EEN NACHTELIJK AVONTUUR.

Toen de geheele troep de hut verlaten had, werd er een oogenblik halt

gehouden, en hij, die het bevel op zich nam, en in wien Waverley

denzelfden ranken Hooglander meende te herkennen, die bij Donald Bean

Leans voor onderbevelhebber had gespeeld, beval, fluisterend en door

teekens, dat men de diepste stilte in acht moest nemen. Hij gaf Eduard

een sabel en een ruiterspistool in de hand, en op den omtrek wijzende,

bracht hij de hand aan het gevest van zijn eigen zwaard, alsof hij hem

wilde doen verstaan, dat ze wellicht tot geweld hunne toevlucht zouden

moeten nemen om zich een weg te banen. Vervolgens plaatste hij zich aan

het hoofd van den troep, die de een achter den ander geschaard het pad

opsteeg, terwijl Waverley terstond achter den leidsman volgde.

Deze ging slechts met groote voorzichtigheid voort, alsof hij het

minste gerucht wilde vermijden, en hield stil, zoodra ze den top van

den berg bereikt hadden. Waverley bespeurde al spoedig de reden van al

deze voorzorgen; want hij hoorde, op kleinen afstand, een Engelsche

schildwacht zijn „All’s well!” roepen. De zware klank daalde, op den

nachtwind, in het boschrijke dal neder, en werd door de echo’s van de

omringende hoogten nagebauwd. Twee, drie en viermaal werd het geroep al

zwakker en zwakker herhaald, alsof het op grooter en grooter afstand

van post tot post ging. Het was blijkbaar, dat eene afdeeling soldaten

in de nabijheid en op hare hoede was, ofschoon lang niet genoegzaam, om

mannen te ontdekken, in allerlei soort van strooptochten zoo bedreven

als die, met welke Waverley thans hunne vruchtelooze voorzorgen

bespiedde.

Toen deze stemmen door de stilte van den nacht vervangen waren, begaven

de Hooglanders zich snel, maar met de uiterste behoedzaamheid, op

marsch. Waverley had weinig tijd, en inderdaad ook weinig lust, om

waarnemingen te doen; hij kon alleen onderscheiden, dat ze op eenigen

afstand langs een groot gebouw heentrokken, door welks ramen nog een

paar lichten schenen te flikkeren. Een weinig verder, snoof de

geleidende Hooglander in den wind, als een jachthond die voor het wild

staat, en gaf toen een teeken aan zijn troep, om wederom halt te

houden. Hij bukte zich op handen en voeten, in zijn plaid gewikkeld,

zoodat hij nauwelijks te onderscheiden was van den begroeiden bodem,

waarop hij zich bewoog, en naderde in deze houding, om verkenning te

doen. Weldra kwam hij terug, en zond zijne kameraden, op één na weg;

en, terwijl hij Waverley beduidde dat deze zijne voorzichtige wijze van

voortgaan moest navolgen, kropen alle drie op handen en voeten voort.

Na op deze ongemakkelijke manier een langer weg te hebben afgelegd, dan

zijnen knieën en beenen aangenaam was, bespeurde Waverley de rooklucht,

die waarschijnlijk al veel vroeger door de scherpere reukorganen van

zijn leidsman was opgemerkt. De rook zelf kwam uit den hoek van een

lage en vervallen schaapskooi, welker muren van ongemetselde steenen

waren opgetrokken, zoo als in Schotland gebruikelijk is. Dicht langs

dezen lagen muur werd Waverley, waarschijnlijk niet zonder oogmerk door

een Hooglander geleid, en, om hem al den omvang van het gevaar te doen

kennen, of misschien om de volle overtuiging van zijn eigene

behendigheid te hebben, noodigde hij hem door teekens en voorbeeld uit,

het hoofd op te heffen, om over den muur in de schaapskooi te zien.

Waverley deed dit, en zag een voorpost van vier of vijf soldaten, die

bij hun wachtvuur gelegerd waren. Ze sliepen allen, uitgenomen de

schildwacht, die heen en weder wandelde met het geweer op schouder,

hetwelk door een rooden gloed van het vuur verlicht werd, zoo dikwijls

hij, op zijn korten heen- en terugmarsch, er langs kwam; terwijl hij

zijn oogen bij herhaling vestigde op dat gedeelte van den hemel, waar

de maan, tot hiertoe door mist verduisterd, nu op het punt scheen te

voorschijn te treden.

