DE ENGELSCHE GEVANGENE.

Waverleys eerste zorg na het vertrek van het Opperhoofd, bestond

daarin, dat hij zich naar den officier begaf wien hij het leven gered

had. Hij werd, te gelijk met zijn makkers in het ongeluk, die zeer

talrijk waren, in een heerenhuis niet verre van het slagveld bewaakt.

Toen hij het vertrek binnentrad, waar ze dicht op elkander gedrongen

stonden, herkende Waverley gemakkelijk den man wien zijn bezoek gold,

niet slechts aan de bijzondere waardigheid van zijn voorkomen, maar

tevens aan zijn bewaker, Dugald Mahony, met zijn strijdbijl, die hem

van het oogenblik zijner gevangenneming had aangekleefd, alsof hij aan

zijn zijde gespijkerd was. Deze nauwgezetheid had wellicht het doel

om zich van Eduards toegezegde belooning te verzekeren; maar zij

strekte insgelijks om te voorkomen dat de Engelschman, in de algemeene

verwarring, werd uitgeschud; want Dugald had zorgvuldig berekend, dat

zijn loon zou worden geregeld naar den toestand van den gevangene, op

het oogenblik dat hij dezen aan Waverley in handen stelde. Hij haastte

zich dus om Eduard te verzekeren, dat hij den „Sidier Roy” in

veiligheid gebracht had, en dat hem geen enkel haar op het hoofd

gekrenkt was sedert het oogenblik waarop Mijnheer hem verboden had den

gevangene een klein houwtje met den strijdbijl te geven.

Waverley beloofde Dugald op nieuw een rijke belooning, en terwijl hij

den Engelschen officier naderde, betuigde hij zijn verlangen, om alles

voor hem te doen, wat in de tegenwoordige onaangename omstandigheden

tot zijn voordeel kon strekken.

„Ik ben zulk een onervaren soldaat niet, Mijnheer,” antwoordde de

Engelschman, „dat ik mij zou willen beklagen over het lot van den

oorlog. Het grieft mij slechts die tooneelen op ons eigen eiland te

zien, welke ik elders met onverschilligheid heb aanschouwd.”

„Nog éen dag als deze,” zei Waverley, „en ik vertrouw, dat de oorzaak

van uw leed weggenomen zal zijn, en alles tot orde en rust terug

keeren.”

De officier glimlachte en schudde het hoofd.

„In den toestand waarin ik mij bevind, zou het mij weinig voegen, uw

gevoelen te willen bestrijden; maar, in weerwil van den goeden uitslag

en de dapperheid waardoor gij dien verkreegt, hebt ge een taak

ondernomen, die mij geheel en al boven uwe krachten schijnt.”

Op dit oogenblik trad Fergus binnen, en baande zich een weg door het

gedrang.

„Kom, Eduard, kom mede! De Prins slaapt heden nacht op Pinkie-house

[160], en wij moeten ons daarheen begeven, als wij de geheele

plechtigheid van de caligæ niet missen willen. Uw vriend, de Baron,

heeft zich aan een groote wreedheid schuldig gemaakt, door Mackwheeble

naar het slagveld mede te slepen. Nu moet ge weten, dat de rentmeester

van niets zulk een afschrik heeft, als van een gewapenden Hooglander,

of een geladen geweer; en op dit oogenblik staat hij te luisteren naar

de onderrichtingen van den Baron omtrent het protest, terwijl hij zijn

hoofd duikt als een zeehond, bij het schot van elk geweer of pistool,

dat onze leegloopende knapen op het veld losbranden, terwijl hij, bij

wijze van penitentie, bij iedere beweging bukkende, een zware berisping

van zijn patroon opdoet, die het vuren van een geheele batterij, op een

geweerschot afstands, als geen genoegzame verontschuldiging zou

beschouwen, voor gemis aan oplettendheid bij een gesprek waarin de eer

zijner familie betrokken is.”

„Maar hoe heeft de heer Bradwardine er hem toegebracht, zich zoo ver te

wagen?”

