Vaandrig Maccombich vertrok naar het Hooglandsche kamp, werwaarts zijn
plicht hem riep; de rentmeester Mackwheeble verwijderde zich, om zijn
middagmaal te verteeren en als het kon ook Evan Dhu’s bedreiging van
toepassing der krijgswet, in een of andere afgelegen kroeg, terwijl
Waverley, de Baron en het Opperhoofd zich naar Holyrood-House begaven.
De beide laatsten waren in een alleropgeruimdste stemming, en de Baron,
op zijn wijze, plaagde onzen held over zijn uiterlijk, hetwelk de
nieuwe kleeding zoo voordeelig deed uitkomen. „Als gij een of ander
plan hebt tegen het hart van een aardig Schotsch meisje, zou ik u
raden, als gij aanzoek bij haar doet, aan de woorden van Virgilius te
denken:
Nunc insanus amor duri me Martis in armis,
Tela inter media atque adversos detinet hostes.
welke verzen Robertson van Struan, Opperhoofd van den clan Donnochy. –
tenzij de aanspraak daarop door Lude gemaakt de voorkeur moet hebben –
heel sierlijk vertaald heeft.”
„Luister liever naar mijn lied,” zeide Fergus.
„Zij was niet gesteld op een Engelsch heer,
Een Engelsche dame ook en wou ze niet wezen,
Maar onder den plaid van Duncan Grame,
Dien zij er zich uit had gelezen,
Vertrok zij, en scheen niets te vreezen.”
Thans bereikten zij het paleis van Holyrood, en werden, toen ze de
vertrekken binnentraden, een voor een aangediend.
Het is maar al te wel bekend, hoe vele heeren van rang, opvoeding en
fortuin, deel namen aan de noodlottige en wanhopige onderneming van
1745. Desgelijks kozen ook de Schotsche dames zeer algemeen de partij
van den beminnelijken en schoonen jongen Prins, die zich in de armen
zijner deelnemende landslieden wierp, meer als een romanheld, dan als
een wijze staatsman. Het is dus niet te verwonderen, dat Eduard, die
het grootste gedeelte van zijn leven in de stille en statige
afzondering van Waverley-Honour had doorgebracht, verblind werd door de
levendigheid en de bevallige pracht van het tooneel, hetwelk de lang
verlatene zalen van het Schotsche paleis thans opleverden. De bijzaken,
het is waar, misten den noodigen luister, wegens de kortheid en de
onrust van den tijd; maar dit belette niet, dat de algemeene indruk
treffend was en zelfs schitterend mocht genoemd worden door den rang,
dien het daar verzamelde gezelschap bekleedde.
Het duurde niet lang, of des minnaars oog ontdekte het voorwerp zijner
liefde. Flora Mac-Ivor was juist bezig naar hare plaats terug te
keeren, dicht aan het boveneinde van de zaal, met Rose Bradwardine aan
haar zijde. In weerwil van het talrijke en luisterrijke gezelschap,
hadden zij bijna de algemeene aandacht getrokken, daar ze ongetwijfeld
twee van de schoonste der aanwezige vrouwen waren. De Prins maakte veel
werk van beiden, bijzonder van Flora, met wie hij danste: een voorkeur,
die zij waarschijnlijk aan haar buitenlandsche opvoeding en vaardigheid
in de Fransche en Italiaansche talen te danken had.
Toen het algemeene gewoel, dat het einde van een dans gewoonlijk
vergezelt, het toeliet, volgde Eduard, bijna werktuiglijk, Fergus naar
de plaats, waar Flora gezeten was. De hoop, waarmede hij zijn
genegenheid gedurende de afwezigheid van het beminde voorwerp had
gevoed, scheen in hare tegenwoordigheid te verdwijnen, en gelijk
iemand, die zich inspant om zich de bijzonderheden van een vergeten
droom te herinneren, zou hij op dat oogenblik alles ter wereld gegeven
hebben, om in het geheugen de gronden terug te roepen, waarop hij
verwachtingen had gebouwd, die nu zoo ijdel en nietig schenen. Hij
volgde Fergus met nedergeslagen oogen, gonzende ooren en het gevoel van
een misdadiger, die, terwijl hij langzaam door de menigte henentreedt,
welke vergaderd is om de voltrekking van zijn vonnis te zien, geen
duidelijke bewustheid heeft, noch van het geraas dat zijn ooren treft,
noch van het rumoer der menigte, waarover hij zijn verwilderde oogen
laat rondwaren.
