DE AVOND VOOR DEN SLAG.

Ofschoon de Hooglanders een snellen marsch hadden afgelegd, was toch de

zon aan het ondergaan, toen zij den rand dier hoogten bereikten, welke

de open en uitgestrekte vlakte bestrijken, die zich noordwaarts naar de

zee uitstrekt, en waarop, hoewel tamelijk ver van elkander verwijderd,

de dorpen Seaton, Cockenzie en het uitgebreider Preston gelegen zijn.

De lage kustweg naar Edinburgh loopt door deze vlakte, waar hij uitkomt

bij Seaton-House, en bij het vlek, of dorp, Preston weder door een meer

bedekte streek kronkelt. Langs dezen weg had de Engelsche generaal zich

voorgenomen de hoofdstad te naderen, daar deze zoowel de gemakkelijkste

weg voor zijn ruiterij was, als omdat hij waarschijnlijk van gevoelen

was, dat hij, zoodoende, de Hooglanders in het front zou krijgen,

terwijl ze, in de tegenovergestelde richting, van Edinburgh kwamen.

Hierin bedroog hij zich; want het gezond oordeel van den Prins, of van

hen aan wier raad hij het oor leende, [145] liet den onmiddellijken

toegang vrij, maar bezette de voordeelig gelegene hoogten, van waar de

weg overzien en bestreken kon worden.

Zoodra de Hooglanders die hoogte bestegen hadden, werden ze

oogenblikkelijk, langs den rand der steilte, in slagorde geschaard.

Bijna op hetzelfde oogenblik verscheen de voorhoede der Engelschen, die

van uit het geboomte en de omheiningen van Seaton opdaagde, met het

oogmerk om den oploopenden grond tusschen de zee en de hoogten te

bezetten. Daar de ruimte, die de legers verdeelde, slechts omtrent een

halve mijl breed was, kon Waverley duidelijk de escadrons dragonders,

het een na het ander, uit de engte te voorschijn zien komen, met hunne

videtten in het front, en zich scharende op de vlakte, vlak tegenover

het leger van den Prins. Ze werden gevolgd door een trein veldstukken,

die, toen ze de flank van de dragonders bereikten, desgelijks in linie

gebracht en tegen de hoogten gericht werden. Drie of vier regimenten

infanterie marcheerden vervolgens met open kolonnes vooruit, terwijl

hunne bajonetten als het ware een reeks van wandelende stalen heggen

vormden, en hunne wapens bliksems schenen te schieten, toen ze, op een

gegeven teeken, zich eensklaps in linie plaatsten, en onmiddellijk

tegenover de Hooglanders in slagorde gesteld werden. Een tweede trein

artillerie, met, nog een regiment te paard, sloot den langen stoet, en

greep op de linkerflank der infanterie post, zoodat de geheele linie

naar het zuiden gekeerd was.

Terwijl het Engelsche leger deze evolutiën ten uitvoer bracht, legden

de Hooglanders even veel vaardigheid als verlangen naar den strijd aan

den dag. Naar gelang de clans op den bergrug aankwamen, die in het

front van den vijand lag, werden ze in linie geschaard, in dier voege

dat beide legers op hetzelfde oogenblik in volkomen slagorde waren.

Toen dit volbracht was, hieven de Hooglanders een vreeselijk gegil aan,

hetwelk door de hoogten achter hen terug gekaatst werd. De geregelde

troepen, die vol moed waren, beantwoordden met een luid, uitdagend

geschreeuw den Schotschen oorlogskreet, en brandden een paar kanonnen

op een voorpost der Hooglanders los. De laatsten verriedden het

grootste verlangen om oogenblikkelijk tot den aanval over te gaan,

terwijl Evan Dhu tegen Fergus, bij wijze van argument, aanvoerde, „dat

de roode soldaten waggelden als een ei op de punt van een stok, en dat

de troepen van den Prins het voordeel hadden van den aanval, want dat

zelfs een haggis [146] (God zegene haar!) den heuvel af storm kon

loopen.”

