Na het vertrouwen door Waverley aan den kolonel Talbot betoond, werd
deze vriendschappelijker in zijn gedrag jegens hem, en daar ze
noodwendig dikwijls bij elkander waren, groeide Eduards achting voor
het karakter van den kolonel gedurig aan. Er scheen eerst iets stroefs
in de wijze, waarop Talbot zijn misnoegen en berisping te kennen gaf,
ofschoon niemand, in het algemeen, vatbaarder was voor overtuiging dan
hij. Ook had de gewoonte om gezag uit te oefenen aan zijn manieren iets
gebiedends bijgezet, in weerwil van de fijne beschaving, die hij aan
zijn vertrouwelijken omgang met de hoogere kringen te danken had. Als
militair verschilde hij van allen, die Waverley tot nu toe had gezien.
De baron van Bradwardine was een pedant die de wapenen droeg; de majoor
Melville, vol kleingeestige bezorgdheid om de technische bijzonderheden
van den dienst, deed eer denken aan iemand, die een bataljon de
exercitiën moet doen uitvoeren, dan aan hem die een leger aanvoeren
moet. Wat Fergus betreft, zijn militaire geest was zoo overheerscht
door zijn plannen en staatkundige uitzichten, dat hij eer op een
onbeduidend souverein vorstje, dan op een krijgsman geleek. Maar
kolonel Talbot was in ieder opzicht de type van den Engelschen
krijgsman. Hij was met hart en ziel aan den dienst van zijn Koning en
vaderland gehecht, zonder eenigen hoogmoed te gevoelen, omdat hij,
zoowel als de Baron, de theorie van zijn kunst verstond, of, zoo als de
Majoor, de praktische bijzonderheden er van, of, even als het
Opperhoofd van Glennaquoich, zijn wetenschap aan eigene bijzondere
ontwerpen wist dienstbaar te maken. Daarenboven was hij een man van
uitgebreide kennis en gevormden smaak, hoewel, gelijk wij reeds
aangemerkt hebben, bezield met de vooroordeelen, die uitsluitend
Engelsch mogen heeten.
Trapsgewijs ontwikkelde kolonel Talbots karakter zich voor Eduard; want
het vruchteloos beleg des kasteels van Edinburgh door de Hooglanders,
duurde verscheidene weken, gedurende welke Waverley weinig anders te
verrichten had, dan zoodanige uitspanningen na te jagen, als het
gezellige leven oplevert. Hij zou gaarne zijn nieuwen vriend
overgehaald hebben, om met eenige zijner vroegere vertrouwden kennis te
maken. Maar de kolonel schudde, na een paar bezoeken, het hoofd, en
weigerde volstandig zich aan verdere proeven te wagen. Ja, hij ging
verder, en noemde den Baron den ondragelijksten en stijfsten pedant
dien hij ooit het ongeluk had gehad te ontmoeten, en het Opperhoofd van
Glennaquoich een verfranschten Schot, die al de slimheid en
innemendheid van het volk waarbij hij opgevoed was, benevens de
trotsche, wraakzuchtige en onrustige geaardheid van zijn eigen volk
bezat. „Zoo de duivel,” zeide hij, „opzettelijk een handlanger had
gezocht, om dit ongelukkig land in verwarring te brengen, geloof ik
niet dat hij een beteren had kunnen vinden, dan een knaap als deze, die
even onrustig en slim schijnt, als hij ondeugend is, en die blindelings
gevolgd en gehoorzaamd wordt door een hoop boeven, die gij goedvindt te
bewonderen.”
De dames van het gezelschap ontgingen zijn afkeuring evenmin. Hij gaf
toe dat Flora Mac-Ivor een schoone vrouw was, en Rose Bradwardine een
mooi meisje. Maar hij beweerde dat de eerste de werking harer
schoonheid vernietigde door een gemaakte navolging van den valschen
hoftoon, dien zij waarschijnlijk te St. Germains had leeren kennen. En
wat Rose Bradwardine betrof, het was onmogelijk, zeide hij, voor
eenigen sterveling, zulk een onwetend klein ding te bewonderen, wier
beetje opvoeding even weinig berekend was voor hare kunne of jaren, als
een van haars vaders oude uniformen geschikt zou zijn om haar
persoontje op te tooien. Intusschen was dit alles niets dan
zwartgalligheid en vooroordeel bij den goeden Kolonel, voor wien de
witte kokarde op de borst, de witte roos in het haar, en het Mac vóor
den naam, een engel in een duivel zou veranderd hebben. En inderdaad
stemde hij, zelf schertsende toe, dat hij Venus niet schoon zou vinden,
als zij in een of ander gezelschap aangediend werd, onder den naam van
freule Mac-Jupiter.
