Het was Waverleys gewoonte zich soms een eind wegs van het hoofdkorps
te verwijderen, om een of ander voorwerp, op hun weg, dat zijn
nieuwsgierigheid opwekte, waar te nemen. Ze waren nu in Lancashire,
toen hij, aangetrokken door een oud versterkt kasteel, het eskadron
voor een half uur verliet, om er een omtrek en losse schets van te
maken. Zooals hij de laan weder afkwam, ontmoette hem vaandrig
Maccombich. Deze man had een soort van achting en genegenheid voor
Eduard opgevat, van het eerste oogenblik af, dat ze elkander op
Tully-Veolan ontmoet hadden, en hij hem in de Hooglanden tot geleider
diende. Hij scheen te dralen, alsof het zijn oogmerk was om onzen held
te spreken. Doch, toen deze hem voorbij kwam, naderde hij alleen zijn
stijgbeugel, en uitte niets anders dan het woord: „wees op uw hoede!”
en stapte daarop stevig door, terwijl hij alle verdere gemeenschap
vermeed.
Eduard, een weinig bevreemd over dezen wenk, volgde Evan met de oogen,
en bemerkte dat deze spoedig te midden van het geboomte verdween. Zijn
knecht, Alick Polwarth, die bij hem was, zag den Hooglander ook na, en
hield zich vervolgens dicht achter zijn meester.
„De drommel hale mij, mijnheer,” zeide hij, „als ik geloof dat gij
onder deze schavuiten van Hooglanders veilig zijt.”
„Waarom, Alick?”
„De Mac-Ivors hebben zich in het hoofd gezet, mijnheer, dat gij hun
jonge dame, Freule Flora, beleedigd hebt, en ik heb al meer dan eens
hooren zeggen, dat zij er bitter weinig bezwaar in zouden vinden, om u
als een korhoen neder te schieten; en ge weet ook wel, dat er menigeen
onder hen is, die niet schroomen zou zelfs den Prins een kogel door het
hoofd te jagen, als het opperhoofd hun daartoe den wenk gaf, en al gaf
hij dien ook niet, als ze maar dachten, dat het hem aangenaam zou wezen
als ze het deden.”
Waverley, ofschoon overtuigd dat Fergus Mac-Ivor niet tot zulk een
verraad in staat was, was op verre na niet zoo zeker van de
bescheidenheid zijner aanhangers. Hij wist, dat, waar men het er voor
hield dat de eer van het Opperhoofd of diens familie gekwetst was,
diegene de gelukkigste man heeten zou, die de beleediging het eerst kon
wreken; en hij had hen dikwijls een spreekwoord hooren aanhalen: „De
beste wraak is – die het spoedigst en zekerst wordt uitgeoefend.”
Terwijl hij dit met den wenk van Evan in verband bracht, achtte hij het
voorzichtig zijn paard de sporen te geven, en haastig naar zijn
eskadron terug te rijden. Doch, eer hij het einde der lange laan
bereikt had, floot een kogel hem voorbij en knalde er een pistoolschot.
„Het was die satansche schelm, Callum Beg,” riep Alick; „ik zag hem
wegsluipen door het kreupelhout.”
Eduard, te recht vertoornd over dezen verraderlijken aanslag, reed de
laan uit, en zag het bataljon van Mac-Ivor op eenigen afstand over de
heide voort trekken, waarop de laan uitliep. Insgelijks zag hij iemand
buiten adem loopen, om zich bij de afdeeling te voegen. Dit, begreep
hij, was de moordenaar, die, door over een heg te springen, gemakkelijk
een veel korteren weg naar het leger kon vinden, dan hij, die te paard
gezeten was. Niet in staat zich te bedwingen, beval hij Alick naar den
baron van Bradwardine te gaan, die zich omtrent een kwartier verder
bevond, en hem te berichten wat er gebeurd was. Hijzelf reed
onmiddellijk naar Fergus’ regiment. Het Opperhoofd voegde zich juist op
dat oogenblik er bij. Hij was te paard, daar hij terug was gekomen van
een bezoek bij den Prins. Toen hij Eduard zag naderen, zette hij zijn
paard in beweging en reed op hem toe.
