Toen Fergus Mac-Ivor en zijn vriend eenige weinige uren geslapen
hadden, werden ze gewekt en verzocht bij den Prins te komen. Men hoorde
de dorpsklok in de verte drie uur slaan, toen ze zich naar de plaats
spoedden, waar Karel Eduard den nacht had doorgebracht. Hij was reeds
omringd door zijn voornaamste Officieren en de Opperhoofden der clans.
Een bos erwtenstroo, dat pas zijn bed geweest was, diende hem nu tot
zitplaats. Juist op het oogenblik dat Fergus binnen den kring trad, had
de beraadslaging een einde genomen. „Moed, mijn wakkere vrienden!” zei
de Prins, „en laat een ieder zich terstond aan het hoofd van zijn
kommando stellen. Een getrouw vriend [148] heeft aangeboden om ons
langs een bruikbaar, ofschoon smal en kronkelend pad te geleiden, dat,
ter rechterhand loopende, het oneffen terrein en het moeras doorsnijdt,
en ons in staat stelt den vasten grond en de open vlakte te bereiken,
waarop zich de vijand gelegerd heeft. Als wij deze zwarigheid te boven
gekomen zijn, moeten de hemel en uwe goede zwaarden het overige
verrichten!”
„Het voorstel verwekte algemeene vreugde, en iedere aanvoerder haastte
zich zijn manschappen, met het minst mooglijke geraas, in orde te
scharen. Het leger verliet door een rechtsche beweging zijn stelling op
de hoogte, en kwam spoedig op den weg door het moeras, terwijl het zijn
marsch in verwonderlijke stilte en met grooten spoed voortzette. Daar
de opkomende mist de hoogere gronden nog niet bereikt had, zoo hadden
de soldaten een tijdlang het voordeel van het schijnsel der sterren.
Maar dit flauwe licht ging verloren, toen de sterren voor den
naderenden dag verbleekten, en het hoofd der voorttrekkende kolonne
dompelde zich onder het afdalen van de hoogte, als het ware in den
zwaren mist-oceaan, die zijn witte golven over de geheele vlakte en de
aangrenzende zee voortrolde. Thans ontmoette men eenige zwarigheden,
onafscheidelijk van de duisternis, een smal, ruw en moerassig pad, en
de noodzakelijkheid om eenheid in den tocht te bewaren. Dit alles
leverde echter minder bezwaren voor de Hooglanders op, uit hoofde van
hunne levenswijze, dan het voor ieder ander leger zou gedaan hebben,
zoodat zij hunne geregelde en snelle beweging bleven voortzetten.
Toen de clan van Ivor den vasten grond bereikte, door het volgen van de
voetstappen dergenen die hen voorgegaan waren, liet zich het geroep van
een schildwacht, dwars door den mist, hooren, ofschoon zij den
dragonder, die het „Werda!” had geroepen, niet zagen.
„St!” riep Fergus, „st! Dat niemand antwoorde, zoo hij zijn leven lief
heeft. – Dringt voorwaarts;” en zij zetten hun marsch in stilte en met
verdubbelde schreden voort.
De dragonder brandde zijn karabijn op hun korps los, en dit geluid werd
onmiddellijk gevolgd door den hoefslag van zijn paard, terwijl hij
wegdraafde. „Hylax in limine latrat,” [149] zei de baron van
Bradwardine, die het schot hoorde, „die ellendeling zal alarm maken!”
De clan van Fergus had nu den vasten grond der vlakte bereikt, die nog
kort te voren met een heerlijk gewas van granen was bedekt geweest.
Maar de oogst was binnen gehaald, en het veld was zonder eenige
hindernissen van boomen, struiken of iets dergelijks. Het overige
gedeelte van het leger volgde met snelheid, toen zij de trommels van
den vijand alarm hoorden slaan. Het had intusschen niet in hun plan
gelegen den vijand te verrassen; dus werden zij ook niet van hun stuk
gebracht toen zij begrepen dat de Engelschen op hunne hoede waren en
gereed om hen te ontvangen. Het verhaastte slechts de schikking hunner
slagorde, die zeer eenvoudig was.
De Hooglandsche armee, die nu den oostkant der breede vlakte bezette,
trok op in twee liniën, welke zich van het moeras tot aan de zee
uitstrekten. De eerste was bestemd om den vijand aan te vallen, de
tweede om tot reserve te dienen. De weinige ruiterij, aan wier hoofd de
Prins in persoon zich bevond, hield zich tusschen de beide liniën. De
vorstelijke gelukzoeker had zijn voornemen te kennen gegeven, om
persoonlijk, aan het hoofd zijner eerste linie, aan te vallen; maar
allen hadden hem gesmeekt hiervan af te zien, en hij was slechts met
moeite daartoe bewogen geworden.