Flora scheen een weinigje – een klein weinigje – getroffen en ontroerd
bij zijn nadering. „Ik breng u een aangenomen zoon van Ivor,” zeide
Fergus.
„En ik ontvang hem als een tweeden broeder,” antwoorde Flora.
Er lag een ligte nadruk op het woord, die ieder oor zou ontgaan zijn,
uitgenomen dat, hetwelk door koortsige vrees overmeesterd was. De toon
was echter bepaald aangegeven en volkomen in overeenstemming met haar
houding, en gaf blijkbaar te kennen: „Ik zal nooit aan den heer
Waverley denken in eenige andere betrekking.” Eduard verstomde, boog en
zag naar Fergus, die zich op de lippen beet, – een beweging van toorn,
die bewees, dat hij insgelijks een ongunstige verklaring gaf aan de
wijze, waarop zijn zuster zijn vriend had ontvangen. „Ziedaar dan het
einde van mijn wakenden droom!” Dit was Waverleys eerste gedachte, en
ze was zoo bij uitstek pijnlijk, dat ze hem voor een oogenblik
doodsbleek maakte.
„Genadige Hemel!” riep Rose Bradwardine, „hij is nog niet hersteld!”
Deze woorden, welke ze met groote aandoening uitte, werden door den
Prins zelven gehoord, die haastig vooruit trad, en, Waverley bij de
hand vattende, vriendelijk naar zijn welstand vernam, en er bijvoegde
dat hij hem wenschte te spreken. Door een krachtige en plotselinge
inspanning die de omstandigheden noodzakelijk maakten, werd Waverley
zichzelven in zoo verre meester, dat hij den Prins zwijgend kon volgen
naar een afgelegen hoek van het vertrek.
Hier hield de Prins hem eenigen tijd op, terwijl hij een aantal vragen
tot hem richtte over de groote Tory- en Katholieke familiën in
Engeland, haar betrekkingen, haar invloed en haar gehechtheid aan het
huis van Stuart. Op deze vragen had Eduard ten allen tijde niet anders
dan algemeene antwoorden kunnen geven; en men kan gemakkelijk nagaan
dat, in zijn tegenwoordige gemoedsgesteldheid, deze berichten tot
verwardheid toe onnauwkeurig waren. De Prins glimlachte een paar malen
over zijn ongerijmde antwoorden, maar zette hetzelfde onderhoud voort,
ofschoon hij zich gedwongen vond zelf de voornaamste rol op zich te
nemen, tot op het oogenblik waarin hij bespeurde, dat Waverley zijn
tegenwoordigheid van geest had herwonnen. Het is waarschijnlijk dat
deze lange audiëntie gedeeltelijk ten doel had om de meening te
versterken, welke de Prins zoo vurig verlangde onder zijn aanhangers te
zien bevorderd, dat Waverley iemand was van grooten staatkundigen
invloed. Maar het bleek uit hetgeen hij later zeide, dat hij nog een
andere beweegreden gehad had, om dit gesprek te rekken, een geheel
verschillende reden, en wel een die van toegenegenheid vóor en
belangstelling in onzen held getuigde. „Ik kan de verzoeking niet
weêrstaan,” zeide hij, „om op mijn voorzichtigheid te roemen, als de
vertrouwde van een schoone dame. Gij ziet, mijnheer Waverley, dat ik
alles weet, en ik verzeker u, dat ik levendig belang stel in deze zaak.
Maar, mijn beste jonge vriend, ge moet uw gevoelens beter weten te
beteugelen. Er zijn hier een aantal lieden, wier oogen even helder zien
als de mijne, maar op wier voorzichtigheid en stilzwijgendheid men niet
zoo goed vertrouwen kan.”