Waverley, zooals men zal gelooven, beschouwde deze jonge dames met
geheel andere oogen. Gedurende den tijd van het beleg bezocht hij haar
bijna dagelijks, ofschoon hij met leedwezen opmerkte, dat hij even
geringe vorderingen maakte in het veroveren der genegenheid van Flora,
als de Prins in het ten onder brengen van de vesting. Zij bleef
gestreng bij het eens genomen besluit volharden, om hem met
onverschilligheid te behandelen, zonder eenige schijnbare poging,
hetzij om hem te ontwijken, hetzij zelfs om een gesprek met hem te
vermijden. Ieder woord, iedere blik werd streng geregeld naar haar
eenmaal aangenomen stelsel, en Waverleys neerslachtigheid, noch Fergus’
verstoordheid, welke deze bezwaarlijk kon ontveinzen, kon Flora’s
oplettendheid voor Eduard een schrede verder brengen, dan die welke
door de meest gewone beleefdheid gevorderd werd. Aan den anderen kant
begon Rose meer en meer een plaats in zijn hart in te nemen. Hij had
meermalen gelegenheid om op te merken, dat, naar mate hare
beschroomdheid verminderde, hare houding aan adel won; dat de kritieke
omstandigheden van het tegenwoordige onrustige tijdstip een zekere
waardigheid in gevoel en uitdrukking bij haar in het leven schenen te
roepen, die hij vroeger niet bespeurd had; en dat zij geene
gelegenheid, welke binnen haar bereik lag, verzuimde, om hare kennis
uit te breiden en haar smaak te verfijnen.
Flora Mac-Ivor noemde Rose haar leerling, en zorgde trouw om haar in
hare studiën bij te staan, en zoowel haar smaak als haar verstand te
beschaven. Het zou het oog van een scherpen opmerker niet ontgaan zijn,
dat zij, in Waverleys bijzijn, er veel meer op uit was, de begaafdheden
van hare vriendin te doen schitteren, dan hare eigene. Maar ik moet den
lezer verzoeken niet te vergeten, dat dit vriendschappelijk en
belangeloos doel met de meest omzichtige kieschheid werd omsluierd,
zoodat hare handelwijze zoo weinig geleek naar het gewone gedrag eener
schoone vrouw, die zich het voorkomen geeft om eene andere voort te
helpen, als de vriendschap van David en Jonathan naar de gemeenzaamheid
van twee heertjes, die langs Bond Street slenteren. Met één woord, de
uitwerking werd bespeurd, maar de oorzaak liet zich nauwelijks
ontwaren. Beide dames waren, als twee uitnemende tooneelspeelsters,
volmaakt in hare rol, en speelden die op een wijze, welke de
toeschouwers in verrukking bracht; en, daar dit het geval was, zoo was
het bijna onmogelijk te ontdekken, dat de oudste telkens aan hare
vriendin alles afstond wat voor hare talenten het meest berekend was.
