WAVERLEY VERKEERT STEEDS IN GEVAAR.

De snelheid, of liever het geweld, waarmede Waverley voortgesleurd

werd, beroofde hem bijna van zijn bewustzijn; want, door zijn val was

hij zoo gekneusd geworden, dat hij zich niet zoo goed redden kon, als

hij anders zou gedaan hebben. Toen zijne geleiders dit bespeurden,

riepen zij nog twee of drie van het gezelschap te hulp, wikkelden onzen

held in een hunner plaids, verdeelden dus zijn gewicht onder elkander,

en voerden hem met dezelfde snelheid voort, zonder dat het hem zelven

eenige inspanning behoefde te kosten. Ze spraken weinig en dit nog in

het Gaelsch, en verminderden hun pas niet, voor dat ze bijna drie

kwartier ver geloopen hadden, toen ze hun schreden vertraagden, maar

nog altijd zeer stevig doorstapten, en elkander nu en dan aflosten.

Onze held beproefde thans met hen te spreken, maar verkreeg geen verder

antwoord, dan „Cha n’eil Beurl’ agam,” dat wil zeggen: „wij verstaan

geen Engelsch,” hetgeen, zoo als Waverley maar al te goed wist, het

vaste bescheid van een Hooglander is, wanneer hij óf een Engelschman of

Laaglander niet verstaat, óf niet verkiest te antwoorden. Hij noemde

toen den naam van Vich Ian Vohr, daar hij overtuigd was, dat hij aan

diens vriendschap zijn verlossing uit de klauwen van dezen Gilfillan

verplicht was; maar ook dit bracht geen teeken van herkenning bij zijn

geleide te weeg.

De schemering had plaats gemaakt voor den maneschijn, toen de troep

halt maakte op den steilen rand van een diep dal, dat, daar het

gedeeltelijk door de maan werd verlicht, vol boomen en dicht

kreupelhout scheen. Twee der Hooglanders gingen, langs een klein

voetpad, gebukt verder, alsof zij alle schuilhoeken wilden onderzoeken.

Een hunner, die binnen weinige minuten terugkeerde, zeide iets aan zijn

medgezellen, die terstond hun last opnamen, en hem met groote zachtheid

en zorg het nauwe pad, dat naar het dal voerde, afdroegen. Evenwel

kwam, in weerwil van hunne voorzorgen, Waverley’s lichaam meer dan eens

vrij ruw in aanraking met de vooruitstekende stompen en takken, die

over het pad hingen.

Toen ze onder aan de helling, en, naar het scheen, aan de oevers van

eene beek kwamen, (want Waverley hoorde het ruischen van eene

aanmerkelijke hoeveelheid water, ofschoon de stroom, in de duisternis,

onzichtbaar was,) hielden zijn geleiders weder stil voor eene kleine,

ruw betimmerde hut. De deur was open, en het inwendige scheen even

slecht ingericht en van alle gemakken ontdaan als het uitwendige

voorspelde. Er was hoegenaamd geen schijn van bevloering; het dak was

op verscheidene plaatsen open; de muren bestonden uit losse steenen en

zoden, en het dak uit boomtakken. Het vuur lag in het midden en vulde

de geheele stulp met rook, die zich zoo wel door de deur, als door eene

ronde opening in het dak een uitweg baande. Eene oude Hooglandsche

sybille, de eenige bewoonster van dit verlaten gebouw, scheen met de

toebereiding van eenig voedsel bezig te zijn. Bij het schijnsel van het

vuur, kon Waverley zien, dat zijn gezelschap niet van den clan van Ivor

was, want Fergus was zeer streng in zijn eisch, dat zijn aanhangers den

tartan, met de strepen van hun eigen clan zouden dragen; een

onderscheidingsteeken oudtijds onder de Hooglanders algemeen, en nog

door die Opperhoofden behouden, welke trotsch waren op hun afkomst of

naijverig op hun onafhankelijk en onverdeeld gezag.

Eduard had lang genoeg te Glennaquoich vertoefd om dat

onderscheidingsteeken op te merken, waarvan hij herhaalde malen had

hooren spreken. Overtuigd dat hij geen invloed kon uitoefenen op

degenen, die hem met zich gevoerd hadden, wierp hij een hopeloozen blik

door het binnenste der hut. Het eenige huisraad, buiten een waschtobbe

en een houten kast, in Schotland een „ambry’’ genoemd, en in vrij

slechten toestand, bestond in een ruime houten bedstede, volgens het

gebruik aan alle kanten met planken betimmerd en van een schuifdeur tot

ingang voorzien. In deze schuilplaats legden de Hooglanders Waverley

neder, nadat hij, door gebaren, iedere verversching had afgewezen. Hij

sluimerde onrustig en zonder eenige verkwikking te ondervinden; vreemde

gezichten gingen hem voor de oogen, en standvastige en herhaalde

inspanning was noodig om ze te verdrijven. Huivering, geweldige

hoofdpijn en pijn door alle leden volgden deze verschijnselen op; en

des morgens bleek het ten volle aan zijn Hooglandsche oppassers of

wachters (want hij wist niet goed, in welk licht hen te beschouwen) dat

Waverley volstrekt buiten staat was om verder te reizen.

