NIET HEEL BELANGRIJK.

„Ik ben,” zeide Fergus tot Eduard, terwijl ze naar Pinkie-house reden,

„ten gevolge eener boodschap van den Prins teruggekeerd. Maar ge weet,

naar ik veronderstel, van hoeveel belang deze krijgsgevangene, de edele

kolonel, is. Hij wordt voor een van de beste officiers der roodrokken

gehouden, een bijzonder vriend en gunsteling van den Keurvorst zelven

en van dien verschrikkelijken held, den hertog van Cumberland, die van

zijn zegepralen te Fontenoi is opgeroepen, om over te komen en ons arme

Hooglanders met huid en haar te verslinden. Heeft hij u verteld, wat de

klokken van St. James onder het luiden verkondigen? Toch niet „keer

weêr, Whittington,” gelijk in de dagen van ouds?” [161]

„Fergus?” riep Waverley met een verwijtenden blik.

„Waarachtig, ik weet niet wat ik van u denken moet. Gij wordt door

elken wind geslingerd. Daar hebben wij een overwinning bevochten, die

haars gelijke in de geschiedenis niet heeft – en uw moed wordt door

iedereen tot in de wolken geprezen; – de Prins snakt er naar om u

persoonlijk zijn dank te betuigen – en al onze schoonen van de Witte

Roos [162] zullen haar best doen om u te veroveren, en gij, de preux

chevalier van den dag, hangt op den nek van uw paard, als een boerin

die naar de markt rijdt, en kijkt zoo donker alsof gij een lijkstatie

volgdet!”

„Ik ben bedroefd over den dood van den armen kolonel Gardiner: hij

heeft mij vroeger met zoo veel vriendschap behandeld.”

„Nu, wees dan bedroefd voor vijf minuten, daarna weder vroolijk. Het

lot dat hem heden getroffen heet, kan morgen het onze zijn, en wat

heeft het te beteekenen? Wat is naast de overwinning beter dan een

roemvolle dood, maar het is een pis-aller, en men gunt hem den vijand

liever dan zichzelven.”

„De kolonel Talbot heeft mij bericht, dat mijn vader en oom beiden door

het bewind worden gevangen gehouden, om mijnentwil.”

„Wij zullen borg stellen, mijn jongen; de oude Andreas Ferrara [163]

zal ze lossen, en ik zou hem de zaak graag in Westminster-Hall zien

uitmaken!”

„Neen, ze zijn reeds in vrijheid, op borgtocht van meer wettigen aard.”

„Waarom laat uw groote geest zich dan ter nederslaan, Eduard? Denkt gij

dat de ministers van den keurvorst zulke duifjes zijn, dat zij hunne

vijanden in dit netelig oogenblik in vrijheid zouden stellen, zoo zij

hen konden of durfden gevangen houden en straffen? Wees verzekerd, dat

zij óf geene gronden van beschuldiging tegen uwe bloedverwanten hebben,

volgens welke zij hunne opsluiting kunnen doen voortduren, óf anders

zijn ze bang voor onze vrienden, de dappere cavaliers van Oud Engeland.

In elk geval behoeft gij niet bevreesd voor hen te zijn, en wij zullen

wel middel vinden om hun bericht van uwe veiligheid te doen geworden.”

Eduard werd door deze redenen tot zwijgen gebracht, maar niet

overtuigd. Het had reeds meer dan eens een pijnlijke gewaarwording bij

hem opgewekt, dat Fergus weinig deelneming in de gevoelens verried,

zelfs van hen, die hij het meest beminde, zoo deze niet in

overeenstemming waren met zijn eigene gemoedsgesteldheid op het

oogenblik, en vooral zoo ze hem hinderlijk waren in het ernstige

najagen van een geliefkoosd oogmerk. Fergus bespeurde inderdaad soms,

dat hij Waverley gekrenkt had; maar daar hij altijd het een of ander

lievelingsplan voor zichzelf op het oog had, sloeg hij nooit ernstig

acht op de mate en den duur van dit ongenoegen, zoodat de herhaling van

deze kleine ergernissen de buitengemeene gehechtheid van den

vrijwilliger aan zijn officier een weinigje deed verkoelen.

De Prins ontving Waverley met de meeste genegenheid, en roemde sterk

zijn uitstekende dapperheid. Vervolgens trok hij hem ter zijde, deed

hem een aantal vragen betreffende kolonel Talbot, en toen hij alle

berichten ontvangen had, die Eduard omtrent hem en zijn betrekkingen in

staat was te geven, vervolgde hij: – „Ik kan niet nalaten te denken,

mijnheer Waverley, dat, daar deze heer zoo bijzonder vertrouwd is met

onzen waardigen en uitnemenden vriend, Sir Everhard Waverley, en daar

zijn echtgenoote behoort tot het Huis van Blandeville, welks

gehechtheid aan de ware en echt koningsgezinde beginsels der Kerk van

Engeland zoo algemeen bekend is, de bijzondere gevoelens van den

kolonel ons niet ongunstig kunnen zijn, welk masker hij ook moge hebben

aangenomen, om zich naar de tijden te schikken.”