Maar ofschoon de grond, waarlangs de Schotten hadden moeten afdalen,

niet zeer uitgestrekt was, was die evenwel onbruikbaar, omdat hij niet

slechts moerassig, maar door muren van lossen steen afgebroken, en over

de geheele lengte door een zeer breede en diepe sloot doorsneden was,

wat aan het geweervuur der geregelde troepen geen geringe voordeelen

zou gegeven hebben. Het gezag der bevelhebbers werd dus ingeroepen, om

de onstuimigheid der Hooglanders te beteugelen, en slechts eenige

weinige scherpschutters werden de steilte afgezonden, om met de

voorposten der vijanden te schermutselen en den grond te verkennen.

Hier was dus een militair schouwspel te zien van meer dan gewoon

belang, en hetwelk men maar zeldzaam aantreft. De beide legers, zoo

verschillend in voorkomen en krijgstucht, en echter beide verwonderlijk

goed geoefend volgens ieders bijzondere wijze van oorlogvoeren, en van

wier worstelstrijd het tijdelijk lot, van Schotland althans, scheen af

te hangen, stonden tegenover elkander, als twee zwaardvechters in het

strijdperk, terwijl ieder bij zichzelven overlegt op welke wijze hij

zijn vijand zal aanvallen. De hoofdofficieren en de generalenstaf van

beide legers lieten zich gemakkelijk vóor het front hunner liniën

onderscheiden, terwijl ze bezig waren elkanders bewegingen met hunne

verrekijkers te bespieden, met het afzenden van orders, en het

ontvangen van berichten, door de adjudanten en de ordonnansofficieren

overgebracht, die de levendigheid van het tooneel verhoogden, door, in

verschillende richtingen, heen en weêr te rennen, alsof het lot van,

den dag afhankelijk was van de vlugheid hunner paarden. De ruimte, die

de beide legers van elkander scheidde, werd van tijd tot tijd het

tooneel van afzonderlijke en ongeregelde gevechten onder de

scherpschutters, en nu en dan zag men een hoed of een muts vallen, of

een gekwetste door zijn kameraden wegdragen. Doch dit waren slechts

onbeduidende schermutselingen; want het strookte met het oogmerk van

geen der beide partijen, om hiermede te blijven voortgaan. Uit de

naburige gehuchten kwamen de boeren voorzichtig te voorschijn, alsof

zij den uitslag van het dreigende gevecht bespieden wilden; en op een

geringen afstand, in de baai, lagen twee schepen, die de Engelsche vlag

voerden, en wier masten en want met minder vreesachtige toeschouwers

waren opgevuld.

Toen deze ontzagwekkende pauze een tijd lang geduurd had, ontving

Fergus, met nog een ander opperhoofd, het bevel om hunne clans naar den

kant van het dorp Preston te doen trekken, ten einde de rechterflank

van Copes’ leger te bedreigen, en hem te dwingen een andere stelling in

te nemen. Om deze bevelen uit te voeren, bezette het opperhoofd van

Glennaquoich het kerkhof van Tranent; dit was een hoogte, die de vlakte

bestreek, en bijzonder geschikt was, zooals Evan Dhu aanmerkte, voor

iederen heer, die het ongeluk mocht hebben van gedood te worden, en op

een Christelijke begrafenis gesteld was. Om deze afdeeling in bedwang

te houden, of om ze te verdrijven, zond de Engelsche generaal twee

stukken geschut af, door een sterke afdeeling ruiterij gedekt. Zij

naderden zoo dicht bij, dat Waverley duidelijk den standaard der

compagnie kon onderscheiden welke hij voorheen had gecommandeerd, en de

trompetten en pauken, aan wier klank hij zoo dikwijls gehoorzaamd had,

het sein tot voortrukken kon hooren geven. Hij kon ook de welbekende

woorden, in de Engelsche taal hooren uitbrengen, door de even bekende

stem van den bevelvoerenden Officier, voor wien hij eens zooveel

eerbied had gevoeld. Het was op dit oogenblik, dat hij, zijn oogen

rondom zich slaande, de woeste kleeding en het voorkomen van zijn

Hooglandsche makkers ontwaarde, hun fluisteren in een ruwe en onbekende

taal hoorde, op zijn eigene uitrusting staarde, zoo verschillend van de

kleeding door hem van zijn kindschheid af gedragen, – en door den

plotselingen wensch bezield werd te ontwaken uit hetgeen hem thans een

vreemde, verschrikkelijke en onnatuurlijke droom toescheen. „Goede

Hemel!” dacht hij, „ben ik dan een verrader van mijn vaderland, een

verzaker van mijn vaandel, en een vijand, zooals die arme Houghton zich

uitdrukte, van dat Engeland dat mij zag geboren worden?”

