DE MARSCH.

Het was laat toen Waverley naar huis terugkeerde, en de uitputting door

de hartstochten die elkander in zijn hart bekampten, en door de

ondervondene aandoeningen veroorzaakt, stortte hem in een diepen maar

gezonden slaap. Zijn droomen brachten hem naar Glennaquoich, en in de

zalen van Ian nan Chaistel, meende hij aan het feest, deel te nemen,

dat zoo pas op Holyrood had plaats gehad. Ook het geluid der zakpijp

hoorde hij duidelijk; en dit ten minste was geen bedrog; want „de

trotsche stap van den voornaamsten pijper” van den clan Mac-Ivor deed

zich op het plein, en wel voor de deur des verblijfs van zijn

Opperhoofd hooren, en, gelijk vrouw Flockhart die blijkbaar geene

vriendin van zijn muziek was, goedvond aan te merken, „deed de steenen

uit den muur springen met zijn gegil.” Bij gevolg werd dat geluid

spoedig sterk genoeg om Waverleys droom te verjagen, waarmede het zich

eerst op een harmonische wijze had vereenigd.

Het geluid van Callums voetstappen in zijn kamer, (want Mac-Ivor had

Waverley wederom aan diens oppassing aanbevolen) was het tweede teeken

tot het vertrek. „Wil Mijnheer,” zeide hij, „niet opstaan? Vich Ian

Vohr en de Prins zijn reeds vertrokken naar het lange groene dal achter

de buurt, die zij des Konings Park noemen [140], en er is een groote

menigte volks op de been, dat eer het nacht wordt door andere beenen

weggedragen zal worden.”

Waverley sprong terstond op, en bracht, met Callums hulp, zijn

Bergschotsche kleeding in behoorlijke orde. Callum berichtte hem

tevens, dat de pakwagen een lederen en van een slot voorzien ding

medegebracht had, dat op nieuw bij de bagaadje van Vich Ian Vohr en op

diens wagen bezorgd was.

Waverley begreep uit deze beschrijving dat Callum van zijn mantelzak

sprak. Hij dacht terstond aan het geheimzinnige pakje van het meisje

uit het dal, dat hem altijd scheen te ontgaan, juist als het binnen

zijn bereik was. Maar het was thans geen tijd om zijn nieuwsgierigheid

te voldoen; en na vrouw Flockharts beleefd aanbod van een morgengroet,

dat is een morgenslok te hebben afgeslagen, hetgeen, uitgezonderd hij,

wellicht geen enkel man in het leger van den Prins zou hebben

afgewezen, nam hij afscheid en vertrok met Callum.

„Callum,” zeide hij, terwijl ze over een modderig stuk land gingen, om

de voorstad van Canongate te bereiken, „hoe zal ik aan een paard

komen?”

„Daar moet gij niet aan denken,” hernam Callum, „Vich Ian Vohr trekt te

voet op aan het hoofd van zijn volk, (om niet te spreken van den Prins,

die hetzelfde doet) met zijn schild op den schouder, en gij dient wel

naast hem te gaan.”

„Best, Callum! geef mij mijn schild. – Zoo, nu zijn wij klaar. – Hoe

staat het mij?”

„Als de brave Hooglander, die op het uithangbord voor de groote herberg

van Luckie Middlemass staat uitgeschilderd,” antwoordde Callum,

waarmede hij, zooals men begrijpen zal, een fraai compliment bedoelde;

want, volgens zijn gevoelen, was het uithangbord van Luckie Middlemass

een uitnemend kunststuk. Maar Waverley, die de volle kracht zijner

beleefde vergelijking niet gevoelde, deed hem geene verdere vragen.

Nadat zij de armoedige en vuile buitenwijken der hoofdstad

doorgeworsteld, en in de open lucht gekomen waren, gevoelde Waverley

zoowel zijn krachten als zijn moed verjongd; hij bepaalde zijne

gedachten kalm bij de gebeurtenissen van den vorigen avond, en vestigde

ze vol hoop en welberadenheid op die van den naderenden dag.