Na verloop van een paar minuten, verhief zich, door een dier

plotselinge veranderingen in de lucht, aan bergachtige landen zoo

eigen, een koeltje, en vaagde de wolken weg, welke den gezichteinder

hadden beneveld, en de koningin des nachts stortte haar vollen luister

op eene uitgestrekte en dorre heide uit, wel is waar, met kreupelhout

en kwijnend geboomte bezet aan den kant, dien ze langs waren gekomen,

maar open en bloot voor de waarneming van de schildwacht naar die

zijde, werwaarts het doel van hun tocht was. De muur van de schaapskooi

hield hen, op dit oogenblik, nu ze lagen, verborgen; maar het scheen

bijna onmogelijk, een voetstap verder te gaan, zonder terstond ontdekt

te worden.

De Hooglander hield zijn oogen naar het blauwe gewelf geslagen, maar

wel verre van met Homerus’, of liever Popes, door den nacht overvallen

landman, het nuttig licht te zegenen, mompelde hij een Gaelschen vloek

op den ontijdigen glans van Mac-Farlanes buat (d.i. lantaarn) [120].

Hij zag eenige minuten angstig rond, en nam toen oogenblikkelijk zijn

besluit. Terwijl hij zijn makker bij Waverley liet, gaf hij dezen te

verstaan zich rustig te houden, en na den ander zijn bevelen in een

kort gefluister te hebben medegedeeld, keerde hij, begunstigd door de

ongelijkheid van den grond, terug, in dezelfde richting en op dezelfde

wijze, als ze gekomen waren. Eduard, die het hoofd omwendde om hem met

de oogen te volgen, kon hem, met de snelheid van een Indiaan, op handen

en voeten zien loopen, terwijl hij zich van elk struikje en iedere

oneffenheid bediende, om zich voor ontdekking te vrijwaren, en niet de

meer open liggende gedeelten van zijn weg betrad, tenzij de schildwacht

zijn rug naar hem gekeerd had. Eindelijk bereikte hij het kreupelhout

en het lage geboomte, dat het heiveld, nu meer moerassig geworden, naar

dien kant bedekte, en dat zich waarschijnlijk tot op de hoogte

uitstrekte van het zoo lang door Waverley bewoonde dal. De Hooglander

verdween, maar het was slechts voor weinige minuten; want hij kwam op

eens uit een ander gedeelte van het kreupelbosch te voorschijn, en

terwijl hij stoutmoedig op de open heide voortging, als ware het om

ontdekking uit te lokken, hief hij zijn geweer op en vuurde op de

schildwacht. Een wonde in den arm verstoorde op onaangename wijze de

waarnemingen van den armen knaap, evenals zij aan het deuntje, dat hij

floot, een einde maakte. Hij beantwoordde het schot, maar zonder

gevolg. Zijn kameraden werden door het alarm gewekt, en snelden met

rassche schreden naar de plek, vanwaar het eerste schot gekomen was. Na

hun den tijd gegeven te hebben om hem te zien, verdween de Hooglander

in de struiken, want zijn krijgslist was ten volle gelukt.

Terwijl de soldaten van hun kant de oorzaak van hetgeen hen verontrust

had in gene richting vervolgden, haastte Waverley zich den wenk van

zijn achtergebleven metgezel te volgen en zich naar dien kant te

begeven, welken zijn leidsman eerst voornemens was te kiezen, en die nu

(daar de aandacht der soldaten elders gevestigd was) zonder opzicht en

zonder bewaking bleef. Nadat ze een goede vijf minuten gaans geloopen

waren, onttrok de rand van een hoogte, die zij beklommen hadden, hen

aan alle verdere bespieding. Zij hoorden echter nog, op een afstand,

het geroep der soldaten, die met elkander op de heide het wachtwoord

wisselden, en eveneens konden zij in dezelfde richting, meer in de

verte het geroffel van een trommel hooren, die de soldaten tot de

wapens riep. Maar deze vijandige geluiden waren thans wijd achter hen

en stierven weg, naarmate zij hun tocht sneller voortzetten.

Toen ze nog omstreeks een half uur langs opene en woeste gronden van

dezelfde soort waren voortgetrokken, kwamen ze aan den stomp van een

ouden eik, die, naar de overblijfselen te oordeelen, eens een boom van

zeer grooten omvang geweest was. In een daarbijgelegen hol troffen ze

onderscheidene Hooglanders, met een paar paarden aan. Ze hadden zich

bij deze nog slechts weinige minuten gevoegd, die Waverley’s reisgezel,

naar alle waarschijnlijkheid, besteedde, om hun de oorzaak van hunne

vertraging mede te deelen, (want het woord Duncan Duroch werd

verscheidene malen herhaald) toen Duncan zelf verscheen geheel en al

buiten adem, blijkbaar zoo vermoeid als iemand, die aan zijn vlugge

loop en het behoud van zijn leven te danken heeft, maar hartelijk

lachende en opgetogen over het gelukken der krijgslist, waardoor hij

zijn vervolgers had bedrogen. Waverley zag inderdaad gemakkelijk in,

dat dit niet zeer moeielijk was voor een behendigen bergbewoner, die

volkomen bekend was met den grond, en zijn loop met een vastheid en

vertrouwen vervolgde, welke onmogelijk voor zijn vijanden waren. Het

door Duncan verwekte alarm scheen nog voort te duren; want er werden op

grooter afstand een paar geweerschoten gehoord, die, naar het scheen,

alleen strekten, om Duncans vreugde en die zijner kameraden te

verhoogen.

