Het is ons voornemen niet op het grondgebied der geschiedenis te
treden. Wij zullen dus onzen lezers slechts herinneren, dat omstreeks
het begin van November, de jonge Ridder, aan het hoofd van op zijn best
zes duizend man, besloot zijn zaak in groot gevaar te brengen door een
poging, om in het hart van Engeland door te dringen, ofschoon hij niet
onkundig was van de krachtige maatregelen, die er tot zijn ontvangst
genomen waren. Zij begaven zich op weg, te midden van een weder, dat
alle andere troepen buiten staat zou gesteld hebben, om te marcheeren,
doch hetwelk aan deze vlugge bergbewoners inderdaad voordeelen op een
minder geharden vijand verschafte. In spijt van een veel sterker leger,
dat onder den veldmaarschalk Wade op de grenzen lag, belegerden en
namen zij Carlisle, en zetten kort daarna hun stoutmoedigen tocht
zuidwaarts voort.
Daar kolonel Mac-Ivors regiment in de voorhoede der clans marcheerde,
zoo waren hij en Waverley, die thans iederen Hooglander in het verduren
van vermoeienis evenaarde, en eenigszins bekend geworden was met hunne
taal, gedurig aan het hoofd der manschappen. Zij beschouwden echter den
voortgang des legers met geheel verschillende oogen. Fergus, enkel vuur
en leven, achtte zich in staat de geheele wereld het hoofd te bieden,
en betekende alleen dat elke stap hem een el dichter bij Londen bracht.
Hij vroeg, verwachtte, noch verlangde eenige hulp, buiten die der
clans, om de Stuarts wederom op den troon te plaatsen; en wanneer, bij
toeval, eenige weinige aanhangelingen zich onder den standaard van den
Prins kwamen scharen, beschouwde hij hen altijd als nieuwe deelgenooten
in de gunst des toekomstigen Konings, die dus, om hen te voldoen, te
meer moest aftrekken van de belooningen, die onder zijn Hooglandsche
vrienden behoorden verdeeld te worden.
Eduards inzichten waren van geheel anderen aard. Hij kon niet nalaten
op te merken, dat in de vlekken, waar zij Jacobus III uitriepen,
niemand met een „Leve de Koning” antwoordde. De menigte gaapte en
luisterde, moedeloos, verpletterd en met onnoozele onverschilligheid,
maar gaf weinig teekenen zelfs van die onbesuisde geestdrift die haar
aanzet om bij elke gelegenheid, als ware het alleen om haar aangename
stemmen te oefenen, een luid geschreeuw aan te heffen. Men had den
Jacobieten doen gelooven, dat de noordwestelijke graafschappen
overvloeiden van rijke grondbezitters en dappere landlieden, aan de
zaak der Witte Roos gehecht. Maar van de meer vermogende Torys zagen
zij weinig. Deze waren hunne huizen ontvlucht, gene hielden zich ziek,
andere gaven zich over, als verdachte personen, aan het bewind. Onder
degenen die achterbleven, gaapten de onkundigen vol verbazing, met
schrik en afkeer gemengd, het woeste voorkomen, de onbekende taal en de
zonderlinge dracht der Schotsche clans aan. En in het oog van de meer
verstandigen schenen hun gering aantal, volslagen gebrek aan
krijgstucht en armoedige uitrusting zoo vele zékere teekens van den
ongelukkigen afloop hunner vermetele onderneming. De weinigen, die zich
bij hen voegden, bestonden dus alleen uit de zoodanigen, die door
staatkundige dweepzucht verblind waren voor de gevolgen, of door
berooide omstandigheden bewogen werden alles op zulk een wanhopig spel
te zetten.
Toen iemand den baron van Bradwardine vroeg, wat hij van deze rekruten
dacht, nam hij zeer langzaam een snuifje en antwoordde heel droogjes,
„dat hij geen ander dan een zeer gunstig gevoelen van hen kon hebben,
daar zij ten volle naar de aanhangers geleken, die den goeden koning
David volgden naar het hol van Abdullam; te weten „alle man die
benauwt” of in slechte omstandigheden was, en alle man die een
schulteyscher hadde, en alle man die ontevreden was, hetgeen de onzen
overzetten, wiens ziele bedroefd was; en buiten twijfel,” zeide hij,
„zullen zij toonen mannen met sterke handen te zijn, en dat is wel
noodig ook, want ik heb menigen somberen blik op ons zien werpen.”
