„Ik ben bepaald tot speelbal mijner grillen,” zeide Waverley tot
zichzelven, toen hij de deur zijner kamer sloot, en met groote stappen
op en neder liep. – „Wat raakt het mij of Fergus Mac-Ivor Rose
Bradwardine wenscht te huwen? – Ik bemin haar niet – ik zou misschien
door haar bemind zijn geworden – maar ik wees haar eenvoudige,
natuurlijke en hartelijke genegenheid af, in plaats van ze door een
vriendelijk gedrag in teederheid te doen veranderen, en wijdde mij aan
een vrouw toe, die nooit een sterveling zal beminnen, als Warwick, „de
Koningmaker” niet weder uit de dooden opstaat. Ook de Baron – ik zou
mij om zijn goederen niet bekommerd hebben, en dus zou de naam geen
struikelblok zijn geweest. De drommel had de woeste moerassen kunnen
halen en de Koninklijke caligæ uitgetrokken hebben, zonder dat ik er
mij tegen verzet zou hebben. Maar geschapen als zij is voor de teedere
aandoeningen van huiselijke gehechtheid en liefde, om al die
vriendelijke en aangename zorgen te besteden en te ontvangen, welke het
leven verzoeten van degenen, die het met elkander slijten, wordt ze
gezocht door Fergus Mac-Ivor. Hij zal haar zeker niet slecht behandelen
– daartoe is hij niet in staat – maar hij zal haar, na de eerste maand,
verwaarloozen; hij zal er te veel aan denken, om dit of dat mededingend
Opperhoofd ten onder te brengen, om dezen of genen gunsteling aan het
hof te doen vallen, om hier of daar een schrale heide of een waterplas
bij zijn bezittingen te voegen, of zijn benden met eenige nieuwe
spitsboeven te vermeerderen – en zich niet bekreunen om al wat zij
doet, en hoe zij den tijd doorbrengt.”
„En dan zal hartzeers kanker ook haar bloem
Doorknagen, en het weergalooze schoon
Verbannen van haar rozeroode kaak;
Holoogig ziet ze dan, gelijk een geest,
En bleek en mager als door koorts verteerd,
Totdat zij sterft.”
„En dit droevige lot van het bevalligste schepseltje op Gods aardbodem
zou te voorkomen zijn geweest, indien de heer Eduard Waverley uit zijn
oogen had gekeken! – Op mijn woord, ik kan niet begrijpen, hoe ik Flora
zoo veel, dat is, zoo heel veel mooier vond dan Rose. Zij is ranker,
dat is waar, en haar houding is deftiger; maar velen houden Freule
Bradwardine voor natuurlijker; en zij is zeker veel jonger. Ik zou
denken, dat Flora een paar jaar ouder is dan ik – ik zal haar beiden
van avond eens nauwkeurig gadeslaan.”
En met dit besluit, ging Waverley thee drinken (gelijk dit zestig jaar
geleden het gebruik was) bij een dame van rang, die de zaak van den
Prins was toegedaan, en waar hij, gelijk hij verwacht had, beide dames
aantrof. Een ieder stond op toen hij binnenkwam, maar Flora hernam
oogenblikkelijk haar plaats, en vatte het begonnen gesprek weder op.
Rose, daarentegen, maakte bijna onmerkbaar plaats, opdat hij een stoel
zou kunnen zetten in den dichten kring die haar omgaf.
„Hare wijze van doen is, over het geheel, zeer innemend,” zeide
Waverley bij zichzelven.
De vraag werd geopperd, of de Gaelsche dan wel de Italiaansche taal de
zachtste, vloeiendste en meest geschikte voor de poëzij was. De zaak
der Gaelsche, die waarschijnlijk elders geen voorstanders zou gevonden
hebben, werd hier met vuur verdedigd door zeven Hooglandsche dames, die
haar longen in het geheel niet ontzagen, en het geheele gezelschap doof
gilden met voorbeelden van de welluidendheid der Celtische taal. Flora,
wie het in het oog viel dat de Laaglandsche dames om de vergelijking
meesmuilden, bracht eenige redenen bij, ten bewijze dat ze niet zoo
geheel dwaas was; maar toen men Rose naar haar gevoelen gevraagd had,
liet zij zich met warmte ten voordeele der Italiaansche uit, die zij
met behulp van Waverley beoefend had. „Zij heeft een juister gehoor dan
Flora, ofschoon zij minder ervaren is in de muziek,” dacht Waverley bij
zichzelf. „Ik veronderstel dat Freule Mac-Ivor spoedig Mac Murrough nan
Fonn bij Ariosto zal vergelijken.”
Eindelijk gebeurde het dat het gezelschap het niet eens was, of men
Fergus zou verzoeken op de fluit te spelen, waarin hij uitmuntte, dan
wel of Waverley zou uitgenoodigd worden, een stuk van Shakespeare te
lezen. De vrouw des huizes belastte zich goedwillig met het opnemen der
stemmen van het gezelschap, die zich voor poëzij of muziek verklaarden;
onder voorwaarde, dat de heer, wiens talenten dien avond niet in
aanspraak genomen werden, ze wel zou verleenen om den volgenden op te
luisteren. Het kwam zoo uit, dat Rose de beslissende stem had. Nu had
Flora, die het zich tot een wet scheen gemaakt te hebben nooit een
voorstel te ondersteunen, waardoor Waverley ook maar het geringste
aangemoedigd kon worden voor de muziek gestemd, mits de Baron zijn
viool nam, om Fergus te accompagneeren. „Ik wensch u geluk met uw
smaak, Freule Mac-Ivor,” dacht Waverley, terwijl men naar zijn boek
zocht. „Ik hield dien, toen wij op Glennaquoich waren, voor beter; maar
zeker is de Baron geen groot speler, en Shakespeare verdient wel dat
men naar hem luistere!”