Na lang overleg met elkander, verlieten zes van het gezelschap de hut

met hunne wapens, terwijl ze een grijsaard en een jong mensch

achterlieten. De eerste sprak Waverley aan en papte de kneuzingen,

welke door het zwellen en de bonte en blauwe kleuren nu zichtbaar

werden. Zijn mantelzak, dien de Hooglanders niet verzuimd hadden mede

te voeren, voorzag hem van linnen, en werd, tot zijn groote

verwondering, met den geheelen inhoud, onbepaald tot zijn beschikking

gesteld. Het beddegoed scheen zindelijk en gemakkelijk, en de bejaarde

oppasser sloot de deur van de bedstede, want er waren geen gordijnen

voor, na eenige weinige woorden in het Gaelsch geuit te hebben, waaruit

Waverley opmaakte, dat hij hem vermaande rust te nemen. Ziedaar dus

onzen held voor de tweede maal onder de handen van een Hooglandschen

Eskulaap, maar in een vrij wat onaangenamer toestand, dan toen hij de

gast was van den waardigen Tomanrait.

De koorts, die het gevolg was van de ondergane kneuzingen, verminderde

eerst den derden dag, toen ze voor de zorg zijner oppassers en de

sterkte van zijn gestel week, en nu kon hij, ofschoon niet zonder pijn,

zich in het bed oprichten. Hij bespeurde evenwel, dat er geen groote

last bestond bij de oude vrouw, die hem tot ziekeoppasster diende, of

bij den bejaarden Hooglander, om hem te vergunnen de deur van de

bedstede open te doen, om hem afleiding te verschaffen met het

gadeslaan hunner bewegingen; en ten laatste, nadat Waverley het luik

van zijn kooi herhaalde malen geopend, en zij het even dikwijls weder

gesloten hadden, maakte de oude Hooglander een einde aan den twist,

door het van den buitenkant, met een spijker, zoo vast te maken, dat er

geen verwrikken aan was, eer dit uitwendig beletsel weggenomen werd.

Waverley zocht bij zich zelven de oorzaak van dezen geest van verzet na

te gaan bij lieden, wier gedrag aan geen roofzucht deed denken, en die

in alle andere opzichten alleen met zijn welzijn en zijn wenschen

schenen te rade te gaan. Ook herinnerde onze held zich, dat het hem,

gedurende de ergste crisis van zijn ziekte, toescheen, dat hij een

vrouwelijke gedaante, jonger dan de oude Hooglandsche oppasster,

tusschenbeide bij zijn legerstede had ontwaard. Hij had hiervan wel is

waar slechts een zeer flauwe herinnering, maar zijn vermoedens werden

bevestigd, toen hij, oplettend luisterende, in den loop van den dag,

dikwijls de stem van een tweede vrouwelijk wezen hoorde, dat met zijn

oppasster sprak. Wie kon dat zijn? En waarom verlangde ze verborgen te

blijven? Zijn verbeelding ontvlamde terstond, en bracht hem Flora

Mac-Ivor voor den geest. Maar na een korten strijd tusschen het vurige

verlangen om te mogen gelooven, dat zij in zijne nabijheid was, en,

gelijk een engel der barmhartigheid, zijn ziekbed bewaakte, werd

Waverley gedrongen te erkennen, dat zijn gissing geheel

onwaarschijnlijk was. Immers liet het zich bezwaarlijk veronderstellen,

dat ze haar betrekkelijk veilig verblijf op Glennaquoich had verlaten,

om naar het Laagland, thans de zetel van burgeroorlog, af te komen, om

zulk een schuilhoek te bewonen, als deze. Evenwel klopte zijn hart, als

hij een enkelen keer het trippelen van een lichten, vrouwelijken voet,

naar of van de deur der hut, kon hooren, of de gedempte toonen van een

zachte en fijne vrouwestem mocht opvangen, tegenover het schorre,

binnensmondsche gekwaak van de oude Janet, gelijk, zoo als hij vernam,

de oude vrouw heette.

