Daar hij sedert het afbreken hunner vriendschap het Opperhoofd niet
weder gesproken had, wachtte Eduard, niet zonder eenige beklemdheid, de
verklaring der reden voor dit onverwacht bezoek, en kon zijn verbazing
niet bedwingen over de verandering, die hij in het voorkomen van Fergus
opmerkte. Zijn oog had veel van het vuur verloren, dat vroeger daarin
schitterde, zijn wangen waren ingevallen; zijn stem was zwak; zelfs
zijn gang scheen minder vast en veerkrachtig dan voorheen, en zijn
kleeding, waaraan hij zoo bijzonder veel zorg placht te besteden, was
hem nu onachtzaam om het lijf geworpen. Hij verzocht Eduard een
wandeling met hem te doen langs het dichtbijgelegen riviertje, en
glimlachte op een treurige wijze, toen hij Waverley zijn degen zag
nemen en aangespen. Zoodra zij op een woest en afgelegen pad, aan de
oevers van de rivier, waren, zeide hij:
„Ons schoone avontuur is nu geheel bedorven, Waverley, en ik zou gaarne
weten, wat gij voornemens zijt te doen. – Ja, zie mij zoo verbaasd niet
aan! Ik moet u zeggen, dat ik gisteren een pakje van mijn zuster
ontving, en indien ik het vroeger had ontvangen, zou het een twist
hebben voorkomen, waaraan ik niet dan met verdriet denken kan. In een
brief, na ons verschil geschreven, maakte ik haar met de oorzaak er van
bekend, en nu antwoordt zij mij, dat zij nooit het voornemen had, noch
kon hebben, u eenige aanmoediging te geven. Het schijnt dus, dat ik als
een ware dolleman gehandeld heb. – Arme Flora! zij schrijft vol moed en
geestdrift; welk een verandering zal de tijding van dezen ongelukkigen
terugtocht in hare stemming te weeg brengen.”
Waverley, die inderdaad zeer getroffen was door den uiterst
zwaarmoedigen toon waarop Fergus sprak, verzocht hem op het hartelijkst
alle gedachten aan de verwijdering, die tusschen hen bestaan had, uit
zijn geheugen te verbannen, en zij drukten elkander op nieuw de hand,
maar nu met ongeveinsde oprechtheid. Fergus vroeg Waverley weder, wat
hij dacht te doen.
„Zou het niet beter voor u zijn, dit ongelukkige leger te verlaten, en
u vóor ons naar Schotland te begeven, en daar scheep te gaan in een der
oostelijke zeehavens, die nog in onze macht zijn? – Wanneer gij buiten
het rijk zijt, zullen uw vrienden een amnestie voor u gemakkelijk
bewerken, en, om u de waarheid te zeggen, zou ik wenschen, dat gij Rose
Bradwardine als uw vrouw medevoerdet, en Flora onder uw vereenigde
bescherming medenaamt.” – Eduard keek verwonderd op. – „Zij bemint u,
en ik geloof, dat gij haar bemint, ofschoon gij het misschien nog niet
ontdekt hebt; want gij hebt juist den naam niet, van uzelven zeer
nauwkeurig te kennen.” Dit laatste zeide hij met een soort van
glimlach.
„Hoe,” antwoordde Eduard, „kunt gij mij raden de expeditie op te geven,
waarvoor wij ons te zamen ingescheept hebben?”
„Ingescheept?” zeide Fergus, „het vaartuig zal weldra vergaan, en het
is meer dan tijd, voor ieder die kan, zich in de boot te begeven, om
het te verlaten.”
„Maar wat zullen de andere heeren doen? en waarom stemden de
Hooglandsche Opperhoofden tot dezen terugtocht, als die zoo
verderfelijk is?”
„O,” hernam Mac-Ivor, „zij denken, dat, even als bij vroegere
gelegenheden, het kop-afslaan, hangen en verbeurdverklaren van goederen
den Laaglandschen adel voornamelijk overkomen zal, dat zij in hunne
armoede en sterkte een veilige toevlucht zullen vinden tegen den storm,
om daar, volgens hun spreekwoord, op den heuvel naar den wind te
luisteren, tot het water zakt! Maar zij zullen zich bedriegen; zij zijn
te vaak rustig geweest, dan dat men bij hen zoo bij herhaling alles
over het hoofd zou kunnen zien, en John Bull is dit maal al te erg
ongerust gemaakt, om zijn goede luim zoo spoedig terug te krijgen. De
Hannoversche ministers verdienden altijd, als schurken, te worden
opgehangen, maar zoo zij nu de macht in handen krijgen, – zoo als zij
vroeger of later moeten, – daar er geen opstand komt in Engeland, noch
hulp uit Frankrijk – zullen zij de galg verdienen als gekken, als zij
een enkelen clan in de Hooglanden in staat laten, om het bewind ooit
weder onrust te komen baren. Ja, zij zullen wortel noch tak sparen,
daar sta ik u borg voor.”