Eer hij deze gedachten tot rijpheid brengen of smoren kon, viel de

ranke krijgsmansgestalte van zijn voormaligen Overste, die de plaats

wenschte te verkennen, hem duidelijk in het oog. „Nu kan ik hem raken,”

zeide Callum, terwijl hij zijn geweer voorzichtig aanlegde over den

muur, waarachter hij op nauwelijks zestig ellen afstands verborgen lag.

Het scheen Eduard toe alsof hij op het punt stond een vadermoord te

zien begaan; want het eerwaardige grijze haar en het sprekende gelaat

van den ouden krijgsman, herriepen in zijn geest den bijna kinderlijken

eerbied, welke zijn officieren hem algemeen toedroegen. Maar eer hij

een woord kon zeggen, hield een bejaarde Hooglander, die naast Callum

lag, diens arm tegen. „Spaar uw schot,” zei de ziener, „zijn uur is nog

niet gekomen. Maar laat hem zich wachten voor morgen – ik zie zijn

doodskleed op zijn borst.”

Callum, die voor alle andere bedenkingen geheel onvatbaar zou zijn

gebleven, was zeer toegankelijk voor het bijgeloof. Hij werd bleek bij

het gezegde van den Taishair, en trok zijn geweer terug. Kolonel

Gardiner, onkundig van het gevaar, waaraan hij ontsnapt was, keerde

zijn paard om, en reed langzaam naar zijn regiment terug.

Thans had het geregelde leger een nieuwe linie gevormd; de eene flank

er van was gericht naar de zee, en de andere leunde tegen het dorp

Preston. Daar deze stelling dezelfde zwarigheden met betrekking tot den

aanval opleverde, kregen Fergus en het geheele detachement bevel naar

hun vorigen post terug te keeren. Deze verandering veroorzaakte een

daarmede overeenkomstige frontsverandering van het leger van generaal

Cope, zoo dat dit op nieuw in een linie, evenwijdig met die der

Hooglanders, geplaatst werd. Deze aan weerszijde volbrachte bewegingen,

hadden vrij wat tijd vereischt; de dag was bijna verloopen, en de beide

legers maakten zich gereed, om den nacht onder de wapens door te

brengen, in de stellingen, die ze reeds bezet hielden.

„Er zal van avond niets gebeuren,” zeide Fergus tot zijn vriend

Waverley; „laat ons, eer we ons in onzen plaid wikkelen, gaan zien, wat

de Baron, hier in de achterhoede, al zoo uitricht.”

Toen ze zijn post naderden, vonden ze den goeden, ouden, voorzichtigen

Officier, nadat hij zijn nachtpatrouiljes afgezonden, en zijn

schildwachten uitgezet had, bezig voor de rest van zijn volk de

avonddienst der Episcopale Kerk te lezen. Zijn stem was krachtig en

welluidend, en ofschoon de bril op zijn neus, en het voorkomen van

Saunders Saunderson, die in uniform den post van voorzanger waarnam,

iets belachelijks hadden, gaven de gevaarvolle omstandigheden, waarin

ze verkeerden, het militair kostuum van het gehoor, en het gezicht

hunner paarden, die gezadeld en gepiketteerd achter hen stonden, iets

indrukwekkends en plechtigs aan deze godsdienstoefening.

„Ik heb vandaag al gebiecht, eer ge wakker waart,” fluisterde Fergus

Waverley in, „en echter ben ik lang zoo’n stijve Katholiek niet, dat ik

weigeren zou mij te vereenigen met de gebeden van dezen goeden man.”

Eduard knikte toestemmend, en ze wachtten tot de Baron de dienst

geëindigd had.

