Hoe nauwkeuriger Waverley den toestand van het hof des Ridders
gadesloeg, des te minder reden vond hij om er mede tevreden te zijn.
Het bevatte, even als men zegt dat een eikel al de takken des
aanstaanden booms in zich besluit, zoo vele zaden van oneenigheid en
kuiperij, als het hof van een uitgebreid rijk. Ieder persoon van
gewicht had een of ander bijzonder doel, dat door hem vervolgd werd met
een hartstochtelijkheid, die aan Waverley volstrekt niet toescheen in
evenredigheid met de belangrijkheid er van. Bijna allen hadden redenen
tot ontevredenheid; maar de meestgegronde van allen was die van den
waardigen ouden Baron, die zich alleen om het algemeen belang
bekommerde.
„Wij zullen,” zeide hij op zekeren morgen, dat zij het kasteel in
oogenschouw genomen hadden, tot Waverley, „wij zullen bezwaarlijk de
belegeringskroon, welke zoo als gij weet, van takken of planten, op den
belegerden grond gegroeid, gevlochten werd, hier winnen, of het moest
van het kruid parietaria [167] zijn; wij zullen – zeg ik – die kroon
hier bezwaarlijk winnen.” En voor dit gevoelen bracht hij de geleerdste
en meest voldoende redenen bij, van wier opsomming wij gelooven dat de
lezer gaarne verschoond zal blijven.
Nadat hij aan den ouden Baron ontsnapt was, begaf Waverley zich naar
het kwartier van Fergus, om hem, volgens afspraak, bij zijn terugkomst
van Holyrood-House op te wachten. „Ik zal morgen een bijzondere
audiëntie hebben,” had Fergus den vorigen avond aan Waverley gezegd,
„en gij moet bij mij komen, om mij geluk te wenschen over den goeden
uitslag, waarop ik bij voorbaat reken.”
De morgen kwam, en in de kamer van het Opperhoofd vond hij zijn vriend,
den vaandrig Maccombich, die hem wachtte om verslag te doen van zijn
volbrachten arbeid, het maken, namelijk een soort van gracht, welke men
dwars door den heuvel van het kasteel gegraven, en een loopgraaf
genoemd had. Weldra liet de stem van het Opperhoofd zich op de trappen
hooren; hij riep op een toon van ongeduld en woede: – „Callum, – ik
zeg, Callum Beg, – voor den duivel!” Hij trad het vertrek binnen met al
de kenteekenen van iemand die in geweldige drift was ontstoken; en er
zijn slechts weinigen, op wier gelaatstrekken de ontevredenheid zich
sterker teekende dan op de zijne. Wanneer hij in zulk een spanning was,
dan zwollen de aderen van zijn voorhoofd op; zijn neusgaten verwijdden
zich; zijn oogen en wangen gloeiden, en zijn blik was volmaakt die van
een razende. Deze blijken van halfbedwongen woede waren nu nog te
verschrikkelijker omdat zij blijkbaar veroorzaakt werden door een
krachtige poging om een bijna ontembaren aanval van drift te temperen,
en dus voortkwamen uit een inwendigen strijd, die geheel zijn
zedelijken mensch schokte en beroerde.
Zoo als hij de kamer binnentrad, gespte hij zijn sabel los, en terwijl
hij dien ter aarde wierp met een geweld, dat het wapen naar de andere
zijde van het vertrek vloog, riep hij uit: „Ik weet niet, wat mij
belet, een plechtigen eed te zweren, dat ik het nooit weêr voor deze
zaak trekken zal? – Laad mijn pistolen, Callum, en breng ze terstond
hier – terstond!” Callum, dien nooit iets verbaasde, ontstelde, of van
zijn stuk bracht, gehoorzaamde met de grootste koelbloedigheid. Evan
Dhu, wiens oogopslag, in het vermoeden dat zijn Opperhoofd eenig
ongeluk was aangedaan, een soortgelijken storm aankondigde, zwol op van
toorn, terwijl hij stil zweeg en wachtte te vernemen, waar of op wien
de wraak moest nederdalen.