De Hooglander nam nu de wapens terug, die hij onzen held had

toevertrouwd, terwijl hij hem te verstaan gaf dat men de gevaren der

reis gelukkig te boven was. Waverley beklom daarop een der paarden, een

verandering, die de uitgestane vermoeienis en zijn jongste

ongesteldheid allezins wenschelijk maakten. Zijn mantelzak werd op een

anderen hit geplaatst. Duncan kreeg het derde paard, en, door hun

escorte vergezeld, begaven zij zich met een stevigen pas op weg. Zonder

verder avontuur op dezen nachtelijken tocht, bereikten zij bij het

aanbreken van den dag de oevers eener snelvlietende rivier. Het land

rondom was vruchtbaar en tevens schilderachtig. Steile, met bosch

bezette oevers, werden afgewisseld door koornvelden, die dit jaar een

overvloedigen oogst beloofden, welke reeds grootendeels gemaaid lag.

Aan den anderen oever der rivier, en gedeeltelijk omringd door een

bocht van haren loop, stond een groot en zwaar kasteel, welks half

ingevallen torens reeds door de eerste stralen der zon verlicht werden

[121]. Het was, wat den vorm aangaat, een langwerpig vierkant, van

genoegzamen omvang, om in het middelste gedeelte een uitgestrekt plein

te bevatten. De torens aan de vier hoeken staken boven de muren van het

gebouw uit, en droegen wederom torentjes van verschillende hoogte en

onregelmatigen vorm. Op een van deze stond een schildwacht, wiens muts

en op den wind golvende plaid hem voor een Hooglander deden kennen;

gelijk een groot wit vaandel, dat van een anderen toren woei,

verkondigde, dat het garnizoen tot de in opstand zijnde aanhangers van

het huis van Stuart behoorde.

Na in haast een klein en onbeduidend stadje doorgemarcheerd te zijn,

waar hunne verschijning verbazing, noch nieuwsgierigheid bij de weinige

boeren opwekte, die door de werkzaamheden van den oogst van hun bed

werden opgejaagd, trok de bende een oude en smalle brug met

verscheidene bogen over; en terwijl ze daarop een weg links insloegen,

en een laan van hooge, oude moerbezieboomen volgden, bevond Waverley

zich vlak voor het sombere maar toch schilderachtige gebouw, dat hij op

een afstand had bewonderd. Een geweldig groote met ijzer beslagen

poort, die de buitenste verdediging van den ingang uitmaakte, was reeds

voor hen geopend; en nadat een tweede van zwaar eikenhout, en dik met

ijzeren spijkers bezet, ontsloten was, kwamen ze op de binnenplaats.

Een heer in Hooglandsche kleeding, met een witte kokarde op de muts,

hielp Waverley van zijn paard stijgen, en heette hem, met veel

beleefdheid, welkom op het kasteel.

Nadat de Gouverneur – want dezen titel moeten wij hem geven – Waverley

in een half vervallen vertrek had gebracht, waar, echter, een klein

veldbed stond, en hem iedere verversching had aangeboden, die hij maar

verlangen mocht, stond hij op het punt om hem te verlaten.

„Wilt gij niet nog de goedheid hebben,” zeide Waverley, na hem bedankt

te hebben, „om mij te zeggen waar ik ben, en of ik mij al dan niet als

een gevangene te beschouwen heb?”

„Het staat mij niet vrij zoo uitvoerig als ik wel wenschte op deze

vraag te antwoorden. Evenwel mag ik u kort weg zeggen, dat ge op het

kasteel van Doune zijt, in het district van Menteith, en niet het

minste gevaar te duchten hebt.”

„En welken waarborg heb ik daarvoor?”

„Het woord van eer van Donald Stuart, Gouverneur van het garnizoen, en

Luitenant-Kolonel in dienst van Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Karel

Eduard.” Dit zeggende, verliet hij haastig het vertrek, om alle verder

gesprek te vermijden.

Onze held, uitgeput door de vermoeienissen van den nacht, wierp zich

thans op het bed, en verzonk binnen weinige minuten in een vasten

slaap.

Waverley(#75933) · 第 85 / 156 题