Daar hij niets anders had, om zich in zijn eenzaamheid mede te

vermaken, hield hij zich bezig met een plan om zijn nieuwsgierigheid te

voldoen, in spijt van de scherpe oplettendheid van Janet en den ouden

Hooglander; want den jongen knaap had hij sedert den eersten morgen

niet weder gezien. Eindelijk, na een nauwkeurig onderzoek, scheen de

zwakke toestand van zijn houten gevangenis de middelen aan de hand te

geven om zijn nieuwsgierigheid te voldoen; want het gelukte hem uit een

eenigzins vermolmde plank, een spijker te trekken. Door deze kleine

opening kon hij een vrouwelijke gedaante bemerken, die, in haar plaid

gewikkeld, met Janet in gesprek was. Maar, reeds sedert de dagen van

onze grootmoeder Eva, heeft het toegeven aan al te groote

nieuwsgierigheid doorgaans zijn straf gevonden in de teleurstelling,

die ze ontmoet. De gestalte was niet die van Flora en het gelaat kon

hij niet te zien krijgen; en, om de teleurstelling ten top te voeren,

terwijl hij met den spijker de opening zocht te vergrooten, ten einde

zijn doel beter te bereiken, verried een klein geraas zijn voornemen,

en het voorwerp zijner nieuwsgierigheid verdween oogenblikkelijk, en

bezocht ook, voor zoover hij bemerken kon, de hut niet meer.

Alle voorzorg om zijn uitzicht te belemmeren werd sedert dien tijd

opgegeven; en hij verkreeg niet alleen verlof, maar ook hulp om op te

staan en te verlaten, wat, in letterlijken zin, zijn gevangenis-leger

geweest was. Maar hij mocht geen voet buiten de hut te zetten; want de

jonge Hooglander had zich nu weder bij zijn ouderen makker gevoegd, en

een van beiden stond gedurig op de wacht. Zoo dikwerf Waverley de deur

naderde, plaatste de schildwacht zich, beleefd, maar vastberaden er

voor, en verzette zich tegen Eduards pogingen, terwijl hij de daad

gepaard deed gaan met teekens, die schenen aan te duiden, dat zijn

streven gevaarlijk, en er een vijand in de nabijheid was. De oude Janet

scheen beangst en op hare hoede; en Waverley, die nog geen krachten

genoeg had, om, in weerwil van den tegenstand zijner huisgenooten, een

poging te wagen om te ontsnappen, was genoodzaakt geduld te oefenen.

Zijn onthaal was, in ieder opzicht, beter dan hij zich had kunnen

voorstellen; want gevogelte en zelfs wijn waren van zijn tafel niet

uitgesloten. De Hooglanders matigden zich nooit aan om met hem te eten,

en behandelden hem, behalve dat ze hem bewaakten, met grooten eerbied.

Zijn eenig vermaak was uit het raam te kijken – of liever uit de ruwe

opening, welke tot raam moest dienen – op een breeden en woesten

stroom, die door een steenachtige bedding, omtrent tien voet beneden de

gevangenis, ruischte en schuimde, en alom dicht door boomen en struiken

overschaduwd en bedekt was.

Op den zesden dag na zijn inkerkering, bevond Waverley zich zoo wel,

dat hij aan zijne ontsnapping uit deze sombere en ellendige gevangenis

begon te denken, daar hij aan elk gevaar, hetwelk hij bij de poging

mocht loopen, de voorkeur gaf boven de verdovende en ondragelijke

eentoonigheid, waaraan hij in Janets woning ten prooi was. De vraag

ontstond inderdaad bij hem, werwaarts hij gaan zou, als hij weder zijn

eigen meester was. Twee plannen schenen uitvoerbaar, hoewel beide met

gevaar en moeite gepaard gingen. Het eene was naar Glennaquoich terug

te gaan en zich bij Fergus Mac-Ivor te voegen, die, dat wist hij zeker,

hem vriendelijk ontvangen zou; en in zijn tegenwoordige stemming

ontsloeg hem de gestrengheid, waarmede hij behandeld werd, in zijne

eigene oogen, ten volle van zijne verplichting jegens het bestaande

bewind. Het andere ontwerp was te pogen eene Schotsche zeehaven te

bereiken, en zich van daar naar Engeland in te schepen. Besluiteloos

dobberde zijn geest tusschen deze twee plannen, en indien hij ontsnapt

ware zoo als hij zich had voorgenomen, is het waarschijnlijk dat hij

zich eindelijk zou hebben laten leiden door de meerdere

gemakkelijkheid, waarop hij een van beide voornemens had kunnen

volvoeren. Maar zijn noodlot had bepaald, dat hem geen keus zou worden

gelaten.

