EEN ONVERWACHT BEZWAAR.

Toen de slag geëindigd en alles weder op orde gekomen was, zocht de

baron van Bradwardine, na zich van zijn plicht gedurende den strijd

gekweten, en hen, die onder zijn bevel stonden, in hunne kwartieren

bezorgd te hebben, het opperhoofd van Glennaquoich en zijn vriend

Waverley op. Hij vond den eersten bezig met uitspraak te doen in een

aantal tusschen zijn clanslieden gerezen verschillen over punten van

voorrang en daden van moed, en in het bijzonder over een aantal

hooggeloopen en moeielijke twisten betreffende den buit. De

belangrijkste van de laatste soort betrof den eigendom van een gouden

horlogie, dat eens aan dezen of genen Engelschen officier had

toebehoord. De partij, in wiens nadeel het vonnis gewezen werd,

troostte zich met de aanmerking: „Het (dat is, het horlogie, hetwelk

hij voor een levend dier aanzag) stierf den eigen nacht, dat Vich Ian

Vohr het aan Murdoch gaf,” omdat het uurwerk, daar het niet opgewonden

was, bleef stilstaan.

Juist op het oogenblik dat deze gewichtige zaak beslist werd, naderde

de baron van Bradwardine, met een bezorgd en toch trotsch gelaat, de

beide jonge lieden. Hij steeg van zijn dampend krijgsros, waarvoor hij

de zorg aan een zijner bedienden beval. „Ik vloek zelden,” zeide hij

tegen den man; „maar zoo ge een van uw gemeene streken speelt, en den

armen Berwick verlaat voor dat hij bezorgd is – om te loopen plunderen

– moge de drommel mij halen, als ik je niet laat ophangen.” Nu streelde

hij met innig welgevallen het dier, dat hem door al de vermoeienissen

van den dag had heengeholpen, en na er een teeder afscheid van genomen

te hebben zeide hij: – „Wel, mijn beste, jonge vrienden, dat is een

roemrijke en beslissende overwinning, maar die jakhalzen van ruiters

liepen te spoedig weg. Ik zou lust gehad hebben u de ware punten van

het prælium equestre, of ruitergevecht, te doen opmerken, hetwelk hunne

lafheid ontvlucht is, en dat ik voor den trots en den schrik van den

krijg houd. Hoe het zij, ik heb dan nog eens gestreden voor deze oude

zaak, ofschoon ik toegeef dat ik niet zoo ver kon gaan, als gij,

jongere snuiters, daar het juist tot mijn plicht behoorde, ons handvol

paardenvolk bij elkander te houden. En geen ruiter mag op eenige wijze

de eer bekibbelen, die zijn kameraden ten deel gevallen is, en die op

een anderen tijd, zoo God wil, de zijne kan worden. – Maar,

Glennaquoich, en gij, mijnheer Waverley, ik bid u, geeft mij uw goeden

raad in een zaak van groot gewicht, en waarbij de eer van het huis van

Bradwardine het hoogste belang heeft. – Ik bid u om verschooning,

vaandrig Maccombich, en u Inveraughlin, en u Edderalshendrach, en u,

Mijnheer!”

De laatste, dien hij aansprak, was Ballenkeiroch, die, vervuld met den

dood van zijn zoon, hem aanzag met een blik vol sarrende woestheid. De

Baron, die zich in een oogwenk beleedigd gevoelde, had ook reeds de

wenkbrauwen gefronsd, toen Glennaquoich zijn Majoor ter zijde nam, en

hem, op den gezaghebbenden toon van een Opperhoofd, onderhield over de

dwaasheid, om op een oogenblik als dit eenigen twist op te rakelen.

„De grond is bezaaid met lijken,” zei de oude bergschot, terwijl hij

zich gemelijk verwijderde, „éen meer zou men daarbij nauwelijks hebben

opgemerkt, en was het niet om u, Vich Ian Vohr, dan zou dat éene van

Bradwardine of van mij wezen.”

Het Opperhoofd bracht hem tot bedaren, terwijl hij hem wegleidde, en

keerde toen tot den Baron terug. „Het is Ballenkeiroch,” zeide hij op

zachten en vertrouwelijken toon, „vader van den jonkman, die voor acht

jaren, in die ongelukkige affaire bij uwe plaats, sneuvelde.”

„O!” zei de Baron, terwijl de onheilspellende strakheid zijner trekken

in een zachtere uitdrukking overging: „ik kan veel van iemand

verdragen, dien ik ongelukkig zooveel smart heb veroorzaakt. Gij deedt

wel met mij te waarschuwen, Glennaquoich; hij mag zoo zwart zien als de

nacht om kerstmis, eer Cosmo Comyne Bradwardine zeggen zal dat hij hem

onrecht doet. Och! ik heb geen mannelijk kroost, en ik behoor veel te

verdragen van iemand, dien ik kinderloos heb gemaakt; schoon ge weet,

dat de bloedschuld tot uw eigen genoegen werd afgemaakt, bij assythment

en door brieven van slains [153]. – Maar, gelijk ik zei, ik heb geen

mannelijken afstammeling, en toch is het noodig dat ik de eer van mijn

huis ophoud; het is juist hierover dat ik u in het bijzonder wilde

spreken, en waaromtrent ik al uwe oplettendheid inroep.”

