EEN BRAAF MAN IN NOOD.

Indien mijn schoone lezeressen van gevoelen wezen mochten, dat de

lichtvaardigheid van mijn held in de liefde volstrekt onvergefelijk is,

moet ik haar herinneren, dat al zijn grieven en bezwaren geenszins uit

die sentimenteele bron ontsprongen. Zelfs de lierdichter, die zoo

aandoenlijk over de smart der liefde klaagt, kon te gelijker tijd niet

vergeten, „dat hij in schulden stak en aan den drank was,” hetgeen

buiten tegenspraak zijn ongeluk slechts kon verzwaren. Er verliepen

inderdaad geheele dagen, waarop Waverley noch aan Flora noch aan Rose

Bradwardine dacht, maar die besteed werden aan treurige gissingen over

den waarschijnlijken staat der zaken op Waverley-Honour, en den

twijfelachtigen uitslag van den burgertwist, waarin hij betrokken was.

Kolonel Talbot wikkelde hem dikwijls in een gesprek over de

onrechtvaardigheid der zaak, waaraan hij zich gewijd had, „Niet,” zeide

hij, „dat het u mogelijk is ze op dit oogenblik te verzaken, want, wat

er van kome, gij moet uwe overhaaste verbintenis gestand doen. Maar ik

wensch u te doen beseffen, dat het recht niet aan uwe zijde is, dat gij

strijdt tegen de ware belangen van uw land, en dat gij, als Engelschman

en als vaderlander, de de eerste gelegenheid de beste moet aangrijpen,

om dezen ongelukkigen tocht op te geven, eer de sneeuwbal smelt.”

Bij dergelijke staatkundige woordenwisselingen voerde Waverley

gemeenlijk, van zijn zijde, de gewone argumenten aan, waarmede het niet

noodig is den lezer lastig te vallen. Maar hij had weinig te zeggen,

wanneer de Kolonel hem drong, om de strijdkrachten, waarmede ze

ondernomen hadden het Bewind omver te werpen, met die te vergelijken,

welke thans in allerijl bijeengebracht werden, om het staande te

houden. Hierop had Waverley slechts éen antwoord: „Zoo de zaak, die ik

mede omhelsd heb, gevaarlijk is, zou het te schandelijker zijn, mij er

aan te onttrekken.” En op zijn beurt bracht hij doorgaans den Kolonel

tot zwijgen, terwijl hij er in slaagde om het gesprek een andere

wending te geven.

Op zekeren avond, dat de vrienden, na lang met elkander te hebben

geredetwist, afscheid van elkaâr hadden genomen, en onze held zich te

bed had begeven, werd hij omstreeks middernacht door een onderdrukten

zucht gewekt. Hij richtte zich spoedig op en luisterde; het geluid kwam

uit de kamer van kolonel Talbot, die van de zijne door een houten

beschot gescheiden was, terwijl de gemeenschap door een deur werd

onderhouden. Waverley trad op deze deur toe, en hoorde duidelijk

herhaaldelijk een diep zuchten. Wat was er te doen? De Kolonel had hem

oogenschijnlijk in zijn gewonen gemoedstoestand verlaten. Hij moest,

plotseling niet wél geworden zijn. Met deze gedachte, opende hij zeer

zachtjes de deur, en zag hij den Kolonel, in zijn nachtgewaad, aan een

tafel zitten, waarop een brief en een portret lagen. Hij hief haastig

het hoofd op, terwijl Eduard nog besluiteloos stond, of hij naderen dan

wel terug zou treden, en Waverley zag de sporen van tranen op zijn

gelaat.

Alsof hij zich schaamde verrast te worden in zulk een

gemoedsaandoening, stond de Kolonel blijkbaar vertoornd op. „Ik dacht,

mijnheer Waverley, dat mijn eigene kamer, zoo wel als dit uur, zelfs

een gevangene zouden bewaard hebben voor –”

„Zeg niet voor indringing, kolonel Talbot; ik hoorde u zwaar zuchten,

en vreesde dat ge niet wél waart; alleen om die reden waagde ik het

hier binnen te treden.”