„Kolonel Mac-Ivor,” zeide Waverley, zonder eenige andere groete. „Ik
heb u te berichten, dat een van uw volk zoo even op mij uit een
hinderlaag geschoten heeft.”
„Daar dit – met uitzondering van de hinderlaag – een genoegen is, dat
ik mijzelven voorstel, wenschte ik wel te weten, wie mijner clanslieden
mij durfde voorkomen.”
„Ik ben geheel tot uwe orders, zoodra het u behagen zal; de man die uw
post op zich nam, is uw page daar ginds, Callum Beg.”
„Kom hier voor het gelid, Callum! Hebt gij op mijnheer Waverley
geschoten?”
„Neen,” antwoordde Callum, zonder blikken of verblozen.
„Gij hebt het wel gedaan,” zeide Alick Polwarth, die reeds terug was,
daar hij een ruiter ontmoet had, door wien hij den baron van
Bradwardine verslag had doen toekomen van het voorgevallene, terwijl
hijzelf in den ren naar zijn meester terug keerde, en zoo min de
radertjes zijner sporen als de ribben van zijn paard ontzag. „Gij hebt
het wel gedaan, ik zag u zoo duidelijk, als ik ooit den ouden toren van
Coudingham zag.”
„Gij liegt het,” hernam Callum, met zijn gewone onverzettelijke
stijfhoofdigheid. Het gevecht tusschen de heeren zou zeker, als in de
oude riddertijden, door een ontmoeting der schildknapen zijn
voorafgegaan; want Alick was een flinke boer uit het graafschap Merse,
en vreesde den boog van Cupido veel meer, dan eens Hooglanders dolk of
sabel. Maar Fergus vroeg, op zijn gewonen, beslissenden toon, om het
pistool van Callum. De haan was naar beneden, de pan en het zundgat
waren zwart van rook; het was pas afgebrand geweest.
„Daar,” riep Fergus, terwijl hij den jongen zoo hard hij kon met den
zwaren pistoolknop op het hoofd sloeg, – „daar, neem dat voor uw
handelen zonder order, en voor het liegen om het te bedekken.” Callum
ontving den slag, zonder te trachten hem te ontwijken, en viel zonder
teeken van leven neer. „Staat! op uw leven!” riep Fergus den overigen
van zijn clan toe: „ik schiet den eersten den besten voor het hoofd,
die zich tusschen mij en den heer Waverley stelt.” Ze stonden roerloos;
Evan Dhu was de eenige, die blijken van angst en ontevredenheid gaf;
Callum lag op den grond, en verloor vrij wat bloed, maar niemand waagde
het hem den minsten bijstand te verleenen; het was of hij den doodslag
ontvangen had.
„En nu wat u betreft, mijnheer Waverley! Heb de goedheid een twintig
pas ver met mij de weide op te rijden.” Waverley voldeed aan zijn
uitnoodiging. Toen ze zich op eenigen afstand alleen bevonden, zeide
Fergus, zich tot hem keerende, met vrij wat gehuichelde bedaardheid:
„Ik was zeer verwonderd, mijnheer, over de lichtzinnige wijze waarop,
zooals gij mij te kennen geeft, gij van gevoelen verandert. Maar, zoo
als te recht door u werd aangemerkt, geen engel had bekoringen voor u,
tenzij ze een keizerrijk als bruidschat medebracht. Ik bezit thans een
uitnemende verklaring van dien onduidelijken tekst.”
„Ik kan zelfs uw bedoeling niet gissen, kolonel Mac-Ivor, tenzij dat
gij twist met mij zoekt.”