Maar geen dezer bedenkingen verontrustte Fergus. Hij bewonderde de
weelderige schoonheid des lands, en de ligging van verscheidene
kasteelen, welke zij langs trokken. „Ziet Waverley-Honour er uit als
dit huis, Eduard?”
„Het is wel de helft grooter.”
„Is uw ooms park wel zoo groot als dat?”
„Het is driemaal zoo uitgestrekt, en gelijkt eer een bosch dan een
park.”
„Flora zal een gelukkige echtgenoote zijn.”
„Ik hoop dat Freule Mac-Ivor het kasteel van Waverley-Honour niet zal
behoeven om gelukkig te zijn.”
„Dat hoop ik ook; maar, meesteres van zulk een plaats te zijn, mag wel
een schoon toevoegsel tot het geheel gerekend worden.”
„Een toevoegsel, welks gemis, naar ik vertrouw, rijkelijk op een andere
wijze zal worden vergoed.”
„Hoe,” zeide Fergus, terwijl hij op eens stilhield, en zich naar
Waverley keerde – „Hoe moet ik dat verstaan, mijnheer Waverley? Had ik
het genoegen u goed te begrijpen?”
„Volmaakt goed, Fergus.”
„Ik moet er dus uit opmaken, dat gij de verzwagering met mij en de hand
mijner zuster niet meer verlangt.”
„Uw zuster heeft de mijne afgewezen, zoo wel rechtstreeks, als door de
gewone middelen, waarmede de dames oplettendheden, die haar niet
behagen, plegen te ontwijken.”
„Ik heb er geen denkbeeld van dat een dame een minnaar kan afwijzen, of
een minnaar zijn aanzoek kan intrekken, wanneer het door haar wettigen
voogd is goedgekeurd, zonder dat aan dezen de gelegenheid gegeven wordt
om met haar over de zaak te spreken. Ik hoop niet, dat gij verwacht
hebt, dat mijn zuster u, als een rijpe pruim, in den mond zou vallen,
zoodra gij slechts verkoost daarnaar te gapen.”
„Wat het recht der dame betreft, om haar minnaar weg te zenden,
Kolonel, dat is een punt, hetwelk gij met haar moet afdoen, daar ik
omtrent deze bijzonderheid met de gewoonten der Hooglanders niet bekend
ben. Maar wat mijn recht betreft, om in de verwerping door haar te
berusten, zonder beroep op uw gezag, zoo moet ik u, zonder Freule
Mac-Ivors erkende schoonheid en begaafdheden te kort te doen, rechtuit
zeggen, dat ik de hand van een engel niet zou aannemen, met een
keizerrijk tot bruidschat, indien haar toestemming afgedwongen werd
door aanhouden van vrienden en voogden, en ik die niet verschuldigd was
aan haar eigene vrije keus.”
„Een engel, met een keizerrijk tot bruidschat,” herhaalde Fergus, op
een toon van bittere ironie, „zal niet zoo licht worden opgedrongen aan
een **shireeschen landjonker. Maar, mijnheer,” voegde hij er bij,
terwijl hij geheel van toon veranderde, „zoo Flora Mac-Ivor geen
Keizerrijk tot bruidschat heeft, zij is mijne zuster, en dat is genoeg,
ten minste om te voorkomen dat zij op een wijze behandeld wordt, die
eenigszins aan lichtvaardigheid grenst.”
„Zij is Flora Mac-Ívor, mijnheer,” hernam Waverley met klem, „en indien
ik in staat was een vrouw lichtzinnig te behandelen, zou dat voor haar
de krachtigste bescherming zijn.”
Nu betrok het gelaat van het Opperhoofd geheel en al, maar Eduard
gevoelde zich te zeer verontwaardigd over den onredelijken toon, door
hem aangeslagen, om den storm door de minste toegevendheid af te
wenden. Zij stonden beide stil, terwijl deze korte samenspraak
voorviel, en Fergus scheen half geneigd iets zeer heftigs te zeggen;
maar hij onderdrukte zijn drift door een krachtige poging, wendde zijn
gelaat af, en stapte mokkend voort. Daar zij tot hiertoe altijd te
zamen gemarcheerd hadden, vervolgde Waverley zwijgend zijn weg in
dezelfde richting, terwijl hij zich voornam het Opperhoofd den tijd te
laten, om zijn goede luim te herwinnen, die hij zoo onverstandig prijs
gegeven had, en vastbesloten, om geen duimbreed voor hem, in
waardigheid van houding, te wijken.
