Toen Waverley ontwaakte, was de dag reeds ver gevorderd, en begon hij
te gevoelen dat hij verscheidene uren zonder voedsel had doorgebracht.
Dit werd hem spoedig in den vorm van een overvloedig ontbijt verschaft;
maar kolonel Stuart, alsof hij de vragen van zijn gast wilde vermijden,
liet zich niet meer zien. Hij ontving echter diens groete, door middel
van een bediende, die belast was met aan kapitein Waverley alles aan te
bieden wat hij op zijn reis mocht noodig hebben, welke nog dien avond
zou worden voortgezet, gelijk de Gouverneur hem liet berichten. Welke
verdere navragen Waverley ook beproefde, de bediende stelde een
ondoordringbaren muur van werkelijke of geveinsde onwetendheid en
domheid daartegen over. Hij nam de tafel af, en Waverley was weder aan
zijn eigen overdenkingen prijs gegeven.
Terwijl hij de nukken van zijn lot naging, dat er vermaak in scheen te
scheppen om hem ter beschikking van anderen te stellen, zonder het
vermogen om zijn eigene handelingen te regelen, viel Eduards oog
eensklaps op zijn mantelzak, die gedurende zijn slaap in zijn vertrek
was neergelegd. Hij herinnerde zich terstond Alice’s geheimzinnige
verschijning in de hut in het dal, en hij stond op het punt om het
pakje, dat zij tusschen zijn kleederen gestopt had, daaruit te nemen en
te onderzoeken, toen de knecht van kolonel Stuart weder binnentrad, en
den mantelzak op zijn schouders nam.
„Mag ik er geen schoon linnen uit nemen, vriend?”
„De edele heer zal een der fijnste overhemden van den Kolonel zelven
hebben, maar dit moet in den pakwagen.”
En dit zeggende, nam hij koelbloedig den mantelzak weg, zonder verdere
tegenspraak af te wachten; terwijl hij onzen held in een toestand
achterliet, waarbij spijt en verontwaardiging om den voorrang streden.
Na verloop van eenige minuten hoorde hij een kar de slecht bestrate
plaats afrijden, en hij twijfelde niet of hij was thans, ten minste
voor een tijd, en misschien voor altijd, van het bezit geroofd van de
eenige stukken, die licht schenen te beloven omtrent de raadselachtige
gebeurtenissen, welke sedert kort zoo veel invloed op zijn lot gehad
hadden, Met zulke sombere gedachten vervuld moest hij vier of vijf
eenzame uren slijten.
Toen deze tijd verstreken was, liet zich paardengetrappel op de plaats
hooren, en kort daarna verscheen kolonel Stuart, om zijn gast te
verzoeken, vóor zijn vertrek, nog eenige verversching te gebruiken. Dit
werd aangenomen; en hoewel het ontbijt een weinig laat had plaats
gegrepen, had het onzen held geenszins buiten staat gesteld om eer aan
het middagmaal te doen, dat hem thans werd voorgezet. Het gesprek van
zijn gastheer was dat van een eenvoudig land-edelman, gemengd met
eenige krijgshaftige denkbeelden en uitdrukkingen. Hij vermeed met
omzichtigheid alle toespeling op de krijgsondernemingen of de
staatkunde van den dag, en antwoordde op Waverleys rechtstreeksche
vragen aangaande sommige dezer punten even rechtstreeks, dat het hem
niet geoorloofd was over dergelijke onderwerpen te spreken.
Toen de maaltijd afgeloopen was, stond de gouverneur op, en Eduard een
goede reis wenschende, zeide hij hem, dat, daar zijn knecht hem berigt
had, dat zijne bagaadje vooruit was gezonden, hij de vrijheid had
genomen, om hem van zoo veel schoon linnen te voorzien, als hij noodig
zou kunnen hebben, tot hij weder in bezit van het zijne wezen zou; met
deze beleefdheid nam hij afscheid. Een bediende kondigde Waverley een
oogenblik later aan, dat zijn paard gereed stond.
