Terwijl Waverley diep in zijn mijmering verzonken was, liet het
ruischen van tartans zich achter hem hooren, een vriendelijke hand
sloeg hem op den schouder, en eene vriendenstem voegde daarbij:
„Heeft de Hooglandsche profeet nu beuzelpraat verteld? En moeten alle
voorspellingen in den wind geslagen worden?”
Waverley keerde zich om, en werd met warmte omhelsd door Fergus
Mac-Ivor. „Duizendmaal welkom op Holyrood, wederom in het bezit van
zijn wettigen souverein! Heb ik het u niet gezegd, dat wij voorspoed
zouden hebben, en dat gij in de handen der Philistijnen zoudt vallen,
als gij ons verliet?”
„Beste Fergus!” riep Waverley, terwijl hij den hartelijken groet met
warmte trachtte te beantwoorden, „in hoe lang heb ik de stem van een
vriend niet gehoord. Waar is Flora?”
„Welvarende, en een zegevierende toeschouwster van onzen voorspoed.”
„In dit paleis?”
„Wel in deze stad ten minste, en ge zult haar zien; maar eerst moet gij
een vriend ontmoeten, aan wien ge weinig denkt, en die dikwijls naar u
gevraagd heeft.”
Dit zeggende voerde hij Waverley bij den arm de wachtkamer uit, en eer
hij wist waar men hem bracht, bevond Eduard zich in een audiëntiezaal,
waaraan men gepoogd had eenig voorkomen van koninklijke pracht te
geven.
Een jong man, die zijn eigen schoon blond haar droeg, kenbaar aan de
waardigheid van zijn houding, en de edele uitdrukking van zijn
welgevormde en regelmatige gelaatstrekken, trad uit een kring van
officieren en Hooglandsche opperhoofden te voorschijn. Aan zijn
ongedwongene en aangename manieren zou Waverley zijne hooge geboorte en
rang gemakkelijk hebben kunnen ontdekken, al had de ster op zijn borst,
en de geborduurde kouseband aan zijne knie, hem deze niet reeds op het
eerste gezicht aangekondigd.
„Uwe Koninklijke Hoogheid vergunne mij,” zeide Fergus met een diepe
buiging, „aan haar voor te stellen...”
„Den afstammeling van een der oudste en getrouwste huizen in Engetand,”
zei de jonge Prins, hem in de rede vallende. „Ik vraag verschooning dat
ik u in de rede gevallen ben, mijn beste Mac-Ivor; er is geen
ceremoniemeester noodig, om een Waverley aan een Stuart voor te
stellen.”
Dit zeggende reikte hij, met de grootste hoffelijkheid de hand aan
Eduard, die, al had hij het ook gewild, niet nalaten kon hem de hulde
te bewijzen, welke men aan zijn rang verschuldigd scheen, en waarop
althans de geboorte van den Prins hem aanspraak gaf. „Het doet mij leed
te hooren, mijnheer Waverley, dat gij, ten gevolge van omstandigheden,
die nog maar zeer onvoldoende zijn opgehelderd, eenigen last hebt
geleden van mijn aanhangers in het graafschap Perth, en op uw tocht
herwaarts; maar wij bevinden ons in een toestand, dat wij ter
nauwernood onze vrienden kennen, en ik ben zelfs op dit oogenblik
onzeker, of ik het genoegen mag hebben mijnheer Waverley onder dezen te
rekenen.” Hier hield hij een oogenblik op; maar eer Eduard een gepast
antwoord bedenken kon, of zelfs zijn gedachten daartoe verzamelen,
haalde hij een papier te voorschijn, en ging voort: – „Ik behoorde
inderdaad geen twijfel hieromtrent te voeden, indien ik mij verlaten
kon op deze proclamatie, door de vrienden van den Keurvorst van
Hannover uitgevaardigd, en waar zij den heer Waverley rangschikken
onder de edellieden, die met de straf van hoogverraad worden bedreigd –
wegens getrouwheid aan hun wettigen souverein. Maar ik wensch geene
aanhangers te winnen, dan uit genegenheid en overtuiging; en zoo de
heer Waverley verkiest zijn reis naar het zuiden voort te zetten, of
zich bij de krijgsmacht van den Keurvorst te voegen, zal hij van mij
een paspoort en volkomen vrijheid erlangen, om dat te doen; alleen moet
ik mijn leedwezen betuigen, dat ik hem niet zal kunnen waarborgen tegen
de waarschijnlijke gevolgen van zulk een stap. – Maar,” vervolgde Karel
Eduard, na nog een korte pauze, „zoo de heer Waverley, gelijk zijn
voorvader, Sir Nigel, besluiten mocht een zaak te omhelzen, die niet
veel anders heeft om haar aan te bevelen dan hare rechtvaardigheid, en
een vorst wilde volgen, die zich verlaat op de genegenheid van zijn
volk, ten einde den troon zijner voorvaderen te herwinnen, of in die
poging te sneuvelen, dan kan ik alleen zeggen, dat hij onder deze
edellieden en heeren waardige medestanders zal vinden in een loffelijke
onderneming, en hij een meester zal volgen, die ongelukkig, maar, zoo
als ik vertrouw, nooit ondankbaar wezen kan!”
