Jaap van de Naald was een man van zijn woord, wanneer de sterke drank
er buiten bleef; en Callum Beg, die zich nog bij Waverley als in schuld
beschouwde, omdat deze geweigerd had vergoeding aan te nemen, ten koste
van den kastelein uit de Kandelaar, nam deze gelegenheid waar, om de
verplichting af te doen, door de wacht te houden over den erfelijken
kleedermaker van den stam Ivor, en „zat hem,” gelijk hij zich
uitdrukte, „dicht op de huid, tot hij het pak af had.” Om zich van
dezen dwang te ontslaan, vloog Shemus’ naald door de stof met de
snelheid van den bliksem; en daar de kunstenaar niet ophield de eene of
andere vreeselijke schermutseling van Fin Macoul [131] te bezingen, zoo
deed hij ten minste drie steken bij den dood van elken held. De
kleeding was dus spoedig gereed; want het korte vest paste, en het
overige van de uitrusting vorderde weinig moeite.
Toen onze held met fierheid het gewaad van den ouden Gael aantrok, dat
wel geschikt was om een voorkomen van stoutheid aan een gestalte te
geven, die, hoezeer rank en welgemaakt, eer sierlijk dan krachtig was,
zullen mijn lezers hem, naar ik hoop, het wel willen vergeven, indien
bij zich meer dan eens in den spiegel bekeek, en niet kon nalaten te
erkennen, dat het beeld dat van een knap jong mensch was. In waarheid,
hier was geen verbloemen aan. Zijn lichtbruin haar – want hij droeg
geen pruik, al was dit in dien tijd de algemeene mode – paste bij de
muts, die het dekte. Zijn gestalte verried vastheid en vlugheid,
waaraan de breede plooien van den tartan iets waardigs gaven. Zijn
blauw oog scheen van die soort,
„Die smelten in liefde, en die vonklen in den strijd,”
en een schijn van bedeesdheid, die werkelijk niets anders was dan het
gevolg van zijn weinigen omgang met de menschen, verleende iets
belangwekkends aan zijn trekken, zonder de bevalligheid of de
schranderheid, welke ze kenmerkten, te schaden. „Hij is een mooi man –
een heel mooi man,” zeide Evan Dhu (nu vaandrig Maccombich) tot Fergus’
knappe gastvrouw.
„Hij is heel wel,” zeide de weduwe Flockhart, „maar op verre na zoo
mooi niet als uw kolonel, vaandrig.”
„Ik wilde hem niet vergelijken,” zeide Evan, „ook sprak ik niet van
zijn bijzondere schoonheid, maar alleen, dat mijnheer Waverley er
netjes en vlug uitziet, en als een borst, die zich niet op de teenen
zal laten trappen. En inderdaad, hij is vlug genoeg met sabel en
schild. Ik heb zelf eens met hem geschermd te Glennaquoich, en ook Vich
Ian Vohr dikwijls, op een Zondag namiddag.”
„God vergeve het u, vaandrig Maccombich! Ik ben er zeker van, dat de
kolonel nooit zoo iets gedaan heeft.”
„Hola! hola! vrouw Flockhart; wij hebben jong bloed, moet ge weten; en
jonge heiligen, oude duivels!”
„Maar gaat ge morgen vechten tegen Sir John Cope, vaandrig Maccombich?”
vroeg vrouw Flockhart aan haar gast.
„Wis en zeker, dat beloof ik hem, namelijk als hij ons wachten durft,
vrouw Flockhart.”
„En zult ge aan die verschrikkelijke wezens, de dragonders, het hoofd
bieden, vaandrig Maccombich?” vroeg de waardin op nieuw.
„Klauw om klauw, zoo als Conan tegen den Satan zei, vrouw Flockhart en
de duivel hale den kortsten!”
„En zal de Kolonel zich in het gedrang der bajonetten wagen?”
„Daar kan ik een eed op doen, vrouw Flockhart; hij zal, bij Sint
Pieter, de voorste zijn.”
„Barmhartige goedheid!” riep de weduwe diep getroffen uit, „en als hij
vermoord wordt door de roodrokken!”