„Uw voorgewende onkunde zal u bitter weinig baten, mijnheer. De
Prins.... de Prins zelf heeft mij met uw kunstgrepen bekend gemaakt. Ik
had niet kunnen denken, dat uw afspraken met Freule Bradwardine de
oorzaak waren, waarom ge van uw voorgenomen huwelijk met mijn zuster
afzaagt. Naar ik gis, was het bericht, dat de Baron de bestemming van
zijn nalatenschap had veranderd, een voldoende reden voor u om de
zuster van uw vriend te laten glippen, en de minnares van uw vriend weg
te kapen.”
„Heeft de Prins u gezegd, dat ik met Freule Bradwardine verloofd was? –
Onmogelijk!”
„Het is toch zoo, mijnheer!” antwoordde Mac-Ivor woedend. Derhalve trek
van leêr en verdedig u, of geef alle aanspraken op de dame op.”
„Dit is volslagen razernij,” riep Waverley, „of een onbegrijpelijk
misverstand!”
„O! geen ontduiking! trek uw degen!” riep het verwoede Opperhoofd –
terwijl hij den zijne reeds uit de schede had gerukt.
„Moet ik vechten om een dollemans twist, zonder te weten waarom?”
„Geef dan, nu en voor altijd, de aanspraken op Freule Bradwardines hand
op.”
„Welk recht hebt gij,” riep Waverley, die zich nu niet langer meester
was, „welk recht he gij, of iemand ter wereld, om mij zulke voorwaarden
voor te schrijven?” En dit zeggende, ontblootte ook hij den degen.
Op dit oogenblik daagde de baron van Bradwardine, door verscheidene van
zijn krijgslieden gevolgd, op. Ze snelden allen in galop toe, sommigen
uit nieuwsgierigheid, anderen om deel in den twist te nemen, die,
zooals ze hadden hooren mompelen, tusschen de Mac-Ivors en hun korps
was uitgebroken. Toen de clan hen zag naderen, stelde deze zich in
beweging, om hun Opperhoofd te ondersteunen, en er ontstond een tooneel
van verwarring, dat in een bloedbad scheen te zullen eindigen. Een
honderdtal tongen waren te gelijk in beweging. De Baron predikte, het
Opperhoofd bulderde, de Hooglanders schreeuwden in het Gaelsch, de
ruiters vloekten en tierden in het Laaglandsch-Schotsch. Eindelijk
bereikten de zaken zulk een hoogte, dat de Baron dreigde op de
Mac-Ivors te zullen aanvallen, indien ze niet in hun gelederen
terugkeerden; en verscheidene hunner legden, wederkeerig, hunne geweren
op hem en de overige ruiters aan. De verwarring werd inzonderheid
gevoed door den ouden Ballenkeiroch, die niet twijfelde of de dag van
wrake voor was hem gekomen; toen, plotseling, zich een kreet liet
hooren: „Ruimte! Ruimbaan! Place à Monseigneur! Place à Monseigneur!”
Deze kreet kondigde de nadering van den Prins aan, die met een
afdeeling van Fitz-James’ buitenlandsche dragonders, die hem als
bijzondere lijfwacht dienden, in aantocht was. Zijn komst herstelde tot
op zekere hoogte de orde. De Hooglanders vormden op nieuw hunne
gelederen, de cavalerie vereenigde zich weder tot een escadron, en de
Baron en het Opperhoofd bewaarden het diepste stilzwijgen.
De Prins riep hen en Waverley voor zich. Toen hij vernomen had, dat de
twist eerst ontstaan was door het schelmstuk van Callum Beg, gaf hij
bevel dezen in bewaring te stellen van den Provoost-Geweldige en hem
onmiddellijk ter dood te brengen, ingeval hij de tuchtiging overleefde,
die hij reeds van zijn chef ondergaan had. Maar Fergus verlangde, op
een toon, tusschen het staan op een recht en het doen van een verzoek,
dat hij ter zijner beschikking mocht gelaten worden, terwijl hij
beloofde dat zijn straf voorbeeldig wezen zou. Een weigering zou den
schijn gehad hebben alsof de Prins inbreuk had willen maken op het
aartsvaderlijk gezag der opperhoofden, waarop ze zeer naijverig waren,
en het zou vrij gevaarlijk geweest zijn hen thans te ontstemmen. Callum
werd dus aan de gerechtigheid van zijn eigen stam overgelaten.
