„Hoe vindt ge hem?” was Fergus eerste vraag, terwijl ze den grooten
steenen trap afgingen.
„Een Prins, om voor te leven en te sterven,” was Waverleys opgetogen
antwoord.
„Ik wist dat gij zoo over hem denken zoudt, als ge hem zaagt, en het
was mijn oogmerk dat ge elkander vroeger zoudt ontmoeten, maar het werd
door uw gekneusd been verijdeld. En toch heeft hij zijne zwakheden, of
liever hij heeft een moeielijk spel te spelen, en de Iersche officieren
[126], die hem op den duur omringen, zijn maar ongelukkige raadslieden,
– ze weten geen behoorlijk onderscheid te maken tusschen de talrijke
eischen die door den hoogmoed gedaan worden. Zoudt gij wel gelooven –
ik ben op dit oogenblik verplicht geweest, eene aanstelling tot graaf,
voor diensten tien jaren geleden reeds bewezen, achterwege te houden,
uit vrees van ijverzucht vooral van C– en M–, op te wekken. Maar ge
hebt wel gelijk gehad, Eduard, om de plaats van adjudant te weigeren.
Er zijn inderdaad twee plaatsen vacant, maar Clanronald, Lochiel, en
meest al de clanhoofden hebben er ééne verzocht voor den jongen
Aberchallader, en de Laaglanders en de Iersche partij verlangen de
andere voor den heer van F–. Zoo dus een van deze twee ten uwen gevalle
werd voorbij gegaan, zoudt gij u vijanden maken. En daarenboven
verbaast het mij, dat de Prins u eene betrekking als majoor aanbood,
daar hij zeer wel weet, dat niets minder dan die van luitenant-kolonel
anderen voldoen zal, die geen honderd vijftig man te velde kunnen
brengen. Maar, „geduld, neef, en de kaarten geschud!”.... Alles is voor
het oogenblik heel wel, en wij moeten u, vóor den avond, behoorlijk
hebben uitgerust in uw nieuw kostuum; want, om de waarheid te zeggen,
uw uitwendige mensch past niet al te best voor het hof.”
„Wel,” zeide Waverley, terwijl hij een blik op zijn met slijk en stof
bespatte kleederen sloeg, „sedert onze scheiding ben ik niet uit mijn
jagtbuis geweest; maar dit weet ge waarschijnlijk even goed, zoo niet
beter, dan ik.”
„Gij doet mijne alwetendheid te veel eer aan. Wij waren zoo druk bezig,
eerst met het plan om Cope slag te leveren, en daarna met onze
krijgsoperatiën in de Laaglanden, dat ik slechts algemeene bevelen kon
geven aan diegenen van ons volk, welke wij in Perthshire achterlieten,
om u te ontzien en te beschermen, zoo zij u op hun weg ontmoetten.
Maar, laat mij de geheele geschiedenis uwer avonturen hooren, daar zij
op een zeer eenzijdige en verminkte wijze tot ons gekomen is.”
Nu verhaalde Waverley in het breede de omstandigheden, die den lezer
reeds bekend zijn, waarnaar Fergus met groote oplettendheid luisterde.
Inmiddels hadden zij de deur van Mac-Ivors kwartier bereikt, dat hij in
een klein geplaveid binnenhof van de Canongate genomen had, en wel ten
huize van een vroolijke veertigjarige weduwe, die het knappe jonge
opperhoofd zeer vriendelijk scheen toe te lachen, daar zij een dier
vrouwen was, bij wie goed humeur, en een goed gezicht zeker konden zijn
welkom te wezen, welke staatkundige gevoelens hij ook mocht aankleven,
die daarmede begiftigd was. Hier ontving hem Callum Beg met den
glimlach eener oude kennis. „Callum,” zeide het Opperhoofd, „roep
Shemus an snachad, (Jacob van de naald). Dit was de lijf-kleedermaker
van Vich Ian Vohr. „Shemus’!” zeide het opperhoofd, „de heer Waverley
gaat de cath dath dragen; zijn broek moet binnen de vier uren gereed
zijn. Ge kent de maat van een welgemaakt man. Twee dubbele „nails”
[127] voor het dunne van het been.”