Zoodra hij het boek dicht deed, zeide hij: „Nu jongens, gaat het er

morgen op los met zware handen en ligte gewetens.” Thans groette hij

vriendelijk Mac-Ivor en Waverley, die verzochten zijn gevoelen omtrent

hun toestand te mogen vernemen. „Welnu! ge weet, dat Tacitus zegt, in

rebus bellicis maxime dominatur Fortuna, hetgeen zoo wat met ons

nationaal spreekwoord overeenkomt: „In den oorlog hangt veel van ’t

geluk af.” Maar gelooft mij, mijne heeren, de man daar tegenover ons is

geen meester in zijn vak. Hij dooft den moed der knapen waarover hij

het bevel voert, uit, door hen alleen verdedigend te laten handelen,

hetwelk op zichzelf altijd minderheid, of vrees te kennen geeft. Nu

zullen ze ginds op hunne wapens rusten, zoo ongerust en ongemakkelijk,

als een pad onder een egge, terwijl onze manschappen volkomen frisch en

vroolijk zullen zijn, als het er morgen op los gaat. – Nu, goeden

nacht! – Eén ding verontrust mij, maar als het morgen goed afloopt, zat

ik u er over spreken, Glennaquoich.”

„Ik kan bijna van Bradwardine zeggen, wat Henry omtrent Fluellen [147]

beweert,” zeide Waverley, terwijl zijn vriend en hij weder naar hun

bivak wandelden:

„Al schijnt hij ook wat ouderwetsch en bot,

Daar ’s overleg en moed in dezen Schot.”

„Hij heeft veel gezien,” hernam Fergus, „en men staat er somtijds

verbaasd over, hoeveel dwaasheid en wijsheid in zijn persoon vereenigd

zijn. Ik begrijp niet, wat hem verontrusten kan – misschien iets Rose

betreffende. Hoor! de Engelschen zetten hun wachten uit.”

Het tromgetroffel en het schelle accompagnement der pijpers liet zich

hooren, verwijderde zich, begon op nieuw en zweeg eindelijk geheel. De

trompetten en pauken voerden vervolgens den schoonen en woesten

oorlogsdeun uit, voor dit gedeelte van den avonddienst bestemd;

eindelijk stierf het geluid weg, alsof het zich met den wind ter ruste

legde.

De beide vrienden, die nu hun post bereikt hadden, bleven een oogenblik

stilstaan en zagen rond, eer ze zich ter rust nedervlijden. In het

westen flikkerden de sterren aan den hemel; maar een koude mist, die

uit den Oceaan oprees, bedekte den oostelijken gezichteinder, en rolde,

in witte wolken over het veld, waar de vijandelijke armee gelegerd was.

De voorposten er van strekten zich uit, tot aan den kant van de breede

sloot, beneden de schuinsche hoogte, en hadden op zekere afstanden

groote vuren ontstoken, die met doffen, donkeren gloed door den dikken

nevel heengloorden, welke ze met een geheimzinnigen kring omsluierde.

De Hooglanders lagen, „dicht als het gebladerte in Valambrosa,”

uitgestrekt op den rug van de heuvels, met uitzondering van de

schildwachten, in de diepste rust verzonken. „Hoe vele van deze brave

kerels zullen, eer het morgenavond is, vaster slapen, Fergus!” zeide

Waverley, terwijl hem onwillekeurig een zucht ontsnapte.

„Daar moet ge niet aan denken,” antwoordde Fergus, die alleen met

krijgshaftige gedachten vervuld was; „gij moet enkel denken aan uw

zwaard, en aan hem, door wien het u gegeven is. Alle andere bedenkingen

komen nu te laat.”

Met het slaapmiddel, in dit onweêrsprekelijke gezegde toegediend,

poogde Eduard het oproer zijner tegenstrijdige gewaarwordingen te

sussen. Het Opperhoofd en hij, brachten hunne plaids bijeen, en maakten

er een gemakkelijk en warm leger van. Callum, aan hun hoofdeinde

gezeten, want het was zijn post onmiddellijk voor den persoon van zijn

chef te waken, begon een lang, treurig gezang in het Gaelsch, met eene

zachte en eentoonige stem, die hen, even als het geluid des winds op

een afstand, weldra in slaap suste.

Waverley(#75933) · 第 101 / 156 题