„Zoo, Waverley, zijt gij daar?” riep het Opperhoofd; na een oogenblik
bedenkens; „Ja, ik herinner mij, dat ik u verzocht mijn zegepraal te
deelen, en ge zijt gekomen om getuige te zijn van mijn –
teleurstelling, zullen wij het maar noemen.” Nu bood Evan hem het
geschreven rapport aan, dat hij in de hand had, hetwelk Fergus hem met
groote drift ontrukte. „Ik zou, om Gods wil wenschen,” zeide hij, „dat
het oude nest neêrstortte op het hoofd van de gekken, die het aanvallen
en van de guiten die het verdedigen. Ik zie, Waverley, dat gij mij voor
krankzinnig houdt, – verlaat ons, Evan, maar blijf zoo in de nabijheid,
dat ik u roepen kan.”
„De Kolonel is geweldig verstoord” zeide vrouw Flockhart tegen Evan,
toen hij naar beneden kwam; „ik hoop dat hij wél is, – tot zelfs de
aderen van zijn voorhoofd stonden stijf als zweepkoord, – zou hij het
een of ander niet willen gebruiken?”
„Hij tapt gewoonlijk wat bloed af tegen deze aanvallen,” zei de
Hooglandsche schildknaap met groote bedaardheid.
Toen de vaandrig het vertrek verlaten had, begon het Opperhoofd
langzamerhand tot bedaren te komen. „Ik weet, Waverley,” zeide hij,
„dat kolonel Talbot u bewogen heeft om tienmaal op een dag uwe
verbintenis met ons te verwenschen; – neen, ontken het niet; want ik
ben op het oogenblik in verzoeking om het zelf te voldoen. Kunt gij
gelooven, dat ik heden morgen twee verzoeken tot den Prins richtte, en
dat hij ze beide heeft afgeslagen; wat dunkt u?”
„Wat kan ik er van denken, zonder te weten welke uwe aanzoeken waren?”
„Wel, wat doet het er toe wat zij waren, man? Ik zeg u, dat ik het was
die ze deed. Ik, aan wien hij meer verplichting heeft dan aan de beste
drie, die zijn standaard gevolgd zijn; want ik zette de geheele zaak op
touw, en haalde al de mannen van Perthshire over, toen geen éen zich
zou bewogen hebben. Ik ben er de man niet naar, denk ik, om iets zeer
onredelijks te vragen, en al had ik het gedaan, dan mochten ze wel iets
over het hoofd gezien hebben. Maar, gij zult alles weten, nu ik weêr
eenigszins ruimer adem halen kan. – Gij herinnert u mijn aanstelling,
bij open brief, tot graaf; zij is geteekend, een aantal jaren geleden,
voor destijds betoonde diensten, en het minst dat ik zeggen kan, is dat
mijn volgend gedrag er de waarde niet van heeft verminderd. Nu,
mijnheer, waardeer ik die prul van een gravenkroon zoo min als gij, of
eenig wijsgeer op aarde; want ik houd het er voor dat het Opperhoofd
van zulk een clan als de Sliochd nan Ivor, hooger in rang is, dan éen
graaf in Schotland. Maar ik had een bijzondere reden, om dezen
verwenschten titel tegenwoordig te voeren. Ik vernam toevallig, moet
gij weten, dat de Prins dien ouden dwazen baron van Bradwardine heeft
gedrongen, zijn mannelijken erfgenaam, of neef, in den negentienden of
twintigsten graad, die een officiersplaats bij de militie van den
keurvorst heeft aangenomen, te onterven, en zijn nalatenschap te doen
overgaan op uwe aardige, kleine vriendin, Rose; en hiermede, daar het
een bevel van Koning en Opperhoofd is, die de bestemming van een leen
naar genoegen mag veranderen, schijnt de oude heer tamelijk wel
tevreden.”