Beide liniën trokken nu voorwaarts, de eerste gereed om onmiddellijk
slag te leveren. De clans, waaruit zij bestond, vormden elk een soort
van afzonderlijken Phalanx, met een stal front en tien, twaalf of
vijftien gelederen diep, naar gelang der sterkte. De best gewapenden en
aanzienlijksten van geboorte – want deze woorden hadden hier één en
dezelfde beteekenis – werden vooraan geplaatst, in ieder dezer
onregelmatige afdeelingen. De anderen, in de achterhoede, steunden al
voorwaarts dringende het front, en vermeerderden, door hunne
aansluiting, zoo wel de lichamelijke kracht als de geestdrift en het
vertrouwen van hen, die het gevaar onmiddellijk in de oogen moesten
zien.
„Werp uw plaid weg, Waverley!” riep Fergus, terwijl hij de zijne
afdeed; „eer de zon boven de zee is, zullen wij zijden tartans gewonnen
hebben.”
Aan alle kanten legden nu de clanslieden hunne plaids af, en maakten
hunne wapens gereed. Er was een ontzagwekkende stilte van drie minuten,
gedurende welke de manschappen hunne mutsen afnamen, hun oog ten hemel
sloegen, en een kort gebed uitten. Waverley voelde in dat oogenblik
zijn hart kloppen, alsof het uit zijn borst wilde springen. Het was
geen vrees, het was geen geestdrift, – het was een mengsel van beide,
een voor hem nieuwe en krachtige prikkel, die, eerst huivering en
schrik, daarna koortshitte en een soort van dolzinnigheid opwekte. Het
geraas rondom hem werkte mede om zijn geestvervoering te verhoogen, de
doedelzakken speelden en de clans rukten voorwaarts, ieder op zich
zelve in een onheilspellende, sombere kolonne. Naarmate zij
voortrukten, versnelden ze den pas, en het geluid hunner samengesmolten
stemmen begon aan te groeien, en in een woesten kreet over te gaan.
Op dit oogenblik verdreef de zon, die zich boven den gezichteinder
verhief, de hangende dampen. Zij werden opgerold als een gordijn, en
lieten de beide legers, op het punt om handgemeen te worden, zichtbaar.
De linie van het Engelsche leger stond recht tegenover het corps der
Hooglanders geschaard; de wapens van dat volkomen uitgeruste, en aan
weerszijde door ruiterij en artillerie gedekte leger, schitterden de
Hooglanders tegen. Maar dit gezicht boezemde hun geen vrees in
„Voorwaarts, zonen van Ivor!” riep hun opperhoofd, „of de Camerons
zullen het eerste bloed storten!” Zij stormden met een vreeslijken gil
op hunne vijanden in.
Het overige is bekend. De ruiterij, die bevel kreeg om de aanstormende
Hooglanders in de flank te vallen, ontving, terwijl zij aanrukte, het
vuur uit hunne geweren, en door een schandelijken, panischen schrik
overvallen, wankelde zij, hield stand, geraakte uit elkander en rende
van het slagveld. De kanonniers, door de ruiterij verlaten, vluchtten,
na hunne stukken te hebben losgebrand, en de Hooglanders, die, hunne
geweren, zoodra zij ze afgeschoten hadden, wegwierpen, en den sabel
trokken, stormden met onbeteugelde woede op het voetvolk in.
In dit oogenblik van verwarring en schrik, ontdekte Waverley een
Engelsch officier, blijkbaar van hoogen rang, die alleen en hulpeloos
bij een veldstuk stand hield, dat hij, na de vlucht der manschappen,
die er bij behoorden, zelf gericht en op den clan van Mac-Ivor, den
naasten troep Hooglanders binnen zijn bereik, had afgeschoten.
Getroffen door zijn hooge, krijgshaftige gestalte, en met den wensch
vervuld om hem voor een onvermijdelijken ondergang te bewaren, snelde
Waverley voor een oogenblik zelfs de vlugste krijgslieden vooruit, en
toen hij de plek het eerst bereikt had, riep hij hem toe zich over te
geven. De officier antwoordde met een degenstoot, dien Waverley op zijn
schild ontving, waardoor het wapen van den Engelschman brak. Op
hetzelfde oogenblik zweefde Dugald Mahony’s strijdbijl boven het hoofd
van den officier. Waverley keerde den slag af, en de officier, ziende
dat verdere tegenstand nutteloos was, en getroffen door Eduards
edelmoedige bezorgheid voor zijn behoud, gaf hem zijn gebroken degen
over. Waverley stelde den officier in handen van Dugald, met streng
bevel om hem goed te behandelen en niet uit te plunderen, terwijl hij
den Schot een volle vergoeding voor den buit toezegde.