„Ik ben wél,” zei de Kolonel, „volmaakt wel.”

„Maar u drukt een of ander leed,” zeide Eduard, „kan er ook iets gedaan

worden om het te verzachten?”

„Niets, mijnheer Waverley; ik dacht slechts aan huis en aan eenige

onaangename voorvallen aldaar.”

„O God, mijn oom!” riep Waverley uit.

„Neen, het is een verdriet, dat alleen mijzelven betreft; ik schaam mij

dat gij getuige waart hoe het mij ter nedersloeg; maar het moet nu en

dan zijn loop hebben, om verder dragelijk te zijn. Ik had het voor u

geheim willen houden; want ik vrees dat het u bedroeven zal, en toch

kunt ge nu geen troost aanbrengen. Maar ge hebt mij verrast – ik zie,

dat ge zelf verrast zijt, en ik ben een vijand van geheimen: lees dezen

brief,”

De brief was van des Kolonels zuster, en luidde dus:

„Ik ontving den uwen, beste broeder, door Hodges. Sir E. W. en de heer

R. zijn nog op vrije voeten, maar mogen Londen niet verlaten. Ik

wenschte hartelijk, dat ik u even gunstige tijding omtrent de zaken te

huis kon mededeelen. Maar het nieuws van het ongelukkige gevecht te

Preston kwam tot ons met het vreeselijk bericht er bij, dat gij onder

de gesneuvelden waart. Gij weet hoe zwak de gezondheid van Lady Emilia

was, toen uwe vriendschap voor Sir E. u bewoog haar te verlaten. Zij

was geweldig verontrust toen zij de treurige berichten ontving dat de

opstand in Schotland was uitgebarsten; maar zij hield zich moedig,

gelijk, zeide zij, uw vrouw betaamde, om den toekomstigen erfgenaam

voor u in het leven te bewaren, waarop zoo lang en te vergeefs is

gehoopt. Helaas, waarde broeder, die uitzichten zijn nu verdwenen! In

weerwil van al mijn voorzorgen, kwam deze ongelukkige tijding haar,

zonder dat zij er op was voorbereid, ter oore. Zij werd terstond

ongesteld, en het arme kind overleefde ter nauwernood zijn geboorte.

Gave God, dat dit alles was! Maar schoon de wederlegging van het

ijselijk gerucht, door uw eigen brief, haar krachten naar lichaam en

geest in hooge mate heeft doen opleven, zoo is Dr. *, het smart mij dit

te moeten zeggen, toch nog voor ernstige en zelfs gevaarlijke gevolgen

beducht, voornamelijk wegens de onzekerheid, waarin Emilia noodzakelijk

eenigen tijd moet verkeeren, en welke nog verzwaard wordt door de

denkbeelden die zij zich gevormd heeft omtrent de wreedheid van den

vijand, door wien gij gevangen gehouden wordt.”

„Wend dus alles wat in uwe macht is aan, waarde broeder, en tracht

zoodra gij dezen ontvangt, uw vrijheid te erlangen, hetzij op uw woord,

tegen losgeld, of langs elken maar mogelijken weg. Ik overdrijf den

staat van Emilia’s gezondheid niet, maar ik mag, – ik durf de waarheid

niet verzwijgen. Voor altijd, waarde Filips, uw u hartelijk toegenegen

zuster,

Lucie Talbot.”

Eduard verstomde van smart, toen hij dezen brief gelezen had; want de

gevolgtrekking liet zich niet wegcijferen, dat de door den Kolonel

ondernomen reis, om hem te zoeken, hem deze zware ramp had berokkend.