Dit zeggende, keerde hij zich zonder gemaaktheid naar elders, terwijl
hij Waverley achterliet om over zijn laatste woorden na te denken. Zoo
deze woorden voor hem niet geheel verstaanbaar waren, waren ze toch
voldoende om hem het noodzakelijke der hem aanbevolen voorzichtigheid
te doen inzien, en terwijl hij dus een poging deed, om zich de
belangstelling waardig te toonen, welke zijn nieuwe meester voor hem
aan den dag had gelegd, door oogenblikkelijk diens wenk te gehoorzamen,
wandelde hij op naar de plaats, waar Flora en Freule Bradwardine nog
gezeten waren, en na de laatste gegroet te hebben, slaagde hij boven
zijn verwachting er in om over onverschillige zaken met beide in
gesprek te komen.
Zoo gij, waarde lezer, ooit in het geval geweest zijt om postpaarden te
nemen te ***, of te ****, (een van welke blancos, of waarschijnlijk
alle twee, ge wel in staat zult zijn met een of ander poststation in
uwe nabuurschap in te vullen) dan moet gij, en waarschijnlijk met
deelnemende smart, den pijnlijken angst hebben opgemerkt, waarmede de
arme dieren hunne geschaafde halsen in de hamen van het tuig steken.
Maar, wanneer de onweêrstaanbare aandrang van den postiljon hen
gedwongen heeft een halfuurtje af te leggen, zullen ze verhard worden
tegen dat gevoel, en „warm in het tuig geworden”, gelijk genoemde
postiljon zich zal uitdrukken, zullen ze voortdraven, als of hunne
schoften gaaf en onbezeerd waren. Deze vergelijking past zoo volkomen
op den toestand van Waverleys gewaarwordingen, in den loop van dezen
merkwaardigen avond, dat ik haar de voorkeur geef (en dat te meer,
dewijl zij, naar ik vertrouw, geheel oorspronkelijk is) boven iedere
schitterende opheldering, die Byshe’s „Kunst der Poëzy” mij zou kunnen
opleveren.
Inspanning vindt, even als de deugd, hare belooning in zichzelve; en
onze held had bovendien nog andere beweegredenen, om een gemaakte
bedaardheid en onverschilligheid omtrent Flora’s onvriendelijk gedrag
aan den dag te blijven leggen. De hoogmoed kwam hem spoedig te hulp,
door op de wonden van zijn hart zijn bijtend maar heilzaam geneesmiddel
aan te wenden. Kon of mocht hij, onderscheiden door de gunst van een
Prins; bestemd, gelijk hij reden had te hopen, om een aanzienlijke rol
te spelen in de omwenteling, welke een machtig koningrijk wachtte;
waarschijnlijk uitmuntende in kundigheden boven, en ten minste gelijk
staande in persoonlijke hoedanigheden met de meeste edele en
aanzienlijke personen, waaronder hij zich thans bevond, jong, rijk en
hoog geboren; kon, of mocht hij (zeggen wij) kwijnen onder de
minachtende blikken eener grillige schoone?
„O nimf, zoo onbuigzaam en koud als graniet;
Mijn hart is zoo trotsch als het uwe.”
De in deze regels uitgedrukte gewaarwordingen die toenmaals echter nog
niet geschreven waren [138] brachten Waverley er toe om al zijne
pogingen aan te wenden, ten einde Flora te doen gevoelen, dat hij er de
man niet naar was zich door een afwijzing te laten ter nederslaan,
waarbij zijn ijdelheid hem influisterde, dat hare uitzichten er niet
minder onder leden, dan de zijne. En om deze verandering in zijn
gevoelens te versterken, kwam hem de stille en door hemzelven niet
erkende hoop te hulp, dat zij er toe mocht komen om zijn genegenheid op
hooger prijs te stellen, wanneer zij niet meer van meening was dat het
altijd in hare macht stond die aan te moedigen, of af te wijzen. Er was
ook een geheimzinnige soort van bemoediging in des Prinsen woorden,
ofschoon hij vreesde dat ze alleen betrekking hadden op Fergus’
wenschen, wat eene vereeniging tusschen hem en zijn zuster betrof. Maar
de omstandigheden, de tijd, de plaats, alles liep samen om tegelijk
zijn verbeelding op te wekken, en een manhaftige en standvastige
houding van hem te vorderen, terwijl hij het aan het noodlot overliet
om de uitkomst te regelen. Daarenboven, als hij alléén droevig en
ontmoedigd scheen op den avond voor een veldslag, welke wapenen zou hij
dan niet verschaffen aan den laster, die zich reeds maar al te zeer met
zijn goeden naam had bemoeid! „Neen, neen,” zeide hij tot zichzelven,
„ik zal hier mijn vijanden, wier haat door mij nooit is uitgelokt, geen
gelegenheid geven, om zulk een voordeel boven mij te verkrijgen.”