Het geslepen Opperhoofd van den stam van Ivor begreep het belang, om
Waverley tot deze persoonlijke kennismaking met den koninklijken
avonturier te dwingen. Geheel vreemd aan de innemende taal en manieren
van een beschaafd hof, waarin Karel hoogst bedreven was, drongen diens
woorden en vriendelijkheid diep in het hart van onzen held, en
verbanden weldra alle overwegingen der voorzichtigheid. Aldus
persoonlijk om hulp te worden aangezocht door een Prins, wiens gestalte
en manieren, even als de moed door hem in de tegenwoordige onderneming
ten toon gespreid, zoo geheel en al des jongelings denkbeelden van een
romanheld verwezenlijkten – door hem gevleid te worden in de oude zalen
van zijn vaderlijk paleis, herwonnen door het zwaard, dat hij reeds
wette voor nieuwe veroveringen, was reeds genoeg om Eduard, in zijne
eigene oogen, de waardigheid en het gewicht weder te geven, die hij
meende verbeurd te hebben. Verstooten, belasterd en bedreigd door de
tegenpartij, werd hij onweêrstaanbaar tot de zaak aangetrokken, welke
hem door de vooroordeelen der opvoeding, en de staatkundige beginselen
zijner familie reeds als de rechtvaardigste aangeprezen werd. Deze
gedachten overweldigden hem en overwonnen alle bedenkingen –
daarenboven liet de tijd geen aarzelen toe – en terwijl Waverley voor
Karel Eduard neder knielde, wijdde hij zijn hart en zijn degen aan de
handhaving van diens rechten.
De Prins (want, daar hij slechts ongelukkig was door de misslagen en
dwaasheden zijner voorouders, kunnen wij hem hier en elders den titel
geven, aan zijne geboorte verschuldigd) haastte zich Waverley op te
richten, en omhelsde hem met een uitdrukking van dankbaarheid, te warm
om niet oprecht te zijn. Desgelijks dankte hij Fergus Mac-Ivor
herhaalde malen, dat hij hem zulk een aanhanger had bezorgd, en stelde
Waverley voor aan de verschillende edellieden, opperhoofden en
officieren, die hem omringden, als een jong edelman van de hoogste
verwachtingen en vooruitzichten, in wiens stoute en vurige omhelzing
van zijn zaak zij een bewijs konden zien van de gevoelens der
aanzienlijkste Engelsche geslachten, op dit beslissend tijdstip [124].