Maar voor Waverley bezat Rose Bradwardine eene aantrekkelijkheid,
waaraan weinige mannen in staat zijn weerstand te bieden, namelijk, het
blijkbare belang, dat zij in alles stelde, wat hem betrof. Zij was te
jong en te onervaren, om de volle kracht te berekenen der bestendige
oplettendheid, welke zij hem betoonde; haar vader was te zeer
afgetrokken door geleerde en militaire gesprekken, om de neiging zijner
dochter op te merken, en Flora Mac-Ivor zocht haar niet door
waarschuwing te verontrusten: omdat zij in dit gedrag van hare vriendin
de waarschijnlijkste kans zag opgesloten, om haar ten laatste Waverleys
wederkeerige genegenheid te bezorgen. De waarheid is, dat Rose, in het
eerste gesprek na hare ontmoeting, den toestand van haar hart aan die
scherpe en schrandere opmerkster had ontdekt, zonder het zich zelve
bewust te zijn. En van dat oogenblik af had Flora niet alleen vast
besloten, om Waverleys aanzoeken af te wijzen, maar stelde zij er
tevens het hoogste belang in, om ze op hare vriendin te zien
overgebracht. Ook verflauwde zij niet in dit verlangen, ofschoon haar
broeder, van tijd tot tijd, half schertsende, half in ernst, er van
gesproken had aan Freule Bradwardine zijn hof te zullen maken. Zij wist
dat Fergus het echte stelsel der grooten ten aanzien van het huwelijk
volgde, en zijn hand aan geen engel zou schenken, tenzij met het
oogmerk om machtige vrienden te winnen en zijn gezag en grootheid uit
te breiden. De gril van den baron, om zijn nalatenschap op den verren
mannelijken bloedverwant te doen overgaan, in plaats van op zijn eigene
dochter, scheen dus voor hem een onoverkomelijke zwarigheid te zijn, om
ooit ernstig aan Rose Bradwardine te denken. Inderdaad was Fergus’
hoofd een rustelooze werkplaats van plannen en intrigues van allerlei
aard, waarbij hij, even als menig werktuigkundige, bij wien het vernuft
meer ontwikkeld is dan de volharding, dikwijls onverwacht, en zonder
eenig blijkbaar oogmerk, het eene ontwerp liet varen, en zich ernstig
met een ander begon bezig te houden, dat óf versch uit de smidse zijner
verbeelding kwam, óf bij een vroegere gelegenheid half voltooid was,
ter zijde geworpen; en het was daarom moeielijk te gissen, welken weg
hij ten laatste, bij een of andere voorkomende gelegenheid, zou
inslaan.
Ofschoon Flora oprecht gehecht was aan een broeder, wiens werkzaamheid
en geestkracht zij inderdaad al hare bewondering zou geschonken hebben,
al had er ook geen zoo nauwe band tusschen hen bestaan, was zij echter
in geenen deele blind voor zijn gebreken, die zij als gevaarlijk
beschouwde voor de uitzichten van elke vrouw, welke hare denkbeelden
van een gelukkig huwelijk met hem, mocht bouwen op het vreedzaam genot
der huiselijke gezelligheid, en het betoon van wederkeerige en
toenemende liefde. Waverleys wezenlijke geaardheid daarentegen scheen
haar, in weerwil zijner droomen van slagvelden en krijgsmansroem,
geheel en al huiselijk toe. Hij verlangde noch verkreeg eenig deel aan
de woelige tooneelen, die aanhoudend rondom hem plaats hadden, en
verveelde zich eer dan dat hij eenig gewicht hechtte aan het bepleiten
der wederzijdsche vorderingen, rechten en belangen, dat dikwijls in
zijne tegenwoordigheid plaats greep. Dit alles wees hem aan, als den
geschikten persoon, om een meisje als Rose gelukkig te maken.
Over dezen trek in Waverleys karakter sprak zij op zekeren dag, dat ze
naast Freule Bradwardine gezeten was. „Hij bezit te veel geest en
smaak,” hernam Rose, „dan dat hij belang zou stellen in zulke
beuzelachtige kibbelarijen. Wat raakt het hem, bij voorbeeld, of het
Opperhoofd van den clan der Macindallaghers, die slechts vijftig man
heeft aangebracht, Kolonel of Kapitein wordt? En hoe kan men
veronderstellen, dat mijnheer Waverley eenig deel zal nemen in den
hevigen twist tusschen uw broeder en den jongen Corinaschian, of de
post van eer den oudsten of den jongsten zoon van een clan toekomt.”
„Mijn lieve Rose,” antwoordde Flora, „zoo hij de held was, waarvoor gij
hem houdt, zou hij zich met deze zaken bemoeien, niet omdat zij op
zichzelve zoo belangrijk zijn, maar om als middelaar tusschen beiden te
treden bij de vurige geesten, die ze nu eenmaal tot het onderwerp van
hun twist maken. Gij zaagt, toen Corinaschian in zulk een geweldige
drift losbarste, en de hand aan zijn sabel sloeg, hoe Waverley het
hoofd oprichtte, alsof hij uit een droom ontwaakte, en met groote
bedaardheid vroeg, wat er gaande was?”