Toen hij een kleine, steenachtige hoogte, St. Leonards heuvel geheeten,

beklommen had, lag het Konings Park, of het dal hetwelk zich tusschen

„Arthur’s zetel” en de helling, waarop het zuidelijk gedeelte van

Edinburgh thans gebouwd is, aan zijn voeten, en leverde een vreemd en

opwekkend tooneel op. Het was bezet door het leger der Hooglanders, die

nu bezig waren met zich tot de marsch gereed te maken. Waverley had

reeds iets van dezen aard gezien bij de jachtpartij, die hij met Fergus

Mac-Ivor had bijgewoond, maar het tegenwoordige was op een veel grooter

schaal, en oneindig belangrijker. De rotsen, die den achtergrond van

dit tooneel uitmaakten, en de lucht zelve, weêrgalmden van den klank

der doedelzakspelers waarvan ieder met zijn instrument, zijn opperhoofd

en zijn clan tot den strijd opriep. De Bergschotten, die van hun leger

onder den blooten hemel oprezen, met veel geraas en als een verwarde en

ongeregelde menigte door elkaar krioelden even als bijen, die, in haar

korven verontrust, zich tot den uitval voorbereiden, schenen al de

vlugheid van geest en ligchaam te bezitten, die tot het uitvoeren van

militaire bewegingen vereischt zijn. Wat zij deden, scheen zonder

overleg en verward te zijn; maar zooveel orde en regelmatigheid

ontstonden daaruit dat een veldheer de uitkomst moest geprezen hebben,

al mocht een drilmeester ook lachen om de wijze, waarop men er toe

geraakte.

Deze ingewikkelde beweging, waardoor de verschillende clans weldra

onder haar bijzondere banieren gerangschikt werden, om in marschorde te

geraken, schonk op zichzelf een vroolijk en levendig schouwspel. Ze

hadden geen tenten op te ruimen, daar ze algemeen, en bij voorkeur, in

het open veld geslapen hadden, ofschoon het al laat in den herfst werd,

en het des nachts nog al begon te vriezen [141]. Een tijd lang, en

terwijl ze zich ordenden, zag men ieder oogenblik een golvende en

verwarde beweging van vlottende en in den wind fladderende pluimen en

banieren, die de trotsche leuze van Clanronald: „Ganion Coheriga” –

(spreek tegen, wie durft!) „Loch-Sloy” het wachtwoord der Mac-Farlanes;

– „Forth, fortune and fill the felters,” (Voorwaarts, fortuin, en vele

gevangenen!) het motto van den Markies van Tullibardine; „Bydand,”

(Ferm!) dat van Lord Lewis Gordon, en de leuzen en teekens van

verscheidene andere opperhoofden en clans te lezen gaven.

Eindelijk werd deze bonte en wemelende menigte tot eene smalle en

dichte kolonne van groote lengte geschikt, die zich langs de geheele

vallei uitstrekte. Aan het hoofd der kolonne woei de standaard uit van

den Prins met een rood kruis op een wit veld en het motto „Tandem

Triumphans.” [142] De weinige ruiterij, die voornamelijk uit

Laaglandsche heeren, met hunne huisbedienden en meiers bestond, maakte

de voorhoede van het leger uit, en hare vaandels, waarvan zij wat het

aantal betreft overvloedig voorzien was, zag men aan den uitersten rand

des gezichteinders wapperen. Verscheidene leden van dit korps, onder

welke Waverley toevallig Balmawhapple, en zijn luitenant Jinker

opmerkte, (welke laatste echter, met verscheidene anderen, volgens

advies van den Baron van Bradwardine, teruggebracht was tot den stand

van „overcomplete officieren” zooals hij hen noemde,) droegen bij tot

de levendigheid, ofschoon geenszins tot het geregelde van het tooneel,

daar ze met hunne paarden, zoo veel het gedrang dit maar toeliet,

vooruitdraafden om hunne plaats bij de voorhoede in te nemen. De

betooveringen der Circe’s uit de Hoogstraat, en de sterke drank,

waarmede ze gedurende den nacht waren gelaafd, hadden waarschijnlijk

deze helden wat langer binnen de muren van Edinburgh opgehouden, dan

met hun plicht en dienst bestaanbaar was. Van zulke achterblijvers

namen de voorzichtigsten den langsten en meest omloopenden, maar wel

zoo vrijen weg, om hunne plaats, volgens de marschorde, te bereiken,

door zich op een afstand te houden van het voetvolk, en zich een pad te

banen door de tuinen ter rechterhand, waartoe ze slechts de moeite

hadden te nemen om de losse steenen afscheidingen over te springen of

neêr te rukken. Het onregelmatig opdagen en verdwijnen van deze kleine

afdeelingen, zoo wel als de verwarring, te weeg gebracht door hen, die,

schoon meestal vruchteloos, in weerwil van vloeken, verwenschingen en

tegenstand, door de menigte der Hooglanders naar het front poogden te

dringen, vergoedden door de schilderachtige woestheid van het tooneel

wat door gemis aan militaire regelmatigheid daaraan ontnomen werd.