Op dezen wenk begaf hij zich naar het plein, en vond een ruiter, die
een gezadeld paard vasthield; Waverley besteeg het, en reed de poort
van het kasteel Doune uit, in gezelschap van omstreeks een twintig
gewapende mannen te paard, die niet zoo zeer het voorkomen van
geregelde krijgslieden hadden, als wel van bijzondere personen, die op
eens de wapens hadden opgevat, uit hoofde van eenige dringende
noodzakelijkheid of onverwachte gebeurtenis. Hunne uniform, eene stijve
nabootsing van de Fransche chasseurs, was in een aantal opzichten
onvolkomen, en zat hun, die ze droegen, tamelijk slecht. Waverley’s
oog, dat gewoon was een goed gericht en wel bestuurd regiment te zien,
ontdekte dadelijk, dat de bewegingen en manieren van zijn escorte niet
die van geoefende soldaten waren, en dat zij, ofschoon genoegzaam
geoefend in het rijden, wat hunne verdere bedrevenheid betrof, eer
liefhebbers van de jacht, of stalknechts dan ruiters schenen. Hunne
paarden waren niet gewoon aan den regelmatigen stap, zoo noodzakelijk
om gelijkmatige en zamengestelde bewegingen ten uitvoer te brengen;
evenmin als hunne berijders geoefend waren in het hanteeren van den
sabel. De manschappen waren intusschen op het oog, stoute, geharde
knapen, en zouden ligt, als ongeregelde kavalerie, man voor man, te
duchten zijn. De bevelhebber van dezen kleinen troep zat op een
uitmuntend jachtpaard, en in weerwil van zijn uniform, herkende
Waverley terstond in hem, zijn oude kennis, den heer Falconer van
Balmawhapple.
Hoewel de kennismaking van Eduard met dezen heer niet bijzonder
vriendschappelijk was geweest, zou hij hun dwazen twist gaarne vergeten
hebben, om het genoegen te smaken van een gezellig onderhoud en van
vragen en antwoorden, waarvan hij zoolang verstoken was geweest. Maar
het scheen dat de herinnering aan zijn nederlaag door den Baron van
Bradwardine, waarvan Eduard de onschuldige oorzaak was geweest, nog
onaangenaam werkte in de herinnering van den onbeschaafden, maar
trotschen jonker. Hij vermeed zorgvuldig het minste teeken te geven
waaruit blijken kon dat hij Waverley herkende, terwijl hij knorrig aan
het hoofd zijner manschappen, voortreed, die, schoon nauwelijks in
aantal gelijk staande met een wachtmeesters kommando, „het escadron”
van kapitein Falconer genoemd werden. Ze werden voorafgegaan door een
trompetter, die van tijd tot tijd op zijn instrument blies, alsmede
door een standaard, door den kornet Falconer, des jonkers jongeren
broeder, gedragen. De luitenant, een man op jaren, had geheel en al het
voorkomen van een jachtliefhebber en drinkebroêr uit de mindere standen
der maatschappij; een uitdrukking van droogen humor kenmerkte zijn
overigens gemeene gelaatstrekken, die van doorgaande onmatigheid
getuigden. Zijn driekante militaire hoed stond hem scheef op het hoofd,
en, terwijl hij, opgewekt door een slokje brandewijn, een bekend airtje
floot, scheen hij vroolijk voort te rijden, met een gelukkige
onverschilligheid omtrent den toestand des lands, het gedrag zijner
onderhoorigen, het doel der reis en alle andere ondermaansche zaken,
van welken aard die ook wezen mochten.
Bij dezen klant hoopte Waverley, die tusschenbeide hem ter zijde reed,
eenige inlichtingen te verkrijgen, of ten minste den weg al pratende te
korten.
„Een heerlijke avond, mijnheer” was Eduards toespraak.
„O ja! mijnheer, een mooie nacht,” hernam de luitenant, in plat
Schotsch van den algemeensten slag.
„En een heerlijke oogst waarschijnlijk ook,” ging Waverley voort,
terwijl hij zijn aanval hervatte.
„Ja! het graan zal knap binnen komen; maar die duivelsche boeren en
koornkoopers zullen het wel op den ouden prijs houden, en ons voor onze
paarden goed laten betalen.”
„Gij bekleedt waarschijnlijk den rang van kwartiermeester, mijnheer?”
„Ja, kwartiermeester, ritmeester en luitenant. En, om de waarheid te
zeggen, wie is geschikter om op de arme beesten te letten en er voor te
zorgen dan ik, die ze allemaal koop en verkoop.”
„En, mijnheer, zoo het niet al te vrij is, mag ik verzoeken te weten,
waar we thans heen gaan?”
„Een gekken tocht, vrees ik,” antwoordde dit openhartige personage.
„In dat geval,” hernam Waverley, die besloten was geene komplimenten te
sparen, „zou ik gedacht hebben zoo iemand als gij zijt, niet op den weg
te hebben gevonden.”