„Zoo dat gebeurde, vrouw Flockhart, dan ken ik er een, die hem niet
overleven zal om hem te beschreien. Maar laat ons ten minste vandaag
nog leven en ons middagmaal gebruiken; en zie daar is Vich Ian Vohr,
met den heer Waverley, die eindelijk zijn bekomst er van heeft om ginds
voor den grooten spiegel te draaien, en die oude leelijke kerel, de
baron Bradwardine, die den jongen Ronald van Ballenkeiroch dood schoot,
op de hielen gevolgd door dat wonderlijke stuk van een mensch, dien ze
Mackwheeble noemen, de heer van Kittlegabs, de Fransche kok met zijn
hond, die het spit draait, achter hem drentelende; en ik heb honger als
een wolf, mijn goede weduw; dus zeg aan Kaat, dat zij de soep opdraagt
en zet de pinners [132] op; want gij weet, Vich Ian Vohr zal niet gaan
zitten, voordat gij aan het hoofd van de tafel plaats hebt genomen, –
en vergeet het fleschje brandewijn niet, hoor wijfje!”
Op dezen wenk werd het middagmaal op tafel gezet. Vrouw Flockhart, die
van uit haar weduwkap, als de zon door den nevel glimlachte, plaatste
zich aan het hoofd van de tafel, terwijl zij misschien bij zichzelve
naging, hoe weinig zij er zich over bekommerde, of de opstand ook lang
duurde, die haar in een gezelschap bracht, hetwelk zoo ver boven haar
gewonen vriendenkring verheven was. Zij had Waverley en den Baron naast
zich, terwijl zij het genoegen smaakte van het Opperhoofd tegenover
zich te zien. De man des vredes en van den oorlog, de rentmeester
Mackwheeble en vaandrig Maccombich, namen, na een aantal buigingen voor
hunne meerderen en tegen elkander, plaats, ieder aan een zijde van het
Opperhoofd. Tijd, plaats en omstandigheden in aanmerking genomen, was
hun onthaal uitnemend, en Fergus bij uitstek opgeruimd. Zich om geen
gevaar bekreunende, en luchthartig van aard, opgewonden door jeugd en
eerzucht, zag hij in zijne verbeelding al zijne verwachtingen door het
geluk bekroond, en liet hij zich in ’t geheel niet storen door den kans
op een krijgsmansdood. De Baron verontschuldigde zich met een paar
woorden dat hij Mackwheeble had meêgebracht. „Zij hadden ons onledig
gehouden,” zeide hij, „met de zorgen voor de uitgaven van den oorlog.
En op mijn woord,” zei de oude man, „daar ik denk dat dit wel mijn
laatste veldtocht zal zijn, zoo eindig ik juist waar ik begonnen ben. –
Ik heb het altijd moeielijker gevonden aan „de zenuwen van den oorlog”
te komen, gelijk een geleerd schrijver de caisse militaire noemt, dan
bij het vleesch „het bloed of de beenderen.””
„Hoe!” riep Fergus, „ge hebt het eenige korps ruiterij opgericht dat
van beteekenis voor ons is; en hebt gij niets van de louis d’or uit de
Doutelle [133] gekregen om u te ondersteunen?”
„Neen, Glennaquoich; knapper lui zijn mij voor geweest.”
„Dat is inderdaad schande,” zei de Hooglander; „maar ge zult met mij
deelen wat van den mij verleenden onderstand over is. Het zal u van
nacht eene angstige gedachte besparen, en morgen op hetzelfde
neêrkomen, want op de een of andere wijze, zullen wij allen, eer de zon
ondergaat, bezorgd zijn.” Waverley deed, sterk kleurende, maar met den
grootsten ernst, hetzelfde aanbod.
„Ik dank u beiden, beste jongens,” antwoordde de baron, „maar ik wil
geen inbreuk maken op uw peculium. Mackwheeble heeft de vereischte som
verschaft.”