Vervolgens deed de Prins onderzoek naar hetgeen aanleiding had gegeven
tot den twist tusschen kolonel Mac-Ivor en Waverley. Er heerschte
eenige oogenblikken een diepe stilte. Beide heeren vonden in de
tegenwoordigheid des barons van Bradwardine (want alle drie waren
thans, op bevel, den Prins genaderd) een onoverkomelijken hinderpaal,
om van een zaak te spreken, waarbij de naam zijner dochter
onvermijdelijk moest worden genoemd. Ze sloegen hun oogen ter aarde,
met blikken, waarin schaamte en verlegenheid met ontevredenheid waren
vermengd. De Prins, die opgevoed was onder de ontevredene en muitzieke
geesten van het Hof van St. Germain, waar geschillen van allerlei aard
dag aan dag den onttroonden Souverein tot last waren, had zijn
leerjaren voor het koningschap, gelijk de oude Frederik van Pruisen zou
gezegd hebben, uitgediend. Hij gevoelde hoe dringend noodzakelijk het
was de eensgezindheid onder zijn aanhangers te bevorderen of te
herstellen, en dien overeenkomstig nam hij zijn maatregelen.
„Monsieur de Beaujeu!”
„Monseigneur!” zeide een zeer knappe, Fransche cavalerie-otficier, die
tot het gevolg behoorde.
„Ayez la bonté d’alligner ces montagnards là; ainsi que la cavalerie,
s’il vous plait, et de les remettre en marche. Vous parlez si bien
l’anglais, que cela ne vous donnera pas beaucoup de peine.”
„Ah! pas du tout, Monseigneur,” hernam Monsieur le Comte de Beaujeu,
terwijl hij zich bijna ter aarde boog. Terstond plaatste hij zich vol
moed en vertrouwen, aan het hoofd van Fergus’ regiment, ofschoon hij
geen woord Gaelsch en zeer weinig Engelsch verstond.
„Messieurs les sauvages Ecossais – dat is – heeren sauvages, hebt de
goedheid u te rangeeren!”
De clan, die het bevel meer uit de gebaren, dan uit de woorden
verstond, en den Prins zelf tegenwoordig zag, haastte zich op nieuw de
gelederen te vormen.
„Ah! heel wel, dat is fort bien!” zei de graaf de Beaujeu. „Heeren
sauvages – mais, très bien – Eh bien! – (tot een ruiter in zijn
nabijheid) Qu’ est-ce que vous appellez par le flanc, Monsieur? Ah,
oui! je vous remercie, Monsieur – mijneheeren, hebt de goedheid front
te maken rechts, en par file, dat is bij files, Marsch! – Mais, très
bien – encore Messieurs; il faut vous mettre en marche.... Marchez
donc, au nom de Dieu, parceque j’ai oublié le mot anglais – mais vous
êtes de braves gens, et vous me comprenez très-bien.”
Vervolgens haastte de graaf zich om de cavalerie in beweging te zetten.
„Heeren cavalerie, gij moet invallen – Ah! par ma foi, ik zeide niet
„afvallen!” Ik vrees, die kleine, dikke heer heeft zich bezeerd! Ah!
mon Dieu! c’est le Commissaire qui nous a apporté les premières
nouvelles de ce maudit fracas. Je suis trop fáché, Monsieur.”
Maar de arme Mackwheeble, die thans, terwijl hij met een degen op
zijde, en een witte kokarde, zoo groot als een pannekoek, in de rol van
koninklijken commissaris figureerde, over hoop geworpen was in het
gewoel der ruiters, die allen haast maakten om zich, voor den Prins, in
orde te scharen, viel van zijn paard, onder het uitbundig gelach der
toeschouwers.