„Zeker, maar diende het algemeene gelach, dat zijn verstrooidheid
verwekte, niet beter om den twist te stuiten, dan het beste dat hij hun
had kunnen zeggen?”
„Dat zal ik niet tegenspreken; maar beken toch Rose lief, dat het voor
Waverley veel eervoller geweest zou zijn als hij hem door klem van
reden tot inzigt had gebracht.”
„Zoudt ge hem tot vredemaker-generaal onder al deze, als buskruid
opvliegende, Hooglanders willen aanstellen? Vergeef mij, Flora, ge weet
dat ik uw broeder niet bedoel; hij bezit meer gezond verstand dan zij
met hen allen. Maar zoudt ge meenen, dat de trotsche, heethoofdige,
woelige wezens, van wier twisten wij zoo veel zien en nog veel meer
hooren, en die mij iederen dag angst aanjagen, eenigszins te
vergelijken zijn met Waverley?”
„Ik vergelijk hem in geenen deele met deze onopgevoede lieden, lieve
Rose. Ik bejammer het slechts, dat hij, met zijn talenten en zijn
genie, niet die plaats in het maatschappelijke leven inneemt, waarop ze
hem zoo bij uitstek het recht geven, en dat hij niet met de volle
kracht daarvan de edele zaak ondersteunt, waarvoor hij zich heeft
verklaard. Zijn Lochiel, en P**, en M**, en G**, geen mannen van de
fijnste beschaving? Kan men ontkennen dat ze bekwaamheid bezitten? –
Waarom kan hij niet besluiten, hun bedrijvig en nuttig leven na te
volgen? – Ik verbeeld mij tusschenbeide, dat zijn ijver verlamd is door
dien hooghartigen, kouden Engelschman, met wien hij thans zoo druk
omgaat.” –
„Kolonel Talbot? – dat is ontegenzeggelijk een zeer onaangenaam
persoon. Hij ziet er uit alsof hij geen Schotsche vrouw waardig achtte,
om een kopje thee aan te bieden. Maar Waverley is zoo beminnelijk, zoo
welopgevoed, zoo –”
„Ja,” zeide Flora met een glimlach, „hij kan de maan bewonderen, en een
stanza uit Tasso aanhalen.”
„Maar – ge weet ook hoe hij gevochten heeft.”
„O, wat alleen het vechten aangaat,” antwoordde Flora, „ik geloof dat
alle mannen (dat wil zeggen, zij die dezen naam verdienen) tamelijk
veel op elkander gelijken: er wordt in het algemeen meer moed toe
vereischt om weg te loopen. Ze hebben bovendien, wanneer men hen met
elkander vergelijkt, een zeker vechters-instinct, gelijk wij ook in
andere mannelijke dieren zien, zoo als honden, stieren en dergelijke.
Maar stoute en gevaarlijke ondernemingen zijn Waverleys sterke zijde
niet. Hij zou nooit zijn beroemde voorzaat, sir Nigel, geweest zijn,
maar eenvoudig sir Nigels lofredenaar en zanger. Zal ik u eens zeggen,
waar hij te huis en op zijn plaats zou zijn, mijn lieve? – in den
rustigen kring van het huiselijk geluk, te midden der geletterde
ledigheid, en der beschaafde genietingen van Waverley-Honour. Daar zal
hij de oude bibliotheek in den keurigsten Oud-Gothischen smaak
herstellen, hare kasten met de kostbaarste en zeldzaamste boeken
bezetten; – hij zal plannen en landschappen teekenen, verzen maken,
tempels doen verrijzen, grotten graven, en in een schoonen zomernacht
onder de kolonnade voor het slot staan, en naar de herten turen, die
daar in den maneschijn ronddolen, of in de schaduw der takken van de
zware, oude, schilderachtige eikenboomen ter neder liggen; – voorts zal
hij de schoone vrouw, die aan zijn arm hangt, gedichtjes voorlezen, –
en een gelukkig echtgenoot zijn.”
„En zijn echtgenoote een gelukkige vrouw,” dacht de arme Rose. Maar ze
zuchtte slechts, en gaf aan het gesprek een andere wending.