„Elf van de heup tot de hiel, zeven rondom het middel – ik geef
mijnheer vrijheid om Shemus op te hangen, zoo er een schaar in de
Hooglanden is, die een stouter snede heeft dan de mijne voor de „cumadh
an truais,” (het fatsoen der Schotsche broek).
„Neem een plaid van Mac-Ivors kleuren, met een sjerp,” vervolgde het
Opperhoofd, „en een blauwe muts van het patroon zoo als die van den
Prins bij meester Moruats, den kramer. Mijn kort groen vest met zilver
belegsel zal hem volkomen passen; ik heb het nooit gedragen. Zeg den
vaandrig Maccombich, dat hij een knap schild uit de mijne uitkieze. De
Prins heeft den heer Waverley sabel en pistolen gegeven, ik zal hem van
dolk en tas voorzien; doe er slechts een paar laaggehielde schoenen
bij, en dan, mijn beste Eduard, (terwijl hij zich tot hem keerde) zult
ge volmaakt een zoon van Ivor zijn.”
Na deze noodzakelijke bevelen, kwam het Opperhoofd op het onderwerp van
Waverleys avonturen terug. „Het is blijkbaar,” zeide hij, „dat gij
onder de hoede van Donald Bean Lean zijt geweest. Gij moet weten, dat,
toen ik met mijn clan aftrok, om mij bij den Prins te voegen, ik dat
waardig lid der maatschappij opdroeg, een zekere dienst te verrichten;
na de volbrenging daarvan moest hij mij met al de macht, die hij op de
been zou kunnen brengen, volgen. Maar, in plaats van dit te doen,
achtte de brave man, nu hij de baan klaar vond, het beter, voor eigene
rekening oorlog te voeren. Hij liep het land af, terwijl hij, geloof
ik, vriend en vijand plunderde, onder voorwendsel van schatting te
heffen, soms als op mijn order en soms (vervloekt zij zijne
onbeschaamdheid!) in zijn eigen grooten naam. Op mijn woord van eer,
als ik het beleven mag Benmore weêr te zien, zal ik in verzoeking komen
dien knaap te laten ophangen. Nu herken ik zijne hand vooral in de
wijze, waarop gij aan de klauwen van dien prekenden rekel Gilfillan
ontrukt zijt, en ik twijfel er geen oogenblik aan, of Donald zelf
speelde de rol van marskramer bij die gelegenheid; maar hoe het komt,
dat hij u niet uitgeschud of losgeld gevraagd heeft; of zich, op eene
of andere wijze, van uw gevangenschap tot zijn eigen voordeel bediend
heeft, gaat mijn verstand te boven.”
„Wanneer en hoe hebt ge van mijne opsluiting gehoord?” vroeg Waverley.
„De Prins zelf vertelde het mij,” zeide Fergus, „en deed tot in de
minste kleinigheden naar alles wat u betreft onderzoek. Daarop
berichtte hij mij, dat gij op dat oogenblik in de macht waart van een
onzer noordelijke afdeelingen – ge begrijpt, ik kon hem geene
bijzonderheden vragen – en vroeg hij mijn gevoelen, op hoedanige wijze
met u te handelen. Ik gaf den raad, u herwaarts te doen overbrengen als
gevangene, omdat ik u niet verder benadeelen wilde bij het Engelsche
bewind, als gij bij uw voornemen bleeft volharden om naar het zuiden
terug te keeren. Gij zult u wel herinneren, dat ik niets wist van de
tegen u ingebrachte beschuldiging van anderen tot hoogverraad aangezet
en hen daarin bijgestaan te hebben, hetwelk, naar ik vermoed, wel eenig
deel heeft aan de verandering in uw eerste plannen. Die stomme, tot
niets bruikbare ellendeling van een Balmawhapple, werd gezonden, om u,
van Doune af aan, te geleiden, met hetgeen hij zijn korps ruiterij
noemt. Wat zijn gedrag betreft, zoo vermoed ik, dat, behalve zijn
natuurlijken afkeer van alles wat naar een fatsoenlijk man gelijkt,
zijn avontuur met Bradwardine hem nog op het hart drukt, en wel te
meer, omdat ik niet twijfel, of de wijze waarop hij die geschiedenis
verteld heeft, iets bijgedragen heeft tot de nadeelige geruchten, die
van u bij uw voormalig regiment zijn ingekomen.”