„Wel waar, wel waar, mijnheer! – Maar elk waarom heeft ook zijn daarom;
ge moet weten, dat heer dáar kocht wat paarden van me, om zijn ruiters
te voorzien, en wilde er gaarne voor betalen overeenkomstig de
behoeften en de prijzen van het oogenblik. Maar nu had hij geen duit
geld, en men heeft mij gezegd dat hij zoo in de schulden zat, dat zijn
woord ook niets waard was. Toch moet ik tegen Sint Maarten met mijn
kooplieden afrekenen, en daar hij mij nu zeer vriendelijk dezen post
aanbood, en ik wist dat de vijftien ouden [122] mij nooit aan mijn geld
zouden helpen, omdat ik paarden had geleverd voor den dienst tegen de
regeering, zoo dacht ik, op mijn woord, mijnheer, dat ik de meeste kans
zou hebben, om aan het een en ander te komen, als ik zelf mede ging
[123], en ge begrijpt, mijnheer, dat, daar ik al mijn leven in halsters
gedaan heb, ik er geen groot bezwaar in zie om zelf gevaar te loopen
van een strop om den hals te krijgen.”
„Zijt gij dus geen krijgsman van beroep?” vroeg Waverley.
„Neen, neen, God dank!” antwoordde deze dappere partijganger, „ik ben
niet opgevoed om zoo kort te worden gehouden, maar groot gebracht voor
de hakselbank en den stal; ik werd tot paardenkooper opgeleid,
mijnheer; en zoo ik het mocht beleven om u te Whitson-tryst of te
Stagshaw-bank, of op Harwick’s wintermarkt te zien, en ge hadt een
beest noodig, dat allen anderen op het jachtveld vooruit was, sta ik u
borg dat ik u naar genoegen zou bedienen; want Jaapje Jinker was nooit
de man om iemand te bedriegen. Gij zijt een fatsoenlijk man, mijnheer,
en weet dus wel hoe een paard behoort te wezen; ge ziet dat vlugge
ding, waar Balmawhapple op zit; ik heb het hem zelf verkocht. Het is
een jong van „Lek-lepel”, die des konings prijs won te Coverton-Edge;
zijn vader is „Witvoet”, toebehoorende aan den hertog van Hamilton,
enz.”
Maar terwijl Jinker doordraafde over den geslachtsboom van
Balmawhapples merrie, en reeds gekomen was aan den grootvader en de
grootmoeder, en Waverley op eene gelegenheid wachtte, om meer
belangrijke inlichtingen van hem te verkrijgen, hield de edele kapitein
zijn paard in, totdat hij op eene lijn met hen kwam, en zeide daarop,
zonder regtstreeks op Eduard acht te slaan, op gestrengen toon tegen
den geslachtkundigen paardenkoopman.
„Ik meende, luitenant, strenge bevelen gegeven te hebben, dat niemand,
wie ook, met den gevangene zou spreken?”
De omgeschapen paardenkoopman werd dus tot zwijgen gebracht, boog het
hoofd, en zakte naar de achterhoede af, waar hij zich schadeloos
stelde, door een hevigen twist aan te gaan over den prijs van het hooi,
met een boer, die met tegenzin zijn heer naar het veld gevolgd was, om
de boerderij niet te verliezen, waarvan de huurtijd juist om was.
Waverley was dus andermaal tot zwijgen veroordeeld, daar hij voorzag,
dat, indien hij verdere pogingen aanwendde tot het aanknoopen van een
gesprek, bij den een of ander van den hoop, dit Balmawhapple slechts
eene gewenschte gelegenheid zou geven om de waardigheid waarmede hij
bekleed was te laten gelden, en den mokkenden spijt van een
kleingeestig karakter aan den dag te leggen, die nog te sterker was
aangewakkerd, door de gewoonte van zich steeds den wierook der
slaafsche vleierij te laten welgevallen.
Na verloop van een paar uren bevond de afdeeling zich nabij het kasteel
van Stirling, boven welks vestingwerken de vlag der Unie wapperde, en
wier kleuren in de avondzon schitterden. Om zijne reis te bekorten, of
misschien om al zijn gewicht te luchten en het Engelsche garnizoen te
tergen, nam Balmawhapple, rechts afslaande, zijn weg door het
koninklijke park, hetwelk zich uitstrekt tot, en heenloopt om de rots,
waarop de vesting gelegen is.