„En, terwijl gij mij de vlucht aanbeveelt – een raad, dien ik, al zou
er mijn leven mede gemoeid zijn, niet denk te volgen – welke plannen
koestert gij voor u zelven?”
„O,” hernam Fergus, „mijn lot is beslist. Dood of gevangen moet ik
zijn, eer de dag van morgen aanbreekt.”
„Hoe meent gij dat, vriend?” zei Eduard. „De vijand is nog een
dagmarsch achter ons, en komt hij op, zoo zijn wij nog sterk genoeg, om
hem in bedwang te houden. Denk aan Gladsmuir.”
„Wat ik u zeg is nogtans waar; voor zoo ver mij persoonlijk betreft.”
„Waarop grondt gij zulk een zwaarmoedige voorspelling?”
„Op iets, dat nooit een lid van mijn huis te leur stelde. – Ik heb,”
zeide hij, met gedempte stem, „den Bodach Glas gezien.”
„Den Bodach Glas?”
„Ja. Zijt gij zoo lang op Glennaquoich geweest, en hebt gij nooit van
het „grauwe spook” hooren spreken, al bestaat er inderdaad een zekere
weerzin bij ons om het te noemen?”
„Neen, nooit!”
„Ha! het zou anders juist een historie voor de arme Flora geweest zijn,
om u te vertellen. Of zoo die heuvel Benmore en dat lange blauwe meer,
dat juist naar gindsche bergachtige streek kronkelt, Loch Tay, of mijn
eigen Loch-an-Ri ware, – zou hetgeen ik u te verhalen heb, meer in
overeenstemming zijn met het tooneel. Zetten wij ons echter op deze
hoogte neder; ook Saddelback en Ulswater [170] zullen beter passen bij
hetgeen ik te zeggen heb, dan de Engelsche heggen, heiningen en
boerenwoningen. – Gij moet dan weten, dat, toen een mijner voorvaderen,
Ian nan Chaistel, Northumberland verwoestte, hij voor dezen tocht
verbonden was met een soort van Zuidlandsch Opperhoofd, of Kapitein
eener bende Laaglanders, met name Halbert Hall. Bij hun terugkomst door
de Cheviotsche bergen, kregen zij twist over de verdeeling van den
grooten buit, dien zij behaald hadden, en het kwam van woorden tot
daden. De Laaglanders werden tot op den laatsten man toe neergesabeld,
en hun Opperhoofd viel het laatst, met wonden bedekt, door het zwaard
van mijn voorzaat. Sedert dien tijd heeft zijn geest zich altijd aan
den Vich Ian Vohr, die het hoofd van den clan is, vertoond, als er een
of ander groot ongeluk op handen was, maar vooral wanneer zijn dood
nabij was. Mijn vader heeft hem tweemaal gezien; eens den avond voor
dat hij krijgsgevangen gemaakt werd bij Sheriff-Muir; den anderen keer
op den morgen van den dag, toen hij stierf.”
„Hoe kunt gij, waarde Fergus, mij zulken onzin met een ernstig gelaat
vertellen?”
„Ik verg van u niet mij te gelooven, maar ik zeg u de waarheid,
gestaafd door ten minste drie honderd jaren ondervinding, en
gisterennacht door mijn eigene oogen.”
„Verhaal mij in ’s Hemels naam de bijzonderheden,” hernam Waverley met
aandrang.
„Gaarne, op voorwaarde dat gij er niet mede poogt te spotten. – Van het
oogenblik af dat deze ongelukkige terugtocht begonnen is, ben ik ter
nauwernood ooit in staat geweest een oog te sluiten, door de zorgen
voor mijn clan, en door het denken aan den armen Prins, dien men
terugvoert, als een hond aan een touw, hij moge willen of niet – en aan
den val mijner familie. Heden nacht, als door de koorts geplaagd,
verliet ik mijn kwartier en wandelde naar buiten, in de hoop dat de
scherpe winterlucht mijn zenuwen sterken zou. – Ik kan u niet zeggen,
hoe ongaarne ik voortga, want ik weet dat gij mij bezwaarlijk gelooven
zult. Maar – ik ging een klein vondertje over, en bleef heen en weer
wandelen, toen ik, tot mijn groote verbazing, eensklaps bij het heldere
maanlicht, een ranke gestalte zag, in een grijze plaid gewikkeld, zoo
als de schaapherders in het zuiden van Schotland dragen, die, òf ik
langzaam, òf haastig voortliep, geregeld omtrent vier ellen vóór mij
uitbleef.”