Hier draaide de rentmeester onrustig op zijn stoel, en scheen alles
behalve op zijn gemak. Ten laatste, na verscheiden malen gekucht te
hebben en na telkens herhaalde betuigingen van zijne toewijding aan
zijns heeren dienst, bij nacht of bij dag, levend of dood, begon hij te
kennen te geven: „dat de bankiers hun gereed geld in het kasteel hadden
geborgen; dat, zonder twijfel, Sandie Goldie, de zilversmid, veel voor
mijnheer den Baron doen zou, maar dat er niet veel tijd was om de
waarborgsakten in orde te krijgen, en zeker, zoo Glennaquoich, of
mijnheer Waverley het schikken konden, –”
„Laat mij van zoodanigen onzin niet meer hooren, Mijnheer,” riep de
Baron, op een toon, die Mackwheeble deed verstommen, „maar handel,
gelijk wij voor den eten zijn afgesproken, zoo ge in mijne dienst
wenscht te blijven.”
Op dat stellige bevel waagde de rentmeester, ofschoon hij een gevoel
had, alsof hij veroordeeld was om het bloed uit zijn eigene aderen in
die van den Baron te doen overstorten, het niet een enkel woord meer
uit te brengen. Maar na nog een poos op zijn stoel heen en weer te
hebben geschoven, wendde hij zich tot Glennaquoich, en zeide hem, dat,
zoo deze meer baargeld had, dan hem in het veld te pas kwam, hij het
tegenwoordig voor hem kon uitzetten, in veilige handen en met groot
voordeel.
Op dit voorstel schoot Fergus in een hartelijken lach, en antwoordde,
toen hij weêr bij adem gekomen was: „Hartelijk dank, maar ge moet weten
dat het onder ons, krijgslieden, een gewoon gebruik is; onze hospita
tot onzen bankier te maken. Hier, vrouw Flockhart,” vervolgde bij,
terwijl hij vier of vijf groote stukken uit een welgevulde beurs nam,
en de beurs zelve, met den overigen inhoud, in haar schoot wierp, „dit
zal voor mij voldoende zijn; neem gij de rest; wees mijn bankier, zoo
ik leef; en mijn executeur, zoo ik sterf; maar draag zorg iets aan de
Hooglandsche Cailliachs [134] te geven, die het coronach voor den
laatsten Vich Ian Vohr het hardst zullen uitgalmen.”
„Dit is het testamentum militare,” zei de Baron, „hetwelk onder de
Romeinen als een privilegie van mondelinge testamenten gold.” Maar het
weeke hart van vrouw Flockhart smolt in haar binnenste, bij deze taal
van het Opperhoofd; zij trok een bedroefd gezicht, en weigerde stellig
het haar opgedragene te aanvaarden, zoodat Fergus verplicht was het
terug te nemen.
„Welnu,” zei het Opperhoofd, „dan zal het, zoo ik sneuvel, den
grenadier ten deel vallen, die mij de hersens inslaat, en ik zal zorgen
dat hij het niet gemakkelijk verdient.”
Mackwheeble was weder in verzoeking om een woord mede te spreken; want
waar het de kas gold, was het hem onmogelijk te zwijgen.
„Misschien zou het beter zijn dat hij het goud aan freule Mac-Ivor
bracht, in geval van dood of eenige andere gebeurtenis. Men zou den
vorm kunnen bezigen van een geschenk mortis causa, ten behoeve van de
jonge dame; en het zou maar een pennestreek kosten, om het in orde te
brengen.”
„De jonge dame,” zeide Fergus, „zou, indien zoo iets gebeurde, wel aan
andere zaken te denken hebben, dan aan deze ellendige louis d’or.”
„Gij hebt volmaakt gelijk; – daar valt niets tegen in te brengen; maar
Mijnheer weet wel, dat de zware rouw....”
„Door de meeste lieden beter te dragen is, dan een hongerige maag, niet
waar, rentmeester, niet waar? Ik geloof zelfs dat er menschen zijn, die
door zulk eene wijze overweging getroost zouden worden over het verlies
van hunne geheele familie. Maar er is een rouw die honger noch dorst
kent, en de arme Flora....” Hier zweeg hij, en het gansche gezelschap
deelde in zijne ontroering.
De gedachten van den Baron bepaalden zich natuurlijk tot den
onbeschermden toestand van zijne dochter, en een zware traan welde in
het oog van den grijsaard. „Zoo ik kom te vallen, Mackwheeble, gij hebt
al mijn papieren, en weet al mijn zaken; wees rechtvaardig omtrent
Rose.”