Terwijl Waverley op dit merkwaardig schouwspel staarde, hetwelk nog

indrukwekkender werd door de kanonschoten, die nu en dan uit het

kasteel op de Hooglandsche wachten werden gedaan, wanneer deze uit de

nabijheid afgelost werden, om zich bij hun hoofdkorps te voegen,

herinnerde hem Callum, met zijne gewone vrijmoedigheid van spreken, dat

Vich Ian Vohrs volk bijna aan het hoofd van de kolonne was, en dat ze

„onder het kanonvuur zeer snel optrekken zouden.” Aldus aangespoord,

stapte Waverley sneller voorwaarts, hoewel hij dikwijls een blik wierp

op de dichte drommen van krijgslieden, die vóor en achter hem verzameld

waren. Als men het meer van nabij bezag, leverde het leger echter een

eenigzins minder indrukwekkend gezicht op, dan uit de verte. Zij die

aan de spits van iederen clan voorttrokken, waren goed met sabel,

schild en geweer gewapend, waarbij allen den dolk en de meesten het

pistool voegden. Maar deze bestonden uit heeren, dat is bloedverwanten

van het opperhoofd, schoon dan ook in verwijderden graad, die eene

onmiddellijke aanspraak op zijne bescherming en bijstand hadden.

Schooner en geharder manschappen zouden er bezwaarlijk te vinden zijn

geweest in eenig leger ter wereld; en de vrije onafhankelijke houding

van elk hunner, die echter zoo goed geleerd hadden ondergeschikt te

blijven aan het bevel van hun Opperhoofd, benevens de bijzondere soort

van krijgstucht, bij de Hooglanders op hunne veldtochten ingevoerd,

maakten hen even geducht wegens hun persoonlijken moed en hun gevoel

van eigenwaarde, als wegens hunne beredeneerde overtuiging van de

noodzakelijkheid, om eendrachtig te handelen, en daardoor aan hunne

nationale wijze van aanval de beste kans van welslagen te verzekeren.

Maar in een lageren rang dan dezen, werden lieden gevonden van een

mindere soort, de boeren van het Hoogland, die, ofschoon ze niet zoo

genoemd wilden worden, en dikwijls, met een schijn van recht beweerden

van ouder geslacht te zijn dan de heeren die ze dienden, echter de

liverei droegen der uiterste armoede, daar ze op allerlei wijze

toegerust, slecht gewapend, half naakt, klein van persoon waren, en een

ellendig voorkomen hadden. Iedere clan van belang had eenige dezer

Heloten in zijn gevolg. – Zoo waren de Mac-Couls, ofschoon ze hunne

afkomst van Comhal, den vader van Finn, of Fingal rekenden, een soort

van Gibeoniten, of erfelijke slaven der Stuarts van Appine. De

Macbeths, afstammende van den ongelukkigen koning van dien naam, waren

onderdanen van de Morays en van den clan Donnochy, of van de Robertsons

van Athole. Nog een aantal andere voorbeelden zouden kunnen worden

bijgebracht, indien ik niet vreesde den licht nog bestaanden trots van

het Clanschap te kwetsen, en dus een Hooglandsch onweder over den

boekwinkel van mijn uitgever te brengen. Nu waren deze zelfde Heloten,

ofschoon naar het slagveld gedreven door het willekeurig gezag der

Opperhoofden, onder wie zij hout hakten en water droegen, in het

algemeen zeer slecht gevoed, en gekleed en nog slechter gewapend. De

laatste omstandigheid was voorzeker hoofdzakelijk toe te schrijven aan

het door het bewind uitgevaardigde bevel tot algemeene ontwapening, dat

schijnbaar zeer streng door het geheele Hoogland was ten uitvoer

gelegd, hoewel het de meeste opperhoofden gelukte om de zaak te

ontduiken, door de wapenen van hunne onmiddellijke clanslieden te

behouden, en die van mindere waarde, bij deze geringere satellieten

opgezameld, uit te leveren. Een natuurlijk gevolg hiervan was, dat,

gelijk wij reeds te kennen gaven, een aantal dezer arme menschen in een

allerellendigsten toestand te velde moesten trekken.