Dit was inderdaad een punt, hetwelk onder de aanhangers der Stuarts nog
al aan twijfel onderhevig was, en daar een welgegrond wantrouwen ten
opzichte van de medewerking der Engelsche Jacobieten een aantal
Schotsche lieden van rang terughield om zijn standaard te volgen, en
den moed dergenen die zich daarbij gevoegd hadden, verkleinde, zoo kon
niets den Prins beter te stade komen, dan dat de eenige afstammeling
van het huis van Waverley, zoo lang wegens moed en getrouwheid aan
zijne zaak bekend, zich openlijk als zijn aanhanger verklaarde. Dit had
Fergus van den aanvang af gezien. Hij hield wezenlijk van Waverley,
omdat hunne gevoelens en ontwerpen nooit in botsing kwamen: hij hoopte
hem met Flora vereenigd te zien, en verheugde zich dat zij werkelijk in
dezelfde onderneming betrokken waren. Maar, gelijk wij vroeger
opmerkten, hij verheugde zich desgelijks, als staatsman, dat hij een
bondgenoot van zooveel gewicht aan zijne partij zag toegevoegd; en hij
was alles behalve ongevoelig voor de achting, waarin hij zelf bij den
Prins steeg, door zoo krachtig te hebben medegewerkt tot deze aanwinst.
Karel Eduard, van zijn kant, scheen verlangend om hun, die hem
omringden, de waarde te doen kennen, welke hij aan dezen nieuwen
aanhanger zijner zaak hechtte, door hem onmiddellijk in zijn vertrouwen
te nemen, met betrekking tot de omstandigheden, waarin hij zich bevond.
„Men heeft u zoo zeer van alle inlichtingen verstoken gelaten, mijnheer
Waverley,” zeide hij, „om redenen, die ik maar half begrijp, dat gij,
naar ik veronderstel, tot op dit oogenblik met de belangrijkste
bijzonderheden van mijn tegenwoordigen toestand onbekend zijt. Gij hebt
echter gehoord van mijne landing in het afgelegen district Moidart
[125], met slechts zeven personen, en van de talrijke opperhoofden en
clans, wier oprechte geestdrift voor de goede zaak den verlaten
avonturier op eens aan het hoofd van een dapper leger plaatste. Gij
zult, denk ik, ook vernomen hebben dat de opperbevelhebber van den
Hannoverschen Keurvorst, de Hooglanden binnentrok, aan het hoofd eener
talrijke en welgeregelde krijgsmacht, met oogmerk om ons slag te
leveren, maar dat de moed hem ontbrak, toen wij nog slechts een marsch
van drie uren van elkander verwijderd waren, zoodat hij ons netjes
ontsnapte, en noordwaarts naar Aberdeen aftrok, terwijl hij het
Laagland open en onbeschermd liet. Om zulk eene gunstige gelegenheid
niet te verzuimen, trok ik op deze hoofdstad aan, dreef twee regimenten
paardenvolk voor mij uit, die gedreigd hadden iederen Hooglander in de
pan te hakken, die het wagen mocht voorbij Stirling te komen; en
terwijl men overlegde, bij de regeering en de burgers, of men zich zou
verdedigen of overgeven, bespaarde mijn goede vriend Lochiel (dit
zeggende legde hij de hand op den schouder van dit bekwaam en dapper
opperhoofd) hun de moeite van verdere overweging, door met vijf honderd
Camerons de poort binnen te dringen. Tot dus verre, derhalve, hebben
wij het goed gemaakt; maar nu de zenuwen van dien dapperen bevelhebber
versterkt zijn door de lucht van Aberdeen, heeft hij zich ingescheept
naar Dunbar, en ik heb zoo even het stellige bericht ontvangen dat hij
gisteren dáar is geland. Het moet ontwijfelbaar zijn voornemen zijn op
ons af te komen, om weder in het bezit van de hoofdstad te geraken. Nu
zijn er twee gevoelens in mijn krijgsraad: het eene, dat, daar wij
waarschijnlijk minder sterk in getal zijn, en zeker minder sterk in
krijgstucht en hulpmiddelen, gezwegen van ons volslagen gebrek aan
geschut, en de zwakheid onzer ruiterij, het voorzichtig zal zijn ons in