„Wel, hij was tot Musselburgh gekomen, naar ik gis, in de hoop om voor

sommigen onzer een testament te maken; en de stellige bevelen van zijn

meester sleepten hem, nadat de slag geëindigd was, voort tot Preston.

Hij klaagt over een of twee onzer deugnieten, die zijn leven in gevaar

gebracht hadden, door hem hunne geweren op de borst te zetten; maar,

daar zij het losgeld tot een Engelschen stuiver bepaalden, dunkt mij,

dat wij den provoost-geweldiger met de zaak niet behoeven te moeien. –

Kom, ga nu mede, Waverley!”

„Waverley!” riep de Engelsche officier, met levendige ontroering, „de

neef van Sir Everhard Waverley, van – shire?”

„Dezelfde, mijnheer,” antwoordde onze held, eenigzins verrast door den

toon, waarop hij hem aansprak.

„Het maakt mij tegelijk gelukkig en bedroefd,” zei de gevangene, „u te

ontmoeten.”

„Ik weet niet, mijnheer,” antwoordde Waverley, „hoe ik zoo veel

belangstelling van uw zijde verdien.”

„Heeft uw oom u nooit gesproken van een vriend, Talbot geheeten?”

„Ik heb hem met zeer veel achting van zulk een vriend hooren spreken –

kolonel, geloof ik, bij het leger, en de echtgenoot van Lady Emilia

Blandeville; maar ik meende dat kolonel Talbot buiten ’s lands was.”

„Ik ben pas terug gekomen; en daar ik in Schotland was, achtte ik het

mijn plicht om niet stil te zitten, waar mijn dienst misschien van

eenig nut wezen kon. Ja, mijnheer Waverley, ik ben die kolonel Talbot,

de echtgenoot der door u genoemde dame; en ik ben er trotsch op te

erkennen, dat ik zoo wel mijn militairen rang als mijn huiselijk geluk

aan uw grootmoedigen en edeldenkenden bloedverwant verschuldigd ben.

Goede God! dat ik zijn neef in zulk een kleeding, en in zulk een zaak

betrokken moet vinden!”

„Mijnheer,” zeide Fergus, op hoogen toon, „de kleeding en de zaak zijn

die van mannen van eer en van geboorte.”

„Indien mijn toestand mij niet verbood uwe verzekering te betwisten,

zou het mij niet moeielijk vallen te bewijzen, dat moed, noch roem op

afkomst een kwade zaak goed kunnen maken. Maar, met mijnheer Waverleys

verlof, en insgelijks met het uwe, mijnheer, indien het uwe ook

gevraagd moet worden, zou ik gaarne eenige woorden met hem spreken over

zaken, zijn familie betreffende.”

„De heer Waverley, mijnheer, is geheel en al meester van zijn daden. –

Gij zult mij, hoop ik, naar Pinkie volgen,” hernam Fergus, terwijl hij

zich tot Eduard keerde, „zoodra gij uw gesprek met deze nieuwe kennis

ten einde hebt gebracht?” En met deze woorden bracht het Opperhoofd van

Glennaquoich zijn plaid, met iets meer dan zijn gewone hoogheid, in

orde en verliet het vertrek.

Waverleys invloed verschafte kolonel Talbot gemakkelijk de vrijheid om

zich naar een ruimen tuin te begeven, die tot het huis behoorde waarin

de gevangenen waren opgesloten. Ze wandelden eenige schreden zwijgende

voort, terwijl de Kolonel blijkbaar overlegde, hoe hij met hetgeen hij

te zeggen had zou beginnen; eindelijk sprak hij Eduard aldus aan:

„Mijnheer Waverley, gij hebt heden mijn leven gered, en toch zou ik,

zoo waar God leeft, het liever verloren hebben, dan u de uniform en de

kokarde dezer lieden te zien dragen.”

„Ik vergeef u uw verwijt, kolonel Talbot; het is wél gemeend, en een

natuurlijk gevolg van uw opvoeding en beginselen. Maar er is niets

buitengewoons in gelegen, dat iemand, wiens eer openlijk en

onrechtvaardig aangetast is, een positie zoekt die hem de beste

gelegenheid belooft, om zich op zijn lasteraars te wreken.”

