H. H.

Naschrif. Zeg aan menheir, dat we dol zijn om wat van hem te hoore, en

niet vatte waarom ie zelf niet schrijft.”

„Deze Ruffin is dan denkelijk,” zeide kolonel Talbot, „uw Donald uit

het hol, die uwe brieven onderschept, en een briefwisseling aangeknoopt

heeft met dien armen duivel Houghton, terwijl hij voorgaf in uw naam te

handelen.”

„Het schijnt maar al te zeker. Maar wie kan Addam zijn?”

„Mogelijk Adam, de ongelukkige Gardiner!”

De overige brieven hadden een gelijke strekking; en thans werden zij

nog volkomener ingelicht omtrent Donald Beans streken.

John Hodges, een van Waverleys bedienden, die bij het regiment

gebleven, en te Preston gevangen genomen was, verscheen op dit

oogenblik. Hij had zijn meester uitgevorscht, met oogmerk om weêr in

zijn dienst te treden. Van dezen knaap vernamen ze, dat, eenigen tijd

na Waverleys vertrek uit het hoofdkwartier, er een zekere marskramer,

Ruthven, Ruffin of Rivane geheeten, bij de soldaten bekend onder den

naam van „de Leepert”, dikwijls in het stadje Dundee gekomen was. Hij

scheen overvloed van geld te bezitten, betaalde wat hij gebruikte heel

ruim, scheen altijd gereed om zijn vrienden in de kroeg te onthalen, en

won gemakkelijk de vriendschap van een aantal manschappen van Waverleys

escadron, bijzonder die van den wachtmeester Houghton en zekeren Tims,

die mede onder-officier was. Dezen stelde hij een plan voor, uit naam

van Waverley, om het regiment te verlaten en zich bij hem in de

Hooglanden te voegen, waar, volgens het gerucht, de clans reeds in

grooten getale de wapens hadden opgevat. De manschappen, die voor zoo

verre ze een eigene meening hadden, als Jacobieten waren opgevoed, en

inzonderheid wisten dat hun heer, sir Everhard, altijd geacht werd die

gevoelens aan te kleven, vielen gemakkelijk in den strik. Dat Waverley

ver weg, in de Hooglanden, was, werd als een genoegzame verschooning

aangenomen, om zijn brieven door middel van den marskramer over te

maken; en het zien van zijn welbekend cachet scheen de in zijn naam

gevoerde onderhandelingen te eerder te wettigen, daar het schrijven

gevaarlijk kon zijn. Doch men begon lucht van het kabaal te krijgen

door de oproerige taal der daarin betrokkenen. De marskramer

rechtvaardigde dit vermoeden; want men zag hem niet meer. Toen de

courant verscheen, die het bericht behelsde, dat Waverley uit den

dienst ontslagen was, brak onder een groot gedeelte van zijn escadron

dadelijk een opstand uit, doch de oproermakers werden omsingeld en

ontwapend door het overige van het regiment. Houghton en Tims werden

door een krijgsraad veroordeeld om doodgeschoten te worden, maar kregen

daarna verlof om hun leven te loten. Houghton, die in het leven bleef,

toonde veel berouw, daar hij door de vermaningen en verklaringen van

kolonel Gardiner overtuigd was geworden, dat hij zich met een zeer

schandelijke zaak had ingelaten. Het is opmerkelijk, dat, zoodra de

arme kerel hiervan overtuigd was, hij ook oogenblikkelijk voor zich de

verzekering had, dat zijn opruier buiten voorkennis van Eduard had

gehandeld, zeggende: „Zoo het schandelijk en tegen Oud-Engeland was,

kon de jonker er niets van weten: nooit deed hij iets, noch dacht aan

iets, dat schandelijk was, zoo min als sir Everhard, of iemand hunner

vóor hem, en hij zou er den dood op willen ingaan, dat Ruffin alles op

zijn eigen hand had gedaan.”

De kracht der overtuiging, waarmede hij zich op dit punt uitte, zoo wel

als zijn verzekeringen, dat de voor Waverley bestemde brieven, aan

Ruthven waren overgegeven, brachten die verandering in kolonel

Gardiners gevoelen te weeg, waarvan hij Talbot gesproken had.