„Romeo en Julia” werd gekozen, en Eduard las met smaak, gevoel en
warmte, eenige tooneelen uit dat treurspel voor. Het geheele gezelschap
juichte met handgeklap, en verscheidenen met tranen toe. Flora, die het
stuk zeer goed kende, behoorde onder de eerstgenoemden. Rose, voor wie
het zoo goed als nieuw was, behoorde tot de laatste klasse van
bewonderaars. „Zij heeft ook meer gevoel,” zeide Waverley in
zichzelven.
Toen het gesprek over de handeling van het stuk en over de karakters,
begon te loopen, verklaarde Fergus, dat de eenige, die verdient als man
van fatsoen en geest en moed genoemd te worden, Mercutio was. „Ik kon,”
zeide hij, „al zijn ouderwetsch vernuft niet volkomen volgen, maar hij
moet, naar de denkbeelden van zijn tijd, een zeer beminnelijk mensch
zijn geweest.”
„En het was schande,” zei vaandrig Maccombich, die doorgaans in alles
zijn kolonel volgde, „van dien Tibbert of Taggart, of hoe hij ook
heette, hem van onder den arm van dien anderen Heer overhoop te steken,
terwijl hij den twist zocht bij te leggen.”
De dames verklaarden zich natuurlijk luide voor Romeo, maar dit
gevoelen bleef niet zonder tegenspraak. De vrouw des huizes en
verscheidene andere dames berispten tamelijk streng de
lichtvaardigheid, waarmede de held zijn genegenheid van Rosalinde op
Julia overbracht. Flora bewaarde het stilzwijgen tot men haar gevoelen
herhaalde malen gevraagd had, en antwoordde toen, dat deze
wispelturigheid, waaraan men zich ergerde, door haar niet slechts zeer
overeenkomstig met de natuur gehouden werd, maar dat ze ten hoogste
voor de kunst van den dichter getuigde. „Shakespeare schildert Romeo
als een jonkman die bijzonder vatbaar is voor de zachtere aandoeningen;
het eerste voorwerp zijner liefde is een meisje, dat ze niet kon
beantwoorden; dit zegt hij u bij herhaling.”
„De zwakke kinderpijl der liefde treft haar niet”
en wederom,
„De liefde zwoer zij af”
Daar het nu onmogelijk was, dat Romeo’s liefde – aangenomen dat hij een
verstandig mensch was – zonder hoop kon voortduren, nam de dichter met
de grootste bekwaamheid, het oogenblik te baat, waarin de held zich
werkelijk tot wanhoop gebracht ziet, om hem een meisje te gemoet te
voeren, dat volmaakter is dan zij, door wie hij was afgewezen, en
tevens geneigd om aan zijn liefde te beantwoorden. Ik kan mij
bezwaarlijk een toestand voorstellen, die meer geschikt is om Romeo’s
liefde voor Julia aan te wakkeren, dan de omstandigheid dat hij door
haar, op eens, uit den staat van kwijnende neerslachtigheid, waarin hij
eerst ten tooneele verschijnt, wordt opgewekt en weggerukt en waarvan
hij zoo geheel verwijderd is, als hij uitroept:
„Wat droefheid mij voortaan ook treffen mag,
Zij weegt toch geenszins hier ’t genoegen op,
Dat slechts een oogwenk mij haar bijzijn schenkt.”
„Hoe nu, Freule Mac-Ivor,” zeide een jonge dame van rang, „wilt gij ons
van ons schoonste voorrecht berooven? Wilt gij ons overtuigen, dat
liefde zonder hoop niet kan bestaan, of dat de minnaar onbestendig moet
worden, wanneer zijn dame wreed is? Wel foei! zulk een besluit, dat zoo
weinig sentimenteel is, had ik niet verwacht.”
„Een minnaar, waarde lady Betty, mag, naar mijn oordeel, onder zeer
ontmoedigende omstandigheden in zijn liefde volharden. De liefde kan
(soms) iederen storm, hoe zwaar die ook zij, weerstand bieden, maar
onmogelijk de langdurige Siberische koude der onverschilligheid. Neem,
zelfs met uwe aantrekkelijkheden, deze proef op geen minnaar, wiens
trouw gij op prijs stelt! Ja, de liefde kan met verbazend weinig hoop
zich voeden, maar geheel zonder deze leven, kan zij niet.”
„Het zal er juist zoo mede gelegen zijn, als met Duncan Mac-Girdie’s
merrie, met uw welnemen,” zeide Evan, „hij wilde haar namelijk
langzamerhand gewennen om zonder voêr te leven, en juist toen hij haar
op één stroohalmpje daags gebracht had, stierf het arme beest!”
Evans vergelijking bracht het gezelschap aan het lachen, en het gesprek
nam een andere wending. Kort daarna scheidde men, en Eduard keerde naar
huis terug, in gedachten verzonken over hetgeen Flora gezegd had. „Ik
wil mijn Rosalinde niet langer beminnen,” zeide hij; „zij heeft mij,
daartoe een genoegzaam duidelijken wenk gegeven; en ik zal met haar
broeder spreken en mijn aanzoek opgeven. Maar wat Julia betreft – zou
het edelmoedig zijn Fergus’ bemoeiingen in den weg te staan? Maar het
is onmogelijk dat hij ooit slaagt! En als hij niet slaagt, wat dan? –
Wel dan, alors comme alors.” En met dit wijze besluit, om zich door de
omstandigheden te laten leiden, begaf onze held zich ter rust.