„Ik zou eer zeggen, een positie die het meest geschikt is om de door

hen in omloop gebrachte geruchten te bevestigen,” antwoordde kolonel

Talbot, „door u juist te gedragen zoo als ze verteld hebben. En is het

u bekend, mijnheer, welke onuitsprekelijke moeielijkheden, en zelfs

gevaren, gij door uw tegenwoordig gedrag aan uw naaste betrekkingen

berokkent?”

„Gevaren?”

„Ja, mijnheer, gevaren. Toen ik Engeland verliet, waren uw oom en vader

genoodzaakt borg voor hunne personen te stellen, om zich te

verantwoorden wegens een beschuldiging van hoogverraad; en het is met

de meeste moeite aan invloedrijke vrienden gelukt, hun de vergunning

tot een borgstelling, in plaats van een arrestatie, te bezorgen. Mijn

reis naar Schotland had geen ander oogmerk, dan om u uit den stroom te

redden, waarin gij u hebt gestort; ook kan ik de gevolgen voor uw

familie niet berekenen van uw aansluiting aan de opstandelingen, daar

reeds het vermoeden alleen zoo gevaarlijk voor hen was. Allerdiepst

smart het mij, dat ik u niet ontmoet heb, alvorens gij dezen laatsten

en noodlottigen misstap hadt begaan.”

„Ik weet waarlijk niet, waarom kolonel Talbot zich zoo veel moeite zou

gegeven hebben, om mijnent wil.”

„Mijnheer Waverley, ik versta mij niet op spotternij, en zal daarom uwe

woorden beantwoorden overeenkomstig de eenvoudige bedoeling, die er in

ligt opgesloten. Ik ben uw oom verplicht voor weldaden, grooter dan die

een zoon aan zijn vader verschuldigd kan zijn. Ik beschouw mij in dit

opzicht als zijn zoon, en daar ik weet dat er niets is, waardoor ik

zijn goedheid jegens mij beter kan beantwoorden, dan u een dienst te

bewijzen, zoo wil ik als het mogelijk is, dat doen, onverschillig of

gij het goedvindt of niet. De persoonlijke verplichting, welke gij mij

heden heb opgelegd, (schoon, naar het algemeene oordeel, zoo groot, als

een mensch aan een ander kan bewijzen,) voegt niets bij mijn ijver voor

uw bestwil, zoo min als zij dien in het minste kan verminderen, met

welke koelheid het u ook behagen moge dien te beantwoorden.”

„Uwe bedoelingen kunnen die van een vriend zijn, Mijnheer,” hernam

Waverley droog weg, „maar uw taal is hard, of ten minste wat

gebiedend.”

