Toen Waverley dat gedeelte der kolonne bereikt had, hetwelk uit den
clan van Mac-Ivor bestond, hielden ze halt, maakten front, en ontvingen
hem met een zegedeun op de doedelzakken, gevolgd door een luid hoezee
van de manschappen. Een aantal hunner kende hem persoonlijk, en
verheugde zich hem in de kleeding van hun land en van hun stam te zien,
„Ge juicht,” zeide een Hooglander van een naburigen clan tot Evan Dhu,
„alsof het Opperhoofd zoo even bij u gekomen ware.”
„Mar e Bran is e a Brathair, als het Bran niet is, dan is het Brans
broeder” was het spreekwoord dat Maccombich tot antwoord bezigde.
„O, dan is het de knappe Saksische Duinhé-wassel, die trouwen zal met
freule Flora?”
„Dat kan wel zijn, of het kan niet zijn; en dat is mijn zaak, noch de
uwe, Gregor.”
Fergus trad vooruit, om den vrijwilliger te omhelzen, en hem een warm
en hartelijk welkom toe te brengen; maar hij achtte het noodig zich te
verantwoorden omtrent de verminderde sterkte van zijn bataljon (dat
geen twee honderd man te boven ging), door de aanmerking, dat hij een
goed deel zijner manschappen op kleine tochten had uitgezonden.
De waarheid echter was, dat Donald Bean Lean hem van ten minste dertig
geharde knapen had beroofd, op wier dienst hij vast gerekend had; en
een aantal zijner van tijd tot tijd verworven aanhangers waren door
hunne verschillende opperhoofden teruggeroepen tot die standaards,
waaronder zij eigenlijk behoorden. Desgelijks had het mededingend
opperhoofd van den grooten noordelijken tak, ook van zijn clan zijn
volk gemonsterd (ofschoon hij zich nog niet voor het bewind, noch voor
den Prins had verklaard) en door zijn kunstgrepen eenigszins de macht
verkleind, waarmede Fergus te velde trok. Als een vergoeding voor deze
tekortkoming, werd algemeen erkend, dat het volk van Vich Ian Vohr, wat
houding, uitrusting, wapens, en behendigheid, betrof, met de beste
troepen van het geheele leger van Karel Eduard kon wedijveren. De oude
Ballenkeiroch diende als zijn majoor, en ontving, benevens de andere
officieren, die Waverley op Glennaquoich hadden leeren kennen, onzen
held met groote hartelijkheid, als deelgenoot van hunne aanstaande
gevaren en van de eer waarop zij hoopten.
Na het dorp Duddingston verlaten te hebben, volgde de Hooglandsche
armee, een geruimen tijd, den gewonen straatweg tusschen Edinburgh en
Haddington, tot zij te Musselburgh de Esk overstaken; toen zij, in
plaats van de lage gronden naar den zeekant te houden, meer landwaarts
in trokken, en den rand der hoogte, Carberry-heuvel genoemd, bezetten,
een plaats reeds bekend in de Schotsche geschiedenis, als de plek waar
de schoone Maria zich aan haar oproerige onderdanen overgaf. Deze
richting was gekozen, omdat de Prins bericht gekregen had, dat de
troepen van het Bewind den vorigen nacht ten westen van Haddington
gelegerd waren geweest, met oogmerk om naar de zeezijde af te zakken,
en Edinburgh langs den lager kustweg te naderen. Door deze hoogte te
bezetten, die op een aantal plaatsen den genoemden weg bestreek,
hoopten de Hooglanders gelegenheid te vinden om hen met voordeel aan te
vallen. Het leger hield dus halt op den bergrug van Carberry-heuvel,
deels om de soldaten te laten rusten, deels omdat men van hier den
marsch zou kunnen richten naar ieder punt, dat de bewegingen van den
vijand als het meest raadzaam mochten aanwijzen. Terwijl ze aldus
gelegerd waren, kwam er in haast een boodschapper, om te verzoeken dat
Mac-Ivor zich bij den Prins zou vervoegen, en bracht tevens het
bericht, dat hunne voorhoede een schermutseling had gehad met een deel
van des vijands ruiterij, en dat de baron van Bradwardine enkele
gevangenen had opgezonden.