„Niets is waarschijnlijker,” zeide Waverley; „maar nu, mijn waarde
Argus, zult gij zeker wel tijd hebben, om mij iets van Flora te
vertellen.”
„Wel zeker! Maar ik kan u alleen zeggen, dat zij welvarende is, en zich
voor het oogenblik bij een naastbestaande in deze stad ophoudt. Ik
achtte het beter dat ze naar hier kwam, daar, sedert onzen voorspoed,
een goed aantal vrouwen van rang onze militaire hofhouding volgen; en
ik kan u verzekeren, dat er een soort van gewicht gehecht wordt aan de
nauwe betrekking tot zulk een persoon als Flora Mac-Ivor, en wanneer er
een botsing plaats heeft van elkander kruisende vorderingen en
verzoeken, gelijk hier, dan moet iedereen alle gepaste middelen bij de
hand nemen, om zijn invloed te vermeerderen.”
Er was iets in dit laatste gezegde, dat Waverleys gevoel kwetste. Hij
kon het denkbeeld niet verdragen, dat Flora beschouwd zou worden, als
dienstig om de bevordering haars broeders in de hand te werken, door de
bewondering, welke zij noodwendig tot zich moest trekken; en ofschoon
dat denkbeeld in de nauwste overeenstemming stond met verscheidene
andere trekken van Fergus’ karakter, schokte het Waverley als
zelfzuchtig en zoowel der edele ziel van de zuster onwaardig, als
beneden den hooghartigen, onafhankelijken aard van het Opperhoofd.
Fergus, wien zulke kunstgrepen gemeenzaam waren, daar hij aan het
Fransche hof opgevoed was, bemerkte den ongunstigen indruk niet, dien
hij onbedachtzaam op het gemoed van zijn vriend gemaakt had, en besloot
met te zeggen, „dat ze Flora bezwaarlijk zouden zien vóor den avond,
als wanneer ze tegenwoordig zou zijn op een concert en bal, hetwelk men
voornemens was aan het gevolg des Prinsen te geven. Wij hebben een
kleinen twist gehad, omdat ze u niet heeft veroorloofd afscheid van
haar te nemen. Ik heb geen lust om het tooneel te vernieuwen, door haar
te verzoeken u heden morgen toe te laten; want niet alleen zou ik ligt
worden afgewezen, maar er zou ook misschien gevaar bestaan dat ge
elkander heden avond niet zaagt.”
Terwijl ze dus praatten, hoordde Waverley op de binnenplaats, onder de
ramen van hun vertrek, een welbekende stem. „Ik verzeker u, mijn waarde
vriend,” zeide de spreker, „dat het een volslagen afwijking is van de
krijgswetten, en zoo ge niet in zeker opzicht een nieuweling waart, zou
uw handelwijze de gestrengste afkeuring verdienen. Want een
krijgsgevangene mag om geene reden bezwaard worden met boeien, of
opgesloten in ergastulo, zoo als het geval zou geweest zijn, indien gij
dezen heer in de put te Balmawhapple afgelaten hadt. Ik stem toe, dat
zulk een gevangene, veiligheidshalve, mag gebracht worden in carcere,
dat is in een openbare gevangenis.”