Toegevende aan den invloed dezer gemengde aandoeningen, en nu en dan
aangemoedigd door een lachje van verstandhouding en goedkeuring, zoo
vaak de Prins de groep voorbijkwam, riep Waverley al zijn luim,
levendigheid en welsprekendheid te hulp, en verwierf zich de algemeene
bewondering van het gezelschap. Het onderhoud nam langzamerhand den
toon aan, die het meest geschikt, was voor de ontwikkeling zijner
talenten en kundigheden. De vroolijkheid van den avond werd eer
verhoogd dan gestoord door de naderende gevaren van den volgenden dag.
Alle zenuwen waren gespannen over de toekomst, en voorbereid om het
tegenwoordige te genieten. Deze zielsgesteldheid is ten hoogste gunstig
tot het oefenen der vermogens van de verbeelding, voor de poëzij, en
voor die welsprekendheid, welke zoo nauw aan de poëzij verwant is.
Waverley bezat, gelijk wij elders opmerkten, bij tijden een ongemeene
welbespraaktheid; en bij deze gelegenheid deed hij meer dan eens de
hoogere toonen des gevoels trillen, terwijl hij dan weder tot een wild
spel van geestige aardigheden afdaalde. Hij werd ondersteund en
opgewekt door bevriende geesten, die denzelfden prikkel van den tijd en
de gemoedsstemming ondervonden, en zelfs zij, wier aard voor koud en
berekenend gehouden werd, werden medegesleept door den stroom.
Verscheidene dames weigerden deel te nemen aan den dans, al duurde deze
nog steeds voort, en voegden zich, onder verschillende voorwendsels,
bij het gezelschap, waaraan „de knappe jonge Engelschman” zich scheen
verbonden te hebben. Hij werd aan een aantal lieden van den hoogsten
rang voorgesteld, en zijn manieren, welke voor het oogenblik geheel
vrij waren van de beschroomde stijfheid, waaronder ze bij mindere
opwekking, leden, verwierven de algemeene goedkeuring.
Flora Mac-Ivor scheen het eenige daar tegenwoordige vrouwelijk wezen te
zijn, dat hem met een zekere mate van koelheid en terughouding
beschouwde; doch ook zij kon een soort van bewondering niet
onderdrukken bij het ontdekken van talenten, welke zij hem, in den loop
hunner kennismaking, nooit zoo luisterrijk en gelukkig had zien
ontwikkelen. Ik weet niet, of ze niet misschien een oogenblik spijt
gevoelde een besluit genomen te hebben omtrent het aanzoek van een
minnaar, die zoo uitstekend geschikt scheen een eerste plaats in de
hoogste rangen der maatschappij te bekleeden. Zeker had ze tot hiertoe
onder Eduards ongeneeselijke gebreken die mauvaise honte gerekend,
waaraan ze, daar zij in de hoogste kringen aan een vreemd hof opgevoed,
en weinig met de stijfheid der Engelsche zeden bekend was, het
denkbeeld hechtte van een beschroomdheid, die zelfs in zwakheid
ontaardde. Maar, zoo er een vluchtige wensch bij haar opkwam, dat
Waverley zich altijd zoo beminnelijk en aantrekkelijk mocht hebben
voorgedaan, was dit toch slechts de opwelling van een oogenblik; want
er hadden zich, sedert ze elkander hadden gezien, omstandigheden
opgedaan, welke, in haar oog, het besluit, dat ze omtrent zijn aanzoek
genomen had, beslissend en onherroepelijk maakten.