De twee jongelieden wachtten met ongeduldige nieuwsgierigheid. „lk

twijfel niet, jongelieden, of men heeft wel zóo voor uwe opvoeding zorg

gedragen, dat gij den waren aard van leenroerige bezittingen kent?”

Fergus, die voor een eindelooze verhandeling bevreesd begon te worden,

antwoordde: „Door en door, Baron,” en stiet Waverley aan, om hem te

doen verstaan, dat hij zijn onkunde niet bekennen zou.

„Ook is u, naar ik vertrouw, niet onbekend, dat het bezit van de

baronie van Bradwardine van een even vereerenden als bijzonderen aard

is, daar ze blanch is (hetwelk Craig [154] oordeelt in het Latijn te

moeten worden overgezet, door Blancum, of liever francum, een vrije

bezitting) pro servitio detrahendi, seu exuendi, caligas regis post

battaliam.” [155] Hier zag Fergus Eduard van ter zijde aan, terwijl bij

bijna onmerkbaar de wenkbrauwen optrok, met welke beweging zijn

schouders eveneens instemden. „Nu doen zich omtrent dit onderwerp twee

tamelijk onzekere punten voor. Vooreerst, of deze dienst, of

leenmanshulde, ooit kan toekomen aan den Prins, daar de woorden per

expressum, caligas regis, „de laarzen van den Koning zelven” zijn; en

ik verzoek uw gevoelen betreffende deze bijzonderheid te mogen weten,

eer wij verder gaan.”

„Wel, hij is Prins-Regent,” antwoordde Mac-Ivor, met een heerschappij

over zijn gelaat die allen lof verdient; „en aan het Fransche hof wordt

alle eer aan den Prins-Regent bewezen, die men den Koning schuldig is.

Daarenboven, indien ik de laarzen van een van beide moest uittrekken,

zou ik die dienst tienmaal liever bewijzen aan den jongen Prins, dan

aan zijn vader.”

„Ja, maar ik spreek hier niet van persoonlijke voorkeur. Evenwel is uw

gezag van groot belang, wat de gebruiken van het Fransche hof betreft.

En zeker de Prins, als alter ego [156], mag misschien wel aanspraak

maken op het homagium van de groote leenheeren der kroon, daar aan alle

getrouwe onderdanen in de akte van het regentschap bevolen wordt, om

hem als des Konings eigen persoon te eerbiedigen. Verre zij het dus van

mij, den luister van zijn gezag te willen verminderen, door hem een

daad van hulde te onthouden, die zoo bijzonder geschikt is om er glans

aan bij te zetten; want ik twijfel nog eenigszins, of aan den Keizer

van Duitschland de laarzen wel worden uitgetrokken door een

rijksvrijheer? Maar, hier doet zich de tweede zwarigheid voor – de

Prins draagt geen laarzen, maar eenvoudige trews en brogues [157].

Dit laatste dilemma had Fergus’ ernst bijna verstoord.

„Wel,” zeide hij, „ge weet, Baron, dat het spreekwoord luidt: het gaat

moeielijk een Hooglander de broek uit te trekken, – en dat geldt ook

hier van laarzen.”

„Het woord caligæ,” ging de Baron voort, „ofschoon ik beken, dat het

volgens mijn familie-overlevering, en zelfs in onze oude bewijsstukken,

door laarzen verklaard wordt, beteekent evenwel, in zijn

oorspronkelijken zin, veeleer sandalen; en Cajus Cæsar, de neef en

opvolger van Cajus Tiberius, verkreeg den bijnaam van Caligula, a

caligulis, sive caligis levioribus, quibus adolescentior usus fuerat in

exercitu Germanici patris, sui [158]. Ook waren de caligæ in gebruik

bij de monniken; want wij lezen in een oud glossarium, dat, volgens den

regel van St. Benedictus, in de abdij van St. Amand, de caligæ met

banden werden vastgemaakt.”

„Dat zal op de brogues zien,” hernam Fergus.

„Wel zeker, mijn waarde Glennaquoich, en de woorden zijn uitdrukkelijk:

Caligæ dietæ sunt, quia ligantur; nam socci non ligantur, sed tantum

intromittuntur; dat is, caligæ ontleenen haren naam van de banden,

waarmede ze vast gemaakt worden, terwijl daarentegen socci, die bijna

hetzelfde mogen zijn als onze pantoffels, slechts aan den voet gesloft,

worden. Ook komen in het Charter tweeërlei woorden voor, exuere seu

detrahere, dat is, losmaken, zoo als in het geval van sandalen of

brogues, en uittrekken, zoo als wij in onze moedertaal van laarzen

zeggen. Intusschen wilde ik, dat we meer licht hadden; maar ik vrees,

dat er weinig kans bestaat om hier eenigen geleerden schrijver de re

vestiaria [159] te vinden.”