„Bij mijne terugkomst in Engeland, na een lange afwezigheid, vond ik uw

oom, Sir Everhard Waverley, onder de bewaking van een bode des konings,

als een gevolg van de door uw gedrag ontstane verdenking. Hij is mijn

oudste vriend – hoe dikwijls moet ik het herhalen? – mijn grootste

weldoener! – zijn eigene uitzichten op geluk offerde hij aan de mijne

op – hij uitte nooit een woord, noch liet ooit een gedachte toe, die de

welwillendheid zelve niet zou gedacht of gesproken hebben. Dezen man

vond ik onder bewaking, welke hem te harder viel wegens zijn gewone

levenswijze, zijn natuurlijke prikkelbaarheid, en – vergeef het mij,

mijnheer Waverley, wegens de oorzaak, waardoor dit ongeluk over hem was

gebracht. Ik kan u mijn gewaarwordingen, bij deze gelegenheid, niet

ontveinzen; zij waren alles behalve gunstig ten uwen opzichte. Nadat ik

door mijn familie-invloed, die zooals gij waarschijnlijk weten zult,

niet gering is, er in geslaagd was om Sir Everhards ontslag te

bewerken, ging ik naar Schotland op reis. Ik ontmoette kolonel

Gardiner, een man, wiens jammerlijke dood alleen genoegzaam is, om

dezen opstand voor altijd te brandmerken. In den loop van het met hem

gehouden gesprek, bevond ik, dat hij, door latere omstandigheden, door

een op nieuw ingesteld verhoor der in de muiterij betrokken personen,

en wegens zijn oorspronkelijk gunstige meening omtrent uw karakter,

aanmerkelijk zachter ten uwen aanzien gestemd was, en ik twijfel niet,

dat, zoo ik gelukkig genoeg mocht zijn om u te ontdekken, deze zaak nog

gelukkig ten einde gebracht kon worden. Maar deze onnatuurlijke opstand

heeft alles verijdeld. – Ik heb voor het eerst gedurende een lang en

bedrijvig krijgsmans leven, Britten zich zien onteeren door een

schandelijke vlucht, en dat voor een vijand zonder wapens of

krijgstucht. En nu vind ik den erfgenaam van mijn dierbaarsten vriend –

den zoon, mag ik zeggen, van zijn hart – deelgenoot van een zegepraal,

waarover hij zich het eerst had behooren te schamen. Waarom zou ik

Gardiner beklagen? Zijn lot was gelukkig bij het mijne vergeleken!”

Er lag zoo veel waardigheid, zulk een mengeling van krijgsmansfierheid

en manhaftige droefheid in kolonel Talbots manieren, en het bericht van

Sir Everhards bezwaren werd op zulk een diepgevoeligen toon

medegedeeld, dat Eduard, vernederd, verlegen en verpletterd stond voor

zijn gevangene, die hem, slechts weinige uren geleden, het leven

verplicht was. Hij was er niet bedroefd om, dat Fergus andermaal hun

onderhoud kwam storen.

„Zijn Koninklijke Hoogheid beveelt dat mijnheer Waverley zich naar het

hoofdkwartier zal begeven,” zeide deze laatste. „Kolonel Talbot wierp

een verwijtenden blik op Eduard, die het scherpe oog van het

Hooglandschen Opperhoofd niet ontging. „En wel onmiddellijk,” herhaalde

hij met nadruk. Waverley keerde zich weder tot den Kolonel.

„Wij zullen elkander weder zien,” zeide hij; „ondertusschen zal elk

mogelijk gemak –”

„Ik verlang er geen,” zei de Kolonel; „laat men mij behandelen als den

geringsten dier brave lieden, die, op dezen rampspoedigen dag, wonden

en gevangenis boven de vlucht hebben verkozen; ik zou haast wel willen

ruilen met een der gevallenen, indien ik slechts wist dat mijn woorden

eenigen indruk op u hadden gemaakt.”

„Kolonel Talbot moet zorgvuldig bewaakt worden,” zeide Fergus tot een

Hooglandschen officier, die het bevel over de wacht bij de gevangenen

had; „dit is het uitdrukkelijke verlangen van den Prins; de Kolonel is

een krijgsgevangene van het hoogste gewicht.”

„Maar laat het hem aan niets ontbreken wat zijn rang voegt,” zeide

Waverley.

„In zoo ver het met zijn zekere bewaring bestaanbaar is,” hernam

Fergus.

De officier gaf zijn bereid vaardigheid omtrent beide bevelen te

kennen, en Eduard volgde Fergus naar de tuindeur, waar Callum Beg hen

met drie opgezadelde paarden stond te wachten. Terwijl hij zijn hoofd

omkeerde, zag hij dat kolonel Talbot naar de plaats zijner opsluiting

door een wacht van Hooglanders terug geleid werd; hij toefde op den

drempel van het huis, en wenkte Waverley nogmaals met de hand, als om

nogmaals aan te dringen op hetgeen hij hem zoo even had toegevoegd.

„Paarden,” zeide Fergus, terwijl hij het zijne beklom, „zijn er thans

even overvloedig als bramen; elk heeft ze maar voor het nemen. Kom,

laat Callum uwe stijgbeugels in orde brengen, en rijden wij naar

Pinkie-house, zoo vlug als deze ci-devant dragonders-paarden er ons

zullen verkiezen te brengen.”

Waverley(#75933) · 第 107 / 156 题