Nadat ze onder een diep stilzwijgen ongeveer een kwartier
voortgetrokken waren, knoopte Fergus het gesprek op een anderen toon
weder aan. „Ik geloof dat ik driftig werd, mijn beste Eduard; maar ge
hebt mij driftig gemaakt door uw gebrek aan wereldkennis. Gij zijt
verstoord geworden op Flora’s preutschheid of door haar hoogdravende
denkbeelden van verknochtheid aan het koninklijke huis, en nu zijt gij,
even als een kind, boos op het speelgoed, waarom ge eerst gehuild hebt,
en ge maakt er mij, uw getrouwen vriend, een verwijt van dat mijn arm
niet tot Edinburgh kan reiken, om het u te geven. Wees verzekerd, dat,
zoo ik driftig was, de spijt om de verbintenis met zulk een vriend te
zien verloren gaan, een verbintenis, waarover men bij Hooglanders en
Laaglanders gesproken heeft, en dàt zonder zelfs te weten waarom of
hoe, vrij wat bedaarder bloed dan het mijne aan het koken zou kunnen
brengen. Ik zal naar Edinburgh schrijven, om deze zaak weder in orde te
brengen; dat wil zeggen, zoo gij verlangt dat ik het doe; want ik kan
inderdaad niet gelooven, dat ge uwe genegenheid voor Flora, indien ze
zoo groot is als ge mij dikwijls betuigd hebt, op eens kunt verloren
hebben.”
„Kolonel Mac-Ivor,” zeide Eduard, die geen lust had, om langer dan hij
verkoos, met een zaak lastig gevallen te worden, die hij reeds als
afgedaan had beschouwd, „ik gevoel al de waarde van uw goede diensten;
en zeker, doet uw ijver dien ge tot mijn best aanwendt, in dit geval,
mij geen geringe eer. Doch, daar Freule Mac-Ivor haar keus geheel
vrijwillig gedaan heeft, en al mijn oplettendheden te Edinburgh met de
meeste koelheid ontvangen werden, kan ik, zonder omtrent haar zoo wel
als mijzelven onrechtvaardig te worden, niet veroorloven, dat men haar
over deze zaak nogmaals zou lastig vallen. Ik zou u dit reeds voor
eenigen tijd hebben te kennen gegeven; maar ge zaagt op welken voet wij
waren, en moest het van zelf wel begrepen hebben. Indien ik er zoo niet
over gedacht had, zou ik er vroeger over gesproken hebben; maar ik
gevoelde een natuurlijken afkeer, om een onderwerp op te halen, dat ons
beiden zoo smartelijk is.”
„O, zeer goed, mijnheer Waverley,” zeide Fergus met hooghartigheid, „de
zaak is afgedaan. Ik kan mijn zuster aan niemand opdringen.”
„En ik voel mij geenszins geneigd mij aan een vernieuwde afwijzing van
den kant der jonge dame bloot te stellen.”
„Ik zal intusschen behoorlijk onderzoek doen,” zeide het Opperhoofd,
alsof hij op Waverleys woorden geen acht had geslagen, „en vernemen wat
mijn zuster van dit alles denkt: en dan zullen we zien, of de zaak
hiermede geëindigd is.”
„Wat het onderzoek betreft waarvan ge spreekt, ge zult daaromtrent
natuurlijk uw eigen oordeel volgen. Maar het is, naar ik vertrouw,
onmogelijk, dat Freule Mac-Ivor van gevoelen zou veranderen, en indien
dit tegen alle verwachting ook het geval was, zoo is het toch zeker,
dat ik niet zal veranderen. Ik maak deze opmerking alleen, om verder
alle mogelijk misverstand te voorkomen.”