„En wat zal er nu van de hulde worden?”
„De drommel hale de hulde! – Ik geloof, dat Rose de pantoffel der
koningin, op haar krooningsdag, zal uittrekken, of een dergelijke
nesterij. – Hoe dat ook zij, daar Rose altijd een goede partij voor mij
zou geweest zijn, zonder die stomme voorkeur van haar vader voor zijn
mannelijken erfgenaam, is het mij in de gedachte gekomen dat er nu geen
beletsel meer overbleef, tenzij de Baron verwachten mocht dat de
echtgenoot zijner dochter den naam van Bradwardine zou aannemen, wat in
mijn geval, zoo als ge begrijpt, onmogelijk wezen zou en heb ik gemeend
dat als ik den titel aannam, waarop ik zulk een gegrond recht had,
natuurlijk die moeielijkheid uit den weg zou te ruimen zijn. Indien
Rose tevens, volgens hare eigene rechten, burggravin Bradwardine na
haar vaders overlijden wezen zou, des te beter; ik kon daar niets tegen
hebben.”
„Maar, Fergus,” zeide Waverley, „ik dacht niet dat gij de minste
genegenheid voor Freule Bradwardine koesterdet, en gij schimpt altijd
op haar vader.”
„Ik heb zoo veel genegenheid voor Freule Bradwardine, mijn goede
vriend, als ik noodig acht voor de toekomstige meesteres in mijn huis
en de moeder mijner kinderen te moeten koesteren. Zij is een heel knap
en schrander meisje, en zeker van een der eerste Laaglandsche
geslachten, en zal, met een weinig onderwijs en vorming van Flora, een
zeer goed figuur maken. Wat haar vader aangaat, hij is een origineel,
dat is waar, en al vrij belachelijk, maar hij heeft sir Hew Halbert –
den dierbaren overleden heer van Balmawhapple, en anderen zulke
gestrenge lessen gegeven, dat niemand hem durft bespotten, en dus heeft
zijn belachelijkheid niets te beteekenen. Ik zeg u, daar had geene
zwarigheid ter wereld moeten bestaan – geene. Ik had de geheele zaak
bij mijzelven geregeld.”
„Maar hadt gij de toestemming van den Baron, of Rose gevraagd?”
„Waartoe? Den Baron er over te spreken, voor dat ik mijn titel had zou
slechts een ontijdig en verbitterend gekibbel hebben doen ontstaan over
de naamsverandering, daar ik, in tegendeel, als graaf van Glennaquoich,
hem eeniglijk had voor te stellen, om zijn verd...mden beer en
laarzentrekker in een afzonderlijk veld of op eenige andere, mijn wapen
slechts niet benadeelende, wijze op mijn schild over te nemen. En wat
Rose betreft, ik zie niet in wat zij er tegen zou kunnen hebben, als ik
de toestemming van haar vader had.”
„Misschien hetzelfde wat uwe zuster tegen mij heeft, ofschoon ik uwe
toestemming heb.”
Fergus zette grootte oogen op bij de vergelijking, die in deze
veronderstelling opgesloten lag, maar hield voorzichtig het antwoord
terug, dat hem op de tong brandde. „O, wij zouden dat alles gemakkelijk
geschikt hebben. Dus, mijnheer, verzocht ik een bijzonder gehoor bij
den Prins, dat heden morgen werd bepaald, en ik vroeg u mij hier te
ontmoeten, in de vaste overtuiging, ofschoon ze die van een gek bleek
te zijn, dat ik uw bijstand zou noodig hebben, als speelnoot. Nu dan –
ik som mijn aanspraken op – ze worden niet betwist – de zoo dikwijls
herhaalde beloften en het verleenen van den open brief worden erkend.