„Gij hebt waarschijnlijk een Cumberlandschen boer in zijn gewone
kleeding gezien.”
„Neen! eerst dacht ik dat ook, en verwonderde mij over de stoutheid van
den man die het wagen durfde zoo voor mij uit te loopen. Ik riep hem
toe, maar kreeg geen antwoord. Ik gevoelde een angstig hartkloppen, en
om mij te vergewissen van hetgeen ik duchtte, stond ik stil en keerde
mij, op dezelfde plek, naar de vier windstreken. – Bij den Hemel.
Eduard, ik mocht mij wenden, waarheen en hoe ik wilde, de gedaante was
terstond, op juist denzelfden afstand, voor mijn oogen! Ik hield mij
dus overtuigd, dat het de Bodach Glas was. De haren rezen mij te berge,
en mijn knieën knikten. Ik vermande mij echter, en besloot naar mijn
kwartier terug te keeren. De geest zweefde voor mij heen (want ik kan
niet zeggen dat hij ging) totdat hij het vondertje bereikte: daar bleef
hij staan, en keerde zich om. Ik moest óf de rivier doorwaden, óf zoo
dicht langs hem heen gaan, als ik thans bij u ben. De moed der
vertwijfeling, gegrond op het geloof dat mijn dood nabij was, deed mij
besluiten, in spijt van hem, mijn weg te vervolgen. Ik maakte het
teeken des kruises, trok mijn zwaard, en zeide: „In den naam van God,
booze geest, maak plaats!” – „Vich Ian Vohr,” antwoordde hij, met een
stem die mijn bloed deed stollen, „wacht u voor morgen!” De geest
scheen op dat oogenblik geen half el van de punt van mijn degen; maar
de woorden waren nauwelijks gesproken, of hij verdween, en er was niets
meer, om mij den weg over de beek te beletten. Ik kwam te huis, en
wierp mij op mijn bed, waar ik eenige pijnlijke uren doorbracht; en
hedenmorgen, nu er geen bericht gekomen was, dat de een of ander vijand
ons nabij is, nam ik mijn paard, en reed hierheen, om den vrede
tusschen ons te herstellen. Ik zou niet gaarne vallen, zonder verzoend
te zijn met een vriend, dien ik onrecht deed.”
Eduard twijfelde volstrekt niet, of deze verschijning had haar ontstaan
te danken aan Fergus’ afgemat lichaam en neergedrukten geest, die den
invloed verhoogden van de bijgeloovige denkbeelden, welke hij met bijna
al de Hooglanders deelde. Hij was evenwel niet te minder met medelijden
jegens Fergus bezield, voor wien hij, in zijn tegenwoordigen
tegenspoed, alle vroegere achting voelde herleven. Met het doel om hem
van deze sombere denkbeelden af te leiden, bood hij hem aan, om, met
verlof van den Baron, van wien hij wist het dadelijk te kunnen
verkrijgen, in zijn kwartier te blijven totdat het corps van Fergus zou
komen en dan, als vroeger, met hem te marcheeren. Het Opperhoofd scheen
zeer gevoelig voor het aanbod, maar aarzelde het aan te nemen.
„Wij zijn, zoo als gij weet, in de achterhoede – den gevaarlijksten
post bij een terugtocht.”
„En dus de eerepost!”
„Wel,” hernam het Opperhoofd, „laat Alick uw paard gezadeld houden,
tegen dat wij overvleugeld worden, en het zal mij aangenaam zijn,
nogmaals uw gezelschap te genieten.”
Het was laat eer de achterhoede op kwam dagen, daar zij door
verscheidene toevallen en door den slechten toestand der wegen
opgehouden werd. Eindelijk trokken zij het dorpje binnen. Toen Waverley
zich, arm in arm met hun Opperhoofd, bij den clan Mac-Ivor voegde,
scheen alle gevoeligheid, die men tegen hem gekoesterd had, op eens
verdwenen. Evan Dhu ontving hem met een grijns van gelukwensching; en
zelfs Callum, die even wakker rondliep als vroeger, schoon bleek en met
een groote pleister op het hoofd, scheen verheugd hem te zien.