„Te oordeelen naar de taal, die hij heden tegen mij voerde, ben ik

genoodzaakt geheel en al in meening van Uwe Koninklijke Hoogheid te

verschillen.”

„Wel, het is ten minste de moeite waard een proef te nemen. Ik belast u

derhalve met de zorg voor kolonel Talbot, met volmacht om te zijnen

aanzien te handelen, zoo als ge het raadzaamst zult oordeelen, en ik

vertrouw, dat ge wel middelen zult vinden om u te vergewissen, welke

zijn wezenlijke gezindheid is, met betrekking tot de herstelling van

onzen Koninklijken Vader op den troon.”

„Ik ben overtuigd,” hernam Waverley, met een buiging, „dat zoo kolonel

Talbot zijn woord verkiest te geven, men met zekerheid er op bouwen

kan; maar indien hij het weigert, zoo vertrouw ik, dat Uwe Koninklijke

Hoogheid aan iemand anders, dan aan den neef van zijn vriend, de taak

zal willen opdragen om hem onder het noodige opzicht te houden.”

„Ik zal hem aan niemand toevertrouwen dan aan u,” zei de Prins met een

glimlach, terwijl hij evenwel zijn bevel op stelligen toon herhaalde;

„het is van belang voor mijn dienst, dat er een goede verstandhouding

tusschen u schijne te bestaan, al kunt gij ook zijn vertrouwen in

goeden ernst niet winnen. Gij zult hem derhalve in uw kwartier

ontvangen, en weigert hij u zijn woord van eer te geven, dan moet ge om

een behoorlijke wacht vragen. Ik verzoek u dit oogenblikkelijk te

bewerkstelligen. Wij keeren morgen naar Edinburgh terug.”

Aldus naar Preston terug gezonden, ging het plechtig huldebetoon van

den baron van Bradwardine voor Waverley verloren. Maar hij was op dit

oogenblik zoo weinig met gedachten aan ijdelheden vervuld, dat hij de

plechtigheid, waarvoor Fergus zoo veel moeite gedaan had hem belang in

te boezemen, geheel vergat. Den volgenden dag verscheen er een

oficiëele courant, met een uitgebreid verslag van den slag van

Gladsmuir [164], zoo als de Hooglanders hunne overwinning verkozen te

noemen. Het eindigde met een beschrijving van het, dien avond op

Pinkie-house gegeven hoffeest, en bevatte onder andere gezwollen

beschrijvingen, het volgende:

„Sedert dat noodlottige tractaat, hetwelk Schotland als een

onafhankelijke natie, vernietigde, hebben wij het geluk niet gehad zijn

vorsten te zien ontvangen, en zijn edelen die bewijzen van leendienst

en hulde te zien brengen, welke, op de luisterrijke bedrijven der

Schotsche dapperheid gegrond, hunne vroegere geschiedenis in het

geheugen terugroepen, benevens de manhaftige en ridderlijke

eenvoudigheid der banden, die aan de Kroon de hulde verzekerden der

krijgslieden, door wie zij bestendig geschoord en verdedigd werd. Maar

op den 20sten werden onze herinneringen verlevendigd door een dier

plechtigheden, welke tot de oude dagen van Schotlands glorie behoorden.

Nadat de kring gevormd was, naderde Cosmo Comyne Bradwardine, op het

oogenblik kolonel in dienst enz. enz. enz, den Prins, bijgestaan door

den heer D. Mackwheeble, den rentmeester van zijn aloude baronie van

Bradwardine, (die, gelijk wij vernemen, onlangs tot een van de

krijgs-commissarissen is benoemd,) bij vorm van publieke acte, en met

de meeste bescheidenheid, verlof vragende, om aan den persoon van Zijne

Koninklijke Hoogheid, als vertegenwoordigende den Vader van den Prins,

den gebruikelijken en gewonen dienst te mogen bewijzen, waarvoor,

volgens een charter van Robert Bruce, (waarvan het oorspronkelijke in

der tijd vertoond werd aan en gewaarmerkt door Zijne Koninklijke

Hoogheids kanselarij) de eischer de baronie van Bradwardine en landen

van Tully-Veolan in leen hield. Nadat zijn eisch was toegestaan en

geregistreerd, plaatste Zijne Koninklijke Hoogheid den voet op een

kussen, en de baron van Bradwardine, op zijn rechter knie gevallen,

ging over om den brogue of Schotschen schoen los te maken, welken onze

jonge held, ten believe zijner brave volgelingen, heeft aangenomen.