Maar ik stel voor, als een natuurlijk gevolg, om den rang aan te nemen,
waartoe de benoeming mij verheft en nu voert men de oude historie van
G*’s en M*’s jaloerschheid aan – ik verzet mij tegen dit voorwendsel,
en bied aan om, uithoofde der vroegere dagteekening, dan de
beuzelachtige vorderingen van hun kant, hunne schriftelijke inwilliging
te verwerven – en ik verzeker u, dat ik deze toestemming van hen zou
verkregen hebben, al was het ook op de punt van den degen. En nu komt
de waarheid in al hare naaktheid voor den dag, en durft hij mij in het
gezicht zeggen, dat mijn verheffing voor het oogenblik buiten werking
moet blijven, uit vrees van te mishagen aan dien gemeenen lafaard en
fainéant – hier noemde Fergus het mededingend Opperhoofd van zijn clan
– die geen meer aanspraak heeft om Opperhoofd te zijn, dan ik om Keizer
van China te wezen; en die goedvindt zijn laffen afkeer om te velde te
trekken, (gelijk zijn twintigmaal herhaalde beloften het medebrengen)
te verbergen onder een voorgewenden naijver op des Prinsen
vooringenomenheid met mij. En, om dezen ellendigen mededinger het
voorwendsel voor zijn lafhartigheid te ontnemen, vraagt de Prins, als
persoonlijk vriendschapsbewijs van mij, verbeeld u, niet op mijn
gegrond en redelijk verzoek, in dit oogenblik, aan te dringen. Stel nu
maar eens op Prinsen uw vertrouwen!”
„En eindigde hiermede uwe audiëntie?”
„Eindigen? Wel neen! Ik had besloten hem geen voorwendsel voor zijn
ondankbaarheid te laten, en daarom gaf ik met al de bedaardheid, die ik
meester kon blijven, – want, ik verklaar u, dat ik van drift beefde, –
de bijzondere redenen op, waarom ik wenschte, dat Zijne Koninklijke
Hoogheid mij een ander middel mocht voorschrijven, om mij van mijn
verplichting en gehechtheid te kwijten, daar mijn vooruitzichten in het
leven, datgene, wat op ieder anderen tijd slechts een beuzeling zou
zijn, thans tot een zwaar offer maakten; en nu ontvouwde ik hem mijn
geheele ontwerp.”
„En wat antwoordde de Prins?”
„Wat hij antwoordde? Nu – het is goed dat er geschreven staat: „vloek
den Koning niet, zelfs niet in uwe gedachten!”– nu dan, hij antwoordde,
dat het hem inderdaad verheugde, dat ik hem tot mijn vertrouwde gemaakt
had, om smartelijke teleurstelling te voorkomen; want hij kon mij op
zijn vorstenwoord verzekeren, dat freule Bradwardines hart niet vrij
was, en hij zich persoonlijk verbonden had hare liefde te begunstigen!
„Dus, mijn waarde Fergus!” zeide hij, met zijn allergenadigsten
glimlach, „daar er aan het huwelijk niet te denken valt, behoeft er,
zoo als ge ziet, over den graventitel geen beweging gemaakt te worden.”
En hiermede ging hij weg, en liet mij planté là!”
„En wat deedt gij?”
„Ik zal u zeggen, wat ik op dat oogenblik had kunnen doen – mij zelven
aan den duivel of aan den Keurvorst verkoopen, wie maar de felste wraak
beloofde. Maar nu ben ik weder bedaard. Ik weet, dat hij voornemens is
haar aan den een of ander zijner ellendige Fransche of Iersche
officiers uit te huwelijken; maar ik zal hen van nabij gadeslaan, en
laat de man, die mij uit den zadel wil lichten, oppassen! – Bisogna
coprirsi, signor.” [168]
Na nog eenige woorden, waaromtrent het onnoodig is in bijzonderheden te
treden, nam Waverley afscheid van het Opperhoofd, wiens woede nu plaats
had gemaakt voor een vurig verlangen naar wraak, en keerde naar huis
terug, ter nauwernood in staat om zich van de verschillende
gewaarwordingen rekenschap te geven, die dit verhaal in zijn hart had
opgeroepen.