Wanneer hij in eene bedaardere gemoedsgesteldheid verkeerd had, zou
Waverley niet nagelaten hebben de afwisselende schilderachtige
schoonheid te bewonderen, welke het landschap, dat hij thans doortrok,
kenmerkte – dat veld, het tooneel der aloude tournooien – die rots,
vanwaar de dames den kamp aanschouwden, terwijl zij geloften deden
opdat de zegepraal ten deel mocht vallen aan hare begunstigde ridders –
de torens der Gothische kerk, waar deze geloften konden worden gehouden
– en, boven al, de vesting zelve, te gelijk kasteel en paleis, waar de
dapperheid den prijs uit de handen des konings ontving, en ridder en
edelvrouwen den avond besloten onder dans, zang en feestmaaltijden. Al
deze voorwerpen waren wel geschikt om eene romaneske verbeelding op te
wekken en te boeien.
Maar Waverley had geheel andere stof tot peinzen, en spoedig greep er
iets plaats, dat aan alle overdenking een einde maakte. Balmawhapple
beval, in de trotschheid van zijn hart, terwijl hij zijn klein korps
kavalerie langs den voet van het kasteel voerde, aan zijn trompetter
eene fanfare te blazen, en aan zijn standaarddrager het vaandel te
ontrollen. Deze terging veroorzaakte blijkbaar eenige gevoeligheid;
want, toen de ruiterdrom op zulk een afstand de zuiderbatterij genaderd
was, dat men er een stuk geschut laag genoeg kon stellen om hen te
bereiken, barstte er een vuurstraal uit een der schietgaten in de rots
los; en eer het daarmede vergezeld gaande gebulder zich hooren liet,
floot een kogel sissend over het hoofd van Balmawhapple, en begroef
zich op eenigen afstand in den grond, waardoor hij met het opgeworpen
stof bedekt werd. Het was niet noodig de afdeeling tot spoed te
vermanen. Inderdaad, daar iedereen volgens den indruk van het oogenblik
handelde, werden de rossen van den heer Jinker spoedig in de
gelegenheid gesteld om hun wakkerheid aan den dag te leggen; en de
kavaleristen, die met meer haast dan orde weken, kwamen niet weer in
den gewonen draf, gelijk de luitenant later opmerkte, voor dat een
tusschenbeide liggende hoogte hen beschut had tegen eene herhaling
eener zoo weinig gewenschte plichtpleging van wege het kasteel van
Stirling. Ik moet echter Balmawhapple het recht doen, van te zeggen,
dat hij zich niet slechts in de achterhoede van zijn troep bevond, en
al zijne pogingen inspande om eenige orde onder zijne manschappen te
houden, maar zelfs in het vuur zijner dapperheid de losbarsting van het
kasteel beantwoordde, dooreen zijner pistolen tegen de muren af te
schieten; ofschoon ik, daar de de afstand bijna een groot kwartier
beliep, nooit ben te weten kunnen komen, of deze krijgshaftige
maatregel ook eenige bijzondere uitwerking teweeg heeft gebracht.
De reizigers staken nu het merkwaardige slagveld van Bannockburn over,
en bereikten het Torwood, eene plaats roemrijk of verschrikkelijk in de
herinnering van den Schotschen boer, al naar gelang de feesten van
Wallace of de wreedheden van Wude Willie Grime het diepst in zijn
geheugen geprent zijn. Te Falkirk, een stadje voorheen in de Schotsche
geschiedenis vermaard, en dat spoedig weder belangstelling zou wekken,
als het tooneel van gewichtige militaire gebeurtenissen, stelde
Balmawhapple voor om halte, en des nachts rust te houden. Dit alles
werd met zeer geringe inachtneming der krijgstucht volvoerd, daar de
waardige kwartiermeester er slechts op bedacht was om te weten te
komen, waar de beste brandewijn te verkrijgen was. Men achtte het
onnoodig schildwachten uit te zetten, en de eenige wacht, die betrokken
werd werd slechts gehouden door diegenen welke zich drank wisten te
verschaffen. Eenige weinige welberadene mannen hadden het detachement
gemakkelijk kunnen afsnijden; maar een deel der inwoners was de zaak
der Stuarts toegedaan, een ander deel onverschillig, en de overigen
overbluft. Dus gebeurde er niets merkwaardigs in den loop van den
nacht, uitgezonderd dat Waverleys rust onaangenaam gestoord werd door
de drinkebroêrs, die hunne Jacobietische liedjes zonder medelijden of
verzachting van stem, uitbalkten.