Terwijl dus de voorhoede van een clan bestond uit manschappen op hunne

wijze, wonderlijk goed gewapend, scheen de achterhoede daarentegen uit

wezenlijke bandieten te bestaan. De een was met een strijdbijl, de

ander met een sabel zonder schede gewapend; hier zag men een roer

zonder slot, daar een mes stevig aan een stok gebonden; sommige hadden

ook niets dan hunne dolken en stokken, of uit de heg gesneden knuppels.

Het grimmige, havelooze en woeste voorkomen dezer lieden, waarvan de

meesten met al de verbazing der onwetendheid, de meest gewone

voortbrengselen van het maatschappelijke leven aangaapten, verwekte

opzien in de Laaglanden, maar verspreidde er tegelijkertijd den schrik.

Zoo weinig zelfs waren op dat tijdstip de Hooglanden nog bekend, dat

het karakter en voorkomen van hun bevolking, die op deze wijze als

militaire avonturiers zich vertoonden, bij de zuidelijke Laaglanders

geen mindere verbazing wekten, dan een inval van Afrikaansche Negers of

Eskimo’s, uit de noordelijke gebergten van Schotland komende, zou

gedaan hebben. Het kan dus geen verwondering baren, dat Waverley, die

tot hiertoe de Hooglanders in het algemeen beoordeeld had naar

diegenen, welke Fergus had geraden geacht hem van tijd tot tijd te doen

zien, ongerust en angstig gestemd werd, als hij dacht aan de roekelooze

onderneming van een legerkorps, dat geen vierduizend man sterk, en

waarvan de helft op zijn best gewapend was, om een ommekeer te brengen

in het lot van het Britsche rijk en het regeerende Huis door een ander

te doen vervangen.

Terwijl hij langs de kolonne voorttrok, welke zich nog niet in beweging

had gesteld, werd een ijzeren kanon, het eenige stuk geschut van een

leger dat zulk een belangrijke omwenteling op het oog had, afgevuurd

als het signaal tot den marsch. De Prins had den wensch te kennen

gegeven, om dit nutteloos stuk geschut achterwege te laten; maar, tot

zijn verbazing, smeekten de Hooglandsche Opperhoofden hem vurig, dat

het hen op hun tocht mocht vergezellen, terwijl ze zich berispen op de

vooroordeelen hunner volgelingen, die, weinig aan artillerie gewoon,

een belachelijk gewicht aan dit veldstuk hechtten, en verwachtten dat

het wezenlijk zou bijdragen tot een overwinning, die zij, inderdaad,

niet konden hopen alléen met hunne eigene geweren en zwaarden te

behalen. Twee of drie Fransche kanonniers waren dus aangewezen om dit

krijgswerktuig te besturen, hetwelk door een span Hooglandsche hitten

werd voortgetrokken, en, ten slotte, alleen maar gebruikt werd om

seinschoten te doen. [143]

Zoodra dan het schot bij deze gelegenheid gehoord werd, kwam de geheele

linie in beweging. Een woeste vreugdekreet der voorttrekkende bataljons

kliefde de lucht, en werd vervolgens opgelost in den schrillen toon der

doedelzakken, gelijk het geluid van deze, op hare beurt, bijna

uitgedoofd werd door den zwaren stap van zoo vele manschappen, die zich

te gelijk in beweging zetten. De vaandels schitterden en wapperden, en

de ruiterij haastte zich om hare plaats als voorhoede in te nemen, en

kleine afdeelingen op verkenning uit te zenden, ten einde de bewegingen

van den vijand gade te slaan en daarvan verslag te doen. Ze verdwenen

uit Waverleys oog, toen ze het voetpad van „Arthurs zetel” insloegen,

onder den merkwaardigen rand van basaltrotsen, tegenover het kleine

meer van Duddingston.

De infanterie volgde in dezelfde richting, terwijl ze haar pas naar een

ander korps regelde, dat een meer zuidelijken weg volgde. Eduard was

verplicht al zijn krachten in te spannen, om dat gedeelte der kolonne

te bereiken, waar Fergus en zijn manschappen zich bevonden.

Waverley(#75933) · 第 97 / 156 题