„De schedel van dien galgebrok,” zei Fergus, „moet harder dan marmer
zijn: het slot van het pistool was waarachtig aan stukken.”
„Hoe kondt gij zulk een jongen knaap zoo hard slaan?” vroeg Waverley
belangstellend.
„Wel, als ik soms niet hard sloeg, zouden de rekels zichzelve
vergeten.”
Men begaf zich nu op marsch, na de noodige voorzorgen genomen te
hebben, om iedere mogelijke verrassing te voorkomen. De soldaten van
Fergus, en een schoon regiment van Badenoch, door Cluny Mac-Pherson
aangevoerd, maakten de achterhoede uit. Zij waren een uitgestrekt, open
heideveld overgetrokken, en stonden op het punt om de beschuttingen,
die een klein dorp, Clifton genaamd, omringden, binnen te rukken. De
winterzon was ondergegaan, en Eduard begon Fergus uit te lachen, om de
valsche voorspellingen van het grauwe spook. „De Iden van Maart zijn
nog niet voorbij,” zeide Mac-Ivor met een glimlach, zijn blikken
eensklaps achterwaarts naar de heide wendende, op wier bruine en
donkere oppervlakte in de verte een aanzienlijk corps ruiterij zich
vertoonde. Zich achter de beschuttingen te scharen, die naar de heide
en den weg waren gekeerd, welke den vijand den toegang tot het dorp
moest verleenen, was het werk van zeer weinigen tijd. Terwijl deze
maatregelen genomen werden, daalde de nacht zwart en treurig neder,
ofschoon het volle maan was. Soms echter liet zij een twijfelachtig
licht op het tooneel van den strijd vallen.
De Hooglanders bleven niet lang ongemoeid in de verdedigende stelling,
die zij ingenomen hadden. Door den nacht begunstigd, poogde een groot
corps afgestegen dragonders de beschuttingen te doorbreken, terwijl een
andere, niet minder sterke afdeeling, haar best deed, om er langs den
grooten weg binnen te rukken. Beide werden met zulk een hevig vuur
ontvangen, dat het hunne gelederen in verwarring bracht en hun
vooruitgang krachtdadig stuitte. Niet tevreden met het dus behaalde
voordeel, trok Fergus, wiens vurige geest bij het naderende gevaar al
zijn veerkracht scheen herkregen te hebben, zijn zwaard, terwijl hij
uitriep: „De sabel!” en moedigde zijn clan met woord en daad aan, om op
den vijand in te houwen. Daarop, handgemeen geworden met de afgestegen
dragonders, dwongen zij deze naar de open vlakte te wijken, waar een
groot deel van hen in de pan gehakt werd. Maar de maan, die op eens te
voorschijn kwam, toonde den Engelschen het kleine getal der aanvallers,
die door het behaalde voordeel zelf in wanorde geraakt waren, waarop de
beide escadrons te paard zich in beweging zetten, om hunne makkers te
ondersteunen, terwijl de Hooglanders de beschuttingen weder poogden te
bereiken. Maar verscheidene hunner, onder anderen hun dapper
Opperhoofd, werden afgesneden en omsingeld, eer zij hun voornemen
konden ten uitvoer brengen. Waverley, die Fergus met het oog zocht, van
wien hij, zoo wel als van het terugtrekkende corps, was afgescheiden
geraakt in de duisternis en verwarring, zag hem, met Evan Dhu en
Callum, zich wanhopig verdedigen tegen een dozijn dragonders, die hen
met hunne lange sabels aanvielen. De maan werd op dit oogenblik weder
geheel bewolkt, en Eduard kon, in de duisternis, noch hulp toebrengen
aan zijn vrienden, noch ontdekken, waarheen zijn eigen weg leidde, om
zich weder bij de achterhoede te voegen. Na een paar malen ter
nauwernood ontsnapt te zijn aan verslagen of gevangen gemaakt te worden
door de benden ruiterij, die hij in het duister ontmoette, bereikte hij
ten laatste een schutting, en na deze te zijn overgeklommen, achtte hij
zich buiten gevaar en op den weg naar de Hooglandsche troepen, wier
doedelzakken hij op eenigen afstand hoorde. Voor Fergus bleef er bijna
geen hoop, dan die van krijgsgevangen gemaakt te worden. Terwijl hij
diens lot met smart en angst overdacht, kwam het bijgeloof van den
Bodach Glas Eduard weder voor den geest, en hij sprak, net innerlijke
verbazing, tot zichzelven: „Hoe! kan de Duivel dan waarheid spreken?”
[171]