Ter rechter zijde van Eduard woedde de strijd nog hevig en zwaar. De
Engelsche infanterie, in den oorlog in Vlaanderen geoefend, hield
moedig stand. Maar haar uitgestrekte gelederen werden op een aantal
plaatsen doorboord en gebroken door de geslotene massa’s der clans; en
in de persoonlijke worsteling, die hierop volgde, gaven de aard der
wapenen van de Hooglanders, en hunne buitengewone kracht en vlugheid
hun een beslissende meerderheid op dezulken, die geleerd hadden het
meest op hunne orde en krijgstucht te vertrouwen, en nu bespeurden dat
de eerste verbroken en de andere onbruikbaar was geworden. Toen
Waverley zijn oogen naar dit tooneel van rook en slachting keerde, zag
hij kolonel Gardiner, door zijn krijgslieden, in spijt van zijn
herhaalde pogingen om hen te verzamelen, verlaten, en terwijl hij zijn
paard nog door het veld spoorde, om het bevel op zich te nemen over een
klein corps voetvolk, dat, met den rug tegen den muur van zijn eigen
park geschaard, (want zijn huis grensde onmiddellijk aan het slagveld)
een wanhopigen en vruchteloozen tegenstand volhield. Waverley
ontwaarde, dat hij reeds verscheidene wonden ontvangen had, daar zijn
kleederen en zadel met bloed bedekt waren. Dezen dapperen en braven man
te redden, werd nu oogenblikkelijk het doel van Eduards streven; maar
hij mocht slechts getuige zijn van zijn dood! Eer Eduard zich een weg
kon banen door de Hooglanders, die, woedend en tuk op buit, elkander
verdrongen, zag hij zijn voormaligen overste van het paard slingeren
door een zeis, en op den grond gestort meer wonden ontvangen, dan
noodig waren om hem twintigmaal het leven te benemen. De stervende
krijgsman scheen Waverley te herkennen; want hij vestigde zijn oog op
hem met een bestraffenden en toch treurigen blik, en scheen een poging
te doen om te spreken. Maar gevoelende, dat de dood naderde, gaf hij
zijn voornemen op, en zijn handen als tot het gebed vouwende, beval hij
zijn ziel zijn Schepper aan. De blik, waarmede hij Waverley, in zijn
laatste oogenblikken, aanzag, trof hem, in dien tijd van onrust en
verwarring, zoo diep niet, als toen, – na verloop van eenigen tijd, –
zijn herinnering, dien voor zijn verbeelding terugriep. [150]
Nu weêrgalmden luide triumfkreten over het gansche veld. De strijd was
gestreden en gewonnen, en de geheele bagage, artillerie en
krijgsvoorraad van het Engelsche leger vielen in handen der
overwinnaars. Nooit was een zege meer volkomen. Slechts enkelen
ontkwamen aan het gevecht, behalve de ruiterij, die het reeds bij den
aanval verlaten had, en zelfs deze was naar alle kanten, en in kleine
afdeelingen, over de gansche landstreek verstrooid. Voor zoo ver onze
geschiedenis aangaat, hebben wij alleen het lot van Balmawhapple te
vermelden, die, op een paard gezeten, dat niet minder koppig en
onhandelbaar was dan de ruiter zelf, de vluchtende dragonders meer dan
vier mijlen van het slagveld vervolgde. Eenige dozijnen vluchtelingen
keerden in een laatste opwelling van moed om, kliefden hem den schedel
met hunne sabels, en overtuigden daardoor de wereld, dat de ongelukkige
edelman inderdaad niet misdeeld was van hersenen, zoodat het einde van
zijn leven het bewijs gaf van iets, waaraan men gedurende den loop
daarvan zeer sterk getwijfeld had. Zijn dood werd door weinigen
beweend. De meesten van die hem kenden stemden er in toe, dat de
vaandrig Maccombich gelijk had met te beweren, dat men te Sheriff-Muir
[151] grooter verlies geleden had. Zijn vriend, de luitenant Jinker,
wist zijn lievelingsmerrie vrij te pleiten van eenig deel aan het
ongeluk. „Hij had,” zeide hij, „den heer wel duizend malen gezegd, dat
het schande en zonde was het arme beest een springriem aan te doen,
daar hij hem rijden wou met een kinketting van een halve el lang; en
dat hij zich maar in het ongeluk zou storten (het beest daargelaten)
door te vallen, of iets van dien aard; zoo hij, daarentegen, naar hem
had willen luisteren, zou het dier zoo mak geweest zijn als een
karrepaard.”
Dit was de lijkzang op den heer van Balmawhapple [152].