„Eh bien! Messieurs,” zeide de graaf, „draait je rechts bij de boomen –
Ah! dat is! – Eh! Monsieur de Bradwardine, ayez la bonté de vous mettre
à la tête de votre régimeut; car, pardieu, je n’en puis plus!”
De baron van Bradwardine was genoodzaakt, om nu Monsieur de Beaujeu,
die al zijn Engelsch uitgeput had, te hulp te komen. Eén doel van den
Prins was dus bereikt. Het andere, dat hij zich zelf voorstelde, was,
om door de inspanning van het hooren en verstaan van bevelen in ’s
Vorsten eigen tegenwoordigheid, door zulk een gebrekkigen tolk
uitgevaardigd, de gedachten der soldaten in beide korpsen een afleiding
te verschaffen van den toorn, die reeds van beide kanten aangroeiende
was.
Karel Eduard was echter nauwelijks alleen gelaten met het Opperhoofd en
Waverley, terwijl hij de overigen van zijn gevolg bevolen had zich op
eenigen afstand te houden, of hij zeide: „Zoo ik minder verplichting
had aan uw belanglooze vriendschap, zou ik zeer ontevreden op u beide
kunnen wezen wegens deze allerzonderlingste en ongegronde kibbelarij,
juist op een oogenblik dat mijns vaders dienst de meest volkomen
eensgezindheid vordert. Maar het ergste in mijn toestand is, dat zelfs
mijn beste vrienden meenen vrijheid te hebben, om de onbeduidendste
gril, zichzelven en de zaak, die ze voorstaan, te gronde te richten.”
Beide jonge lieden gaven terstond te kennen dat ze geneigd waren hun
twist aan zijn beslissing te onderwerpen. „Inderdaad,” zeide Eduard,
„ik weet nauwelijks waarvan ik beschuldigd word. Ik zocht kolonel
Mac-Ivor op, met geen ander oogmerk, dan om hem te zeggen, dat ik ter
nauwernood aan den moordaanslag ontsnapt was, door een zijner
onmiddellijke afhangelingen gepleegd, – een lafhartige wraak, die ik
wist dat hij niet in staat was goed te keuren. Wat de zaak betreft,
waarom hij met mij vechten wil – ik weet er niets van, dan dat hij mij,
geheel ten onrechte, beschuldigt, van de genegenheid gewonnen te hebben
van een jonge dame, op wie hij zelf aanspraak meent te mogen hebben.”
„Zoo er een dwaling bestaat,” zei het Opperhoofd, „dan is die toe te
schrijven aan een gesprek, dat ik heden morgen met Zijn Koninklijke
Hoogheid zelf had.”
„Uit een gesprek met mij?” zei de Prins, „hoe kan kolonel Mac-Ivor mij
zoo verkeerd verstaan hebben?”
Nu voerde hij Fergus ter zijde, en na een ernstig gesprek van vijf
minuten keerde hij in galop naar Eduard terug. „Is het mogelijk,” zeide
hij – „kom, rijd aan, Kolonel, want ik houd niet van geheimen – is het
mogelijk, mijnheer Waverley, dat ik dwaal in de vooronderstelling, dat
gij de verklaarde minnaar van Freule Bradwardine zijt? een zaak,
waarvan ik door omstandigheden, ofschoon gij er mij nooit over
gesproken hebt, zoo volkomen overtuigd was, dat ik ze dezen morgen als
een reden bij Vich Ian Vohr liet gelden, waarom gij, zonder hem te
beleedigen, mocht ophouden naar een verbintenis te wenschen, die voor
een vrij man, hoewel eenmaal afgewezen, te veel bekoorlijks bezat, om
gemakkelijk ter zijde gezet te worden?”