Gaarne zou Mac-Ivor op dat oogenblik hun twist aan een persoonlijke
beslissing hebben onderworpen. Zijn oog schoot vlammen, en hij gluurde
op Eduard, alsof hij zocht waar hem een doodelijke wonde te kunnen
toebrengen. Maar ofschoon wij niet meer volgens de regels en
voorschriften van Caranza of Vincent Saviolo vechten, zoo wist toch
niemand beter dan Fergus, dat er een gepast voorwendsel behoort te
bestaan tot een strijd op leven en dood. Bij voorbeeld, ge moogt iemand
uitdagen, omdat hij, in het gedrang, op uw likdoorn heeft getrapt, of u
tegen den muur gedrongen, of omdat hij op uw plaats in den schouwburg
is gaan zitten; maar het hedendaagsche wetboek van eer vergunt u niet
een twist te gronden op uw recht, om iemand te dringen zijn aanzoeken
bij een uwer vrouwelijke naastbestaanden voort te zetten, nadat de
schoone die reeds van de hand gewezen heeft. Zoodat Fergus genoodzaakt
was, deze veronderstelde beleediging te verkroppen, tot de tijd gekomen
was, welke een gereede gelegenheid tot wraak aan de hand zou geven.
Waverleys knecht had altijd voor hem een gezadeld paard gereed, dat
achter het bataljon, waartoe hij behoorde, werd geleid, ofschoon het
zelden door zijn meester werd bereden. Maar nu, vertoornd door het
heerschzuchtige en onredelijke gedrag van zijn voormaligen vriend, liet
hij de kolonne voorbij trekken en steeg te paard, met het voornemen om
den baron van Bradwardine op te zoeken, en verlof te vragen, als
vrijwilliger onder zijn volk, in plaats van bij het regiment van
Mac-Ivor, te dienen.
„Ik zou een gelukkig leven geleid hebben,” dacht hij, na te paard
gestegen te zijn, „als ik verzwagerd was geworden met dit schoone
staaltje van trotschheid, inbeelding en oploopendheid. Een kolonel!
Wel, hij moest opperbevelhebber zijn – een opperhoofdje van drie of
vier honderd man! – Hij bezit trots genoeg om Khan van Tartarije – de
Groote Heer, of de Groot-Mogol te zijn! Ik ben gelukkig van hem af! –
Al was Flora een engel, ze zou mij een tweeden Lucifer, vol eer- en
wraakzucht, als schoonbroeder, hebben aangebracht.”
De Baron, wiens geleerdheid (even als Sancho’s geestige spreekwoorden
in de Sierra Morena) scheen te zullen roesten door gebrek aan oefening,
greep met blijdschap Waverleys aanbod aan om bij zijn regiment te
dienen, ten einde ze op nieuw aan den dag te kunnen leggen. De
goedaardige oude edelman poogde echter een verzoening tusschen de beide
voormalige vrienden te bewerken. Fergus leende ter nauwernood het oor
aan zijn voorstellingen, ofschoon hij ze eerbiedig aanhoorde; en wat
Waverley betrof, hij zag geen enkele reden, waarom hij de eerste zou
zijn om zich moeite te geven tot het vernieuwen van een vertrouwelijken
omgang, dien het Opperhoofd zoo onredelijk had verbroken. Daarop sprak
de Baron over de zaak met den Prins, die, bezorgd om oneenigheden bij
zijn klein leger te voorkomen, verklaarde, zelf den kolonel Mac-Ivor te
zullen onderhouden over het onredelijke van zijn gedrag. Maar de
moeielijkheden van hun marsch waren oorzaak dat er een paar dagen
verliepen, eer hij gelegenheid vond, om zijn invloed op de voorgenomen
wijze te beproeven.
Intusschen trok Waverley partij van hetgeen hij, terwijl hij bij de
dragonders van Gardiner gestaan had, geleerd had, en diende den Baron
als een soort van adjudant. „In het land der blinden is éenoog koning,”
zegt het spreekwoord, en de ruiterij, die hoofdzakelijk uit
Laaglandsche heeren, hun pachters en bedienden bestond, koesterde een
groot denkbeeld van Waverleys bedrevenheid en legde een groote
gehechtheid aan zijn persoon aan den dag. Dit was, om de waarheid te
zeggen, voor een goed deel toe te schrijven aan het genoegen, ’t welk
zij gevoelden, dat de aanzienlijke Engelsche vrijwilliger de
Hooglanders verliet, ten einde zich in hunne rijen te scharen; want er
bestond een heimelijke wangunst tusschen het paardenvolk en het
voetvolk, die niet enkel voortsproot uit het verschil van dienst, maar
omdat de meeste heeren, die dicht bij de Hooglanden woonden, nu en dan
twist hadden gehad met de stammen in hunne buurt, en allen de luide
aanspraken der Hooglanders, als zouden zij grooter dapperheid bezitten
en den Prins beter dienen, met een afgunstigen blik gadesloegen.