Waverley, die zich voorwaarts, buiten de gelederen begeven had om zijn
nieuwsgierigheid te voldoen, ontdekte spoedig een vijf- of zestal
ruiters, die, met stof bedekt, waren komen aandraven, om te melden dat
de vijand, westwaarts langs de kust, in vollen aantocht was. Nog een
weinig verder, werd zijn oor getroffen door een zacht gekerm, dat uit
een hut voortkwam. Hij naderde de plek, en hoorde een stem, in het
Engelsch dialect van zijn geboorteplaats, die, schoon dikwijls door de
pijn afgebroken, het „Onze Vader” poogde op te zeggen. De stem des
ongeluks vond altijd terstond weêrklank in het hart van onzen held. Hij
trad de stulp binnen, die bestemd scheen voor wat men in de Schotsche
herdersstreken een „ziekenkooi” noemt; en in het duister kon Eduard
vooreerst niets ontdekken, dan in een hoek een soort van rooden bundel.
Zij, die den gekwetste van zijn wapens, en voor een gedeelte van zijn
kleederen hadden beroofd, hadden hem den dragonders mantel gelaten,
waarin hij gewikkeld was.
„Om Gods wil,” steunde de gewonde, toen hij Waverleys stap hoorde,
„geef mij een slokje water!”
„Ge zult het terstond hebben,” antwoordde Waverley, terwijl hij hem
tegelijk in zijn armen oprichtte, hem naar de deur der hut bracht, en
uit zijne flesch te drinken gaf.
„Het is of ik die stem ken,” antwoordde de gewonde; maar, terwijl hij
met een verwilderden blik op Eduards kleeding zag, voegde hij er bij,
„neen dat is toch niet onze jonker!”
Dit was de gewone benaming, voor Eduard op de goederen van
Waverley-Hanour. De stem, die hij zoo even hoorde deed zijn hart
trillen en verlevendigde duizenderlei herinneringen, die het bekende
dialect van zijn landgenoot reeds had helpen ontwaken. „Houghton!” riep
hij, terwijl hij de trekken beschouwde, welke de dood reeds bijna
onkenbaar maakte, „Houghton, is het mogelijk, zijt gij het?”
„Ik had nooit gedacht weêr de stem van een Engelschman te hooren,”
hernam de gekwetste; „zij lieten mij hier liggen om te leven of te
sterven, zoo als het uitkwam, toen ze begrepen, dat ik hun niet wilde
zeggen hoe sterk ons regiment is. Maar, o! mijnheer, hoe kondt ge zoo
lang van ons wegblijven, en ons in verzoeking laten brengen door dien
boosdoener, Ruffin? – wij zouden u, zoo waar, door water en vuur
gevolgd zijn.”
„Ruffin! Ik verzeker u, Houghton, dat hij u allerschandelijkst bedrogen
heeft.”
„Dat heb ik meer dan eens gedacht,” zeide Houghton, „ofschoon zij ons
uw cachet, met het wapen lieten zien; en daarom werd Tims
doodgeschoten, en benam men mij de sergeants-strepen.”
„Put uwe kracht niet uit door spreken,” zeide Eduard, „ik zal u
terstond een dokter bezorgen.”
Hij zag Mac-Ivor naderen, die thans uit het hoofdkwartier terug kwam,
waar hij een krijgsraad had bijgewoond, en zich haastte om hem te
ontmoeten. „Goed nieuws!” riep het Opperhoofd; „wij zullen in minder
dan twee uren slaags zijn. De Prins heeft zich aan het hoofd van den
tocht gesteld, en riep, zijn zwaard trekkende, uit: „Vrienden, ik heb
de schede weggeworpen!” Kom, Waverley, wij breken oogenblikkelijk op.”
„Een oogenblik, – een oogenblik! deze arme gevangene is in
levensgevaar; – waar vind ik een arts?”
„Een arts? Wij hebben er geen, zoo als gij weet, behalve twee of drie
Fransche knapen, die, geloof ik, niet veel meer zijn dan garçons
apothécaires.”
„Maar de man zal dood bloeden!”
„Arme drommel!” zeide Fergus, door een opwelling van medelijden
getroffen, en voegde er oogenblikkelijk weder bij: „Maar dit zal het
lot van duizenden zijn, eer het nacht is; kom dus mede.”
„Ik kan niet; ik zeg u, dat hij de zoon van een boer van mijn oom is.”