het gebergte terug te trekken, en daar den oorlog te rekken, totdat er
versche hulp uit Frankrijk komt, en al de Hooglandsche clans de wapens
voor ons hebben opgevat. Het tegenovergestelde gevoelen is, dat eene
achterwaartsche beweging, in onze omstandigheden, zeker het grootste
wantrouwen in onze zaak en in onze wapens met zich zal voeren, en, wel
verre van ons nieuwe medestanders te verwerven, het middel zal zijn om
diegenen te ontmoedigen, welke zich aan onze zijde hebben geschaard. De
officieren, die dit laatste aanvoeren, en onder wie uw vriend Fergus
Mac-Ivor behoort, houden staande, dat, zoo de Hooglanders vreemd zijn
aan de gewone krijgstucht van Europa, de soldaten, die zij te
bestrijden hebben, niet minder vreemd zijn aan de vreeselijke wijze van
aanvallen die hun eigen is: dat men omtrent de gehechtheid en den moed
der opperhoofden en heeren geen twijfel kan voeden; en dat, daar zij
zich midden in de vijandelijke rangen zullen werpen, hunne clanslieden
hen zeker zullen volgen; in één woord, dat, daar wij het zwaard
getrokken hebben, wij de schede moeten wegwerpen, en onze zaak aan den
strijd en aan God toevertrouwen, die de overwinning geeft. Wil de heer
Waverley, in deze moeielijke omstandigheden, ons ook zijn gevoelen
mededeelen?”
Waverley bloosde, half van genoegen en half uit zedigheid, over de
onderscheiding die in dit verzoek lag opgesloten, en antwoordde met
even veel verstand als vlugheid, dat hij niet wagen kon een gevoelen in
het midden te brengen, hetwelk op de krijgskunst gegrond was; maar dat
die raad hem verreweg het meest welkom zou zijn, waardoor hem de eerste
gelegenheid verschaft zou worden om zijn ijver te toonen in de dienst
van Zijne Koninklijke Hoogheid.
„Als een Waverley gesproken!” antwoordde Karel Eduard; en „opdat gij
een rang moogt bekleeden, eenigermate overeenkomstig uw naam, zoo
veroorloof mij u, in stede van de kapiteinsplaats, welke gij verloren
hebt, den rang aan te bieden van majoor in mijne dienst, waaraan ik de
betrekking van mijn adjudant verbind, totdat gij bij een regiment kunt
aangesteld worden, van welke ik hoop spoedig een aantal opgericht te
zien.”
„Uwe Koninklijke Hoogheid vergeve mij” antwoordde Waverley, want hij
herinnerde zich Balmawhapple en diens armoedige bende, „zoo ik weiger
eenigen rang aan te nemen, tot ik macht genoeg bezit om een genoegzaam
voltallig corps op te richten, om mijn bevelhebberschap van eenig nut
voor de dienst van Uwe Hoogheid te doen zijn. Intusschen hoop ik, dat
gij mij veroorloven zult als vrijwilliger onder mijn vriend Fergus
Mac-Ivor te dienen.”
„Vergun mij dan ten minste,” zei de Prins, blijkbaar ingenomen met
dezen voorslag „het genoegen, van u op de wijze der Hooglanders te
wapenen.” Dit zeggende ontgespte hij den sabel, dien hij droeg, en
welks draagband met zilver versierd was, terwijl het stalen gevest rijk
en keurig was ingelegd. „De kling,” zei de Prins, „is eene echte Andrea
Ferrara; het is een soort van erfstuk in onze familie geweest; maar ik
ben overtuigd, dat ik het in betere handen dan de mijne stel, en ik zal
er pistolen van hetzelfde werk bij voegen. – Kolonel Mac-Ivor, gij zult
uw vriend zeker veel te zeggen hebben; ik wil u niet langer van een
vertrouwelijk gesprek terughouden, maar herinner u, dat wij u beiden
verwachten, om ons heden avond gezelschap te houden. Het zal misschien
wel de laatste nacht zijn, dien wij in deze zalen doorbrengen, en daar
wij met een goed geweten te velde trekken, willen wij den avond voor
den slag in vroolijkheid slijten.”
Na aldus verlof bekomen te hebben om zich te verwijderen, verlieten het
Opperhoofd en Waverley de audiëntiezaal.