Dit ongeluk was, zelfs wat het onherstelbare gedeelte daarvan betrof,

nog erg genoeg; want kolonel Talbot en Lady Emilia, die lang zonder

kinderen gebleven waren, hadden zich niet weinig verheugd in het

vooruitzicht, dat nu geheel vervlogen was. Maar deze teleurstelling was

niets bij de uitgebreidheid van de dreigende ramp; en Eduard liep een

rilling door de leden, daar hij zich als de oorzaak van beide

beschouwde. Eer hij zijn gedachten tot spreken verzamelen kon, had de

Kolonel reeds weder zijn gewone uiterlijke bedaardheid herwonnen,

ofschoon zijn onrustige blik den inwendigen strijd maar al te zeer

verried.

„Zij is een vrouw, mijn jonge vriend, over wie een krijgsman zich niet

behoeft te schamen een traan te storten.” Hij reikte hem het portretje

over, waarop gelaatstrekken te zien waren, welke zijn lofspraak ten

volle billijkten; „en echter weet God, dat hetgeen gij daar van haar

ziet, het minste is van de bekoorlijkheden, die zij bezit – bezat,

moest ik misschien zeggen – maar Gods wil geschiede!”

„Gij moet vliegen – gij moet oogenblikkelijk vliegen, om haar op te

beuren. Het is niet – het zal niet te laat zijn.”

„Vliegen? Hoe is dat mogelijk? Ik ben krijgsgevangen, – door mijn woord

van eer gebonden.”

„Ik ben het, die u gevangen houd – ik geef u uw woord terug – Ik ben

voor u verantwoordelijk.”

„Dit kunt ge niet aanraden, zonder uw plicht te schenden; ook kan ik

mijn vrijheid niet van u aannemen, zonder mijn eigene eer te schenden –

gij zoudt er voor verantwoordelijk worden gesteld.”

„Ik zal het met mijn hoofd verantwoorden, als het noodig is. Ik ben de

ongelukkige oorzaak geweest van het verlies van uw kind; maak mij niet

tot den moordenaar uwer vrouw.”

„Neen, beste Eduard,” zeide Talbot, terwijl hij hem vriendelijk bij de

hand vatte, „gij zijt in geenen deele te beschuldigen; en zoo ik deze

huiselijke ramp twee dagen voor u verborgen hield, was het alleen opdat

uw teergevoeligheid ze niet in dat licht zou beschouwen. Gij kondt aan

mij niet denken, ja nauwelijks kennis van mijn bestaan dragen, toen ik

Engeland verliet om u te zoeken. Het is een verantwoordelijkheid, de

Hemel weet het, zwaar genoeg voor arme stervelingen, dat wij rekenschap

moeten geven van het vooruitgeziene en rechtstreeksche gevolg onzer

daden; voor de middelijke en zijdelingsche uitwerkselen er van heeft

het groote en algoede Wezen, dat alleen het onderling verband der

menschelijke zaken kan doorzien, zijn brooze schepselen niet

aansprakelijk gesteld.”

„Maar dat ge Lady Emilia, in den belangwekkendsten toestand voor een

echtgenoot, hebt verlaten, om te zoeken naar een –”

„Ik deed slechts mijn plicht, voel geen berouw, en mag het ook niet

gevoelen. Indien het pad van dankbaarheid en eer altijd effen en

gemakkelijk was, zou er weinig verdienste in bestaan het te volgen,

maar het ligt dikwijls in een richting, die geheel met ons belang en

onze neigingen en ook soms met onze edeler aandoeningen in strijd is.

Deze zijn de beproevingen des levens, en de tegenwoordige, schoon niet

de minst drukkende,” (de tranen kwamen ongeroepen in zijn oog) „is de

eerste niet, welke het mijn lot was te ondergaan. – Maar morgen zullen

wij hierover spreken,” terwijl hij Waverleys hand drukte, „goeden nacht

– tracht dit alles eenige weinige uren te vergeten – het zal, denk ik,

te zes ure dag zijn, en het is nu over tweeën – goeden nacht!”

Eduard ging heen, zonder de kracht te hebben hem te antwoorden.

Waverley(#75933) · 第 120 / 156 题