De lezer heeft al lang begrepen, dat Donald Bean Lean bij deze

gelegenheid de rol van verleider speelde. Zijn drijfveêren waren in éen

woord deze. Van woeligen en listigen aard, was hij langen tijd als een

ondergeschikt werktuig en verspieder gebruikt door de vertrouwden van

den Prins, en dat wel dikwijls veel meer dan Fergus Mac-Ivor zelf dacht

onder wiens bescherming hij stond, maar dien hij vreesde en lang niet

beminde. Als een gevolg van zijn welslagen in deze staatkundige

loopbaan, was hij er natuurlijk op bedacht, om gelijk hij hoopte, door

een of anderen stouten trek, zich te verheffen boven zijn tegenwoordig

gevaarlijk en onzeker bestaan als roover. Hij werd inzonderheid

gebezigd, om de sterkte der regimenten in Schotland, het karakter der

officieren enz., te leeren kennen, en had al lang het oog op Waverleys

escadron, als vatbaar voor verleiding, laten vallen, Donald geloofde,

wat meer is, dat Waverley zelf in den grond de Stuarts aankleefde,

hetgeen bevestigd scheen door zijn lang bezoek bij den Jacobietischen

baron van Bradwardine. Toen Waverley dus, met een van Glennaquoichs

gevolg, in zijn hol kwam, vatte de roover, die zich geen denkbeeld kon

maken van de wezenlijke beweegreden, welke niets dan nieuwsgierigheid

was, de blijde hoop op, dat zijn talenten, onder leiding van dezen

invloedrijken jongen Engelschman, tot een of anderen belangrijken

aanslag zouden gebezigd worden. Ook kwam hij hiervan niet terug,

ofschoon Waverley hoegenaamd geen acht sloeg op zijn wenken en de

aanleidingen die hem verschaft werden om tot een verklaring te komen.

Zijn gedrag werd aan voorzichtige achterhoudendheid toegeschreven,

ofschoon het Donald eenigszins hinderde, die, daar hij begreep dat hij

buiten een geheim gehouden werd, waar vertrouwen voordeelig kon zijn,

zich voornam zijn rol in het stuk te hebben, hetzij men hem die al of

niet opdroeg. Met dit oogmerk maakte hij zich, gedurende Eduards slaap,

meester van diens cachet, ten einde het eenmaal te gebruiken bij de

manschappen van Waverleys escadron, die het vertrouwen des kapiteins

bezaten. Zijn eerste reis naar Dundee, de stad waar het regiment in

bezetting lag, deed zijn oorspronkelijke vooronderstelling in duigen

vallen, maar opende hem een nieuw veld ter bearbeiding. Hij wist dat

hij aan de aanhangers der Stuarts geen beteren dienst kon bewijzen, dan

om een gedeelte van het leger voor de zaak van den Prins te winnen, wat

hem zeker een ruime belooning zou verzekeren. Tot dat einde ondernam

hij de kuiperijen waarmede de lezer reeds bekend is, en welke hem den

draad in handen geven tot al het ingewikkelde en duistere in de

gebeurtenissen vóor Waverleys vertrek van Glennaquoich.

Volgens den raad van kolonel Talbot, weigerde Waverley den jongen in

dienst te nemen, wiens verklaring een nieuw licht over deze zaken

verspreid had. Talbot beduidde hem, dat hij den jonkman een slechte

dienst zou bewijzen, met hem in een wanhopige onderneming te betrekken,

en dat, wat er ook gebeurde, zijn getuigenis in zekere mate strekken

kon, om ten minste de omstandigheden op te helderen, die Waverley er

toe gebracht hadden zelf deel er aan te nemen. Waverley schreef dus een

kort verhaal van het gebeurde aan zijn oom en vader, evenwel niet

zonder hen te waarschuwen, in den tegenwoordigen stand van zaken, niet

te pogen zijn brief te beantwoorden. Vervolgens overhandigde Talbot den

man een brief voor den bevelhebber van een der Engelsche schepen, die

in de Frith kruisten, terwijl hij hem verzocht den brenger te Berwick

aan land te zetten, met een pas voor het graafschap **. Nu werd hij van

geld voorzien, om zijn reis zoo spoedig mogelijk af te leggen, en

tevens werd hem bevolen zorg te dragen dat hij aan boord van het

bedoelde schip kwam, door een visscherschuit af te huren, hetgeen hij,

gelijk ze later vernamen, gemakkelijk bewerkstelligde.

De tegenwoordigheid van Callum Beg moede, een dienaar die, naar hij

meende, eenigen lust had, om als verspieder zijn bewegingen gade te

slaan, huurde Waverley als knecht een eenvoudigen Edinburgschen knaap,

die de witte kokarde had opgezet in een aanval van ontevredenheid en

jaloezij, omdat Jenny Job een geheelen nacht had gedanst met korporaal

Bullock, van de fuseliers.

Waverley(#75933) · 第 112 / 156 题