„Uw Koninklijke Hoogheid moet,” hernam Waverley, „uw meening op
omstandigheden, die mij geheel onbekend zijn, gegrond hebben, toen gij
mij de uitstekende eer beweest, om in mij een erkend minnaar van Freule
Bradwardine te zien. Ik gevoel al wat er eervols in deze
vooronderstelling ligt opgesloten, maar ik heb er geen recht op. Voor
het overige heb ik te weinig vertrouwen in mijn eigene verdiensten, om,
waar ook, op een goeden uitslag te durven hopen, na eens voor goed te
zijn afgeewezen.”
De Prins zweeg een oogenblik, terwijl hij hen beide strak aanzag, en
zeide toen: „Op mijn woord, mijnheer Waverley, ik dacht gegronde reden
te hebben, om u gelukkiger te schatten, dan gij inderdaad zijt. Maar
nu, mijn heeren, vergunt mij tusschen u beide scheidsman te zijn in
deze zaak, niet als Prins-Regent, maar als Karel Stuart, een broeder en
deelgenoot in dezelfde eervolle onderneming. Verliest mijn rechten
geheel uit het oog, en neemt alleen uw eigene eer in aanmerking. Welk
een schandaal voor onze vrienden, welk een voordeel voor onze vijanden,
als zij vernamen, dat, hoe gering in aantal wij zijn, er verdeeldheid
heerscht onder ons. En vergeeft mij, zoo ik er bijvoeg, dat de namen
der dames, van wie hier sprake is, van ons allen te veel eerbied
eischen, dan dat wij ze tot onderwerpen van twist mogen maken.”
Hij trok Fergus een weinig ter zijde, en sprak, gedurende eenige
minuten, zeer ernstig met hem, en daarna tot Waverley terugkeerende,
zeide hij: „Ik geloof kolonel Mac-Ivor te hebben doen inzien, dat zijn
gevoeligheid berustte op een misverstand, waartoe ik inderdaad zelf
aanleiding gaf: en ik vertrouw dat mijnheer Waverley te edelmoedig is,
om eenige herinneringen te bewaren van het voorgevallene, als ik hem
verzeker, dat dit het geval was. Gij moet deze zaak op een gepaste
wijze aan uw clan mededeelen, Vich Ian Vohr, om iedere nieuwe
gewelddadigheid te voorkomen.” Fergus boog. „En nu, mijneheeren, laat
mij de voldoening smaken u elkaar de hand te zien geven.”
Zij traden koud, en met afgemeten stappen, vooruit, beide
oogenschijnlijk bevreesd om de eerste te zijn om eenige toegevendheid
aan den dag te leggen. Zij eindigden echter met elkander de hand te
geven, en scheidden, terwijl zij eerbiedig afscheid namen van den
Prins.
Karel Eduard [169] reed nu aan het hoofd van de Mac-Ivors, sprong van
zijn paard, verzocht een dronk uit des ouden Ballenkeirochs veldflesch,
marcheerde een half uurtje met hen voort, terwijl hij onderzoek deed
naar de geschiedenis en de betrekkingen van het geslacht van Sliochdnan
Ivor, en met vrij wat behendigheid gebruik maakte van de weinige
Gaelsche woorden, die hij verstond, en een groot verlangen uitte om die
taal beter te leeren kennen. Hij steeg daarop weder te paard, en
draafde naar de cavalerie van den Baron, die in het front was, liet de
ruiters halt houden en onderzocht hunne uitrusting, en deed navraag
omtrent hunne krijgstucht, wisselde eenige woorden met de voornaamste
heeren en zelfs met de kadets; vroeg naar hunne dames en prees hunne
paarden, reed omstreeks een uur met den baron van Bradwardine, en
onderwierp zich aan drie lange verhalen over den Veldmaarschalk hertog
van Berwick.
„Ah! Beaujeu, mon cher ami,” zeide hij, toen hij weder op zijn gewone
plaats in den stoet terugkeerde, „que mon métier de prince errant est
ennuyeuz, parfois. Mais courage, c’est le grand jeu après tout.”