„O, zoo hij tot de uwen behoort, moet hij bezorgd worden; ik zal u
Callum Beg zenden; maar Diaoel! – ceadie millia molligheart,” [144]
ging het ongeduldig Opperhoofd voort, – „wat drommel! zendt een oud
soldaat, als Bradwardine, ons stervenden, om ons tot last te zijn?”
Callum kwam met zijn gewone vlugheid toesnellen; en inderdaad,
Waverleys bezorgdheid voor den gewonden man, deed hem veeleer in de
achting der Hooglanders rijzen, dan dat ze hem schaadde. Zij zouden
geen begrip gehad hebben van de algemeene menschenliefde, die het
Waverley onmogelijk zou gemaakt hebben, wien ook in zulk een
jammerlijken toestand voorbij te gaan; maar toen zij vernamen dat hij
een der „zijnen” was, stemden zij algemeen toe, dat Waverleys gedrag
dat was van een vriendelijk en liefderijk Opperhoofd, die de
genegenheid van zijn volk verdiende. Binnen ongeveer een kwartier gaf
de arme Humphrey den geest, na vooraf zijn jongen meester gebeden te
hebben, om zoo hij op Waverley-Honour terug kwam, goed voor den ouden
Job Houghton te zijn, terwijl hij hem bezwoer niet met deze woeste
kortrokken tegen Oud Engeland te vechten.
Toen hij den laatsten snik gegeven had, beval Waverley – die voor het
eerst getuige was van de doodsangsten eens stervenden, en een diep
gevoel van leed niet zonder een zekere gewetensknaging ondervond – aan
Callum, het lijk in de hut te brengen. De jonge Hooglander voldeed
terstond aan dat bevel, zoodra hij eerst de zakken van den overledene
onderzocht had, die echter, zoo als hij aanmerkte, zeer netjes geleêgd
waren. Hij nam evenwel den mantel, en terwijl hij met de
voorzichtigheid van een hond, die een been verstopt, te werk ging,
verborg hij zijn buit onder eenige bremstruiken, en zette een merk
zorgvuldig op de plaats, zeggende, dat, zoo hij dezen weg weêr langs
mocht komen, het een schoone schoudermantel voor zijn oude moeder
Elspat wezen zou.
Eerst na veel inspanning, herwonnen zij hun plaats in de voortrukkende
kolonne, daar zich deze thans tamelijk snel voorwaarts bewoog, om de
hooge gronden boven het dorp Tranent te bezetten, tusschen welk dorp en
de zee het vijandelijke leger heen marscheren moest.
De treurige ontmoeting, die Waverley met zijn voormaligen wachtmeester
gehad had, wekte in zijn ziel een aantal smartelijke en nuttelooze
gedachten op. Uit de bekentenis van den gesneuvelde bleek duidelijk,
dat kolonel Gardiners gedrag nauwkeurig gericht was naar, en zelfs
noodzakelijk gemaakt werd door de in Eduards naam gedane stappen, om
zijn krijgslieden tot muiterij aan te zetten. Nu eerst herinnerde hij
zich de bijzonderheid van het cachet, en dat hij het in het hol van den
roover Bean Lean verloren had. Dat de listige schelm zich er meester
van gemaakt, en het als een middel gebruikt had om een list te smeden
tot bereiking van zijn eigene bijzondere doeleinden, was genoegzaam
bewezen; en Eduard twijfelde thans geenszins meer, of hij zou in het
pakje, door des mans dochter in zijn mantelzak gestoken, verder licht
over diens handelingen verspreid vinden. Te gelijker tijd klonk het
herhaalde malen geuite verwijt van Houghton: „Ach, mijnheer, waarom
verliet gij ons?” hem als een doodsklok in de ooren.
„Ja,” zeide hij, „ik heb jegens u inderdaad met onbedachtzame wreedheid
gehandeld. Ik heb u uw vaderlijk dak doen verlaten, en u beroofd van de
bescherming van een edelmoedigen en minzamen meester; en na u aan de
gestrengheid der krijgstucht onderworpen te hebben, weigerde ik mijn
eigen deel van den last te dragen, en verzuimde de plichten die ik op
mij genomen had, door zoo wel hen, die het mijne zaak was te
beschermen, als mijn eigen goeden naam, bloot te geven aan de listen
van een verrader. O, traagheid en besluiteloosheid! zoo gij al op u
zelve geene ondeugden zijt, tot welke ellende baant gij niet menigmaal
den weg!”