Toen dat gedaan was, verklaarde Zijne Koninklijke Hoogheid de

plechtigheid voor volbracht, en, den ridderlijken krijgshaftigen

grijsaard omhelzende, betuigde hij, dat niets dan gehoorzaamheid aan

een ordonnantie van Robert Bruce hem zou bewogen hebben, zelfs de

zinnebeeldige volbrenging van kleine diensten aan te nemen van handen,

die zoo dapper gestreden hadden om de kroon op zijns vaders hoofd te

zetten. De baron van Bradwardine stelde thans de akten in handen van

den heer commissaris Mackwheeble, inhoudende, dat alle punten en

omstandigheden der huldiging waren rite et solemniter acta et peracta,

en er werd een gelijkluidend bewijs gebracht ten protocolle van den

Grootkamerheer en in de aanteekeningen van de kanselarij. Wij vernemen,

dat Zijne Koninklijke Hoogheid in overweging heeft genomen, om, zoo het

Zijner Majesteits welbehagen is, den kolonel Bradwardine te verheffen

tot het pairschap, onder den titel van burggraaf Bradwardine van

Bradwardine en Tully-Veolan, en dat het, middelerwijl, Zijner

Koninklijke Hoogheid, op zijns vaders naam en gezag, heeft behaagd hem

een eervol toevoegsel op zijn voorvaderlijk wapenschild te verleenen,

bestaande in een laarzentrekker, kruiselings geplaatst met een

ontblooten sabel, aangebracht rechts in het schild, met een

toepasselijke spreuk er onder op een perkamenten rol, namelijk de

woorden:

„Trek en trek uit.”

„Ware het niet door Fergus’ spotternij,” dacht Waverley bij zichzelven,

toen hij het lange en deftige stuk had uitgelezen, „hoe deftig zou dit

alles luiden, en hoe weinig zou ik er aan gedacht hebben, om het met

eenig belachelijk denkbeeld te verbinden! Och! alles wél beschouwd,

heeft iedere zaak hare gunstige en hare gebrekkige zijde, en ik zie

niet in, waarom de laarzentrekker van den baron niet even fraai in de

wapenboeken zou prijken, als de wateremmers, de wagens, de karrewielen,

de ploegscharen, schietspoelen en andere gewone zaken, die aan niets

minder doen denken dan aan ridderschap, en op de wapenschilden van

onzen oudsten adel voorkomen.” Maar dit is slechts een episode; laat

ons tot de eigenlijke geschiedenis terug keeren.

Toen Waverley te Preston terug kwam, en zich weder bij kolonel Talbot

vervoegde, vond hij hem hersteld van de sterke en in het oog loopende

aandoeningen, die een samenloop van onaangename omstandigheden bij hem

opgewekt had. Hij had zijn natuurlijke houding hernomen, – die van den

fatsoenlijken Engelschman en soldaat, manhaftig, open en edelmoedig,

maar niet zonder vooroordeel tegen de inwoners van een ander land, of

tegen diegenen welke in staatkundige gevoelens van hem verschilden.

Toen Waverley den Kolonel berichtte dat de Prins hem aan zijn zorg had

aanbevolen, zeide hij: „Ik had niet gedacht zoo veel verplichting aan

dezen jongen heer te zullen hebben, als in deze bepaling gelegen is. Ik

kan ten minste hartelijk bidden met dien eerlijken Presbyteriaanschen

prediker, dat, daar hij onder ons gekomen is, om een aardsche kroon te

zoeken, zijn moeite spoedig beloond moge worden met een hemelsche.

[165] Ik zal gaarne mijn woord geven, om geene ontsnapping te beproeven

zonder uw medeweten; daar ik inderdaad met geen ander doel in Schotland

ben gekomen, dan om u te ontmoeten; en ik verheug mij, dat het mij – al

is het ook op deze wijze – gelukt is. Maar ik denk, dat wij niet lang

bij elkander zullen zijn. Uw „Ridder,” (dat is een naam, dien wij beide

hem geven mogen) zal met zijn plaids en blauwkappen, naar ik vermoed,

zijn kruistocht naar het zuiden voortzetten.”

„Naar ik gehoord heb, niet; ik geloof dat het leger eenigen rusttijd in

Edinburgh zal houden, om versterking af te wachten.”

„En om het kasteel te belegeren?” zeide Talbot, met een spottenden

glimlach: „nu, zoo mijn oude overste, generaal Preston, geen verrader

wordt, en het kasteel in het Noordermeer niet verzinkt, gebeurtenissen

die ik al even waarschijnlijk acht, dan zullen wij wel eenigen tijd

hebben, om kennis te maken. Ik verbeeld me, dat deze beleefde Ridder

zich in het hoofd heeft gezet, dat ge mij bekeeren zult, en, daar ik

wensch zelf u te bekeeren, kon er geen schooner voorstel gedaan worden

dan om ons volop gelegenheid te geven met elkaar te praten. Maar, daar

ik van daag gesproken heb onder den invloed van gewaarwordingen,

waaraan ik zelden toegeef, zoo hoop ik dat ge mij zult verschoonen van

andermaal geschillen te behandelen, voor en aleer wij een weinig beter

met elkander bekend zijn.”

Waverley(#75933) · 第 109 / 156 题