Den volgenden ochtend zaten zij weder op, en waren zij op weg naar
Edinburgh, ofschoon de bleeke gezichten van sommigen uit den hoop
verrieden, hoe zij den nacht gesleten hadden. Zij hielden halte te
Linlithgow, beroemd door zijn oud paleis, dat, zestig jaar geleden,
geheel en al bewoonbaar was, maar welks eerwaardige overblijfselen,
geen volle zestig jaar geleden, ter nauwernood het onwaardige lot
ontgingen van in een barak voor Fransche krijgsgevangenen herschapen te
worden. Vrede zij de asch van den vaderlandlievenden staatsman, die bij
de laatste door hem aan Schotland bewezen diensten nog deze voegde, dat
hij die ontheiliging door zijne tusschenkomst belette!
Naarmate de ruiters de hoofdstad van Schotland langs open en bebouwde
velden meer en meer naderden, begon ook het oorlogsgerucht zich meer en
meer te doen hooren. Het verwijderde, maar toch goed te onderscheiden,
gebulder van het kanon, hetwelk van tijd tot tijd losbrandde, deed
Waverley verstaan, dat het werk der verwoesting een aanvang genomen
had. Zelfs Balmawhapple scheen geneigd eenige voorzorgen te gebruiken,
door eene kleine afdeeling voorop te zenden, het hoofdcorps in
tamelijke orde te houden en bedaard den tocht voort te zetten.
Dus voorttrekkende, bereikten zij spoedig eene hoogte, vanwaar
Edinburgh zich aan hun oogen voordeed zoo als het zich uitstrekt langs
den bergrug, die, oostwaarts van het kasteel af, schuins naar beneden
loopt. Daar de stad in staat van beleg, of liever van blokkade was,
door de noordelijke opstandelingen, die reeds voor twee dagen de stad
bezet hadden, werd daaruit van tijd tot tijd op zoodanige troepjes
Hooglanders gevuurd, als zich blootstelden, hetzij in de hoofdstraat
der stad, of elders in den omtrek van het kasteel. Daar de morgen stil
en schoon was, werd door dit herhaalde vuren het kasteel in rookwolken
gehuld, die zachtjes boven in de lucht wegsmolten, terwijl het
middelste gedeelte telkens weder in rookdamp gewikkeld werd door de uit
de muren losgebarsten versche schoten. Het aldus gedeeltelijk vervallen
kasteel erlangde daardoor iets groots en sombers in zijn voorkomen,
hetwelk nog schrikbarender werd, toen Waverley de oorzaak van dit alles
naging, en bedacht dat iedere uitbarsting licht den dood van den een of
anderen dapperen man kon aankondigen.
Eer zij de stad genaderd waren, had deze kanonnade geheel opgehouden.
Doch Balmawhapple, die zich de onvriendelijke begroeting herinnerde,
welke zijn troep van de batterij van Stirling was te beurt gevallen,
had waarschijnlijk geen lust om de lankmoedigheid der artillerie van
het kasteel op de proef te stellen. Hij verliet dus den naasten weg, en
aanmerkelijk ten zuiden afwijkende, zoodat hij buiten het bereik van
het kanon was, naderde hij het oude paleis van Holyrood, zonder de stad
te zijn binnen gereden. Nu schaarde hij zijne manschappen voor dit
eerwaardig gebouw, en leverde Waverley aan eene wacht van Hooglanders
over, wier officier hem naar het binnenste van het paleis voerde.
Eene lange, lage en slecht geëvenredigde gaanderij met schilderijen
behangen, die men zeide de afbeeldingen van koningen voor te stellen,
welke, zoo zij al ooit geleefd hadden, eenige honderd jaren voor de
uitvinding van het schilderen in olieverf moeten hebben bestaan, diende
als eene soort van wachtkamer, of voorzaal van de vertrekken, die de
avontuurlijke Karel Eduard thans in het paleis zijner voorouders
bewoonde. Officieren in Hooglandsch en Laaglandsch gewaad, liepen
haastig heen en weêr, of slenterden in de voorkamers rond, alsof zij op
bevelen wachtten. Geheimschrijvers waren bezig met het opmaken van
passen, monsterrollen en antwoorden. Ieder scheen het geweldig druk te
hebben en ernstig bezig te zijn met eene of andere zaak van belang;
maar Waverley had vrijheid om in de diepte van een afgelegen raam, door
ieder onopgemerkt, te blijven zitten, terwijl hij niet zonder angstige
bezorgdheid nadacht over de beslissing van zijn lot, welke thans met
rasse schreden scheen te naderen.