Op den avond van den zevenden dag ging de deur van de hut eensklaps

open, en twee Hooglanders traden binnen, die door Waverley herkend

werden als een deel te hebben uitgemaakt van het geleide, dat hem naar

de stulp had overgebracht. Zij spraken gedurende korten tijd met den

ouden man en diens medgezel, en gaven Waverley daarop, met zeer

duidelijke teekens, te verstaan, dat hij zich moest gereed maken hen te

vergezellen. Dit was eene blijde tijding. Hetgeen reeds voorgevallen

was gedurende zijn opsluiting, deed duidelijk zien dat men niets kwaads

met hem in den zin had, en zijn verbeeldingskracht, die gedurende zijn

rust veel van de veerkracht herwonnen had, aanvankelijk door angst,

teleurstelling en eene mengeling van onaangename gewaarwordingen

onderdrukt, werd later door gebrek aan opwekking tot last. Zijn liefde

voor het wonderbare – ofschoon het in den aard van zoodanige naturen

licht, om geprikkeld te worden door de maat van het gevaar, waaraan men

zich ziet blootgesteld – was bezweken onder de buitengewone en

oogenschijnlijk onoverkomelijke rampen, waardoor hij te Cairnvreckan

omringd scheen. In waarheid, uit deze mengeling van gespannen

nieuwsgierigheid en opgewonden verbeelding ontstaat eene bijzondere

soort van moed, welke eenigermate gelijkt op het licht, gewoonlijk door

een mijnwerker gedragen, en dat toereikend is om hem te midden der

gewone gevaren van zijn arbeid te geleiden en troost te schenken, maar

dat zeker uitdooft, indien hem het dreigende gevaar van aarddampen en

verpeste luchten overkomt. Het was trouwens nu weêr ontstoken, en met

een gemengde aandoening van hoop, vrees en verlangen zag Waverley op de

groep voor hem, terwijl zij, die zoo even waren aangekomen, in der

haast een maaltijd gebruikten, en de anderen hunne wapens opnamen, en

eenige toebereidselen maakten voor hun vertrek.

Terwijl hij in de berookte hut zat, op eenigen afstand van het vuur,

waar de overigen omheen zaten, gevoelde hij een zachten druk op zijn

arm. Hij zag om – het was Alice, de dochter van Donald Bean Lean. Zij

toonde hem een pak papieren op eene wijze, dat de beweging door niemand

anders werd opgemerkt, bracht haar vinger, tot een tweede teeken, aan

de lippen, en ging als ’t ware voort, de oude Janet behulpzaam te zijn

met Waverleys kleêren in zijn mantelzak in te pakken. Het was blijkbaar

haar wensch, dat hij geen teeken zou geven dat hij haar herkende;

nogtans zag zij bij herhaling naar hem om, als er zich een gelegenheid

opdeed om dit ongemerkt te doen, en toen zij ontwaarde dat hij zag wat

ze deed, vouwde ze het pakje met groote behendigheid en spoed in een

zijner hemden, die ze in den mantelzak stopte.

Hier was dus nieuw voedsel voor gissingen. Was Alice zijn onbekende

bewaakster? Was dit meisje uit het hol de beschermgeest, welke

gedurende zijne ziekte bij zijn bed had gewaakt? Was hij in handen van

haar vader? en zoo ja, wat was zijn voornemen? Roof, het gewone doel

van dezen ellendeling, scheen ditmaal uit het oog verloren te zijn;

want niet alleen was Waverleys eigendom hem terug gegeven, maar zelfs

zijn beurs, waardoor deze plunderaars van beroep in verzoeking konden

gebracht zijn, had men al dien tijd geduldig in zijn bezit gelaten. Het

pakje zou dit alles misschien verklaren, maar het bleek duidelijk uit

Alices wijze van handelen, dat zij verlangde dat hij het in het geheim

zou raadplegen. Ook zocht zij zijn oog niet meer, nadat ze overtuigd

was geworden, dat haar wenk opgemerkt en verstaan was. Integendeel

verliet ze kort daarna de hut, en slechts toen ze de deur uitging,

schonk zij, begunstigd door de duisternis, Waverley een afscheidslachje

en een beteekenisvollen knik, eer ze in het donkere dal verdween.

De jonge Hooglander werd herhaalde malen door zijn kameraden

uitgezonden, als ’t ware op kondschap. Ten laatste, toen hij voor de

derde of vierde maal terugkwam, stond de geheele troep op, en gaven ze

onzen held door teekens te verstaan dat hij volgen moest. Vóór zijn

vertrek echter reikte hij de hand aan de oude Janet, die hem zoo

ijverig en oplettend gedurende zijn ziekte had opgepast, terwijl hij er

tastbare blijken zijner dankbaarheid bijvoegde. „God zegene u! God

zende u voorspoed, kapitein Waverley!” zeide Janet in goed Laaglandsch

Schotsch, ofschoon hij haar tot hiertoe nooit een woord dan in het

Gaelsch had hooren uiten. Maar het ongeduld zijner metgezellen

veroorloofde hem niet eenige opheldering te vragen.

Waverley(#75933) · 第 83 / 156 题