De grommende stem van Balmawhapple, die zich verwijderde, liet zich nu
hooren; het scheen dat hij tamelijk ontevreden heenging; maar het woord
„landlooper” was het eenige dat ten volle verstaanbaar was. Hij was
vertrokken, voordat Waverley den binnenhof had bereikt, om den
waardigen baron van Bradwardine te begroeten. De uniform, die hij thans
droeg, namelijk: een met goud galon opgelegde blauwe rok, een
scharlaken rood vest en wijde broek en laarzen scheen een nieuwe
strakheid en stijfheid aan zijne ranke, magere gestalte te hebben
bijgezet; en het hooge gevoel, dat hij een militair kommando en gezag
bekleedde, had in gelijke mate de gemaakte waardigheid van zijn houding
en het didaktische van zijn toon nog vermeerderd.
Hij ontving Waverley met zijn gewone vriendelijkheid, en gaf met
ongeduld zijn verlangen te kennen, om de reden te vernemen, waarom hij
zijn plaats als officier onder de dragonders van C– verloren had;
„niet,” zeide hij, „omdat hij de minste vrees koesterde, dat zijn jonge
vriend iets zou hebben uitgericht, hetwelk zulk eene onedelmoedige
behandeling, als hij van het Bewind had ondergaan, verdienen mocht;
maar omdat het billijk en voegzaam was, dat de baron van Bradwardine,
zoo wel voor zich zelven als voor anderen, volkomen in staat mocht
wezen om alle lasteringen te weêrleggen, met betrekking tot den
erfgenaam van Waverley-Honour, dien hij zoo veel recht had als zijn
eigen zoon te beschouwen.”
Fergus Mac-Ivor, die zich nu bij hen gevoegd had, liep spoedig over het
met Waverley gebeurde heen, en besloot zijn verhaal met de vleiende
wijze, waarop hij door den jongen Prins ontvangen was. De Baron
luisterde stilzwijgend toe, en toen Fergus geëindigd had, drukte hij
Waverley hartelijk de hand, en wenschte hem geluk, dat hij in de dienst
van zijn wettigen vorst getreden was. „Want,” voegde hij er bij,
„ofschoon het te recht bij alle natiën voor schandelijk en onteerend
gehouden is, het sacramentum militare te schenden, en zulks, hetzij dit
aangegaan ware door elken soldaat afzonderlijk, hetgeen de Romeinen per
conjurationem noemden, of door éen soldaat, in naam van de overigen,
zoo twijfelde niemand ooit, of de dus bezworen verplichting werd
opgeheven door de dismissio, of het ontslag van een soldaat. Ware dit
anders, dan zou de betrekking van den soldaat even hard zijn, als die
der kool- of zoutmijngravers en andere adscripti glebæ [128]. Uw geval
heeft wel iets van de beschimping, door den geleerden Nanchez
beschreven, in zijn werk De jure-jurando, hetwelk ge bij deze
gelegenheid zonder twijfel geraadpleegd hebt. Wat hen betreft, die u
gelasterd hebben, ik verklaar bij den Hemel, dat ik ze beschouw als met
recht vallende in de bepaalde straf der Lex Memnonia, insgelijks Lex
Rhemnia genoemd, waarop zich Cicero beroept in zijn oratio In Verrem.
Ik zou echter van oordeel zijn geweest, mijnheer Waverley, dat gij,
alvorens u tot eenigen bijzonderen dienst van den Prins te bepalen,
hadt kunnen onderzoeken, welken rang de baron van Bradwardine daar
bekleedde, en of hij zich niet bijzonder gelukkig zou geacht hebben,
zich van uwe hulp te mogen bedienen in het regiment, paardenvolk, dat
hij voornemens is te werven.”
Eduard ontdook dit verwijt, door zich op de noodzakelijkheid te
beroepen, van onmiddellijk op ’s Prinsen voorslag te antwoorden, en op
de onzekerheid waarin hij op dat oogenblik verkeerde, of zijn vriend de
Baron bij het leger, of elders met eenigen dienst belast was.