Door geheel tegenovergestelde gevoelens overmeesterd, luisterde Rose
Bradwardine met geheel haar ziel naar hem. Zij gevoelde een heimelijke
zegepraal, bij de algemeene schatting aan iemand betaald, wiens
verdiensten ze maar al te vroeg en te hoog had leeren schatten. Zonder
den minsten zweem van ijverzucht, zonder eenig gevoel van vrees, smart
of twijfel, niet verontrust door een enkele baatzuchtige gedachte, gaf
ze zich over aan het genot van de algemeene toejuiching waar te nemen.
Als Waverley sprak, hoorde ze niet anders dan zijn stem; wanneer
anderen antwoordden, vestigde haar oog zich nog op hem, om geen enkel
zijner antwoorden te missen. Misschien was het geluk, dat ze in den
loop van dien avond smaakte, hoewel voorbijgaand, en door veel gevolgd,
in zijn aard het zuiverste en onbaatzuchtigste, dat de mensch in staat
is te genieten.
„Baron,” zeide de Prins, „ik zou mijne beminde in het gezelschap van uw
jongen vriend niet vertrouwen. Hij is inderdaad, ofschoon wat romanesk,
een der betooverendste jonge lieden, die ik ooit gezien heb.”
„En op mijne eer, Prins,” zei de Baron, „onze vriend kan soms zoo dof
zijn, als een zestiger, gelijk ik; indien Uwe Koninklijke Hoogheid hem
had zien droomen en druilooren langs de heuvelen van Tully-Veolan, als
een hypochonder, of, gelijk het in Burtons Anatomie heet, een
Phreneticus of Lethargicus, zoudt gij u gewis verwonderen, van waar hij
al deze fraaie praat en vroolijkheid en scherts zoo spoedig gehaald
heeft.”
„Het is waar,” zeide Fergus Mac-Ivor, „mij dunkt, het kan alleen de
ingeving van de „tartans” zijn; want ofschoon Waverley altijd een man
van eer is, heb ik hem tot nu toe meestal zeer verstrooid en
onoplettend in gezelschap gevonden.”
„Wij hebben dus nog te meer verplichting aan hem,” zei de Prins, „dat
hij tot voor dezen avond hoedanigheden heeft verborgen gehouden, welke
zelfs zijn gemeenzame vrienden niet in hem hebben kunnen ontdekken. –
Maar, komt, heeren, de avond gaat voorbij en wij moeten bij tijds op de
bezigheden van morgen bedacht zijn. Ieder zorge voor zijn gezelschap,
en doe eer aan een klein feestmaal dat ik u aanbied.”
Hij ging hen voor naar een andere reeks van vertrekken, en zette zich
in den leuningstoel, onder een verhemelte, aan het hoofd eener lange
rij van tafels, met een waardigheid en hoffelijkheid tevens, welke aan
zijn hooge geboorte en grootsche bedoelingen volkomen betaamden.
Nauwelijks was er een uur verloopen, of de muzikanten lieten het in
Schotland zoo wel bekende sein tot vertrek hooren. [139]
„Goeden nacht dan,” zeide de Prins, opstaande; „goeden nacht dan, en
zij de vreugde met u allen! – Goeden nacht, schoone dames, die ten
verjaagden en gebannen Prins zoo hoogelijk hebt vereerd. – Goeden
nacht, mijn dappere vrienden. – Moge het geluk, dat wij heden avond
genoten hebben, een voorteeken zijn van onze spoedige en zegevierende
terugkomst in dit ons voorvaderlijk verblijf, en van vele, zeer vele
vroolijke bijeenkomsten in het paleis van Holyrood!”
Als de baron van Bradwardine later dit afscheidswoord van den Prins
vermeldde, liet hij nooit na, op droefgeestigen toon, te herhalen:
„Audiit, et voti Phœbus succedere partem
Mente dedit; partem volucres dispersit in auras;”
hetwelk, zoo als hij er bijvoegde, vrij goed is weêrgegeven:
Phœbus verhoorde goedgunstig de helft van dees bede, maar hevig
Floot hij in de andere helft en gaf ze den winden ten prijs.