„Ik twijfel er sterk aan,” zei het Opperhoofd, terwijl hij een blik

wierp op de zwoegende Hooglanders, die beladen met den buit der

verslagenen terug kwamen, „schoon de res vestiaria zelve op het

oogenblik inderdaad vrij wat gezocht schijnt.”

Daar deze aanmerking geheel in den luimigen aard van den Baron viel,

vereerde hij ze met een glimlach, maar keerde oogenblikkelijk terug tot

hetgeen hem een zeer ernstige zaak scheen.

„Het is waar,” zeide hij, „Mackwheeble koestert het gevoelen, dat deze

vereerende dienst, uit haren aard, plicht is, si petatur tantum; dat

wil zeggen, wanneer Zijn Koninklijke Hoogheid van den grooten leenman

der Kroon vordert dat hij dezen persoonlijken plicht volbrengen zal; en

hij wees inderdaad het punt aan in Dirleton’s Twijfelingen en Vragen,

Grippit tegen Spicer, over de uitwinning van een landgoed ob non

solutum canonem, dat is, wegens het niet betalen van een leenplicht van

drie peperkorrels in het jaar, welke geschat werd zeven achtste van een

Schotsche duit waardig te zijn, tot het betalen waarvan de aangeklaagde

verwezen werd. Maar onder uw welnemen, geloof ik dat het beste is, mij

in den weg te plaatsen om den Prins deze dienst te bewijzen en hem die

aan te bieden; en ik zal zorgen dat de rentmeester bij de hand is met

een akte van protest, welke reeds door hem is gereed gemaakt, (dit

zeggende haalde hij een papier voor den dag) waarin verklaard wordt,

dat, indien Zijn Koninklijke Hoogheid anderen bijstand zal aannemen in

het uittrekken van zijn caligæ, (hetzij dit vertaald worde door laarzen

of brogues) behalve dien van den genoemden baron van Bradwardine, die

op dit oogenblik gereed en gewillig is om dien te verleenen, zulks op

geenerlei wijze inbreuk zal maken op, of strekken tot nadeel van de

rechten van den gezegden Comyne Bradwardine, om gezegden dienst in het

vervolg te volvoeren; noch zal het aan eenigen schildknaap,

kamerdienaar, hoveling of page, wiens bijstand het Zijn Koninklijke

Hoogheid moge behagen te gebruiken, eenig recht, titel of aanspraak

geven, ter opeisching op gezegden Cosmo Comyne Bradwardine, van de

landerijen en de baronie van Bradwardine, en zoo voorts, gehouden, als

voorzegd, volgens de plichtschuldige en getrouwe vervulling der

bedongen leendiensten.

Fergus juichte deze schikking hoogelijk toe: en de Baron nam een

vriendelijk afscheid van hen, met een glimlach van voldane eigenliefde

op het gelaat.

„Lang leve onze beste vriend, de Baron,” riep het Opperhoofd, zoodra

hij buiten het gehoor was, „als het belachelijkst origineel, dat ten

noorden van de Tweed bestaat! Het spijt mij dat ik hem niet aangeraden

heb, heden avond in den kring van den Prins te verschijnen met een

laarzentrekker onder den arm. Ik geloof dat hij den wenk zou opgevolgd

hebben, als die maar met gepaste deftigheid gegeven ware.”

„Hoe kunt ge er toch vermaak in scheppen zulk een achtingswaardig man

belachelijk te maken?”

„Met uw verlof, mijn waarde Waverley, ge zijt niet minder belachelijk

dan hij. Hoe? bemerkt ge niet, dat ’s mans geheele ziel alleen met deze

plechtigheid is vervuld? Hij heeft daarvan gehoord en er over gedacht,

als het verhevenste voorrecht en de luisterrijkste plechtigheid ter

wereld; en ik twijfel niet, of het genoegen dat hij hoopt te smaken

door het bewijzen van dezen dienst, was voor hem een voorname

beweegreden om de wapens op te vatten. Maak er staat op, dat, indien ik

gepoogd had hem er van af te brengen om zich belachelijk te maken, hij

mij voor een weetniet, een ingebeelden gek zou hebben uitgescholden, of

het misschien wel in het hoofd zou gekregen hebben om mij de keel af te

snijden; een genoegen, dat hij zich eenmaal voorstelde over een punt

van etiquette, in zijn oogen niet half zoo gewichtig als deze zaak van

laarzen of brogues, of waarvoor de caligæ, ten slotte, door de

geleerden mogen worden verklaard. Maar ik moet naar het hoofdkwartier

gaan, om den Prins op dit inderdaad buitengewone tooneel voor te

bereiden. Ik ben er zeker van dat mijn bericht goed opgenomen zal

worden, want het zal hem eens hartelijk doen lachen, en tevens maken

dat hij op zijn hoede is niet te glimlachen, als de lust er toe zeer

mal-à-propos wezen zou. Derhalve, tot wederziens, Waverley!”

Waverley(#75933) · 第 105 / 156 题