De rentmeester was, in elk geval een mensch – van aardsche stof zoo als
ieder ander – zeker voor het grootste gedeelte modder en slijk, maar
hij bezat toch eenig gevoel voor billijkheid en, vooral wanneer het den
Baron of zijne jonge meesteres gold. Hij hief dus een luiden
jammerkreet aan. „Als die vreeselijke dag komen mocht, zou, zoo lang
Duncan Mackwheeble een stuiver had, die aan freule Rose toebehooren.
Hij wilde kopieërwerk doen voor een stuiver het blad, eer zij weten zou
wat gebrek was; zoo inderdaad de schoone baronie van Bradwardine en
Tully-Veolan, met zijne huizing en opslag (hij hield vol, bij iedere
pauze, met snikken en schreien), hofstede, tuinen, veenen en gronden –
buitenweiden, velden, boomgaarden, duivenhokken – met de rechten van
net- en fleurvisscherij in het meer en water van Veolan – tienden,
patroonschap enz. – annexis et connexis rechten van weide, turf,
manschap en aanhoorigheden, hoedanig ook – (hier nam hij toevlucht tot
het einde van zijn langen das, om zijne oogen af te droogen, daar zij,
in spijt van hemzelven, overliepen bij de gedachten, welke deze
brabbeltaal van kunsttermen te voorschijn riep) – alles breeder
beschreven in de oorspronkelijke bewijsstukken en titels derzelve – en
gelegen binnen de parochie van Bradwardine in het graafschap Perth –
zoo deze, als voorzeid, moeten overgaan van mijns meesters kind op
Inch-Grabbit, die een Whig is en een Hannoveraan, en bestuurd moet
worden door zijn agent, Jamie Howie, die niet in staat is om
veldwachter [135], laat staan om rentmeester te wezen.”
Het begin dezer weeklacht had inderdaad iets aandoenlijks; maar het
einde maakte het onmogelijk om niet in lachen uit te barsten. „Geen
nood, Mackwheeble,” zei vaandrig Maccombich, „want de goede oude tijden
van rukken en plukken zijn terug gekomen, en Sneckus MacSnackus, (hij
wilde waarschijnlijk annexis connexis zeggen) en de rest uwer vrienden
zullen plaats moeten maken voor den langsten degen.”
„En die degen zal de onze zijn, rentmeester,” zeide het Opperhoofd, die
wel zag dat Mackwheeble, bij deze kennisgeving, niet weinig verbleekte.
Wij geven hun graag onzer bergen metaal,
Lillibulero, bullen a la.
En in plaats van met munt doen wij af met het staal.
Lero, lero, enz.
Weldra zien we onzen kerfstok zoo effen als ooit,
Lillibulero, enz.
Want wie dùs is betaald vraagt, om afdoening nooit.
Lero, lero, enz. [136]
„Maar kom, rentmeester, wees niet neerslachtig; drink uw wijn in rust;
de Baron zal behouden en overwinnend op Tully-Veolan terugkeeren, en
Killancureits landerijen met zijn eigen vereenigen, omdat de laffe,
halfbakken knaap niet, als een braaf man, voor den Prins wil te velde
trekken.”
„’t Is waar, de goederen grenzen aan elkaar,” zeide de rentmeester,
terwijl hij zijn oog afveegde, „en behooren natuurlijk onder éen
bestuur.”
„En ik,” ging het Opperhoofd voort, „zal ook voor mij zelven zorgen;
want ge moet weten, dat ik hier een goed werk heb te verrichten, om
vrouw Flockhart in den schoot der Katholieke Kerk te brengen, of ten
minste halfweg, dat wil zeggen, tot aan uwe Episcopale vergaderzaal. O
Baron! zoo ge haar schoone altstem hoordet, Kaatje en Matje des morgens
aansporend, gij, die muziek verstaat, zoudt schrikken op het denkbeeld,
van haar bij het psalmgezang van Haddo’s Hol [137] te hooren gillen.”
„De Hemel vergeve het u, kolonel, is dat doordraven! Maar ik hoop, dat
de heeren thee zullen drinken, alvorens naar het paleis te gaan, en ik
zal ze voor u zetten.”
Dit zeggende, liet vrouw Flockhart hen aan hunne eigene gesprekken
over, die, gelijk men veronderstellen mag, hoofdzakelijk over de
aanstaande gebeurtenissen van den veldtocht liepen.