Nadat deze kleine kibbelpartij dus was bijgelegd, vroeg Waverley naar
Freule Bradwardine, en vernam dat zij met Flora Mac-Ivor te Edinburgh
gekomen was, onder bescherming van een afdeeling van Fergus’
manschappen. Deze stap was inderdaad noodzakelijk geweest; want
Tully-Veolan was een zeer onaangename, en zelfs gevaarlijke
verblijfplaats geworden voor een jonge dame zonder bescherming, daar de
plaats in de nabijheid der Hooglanden, en insgelijks bij een of twee
groote dorpen gelegen was, die, zoo wel uit afkeer van de Catherans,
als uit ijver voor het Presbyterianisme, zich hadden verklaard voor het
Bewind, terwijl ze onregelmatige korpsen van partijgangers vormden,
welke gedurig schermutselingen hadden met de bergbewoners, en soms de
huizen der Jacobietische landbezitters aanvielen.
„Ik wenschte u voor te stellen,” zeide de Baron, „naar mijn kwartier in
the Luckenbooth [129] te wandelen, en in het voorbijgaan de High-street
[130] te bezien, welke, ongetwijfeld, veel schooner is dan eenige
straat, hetzij in Londen of in Parijs. Maar Rose, het arme kind, is
vreeselijk beangst voor het vuren van het kasteel, ofschoon ik haar uit
Blondel en Coehoorn bewezen heb, dat een kogel deze gebouwen onmogelijk
bereiken kan; en bovendien heb ik van Zijn Koninklijke Hoogheid in
last, om naar het kamp of de legerplaats onzer armee te gaan, om te
zorgen voor het conclamare vasa – dat wil zeggen, te maken dat de
manschappen hun pak en zak opbinden voor den marsch van morgen.”
„Dat zal voor de meesten onzer gemakkelijk te doen zijn,” zei Fergus
Mac-Ivor lachend.
„Met uw verlof, kolonel Mac-Ivor, niet zoo gemakkelijk als ge schijnt
te denken. Ik geloof gaarne, dat uw volk de Hooglanden verliet, ontdaan
van allen last der bagage; maar het is niet te zeggen, welk een menigte
nuttelooze prullen zij op hun marsch hebben verzameld. Ik zag een uwer
knapen – ik vraag u nogmaals verschooning! – met een spiegel op den
rug.”
„Ja, ja,” zeide Fergus, vroolijk gestemd, „en als ge hem gevraagd hadt,
zou hij u geantwoord hebben: „een vliegende kraai vindt altijd wat.” –
Maar komaan, waarde Baron, ge weet even goed als ik, dat een honderdtal
Uhlanen of een kompagnie Pandoeren meer spels in een land zouden maken,
dan deze ridder van den spiegel en al onze clans bij elkaâr.”
„Dat is ook zeer waar, Kolonel,” zeide de Baron; „ze zijn, gelijk een
Heidensch schrijver zegt, „ferociores in aspectu, mitiores in actu; van
een vreeselijk en grimmig voorkomen, maar beter in hun gedrag, dan hun
voorkomen of gelaat zou doen denken. – Maar, ik sta hier, met u, jonge
borsten, te praten, terwijl ik in ’s Konings park moest zijn.”
„Maar wilt ge,” zeide Fergus, „bij uwe terugkomst met Waverley en mij
het middagmaal gebruiken? Ik verzeker u, Baron, dat, ofschoon ik leven
kan als een Hooglander, waar de nood het vordert, ik mijn Parijsche
opvoeding niet vergeten ben, en houd van la meilleure chère.”
„En wie drommel twijfelt daaraan,” viel de Baron lachend uit, „wanneer
gijlieden alleen de kookkunst medebrengt, en de goede stad de
bouwstoffen moet leveren? – Wel, ik heb het een en ander te doen in de
stad – maar, ik zal te drie ure bij u wezen, als het middagmaal zoo
lang wachten kan.”
Dit zeggende, nam hij afscheid van zijn vrienden, en ging den last
volvoeren, die hem opgedragen was.